Bijlage 2 archeologisch bureau en booronderzoek
Tekst van het document
Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase Parallelweg (ong.), kadastraal Batenburg D559, te Batenburg Gemeente Wijchen
KSP Archeologie
Colofon Versie Status KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie
: : : : : : :
1.1 Beoordeeld door de bevoegde overheid 20892 XXX (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven
: :
XXX (senior KNA Prospector) 31 augustus 2021
www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl
Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.
KSP Archeologie
2
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies (bureauonderzoek) 3 Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
5 7 7 7 7 8 8 10 10 11 15 17 22 22 25 26 26 26 26 27 28 30 30 31 31 33
Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 4 Figuur 2: Situatie in het plangebied op 3 maart 2021 tijdens het veldwerk, foto genomen vanuit het zuidwesten. 10 Figuur 3: Het plangebied op de stroomgordelkaart van de Rijn-Maasdelta (Cohen et al. 2012). 12 Figuur 4: Het plangebied op de zanddieptekaart van het Gelders en Overijssels rivierengebied (Cohen et al. 2009). 13 Figuur 5: Een uitsnede van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Wijchen (RAAPrapport 1828, 2009). 14 Figuur 6: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland, 3e generatie (bron: www.ahn.nl). 14 Figuur 7: Het plangebied op de kadastrale minuut rond 1828 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 17 Figuur 8: Fragment van de allesporenkaart van Zielman (2014). Het plangebied ligt en zuidwesten van spoor 6. 20 Figuur 9: Resultaten veldonderzoek (Boshoven 2016). Het huidige plangebied ligt net ten westen van het zuidelijke eindpunt van de rode stippelljin. 21 Figuur 10: N-Z profiel langs de boringen. De afstand is het aantal meter noordelijk van boring 1. 27 Figuur 11. Foto van de voor en achterzijde van een fragment steengoed in boring 1 tussen 60 en 70 cm-mv 28
Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 18 Tabel 2: Overzicht van de onderzoeksmeldingen (OM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 19 Tabel 3: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied. 23
KSP Archeologie
3
Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek
: : : : : : : : : : : :
20892 Pittiger in de Planologie, contactpersoon: XXX KSP Archeologie, XXX (senior KNA Prospector) Gemeente Wijchen Werkorganisatie Druten Wijchen XXX (Beleidsadviseur Archeologie) 4955154100 Gelderland Wijchen Parallelweg Batenburg (x) 171.630 (y) 425.970 Noordzijde Batenburg sectie C perceel 559 Maart 2021
Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).
KSP Archeologie
4
Samenvatting In opdracht van Pittiger in de Planologie heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Parallelweg ongenummerd in Batenburg, kadastraal Batenburg D 559 (gemeente Wijchen). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging waarbij aan de huidige bestemming ‘Wonen – Beeldbepalend’ de aanduidingen ‘bouwvlak’ en ‘zone aan- en/of uitbouwen alsmede bijgebouwen’ wordt toegevoegd. Het archeologisch onderzoek is er op gericht om te bepalen in hoeverre de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’ behouden moet blijven. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op de oever van een voormalige Maasmeander die direct ten oosten van het plangebied verwacht wordt, maar de ligging buiten de zone met de oudste mogelijke bewoningfase van Batenburg uit de 11e eeuw heeft het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode tussen het ontstaan van de Maasmeander (in de Vroege Middeleeuwen, maar mogelijk al in de Late IJzertijd) en de bedijking/het verlanden van de Maasmeander in de Volle Middeleeuwen (tot 1300).
De landschappelijke ligging voorafgaand aan de Late-IJzertijd is onduidelijk. Als de beddinggordel van de stroomgordel van Huisseling-Demen ter hoogte van het plangebied heeft gelegen, dan kan worden aangenomen dat deze rivierbedding de top van het pleistocene terras (en de eventuele resten ouder dan de Bronstijd) heeft geërodeerd en dat ter hoogte van de bedding (een actieve waterloop) ook geen bewoning mogelijk was totdat deze bedding verlaten werd op de overgang van de IJzertijd naar de Romeinse tijd. Lokaal is bij archeologisch booronderzoek voor de rioleringswerkzaamheden op een dieper niveau de laag van Wijchen waargenomen, waardoor bovenstaande verwachting voor de steentijd mogelijk niet opgaat. Er zijn echter geen aanwijzingen voor een Holocene rivierloop ouder dan die van Huisseling-Demen, waardoor binnen de Holocene afzettingen geen verwachting op een ouder niveau dat kansrijk is op archeologische vindplaatsen. Gezien de maaiveldhoogte en de onbebouwde positie op historisch kaartmateriaal vanaf het eind van de 18e eeuw lijkt het plangebied sinds de bedijking aan het eind van de Late Middeleeuwen niet binnen de opgehoogde kern van Batenburg te liggen. Het plangebied heeft daarom een lage verwachting voor de periode na de bedijking. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, (verkennende en) karterende fase.
In het merendeel van het plangebied zijn dikke humeuze lagen waargenomen met stadsafval met daaronder een laag waar de oeverafzettingen vermengd zijn met humeuze lagen. Vermoedelijk is dit het gevolg van verspoeling aan de rand van Maasmeander. In het zuidwesten van het plangebied is de vermoedelijke verspoeling en ophoging minder dik en komen de oeverafzettingen binnen 1 m-mv voor. Hier is een fragment Steengoed aangetroffen uit de periode 1400 – 1600 aan de onderzijde van het ophogingspakket met stadsafval. Hier is een groter deel van de oeverafzetting bewaard gebleven, maar hier is geen intact potentieel archeologisch niveau waargenomen in de top van de oeverafzetting of dieper in de oeverafzetting tot 2,5 m-mv en ook geen archeologische indicatoren die daarop wijzen. De middelhoge archeologische verwachting voor nederzettingen uit de periode Late IJzertijd tot en met Volle Middeleeuwen (tot 1300) kan daarom naar laag worden bijgesteld. Het aangetroffen pakket ophogingsmateriaal, inclusief het fragment Steengoed, past binnen de middeleeuwse stadsophoging en geeft geen aanleiding tot een verhoging van de lage verwachting voor een huisplaats uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Vanaf ca. 2 m -mv lijkt in de diepere ondergrond een mogelijke overgang naar beddingzand aanwezig te zijn.
Waarschijnlijk zal het plangebied daardoor ongeschikt zijn geweest voor bewoning door de aanwezigheid van een actieve rivierloop. Het is onduidelijk of deze rivierloop voor dermate veel erosie gezorgd heeft dat archeologische resten niet meer onder het beddingzand aanwezig kunnen zijn.
KSP Archeologie
5
Op grond van de bodemopbouw en het ontbreken van archeologische indicatoren voor een vindplaats adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek en om in het nieuwe bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming meer op te nemen ter hoogte van het onderzoeksgebied. In paragraaf 4.3 is een uitgebreider selectieadvies gegeven. Dit rapport is getoetst door de gemeente Wijchen, maar zij moet nog een selectieadvies/besluit nemen.
KSP Archeologie
6
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In opdracht van Pittiger in de Planologie heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Parallelweg ongenummerd in Batenburg, kadastraal Batenburg D 559 (gemeente Wijchen). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging waarbij aan de huidige bestemming ‘Wonen – Beeldbepalend’ de aanduidingen ‘bouwvlak’ en ‘zone aan- en/of uitbouwen alsmede bijgebouwen’ wordt toegevoegd. Het archeologisch onderzoek is er op gericht om te bepalen in hoeverre de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’ behouden moet blijven. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2
Afbakening plan- en onderzoeksgebied
Het plangebied waar aanduidingen aan de woonbestemming worden toegevoegd is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 640m2 groot en ligt aan de parallelweg in plaats (Figuur 1). Het terrein wordt in het noordoosten begrensd door de Parallelweg. Ten zuidoosten van het plangebied ligt een perceel met bebouwing van de Parallelweg 6. Het perceel ten noordwesten van het plangebied is onbebouwd. De zuidwestgrens van het plangebied valt samen met de noordoostgrens van de dijkbeschermingszone. De dijkbeschermingszone is tot aan de Ringdijk onderdeel van het gebied waar een nieuw bestemmingsplan voor wordt aangevraagd. Ter hoogte van de dijkbeschermingszone is een dubbelbestemming ‘waterstaatsdoeleinden’ aanwezig, die gehandhaafd zal blijven. Hier zijn geen bodemingrepen toegestaan. Deze zone is ook buiten het onderzoeksgebied voor het bureau- en booronderzoek gehouden, omdat booronderzoek in deze zones ook slechts onder bepaalde voorwaarden toegestaan is. 1.3
Overheidsbeleid
In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan ‘Batenburg’ (vastgesteld 10-11-2011) van de gemeente Wijchen geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’ (www.ruimtelijkeplannen.nl). Dit betekent dat bij een te bebouwen oppervlak groter dan 60 m²
KSP Archeologie
7
archeologisch onderzoek nodig is. Onderzoek is ook nodig als er bodemingrepen dieper dan 30 cm plaatsvinden over een oppervlak groter dan 60 m². Ophogingen tot 2 m zijn toegestaan, deze zullen door zetting e.d. niet voor een significante verstoring van het eventueel aanwezige archeologische bodemarchief zorgen. Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen waarschijnlijk worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk. In het kader van de bestemmingsplanwijziging is voor het plangebied gekozen voor een archeologisch vooronderzoek dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een (verkennend en) karterend booronderzoek. 1.4
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied zal een nieuwe woning worden gebouwd. De exacte aard en omvang van de toekomstige bodemverstoring is nog niet bekend. Voor het onderzoek is uitgegaan dat er geen kelder wordt aangelegd, waardoor boringen tot 2,0 m-mv voldoende informatie opleveren om een selectiebesluit te kunnen nemen. Voor zover bekend is binnen het plangebied geen bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal waarschijnlijk veranderen door de geplande activiteiten als het maaiveld gelijk getrokken wordt met de omliggende percelen met bebouwing. Het maaiveld in het plangebied ligt tussen 7,8 m+NAP aan de zuidzijde en 8,6 m+NAP (in en smalle strook) aan de noordzijde (www.ahn.nl), terwijl de omliggende percelen rond 8,6 m+NAP (perceel ten noordwesten) en 9,2 m +NAP (perceel ten zuidoosten) zijn gelegen. Waarschijnlijk zal het terrein daarom aan de straatzijde beperkt tot 60 cm worden opgehoogd, maar elders kunnen ophogingen tot 1,4 m voorkomen. Mogelijk dat een deel van de fundering daardoor niet dieper komt te liggen dan het huidige maaiveld of dat hiervoor niet meer dan 30 cm hoeft te worden afgegraven. Het plangebied kan in kader van de voorgenomen plannen van eigenaar veranderen. 1.5
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek.
KSP Archeologie
8
Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor goed uitgevoerd archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een gecombineerd verkennend en karterend onderzoek. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek. Tijdens de karterende fase worden de kansrijke zones binnen het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die wijzen op een vindplaats. Daarnaast wordt ook gekeken naar de bodemopbouw en de intactheid daarvan.
Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: • Verkennende fase: Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? • Karterende fase: Zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats? o Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische resten? o Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten? • Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? • In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?
KSP Archeologie
9
2
Bureauonderzoek
2.1
Huidige situatie
Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Huidige topografische kaart (Figuur 1); • Luchtfoto uit 2019 (via PDOK); • Grondwatertrappen op de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (via geoplaza.vu.nl); • Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten aanwezig; • Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; • Informatie over ondergrondse tanks (www.bodemloket.nl); • Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding); Het plangebied is momenteel niet bebouwd. In het plangebied komen diverse bomen voor (Figuur 2). Langs de noordgrens van het plangebied komt een waterleiding voor (KLIC-melding)
Figuur 2: Situatie in het plangebied op 3 maart 2021 tijdens het veldwerk, foto genomen vanuit het zuidwesten.
Aan de kaarteenheden op de bodemkaart (Bijlage 2) waren tot 2006 gemiddelde grondwaterstanden gekoppeld door middel van zogenaamde grondwatertrappen (I t/m VII). De grondwaterstand is niet gekarteerd binnen overige gebieden zoals dijken en opgehoogde huisplaatsen. Het gebied ten zuiden van dijk heeft een vergelijkbare maaiveldhoogte, maar is door de ligging buitendijks niet gekarteerd. Binnendijks buiten de opgehoogde delen staat een grondwatertrap VI gekarteerd. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 - 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen.
KSP Archeologie
10
2.2
Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens
Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Geologische overzichtskaart van Nederland schaal 1:600.000 (https://www.grondwatertools.nl/ geologische-overzichtskaart); • Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (BRO 2020, Maas e.a. 2017); • Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (BRO 2019); • Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN3 grid 0,5 x 0,5 m); Het plangebied ligt in het rivierengebied van het Land van Maas en Waal in het huidige stroomgebied van de Maas. De afzettingen die aan het oppervlak en in de ondiepe ondergrond liggen zijn afgezet in het Weichselien (ca. 115.000 tot 11.755 jaar geleden) en het Holoceen (vanaf ca. 11.755 jaar tot heden). In het Pleniglaciaal (75.000 tot 14.700 jaar geleden) is zowel door de Maas als de Rijn zand en grind afgezet binnen het plangebied. Hierdoor wordt het onderscheid tussen Maas- en Rijn afzettingen bemoeilijkt, waardoor de rivierafzettingenafzettingen uit het Weichselien tot de Formatie van Kreftenheye en die uit het Holoceen tot de Formatie van Echteld worden gerekend (De Mulder e.a. 2003). Het landschap is sterk beïnvloed door de tektoniek en het klimaat.
In het Kwartair (circa 1,81 miljoen jaar geleden – heden) zijn rivierterrassen van de Maas ontstaan, die bestaan uit enkele meters tot een tiental meters dikke pakketten grof zand en grind (Formatie van Beegden). Door tektonische opheffing van het gebied heeft de Maas zich steeds dieper ingesneden. Op relatief korte tijdschalen (10 3 – 105 jaren) is vooral de invloed van klimaatveranderingen belangrijk geweest. Door deze klimaatveranderingen trad een voortdurende afwisseling op tussen perioden met insnijding (voornamelijk tijdens interglacialen) en accumulatie (voornamelijk tijdens glacialen). Deze afwisseling leidde tot het ontstaan van terrasniveaus in het Maasdal (Berendsen 2005). In de relatief warme periode vanaf ca. 14.700-12.745 jaar geleden (Bølling-Allerød interstadiaal) waren de rivieren enigszins meanderend en zijn ook leem/klei afgezet onder andere de zogenaamde Laag van Wijchen. In de daar opvolgende periode, de Jonge Dryas (ca. 12.745 - 11.755 jaar geleden) is het klimaat zeer koud geworden, waardoor de rivier werd gekenmerkt door een vlechtend rivierpatroon (Figuur 3, nummers 706). Gezien de vorm van de omliggende eenheden kunnen onder de huidige Maas / Huisseling – Demen bedding (zie verderop) ook een beddinggordel uit die periode aanwezig zijn. De bedding lijkt op basis van de beschrijving van Cohen e.a.
(2012) over een periode tot mogelijk 9300 jaar geleden nog in gebruik te zijn geweest. Vanuit de vaak geheel of gedeeltelijk droogliggende, brede en ondiepe rivierbedding kon verstuiving optreden, waardoor langs de rivieren zogenaamde rivierduinen werden gevormd (Berendsen 2005). De rivierduinen bestaan uit matig goed gesorteerd, matig grof zand, dat scherp aanvoelt. De rivierduinen worden gerekend tot het Laagpakket van Delwijnen van de Formatie van Boxtel. Waar het zand als een dek werd afgezet is sprake van dekzand, waarbij het dekzand ook uit matig goed gesorteerd, matig grof zand bestaat dat scherp aanvoelt. Dit in tegenstelling tot het dekzand dat over grotere afstanden is getransporteerd en vaak een ander bron heeft, waar het zand bestaat uit zeer fijn tot matig fijn zand dat goed is gesorteerd en goed is afgerond. Het dekzand behoort tot het laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. Er worden geen rivierduinen in of nabij het plangebied verwacht op basis van de geomorfologische kaart (Bijlage 1) of de zanddieptekaart (Figuur 4). De pleistocene afzettingen zijn tijdens het Holoceen (de laatste 11.755 jaar) bedekt door jongere rivierafzettingen. Het klimaat is in deze periode warmer en vochtiger geworden, waardoor de Maas is gaan meanderen en zand en klei heeft afgezet.
De rivierafzettingen van meanderende rivieren kunnen worden onderverdeeld in stroomgordelafzettingen – bestaande uit bedding- en oeverafzettingen (zand en zandige klei) – en komafzettingen (zwak siltige klei, plaatselijk met veenlagen) (Berendsen 2005). Daarnaast worden restgeulvullingen (hoofdzakelijk klei- en veenlagen) en crevasseafzettingen (met
KSP Archeologie
11
uiteenlopende textuur, vaak zand) onderscheiden. De crevasseafzettingen ontstaan op plaatsen waar de oeverwal van de rivier is doorgebroken. De holocene rivierafzettingen worden tot de Formatie van Echteld gerekend (De Mulder et al. 2003). Ten zuiden van het plangebied ligt de beddinggordel van de Maas (Figuur 3, nummers 309). De meander 309 is actief vanaf de jaartelling tot op heden. De huidige Maas is ingesneden in / een voortzetting van de beddinggordel van Huisseling – Demen (nr. 75) die rond 3000 jaar BP ontstaan is. Vanuit deze meanders is mogelijk een dun pakket oever- en komafzettingen binnen het plangebied afgezet. Na de bedijking van de Maas en Waal in de Late Middeleeuwen heeft er afgezien van overstromingen ten gevolg van dijkdoorbraken geen sedimentatie meer plaatsgevonden in het Land van Maas en Waal. Binnen het plangebied ligt beddingzand van meander nr. 368 (Maas bovenstrooms van Velddriel). Deze meandergordel zou ook actief zijn vanaf de jaartelling tot heden en is ook een voortzetting van de beddinggordel van Huisseling-Demen. Bij stroomgordel 368 wordt een verwijzing gemaakt naar stroomgordel 101 (bedijkte delen van de Maas). Met stroomgordel 368 wordt daardoor waarschijnlijk bedoeld dat de sedimentatie in de periode tussen 2000 (ca. begin jaartelling) en 0 jaar (1950 na Chr.) geleden gestopt is door natuurlijke processen of bedijking.
Figuur 3: Het plangebied op de stroomgordelkaart van de Rijn-Maasdelta (Cohen et al. 2012).
KSP Archeologie
12
Figuur 4: Het plangebied op de zanddieptekaart van het Gelders en Overijssels rivierengebied (Cohen et al. 2009).
Op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Wijchen (Figuur 5, RAAP 2009), staat aangegeven dat er oude woongronden voorkomen (code Owg). Het gebied ten zuiden van de dijk met een vergelijkbare maaiveldhoogte (zie Figuur 6) is aangeduid met een bruingroene kleur zonder code. De meest overeenkomende kleur zijn zones ‘oud land binnen meandergordel van de huidige Maas’ (code RmMol, middelmatige verwachting voor vindplaatsen uit de late Middeleeuwen).1 Het merendeel van het buitendijkse gebied staat aangeduid als meandergordels van de huidige Maas met een lage verwachting voor alle perioden (code RmM, mintgroen). Een klein deel ten westen van het Batenburg staat aangeduid als ‘meandergordels van Huisseling-Demen (RmHD, middelmatige verwachting voor de periode Romeinse tijd tot en met late Middeleeuwen, laag voor overige perioden). Op de geomorfologische kaart staat het plangebied aangeduid als stroomrug of stroomgordel (fossiele oeverwal) (code B44, Bijlage 1). Dit zal de oever van de Maas zijn.
1 Bij de beoordeling van het rapport bevestigd het bevoegd gezag dat dit de correcte code is.
KSP Archeologie
13
Figuur 5: Een uitsnede van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Wijchen (RAAP-rapport 1828, 2009).
Figuur 6: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland, 3e generatie (bron: www.ahn.nl).
KSP Archeologie
14
Op de bodemkaart staat het plangebied gekarteerd als terp (Bijlage 2). De maaiveldhoogte van het plangebied is veelal niet anders dan de zone buiten de dijk. De antropogene ophoging zal daardoor veelal beperkt zijn. In het plangebied zal in de bovengrond sprake zijn van (zware) zavel (zandige klei) en lichte (sterk tot uiterst siltige) klei (Rd90C, Rm62C) ofwel lichte zavel (sterk zandige klei) (Rn15C). De ondergrond tot 1,2 m-mv zal vermoedelijk weinig daarvan afwijken (Rd90C, Rn15C) of deze bestaat uit zand (Rn62C). Het verschil tussen een textuur van sterk zandige klei en zand is daarnaast vaak zeer beperkt. Op basis van de zanddieptekaart wordt overal binnen 1,5 m-mv de top van het rivierzand verwacht (Cohen e.a. 2009, Figuur 4). Gezien de verwachte grondwaterstanden binnendijks kan het grondwater periodiek in delen van het plangebied binnen 40 tot 80 cm-mv voorkomen. In de zone die periodiek nat en droog is zullen ijzervlekken (gleyvlekken) voorkomen. Als deze binnen 50 cm beneden het maaiveld voorkomen is er sprake van een poldervaaggronden (Bodemcode die begint met Rn), als deze vanaf 50 cm of dieper voorkomen is er sprake van een ooivaaggrond (Code die begint met Rd). 2.3
Historische situatie en mogelijke verstoringen
Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl); • Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl); • Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl; • Cultuurhistorische regiobeschrijving Land van Maas en Waal (CultGIS/Haartsen 2009); • Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing; • Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): geen verwachting op specifieke resten uit WOII; • V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl): geen inslagen bekend die voor een bodemverstoring gezorgd kunnen hebben; • Uitgevoerd onderzoek niet gesprongen explosieven (https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/): Er is geen vooronderzoek bekend; • Topografische kaart van Nederland (Figuur 1); • Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing; • Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (www.bodemloket.nl): geen melding binnen het plangebied; • Luchtfoto uit 2019 (PDOK); • Geomorfologische kaart van Nederland: hierop
zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; • Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; • Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; • Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop lijkt alleen de noordrand van het plangebied onderdeel te zijn van de ophoging rondom de plaats Batenburg. • In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt. Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc.) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied.
KSP Archeologie
15
Het Land van Maas en Waal wordt aan de noordzijde begrensd door de rivier de Waal, in het oosten door het Maas- en Waalkanaal, in het zuiden door de rivier de Maas en in het westen door het Kanaal van Sint Andries (Haartsen 2009). Voor de inrichting en het gebruik van het landschap van het Land van Maas en Waal is de fysisch-geografische gesteldheid van het gebied (de donken (rivierduinen in de ondergrond), de stroomruggen van huidige en fossiele rivieren en de kommen) van groot belang geweest. De bodem bestaat voor het grootste deel uit zavel en klei die door de rivieren is afgezet. Hier en daar komen oudere afzettingen aan de oppervlakte, namelijk rivierduinen of donken en dekzand die aan het eind van het Pleistoceen zijn gevormd. Het plangebied ligt binnen deze oudere afzettingen. De oudste sporen van menselijke aanwezigheid vinden we op de rivierduinen en dekzandwelvingen die boven de omgeving uitsteken. In het begin van het Holoceen werden de lager gelegen delen van het gebied steeds natter, er vonden vaker overstromingen plaats, zodat de hoger gelegen pleistocene zandgronden geschikte vestigingsplaatsen waren. Op enkele plaatsen zijn op deze zandgronden vondsten uit het Mesolithicum aangetroffen. Het rivierengebied behoort tot de oudste cultuurlandschappen van ons land.
Men mag aannemen dat het gebied in ieder geval vanaf de Bronstijd, en misschien al vanaf het Neolithicum, permanent bewoond is geweest. Veel zichtbare sporen hebben deze oudste bewoningsfasen echter niet in het landschap achtergelaten. De inrichting van het cultuurland, waarvan we in het huidige landschap nog de belangrijkste kenmerken terugvinden, dateert in grote lijnen uit de Vroege Middeleeuwen (stroomruggronden) en de Late Middeleeuwen (kommen). De stroomruggronden waren vanouds in gebruik als woonplaats, als bouwland en als boomgaard, terwijl in de komgebieden wei- en hooilanden, eendenkooien en grienden werden aangetroffen. De uiterwaarden zijn vooral als weiland gebruikt. Volgens het historisch-landschappelijk informatiesysteem Histland behoort het plangebied tot de bebouwde kom. In CultGIS is Batenburg aangeduid als een vlek/stad met onbekende datering die ontstaan is als rivierkleiontginning. De dijk staat aangeduid als een element dat ontstaan is in de periode 1001 – 1949 na Chr. Haartsen (2009) vult aan dat Batenburg nooit stadsrechten heeft gehad. Voor 1400 had Batenburg al een omwalling en twee poortgebouwen. De ruïne van het kasteel Batenburg staat in CultGIS aangeduid als een buitenplaats die ontstaan is tussen 1601 en 1949 na Chr.
De stichting Geldersch Landschap en Kasteelen (https://www.glk.nl/landschappen-kastelen/locatie/batenburg) vult aan: “Op een steen die ooit boven de poort van het kasteel zat, staat dat Batenburg in het jaar 327 is gebouwd op de resten van een Romeinse tempel. Daar zijn nooit bewijzen van gevonden. Wel dat de geschiedenis van Batenburg teruggaat tot het midden van de 12e eeuw. Daarmee is het één van de oudste kastelen van Gelderland. Nu is er nog een ruïne van over.” Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Zowel op het minuutplan uit ca. 1821 (Figuur 7) als op jongere kaarten op topotijdreis.nl is het plangebied onbebouwd. Het toenamlige perceel D77 was rond 1821 groter, waardoor de perceelsgrens aan de westzijde van het plangebied van recentere datum zal zijn. De perceelsgrens ten oosten van het plangebied is nog gelijk aan de huidige situatie. De oorspronkelijke aanwijzende tafels voor sectie D van de toenmalige gemeente Batenburg zijn niet raadpleegbaar, waardoor het landgebruik en eigendom niet te achterhalen zijn. In 1828 staat langs de huidige Parallelweg, toen Achterstraat, weinig bebouwing. Op bonnebladen vanaf 1868 (geraadpleegd via topotijdreis.nl) staat het plangebeid gekarteerd als tuin/akker. De huidige eigenaar beschrijft de tuinen als ‘overtuinen’.
Na de Tweede Wereldoorlog komt ook geleidelijk aan bebouwing aan de Parallelweg te staan. Vanaf ca. 1978 staat nabij het plangebied bebouwing. Het plangebied is op historische kaarten geen erf geweest van een huis. Het behoort niet tot de historische bebouwde kern van Batenburg, die ligt meer ten noorden van het plangebied. Wanneer het plangebied bebost is geraakt is niet duidelijk op basis van de topografische kaarten. De dijk bij Batenburg maakt een wat apparte bocht, mogelijk was de Parallelweg vroeger een dijk.
KSP Archeologie
16
Figuur 7: Het plangebied op de kadastrale minuut rond 1828 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Binnen het plangebied zijn geen bodemverontreinigingen, saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan (www.bodemloket.nl). De bodem kan zijn aangetast door werkzaamheden door het eeuwenlange gebruik als akkerland en/of boomgaard. Gemiddeld reikt de bodembewerking ten behoeve van de landbouw tot 30 – 50 cm beneden maaiveld. Op basis van de historische ontwikkeling worden geen diepe bodemverstoringen verwacht. 2.4
Beschrijving van archeologische gegevens
Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl); • Beschermde archeologische Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl); • Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologische Informatiesysteem (Archis) (archis.cultureelerfgoed.nl); • Digitaal Archief (DANS) Rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://easy.dans.knaw.nl/); • Historische kaarten (zie paragraaf 2.3); • Gemeentelijke archeologische beleids- en verwachtingskaart (RAAP-rapport 1828, 2009). Het plangebied ligt binnen het AMK-terrein 13198 de stadskern van Batenburg. In tegenstelling tot Haartsen (2009) heeft Batenburg volgens de beschrijving van het AMK-terrein rond het jaar 1000 stadrechten gekregen en het zou hiermee de oudste stad van Gelderland zijn. “De stad maakte samen met Horssen en Leur deel uit van de heerlijkheid Batenburg; in 1162 horen we van Diederik van Batenburg die misschien dienstman was van de graaf van Gelre. De heerlijkheid kwam in 1272 in handen
KSP Archeologie
17
van de heren van Bronkhorst. De stad had een aantal rechten verkregen, waaronder dat van gruit, tol en munt. In 1250 is voor het eerst sprake van een kerk, die aan Willebrord was gewijd. In de 14 e of de 15e eeuw schijnt het stadje eens grotendeels door brand verwoest te zijn geweest.”2 Zoals al eerder besproken ligt het terrein veelal niet binnen de ophoging van de stad. Tuinen en erven van bebouwing liggen ten noorden van de Parallelweg en niet binnen het plangebied. Het terrein ligt daarmee in de periferie van de stadskern. De ca. 200 m ten noorden van het plangebied gelegen kasteelruïne (AMK terrein 12600) heeft niet een heel andere datering dan de beschrijving van de stichting Geldersch Landschap en Kasteelen. De Romeinse scherven en woongrond eromheen sluiten een eerdere tempel of andere activiteiten uit de Romeinse tijd niet uit. Binnen het plangebied zijn geen onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn twee AMK-terreinen, vier vondstlocaties (Tabel 1, Bijlage 3) en achttien onderzoeksmeldingen gemeld (Tabel 2, Bijlage 3). De meldingen liggen allemaal rond Batenburg in de gemeente Wijchen, tenzij anders vermeld in Tabel 1 en Tabel 2. AMK-terrein
Locatie
Aard terrein/waarde
Datering
13198
Binnen het plangebied
Stadskern van archeologische waarde
MEV-NTV
12600
Batenburg-centrum, 194 m ten NNO van het plangebied
Terrein met restanten van omgrachte ruïne van kasteel. Van oorsprong waarschijnlijk 12e eeuws. In 1794 is het door brand verwoest en niet meer herbouwd. Het terrein om het kasteel gekarteerd. (zie VM 2840008100)
MEL; ROM
Vondstmelding
Locatie
Type onderzoek
Aard vondstlocatie
Datering
VM 2727127100
74 m O ’t Klooster
Graafwerkzaamheden 1982
Vaatwerk Bakstenen 275 x 125 x 50 mm Vloer
1300-1400 MELB MELB
VM 2839386100
109 m NO N.H. Kerk
Opgraving 1982
Fundering tufstenen zaalkerkje (12 x 7,2 m) met daaronder fundering van kolenzandsteen. Muurwerk van een 14e eeuwse verlenging van de tufstenenzaalkerk Kapel (rond 1500) Herbouwingsfases 1612-1634
MEVDMELA MELB MELB-NTV NTV
VM 2840008100
306 m NO
Bodemkartering 1949
Oude woongrond en stroomruggrond met scherven handgevormd aardewerk
IJZL-ROM
VM 3108661100
176 m O R.K. Kerk
Graafwerkzaamheden 1873
10 kannen en 1 gladwandige kruik (complextype: begraving)
ROM
Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen en vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).
De vondstmeldingen liggen in het centrum van Batenburg of nabij de kasteelruïne en tonen aan dat zowel nabij de R.K Kerk als de kasteelruïne al bewoning was op de overgang van de IJzertijd naar de Romeinse tijd. Nabij de R.K. Kerk zijn mogelijk begravingsresten gevonden. De huidige N.H. Kerk heeft een tufstenen voorganger uit de Vroege Middeleeuwen D waarvan de funderingen bewaard zijn gebleven na de belegering van het kasteel in 1608, waarbij de kerk werd verwoest. De huidige kerk is in de 17e eeuw opnieuw opgebouwd.
2 Aanvulling bevoegd gezag: in andere publicaties wordt het jaar 1349 genoemd hiervoor. In een publicatie van Janus Kolen staat in
noot 11 de volgende opmerking: "Over de status van Batenburg als stad in de juridische zin bestaat onder historici twijfel. Er zijn geen documenten bekend waarin stadsrechten worden verleend. Wel is in een oorkonde uit 1470 sprake van 'die ondersaten, borgermeisteren, schepenen und gemeyne borgeren der stat van Batenborch'. Deze oorkonde is onder meer gezegeld met het enig bewaard gebleven zegel van de ingezetenen van de stad." (publicatie van J. Kolen in het tijdschrift Tweestromenland, nr. 185 (juni 2020).
KSP Archeologie
18
De onderzoeken in de kern van Batenburg betreffen onderzoeken voor de herinrichtingen van straten en riolen. Een ander deel betreffen onderzoeken voor werkzaamheden langs de Maas. De onderzoeken langs de Maas in de nabijheid van het plangebied hebben (nog) niet tot vindplaatsen geleid. Vondstmelding
Locatie
Type onderzoek
Resultaten
OM 2012333100
345 m O Liendensche Waard
Verkennend booronderzoek in 2000
Geen rapport in Archis en in DANS geen resultaten a.h.v. trefwoorden.
OM 2247972100
81 m ZW / 115 m ZW De Lymen
Bureauonderzoek in 2009
Geen rapport in Archis en in DANS geen resultaten a.h.v. trefwoorden.
OM 2249568100
366 m O Brandweerkazerne
Booronderzoek in 2009
Geen rapport in Archis en in DANS geen resultaten a.h.v. trefwoorden
OM 2272409100
483 m N Bredehof
Booronderzoek in 2010
Rapportmelding in Archis, maar rapport niet raadpleegbaar in Archis of DANS
OM 2295454100
348 m Z Middelwaard
Bureauonderzoek in 2010
Onderzoek in het kader van de voorbereiding MVO Maas 2e trance. Geen rapport in Archis en in DANS geen resultaten a.h.v. trefwoorden
OM 2352153100
1 m NO Parallelweg/Kruisstraat
Archeologische begeleiding in 2012
Flokstra (2012): Alleen onderzoek bij de kruising Parallelweg/Kruisstraat o.a. een begraven wegdek. zie tekst
OM 2402908100
1 m NO Parallelweg
Archeologische begeleiding in 2013
Zielman (2014). Zie tekst.
OM 2415139100
349 m ZW De Lijmen Oevertraject 20
Verkennend booronderzoek in 2013
De Kramer & Ganzenbeek (2013). Lage verwachting, geen vervolg
OM 2682107100
171 m N Hoppenhofstraat en Stadswal
Booronderzoek in 2015
Archeologische cultuurlaag top tussen 0,35 en 0,45 m-mv met scherfmateriaal uit de IJzertijd of Romeinse tijd en uit de Volle Middeleeuwen tot Nieuwe tijd.
OM 3999500100
56 m NO Kruisstraat/Kerkstraat/ Stadswal
Bureau- en karterend booronderzoek 2016
Boshoven (2016). Zie tekst. Plangebied ligt niet ter hoogte van de restgeul die in de Volle of Late Middeleeuwen is verland. Zie tekst.
Begeleiding in 2018
Hesseling (2020). Zie tekst. Deel van de oude kern nog in de 11e eeuw verspoeld.
350 m Z Demen-Dieden (Oss)
Bureauonderzoek 2016
Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische
Verkennend/karterend booronderzoek 2018
indicatoren aangetroffen.
OM 4009162100
262 m N Willibrordusstraat/ Hoppenhofstraat
Bureau en karterend booronderzoek 2016
In beide plangebieden zijn aanwijzingen gevonden voor de resten van een nederzettingsterrein (handgevormd aardwerk uit de IJzertijd). In het zuidelijke plangebied zijn deze aanwijzingen echter sterker.
OM 4585179100
361 m N Hoppenhofstraat
Proefsleuvenonderzoek 2018
OM 4596908100
172 m Z Natuurvriendelijke Maasoevers 4
Bureau- en verkennend booronderzoek 2018
Het onderzoek heeft geen archeologische vindplaats opgeleverd In deelgebied Batenburg blijkt sprake van relatief jonge oeverafzettingen. Verstoringen werden niet aangetroffen. Andere deelgebieden te ver weg
OM 4866524100
150 m Z De Lymen
Archeologische inspectie/begeleiding 2020
OM 2247980100
OM 4644113100 OM 4000113100 OM 4607315100
Geen sporen/vondsten
Tabel 2: Overzicht van de onderzoeksmeldingen (OM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).
Door de nabije ligging zijn de rioolbegeleidingen bij de Parallelweg uit 2012 (OM 2352153100, Flokstra (2012)) en 2013 (OM 2402908100, Zielman (2013)) het meest relevant. In 2012 blijkt enkel onderzoek uitgevoerd te zijn bij de kruising Parallelweg – Kruisstraat op ca. 50 m ten oosten van het plangebied.
KSP Archeologie
19
Uit Flokstra (2012) blijkt dat hier onder de bestrating een ophogingspakket van 85 tot 140 cm. In het ophogingspakket bevat keramiek, metaal, steen, onverbrand bot, leer, houtskool, verbrande leem en veel fosfaatvlekken. Onder het ophogingspakket is een gelaagde geulvulling (zand, klei en veenlagen) aanwezig met hierin veel archeologische indicatoren, zoals aardewerk, baksteen, natuursteen, leer en fosfaat. De vondst van Siegburg- en Andenner waar in de geulvulling geeft aan dat de geul in elk geval in de 13e-14e eeuw nog open moet hebben gelegen. Vanaf 2 m-mv zijn dikkere grindlagen aanwezig. Vermoed werd dat de Maasmeander door het zuidelijke gedeelte van Batenburg heeft gelopen. Op 1,1 m-mv (7,77 m+NAP) zijn gefragmenteerde kloostermoppen aangetroffen in een deel van een werkput en elders zijn rond 1,25 m-mv (7,92 m+NAP) een 10 -20 cm dikke laag veldkeien waargenomen. In 2013 is wel direct ten noorden van het plangebied archeologisch onderzoek uitgevoerd (Zielman 2014). Het gehele traject tussen de Ringdijk en de Kruisstraat en de Kruisstraat zijn begeleid. De profielopnames richten zich op de Kruisstraat, waar wederom begraven wegniveaus zijn aangetroffen. De interpretatie van een restgeul is bijgesteld, omdat er veelal al binnen 2 m-mv sprake is van kiezelrijk grof zand. Het gaat om oever- op bedding/rivierterrasafzettingen van de Maas. Het aantal grondsporen was beperkt.
Haaks op het plangebied (spoor 6) en parallel ten noordwesten van het plangebied (s7) zijn greppels waargenomen (Figuur 8). “Doordat deze grondsporen onder het oude riool tevoorschijn kwamen, kon de stratigrafische relatie van de sporen (vanuit welke laag deze grondsporen zijn ingegraven) helaas niet meer worden vastgelegd.”. Uit de vondstenlijst blijkt dat uit deze greppels geen vondsten zijn geborgen. KSP Archeologie trekt de conclusie dat de greppel niet overeenkomt met een perceelsgrens op de kadastrale minuut. In de sporenlijst komen geen spoorhoogtes voor. In algemene zin geldt: “De aangetroffen grondsporen tekenden zich pas af onder de verstoring van het bestaande riool, veelal vanaf een diepte van ca. 1,5 m -Mv”. Nabij het plangebied ligt de grens tussen ‘natuurlijke laag’ (blauw, spoor 1000) en ‘natuurlijke laag (rivierterras)’ (geel) (Figuur 8). Door het ontbreken van een profielopname nabij het plangebied is voor nu niet te achterhalen wat het verschil is. De herkomst van de ophogingspakket wordt alsvolgt geduid“ Het gaat waarschijnlijk om een stortplaats van grond van elders: de ophogingslagen bestaan uit een dik pakket rommelige lagen zandige klei met veel puin.
Dit puin kan overigens ook resten van verwoeste of gesloopte bebouwing van de aanliggende percelen betreffen.” Het ophogingspakket dateert uit de Nieuwe tijd (na 1500), maar bevat geen kenmerkende steengoed mineraalwaterflessen en porselein, waardoor de aangetroffen ophogingslagen mogelijk van voor de 17e eeuw zijn. In de geulopvulling zijn resten aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw. De geul kan ouder zijn, maar zal zeer waarschijnlijk in de 12e eeuw zijn opgevuld. De Ringdijk/stadwal dateert van later. Voorafgaand aan de aanleg van de stadwal (Ringdijk) bestond de omgeving van de Parallelweg uit ene laaggelegen, voor bewoning ongeschikt terrein, dat regelmatig overstroomde.
Figuur 8: Fragment van de allesporenkaart van Zielman (2014). Het plangebied ligt en zuidwesten van spoor 6.
KSP Archeologie
20
Ook in het gebied ten noorden van de Grootte straat zijn archeologische begeleidingen uitgevoerd (Hesseling 2020), nadat hier eerst een booronderzoek is uitgevoerd (Boshoven 2016). Boshoven concludeert op basis van de boringen dat globaal ten oosten van het huidige plangebied een restgeul heeft gelopen. Samen met de onderzoeken van o.a. Flokstra (2012) en Zielman (2014) is de westelijke begrenzing van de restgeul gereconstrueerd. Het huidige plangebied zou dan op een oeverwalpositie van de geul die opgevuld is in de Late Middeleeuwen gelegen hebben. De oudste bewoningsfase van Batenbuurg uit de 11e eeuw zoals gekarteerd in Figuur 9 ligt tussen de Sint-Victorkerk (huidige N.H. Kerk) en het kasteel. Door de aanwezigheid van de Laag van Wijchen (top 3,1 m-mv/5,0 m+NAP) wordt geconcludeerd dat kern van Batenburg mogelijk was gelegen op een pleistoceen rivierterras dat eventueel ook bedekt was met rivierduinzand. De rivierduin zou dan grotendeels geërodeerd zijn door de Maas. “Toekomstig onderzoek naar de bodemopbouw van de ondergrond in het westelijke deel van de historische kern van Batenburg kan wellicht deze vragen beantwoorden.”. Opgemerkt kan worden dat de ongedateerde sporen en de gele zone van Zielman (2014, Figuur 8) ten westen van de geul liggen. Figuur 9 bevat tevens boringen die gezet zijn door Flokstra (2012).
Uit Flokstra (2012) blijkt de bodemopbouw in boring 4 te bestaan uit een pakket opgebrachte grond tot 100 cm mv (7,87 m+NAP). Daaronder komen zandige/kleiige geulafzetingen voor tot de einddiepte van de boring op 2,85 m-mv/ 6,02 m+NAP. De bovenste helft van dit pakket tot 2,25 m-mv (6,6 m +NAP) bevat archeologische indicatoren, o.a. onbepaalde fragmenten bouwpuin en enkele spikkels houtskool.
Figuur 9: Resultaten veldonderzoek (Boshoven 2016). Het huidige plangebied ligt net ten westen van het zuidelijke eindpunt van de rode stippelljin.
KSP Archeologie
21
Uit de archeologische begeleiding van de rioleringwerkzaamheden in het plangebied op Figuur 9 blijkt dat in de oudste bewoningsfase een extensieve begeleiding heeft plaatsgevonden (hier werd het archeologisch niveau niet bedreigd) en dat de intensieve begeleiding en proefsleuvenonderzoek zich richtte op de Kruisstraat. Hesseling (2020). Hesseling (2020) bevat o.a. een uitgebreide historisch geografische beschouwing met o.a. een kaart uit de periode 1776-1778. Deze laat voor het plangebied en de directe omgeving een vergelijkbaar beeld zien als de kadastrale minuut van ca. 50 jaar later. De Ringdijk is op deze kaart aanwezig, maar de kaart is te onbetrouwbaar om uitspraken te doen over de aan/afwezigheid van de Parallelweg. De synthese van Hesseling (2020) geeft aan dat de oudste vermeldingen van Batenburg uit het einde van de 11e eeuw komen. In of na die tijd is een motteheuvel opgeworpen met burcht en de Oude Sint Victorkerk (huidige N.H. Kerk) is ook in de tijd gesticht. Tijdens de begeleiding is dieper dan 2 m-mv (NAP hoogte wordt niet vermeld) een oud loopniveau aangetroffen met handgevormd aardewerk uit de IJzertijd, waardoor ter hoogte van de kern van Batenburg ook al bewoning in de IJzertijd vermoed wordt. Tijdens de begeleiding zijn hergebruikte Romeinse tegulae waargenomen, maar geen Romeinse sporen en vondsten.
Er is een cultuurlaag boven het loopniveau uit de IJzertijd waargenomen met 11e eeuws materiaal. De cultuurlaag uit de 11e eeuw is lokaal verspoeld door de Maasloop. De Maasloop lijkt net voor de 14e eeuw te zijn verland. De restgeul is daarna gevuld met o.a. afval van de stad. Het vondstmateriaal uit de gedempte restgeul toont aan dat Batenburg een welvarende stad met nodige luxe was in de 14e eeuw. Ter hoogte van het deel dat als oudste bewoningsfase van Batenburg staat aangeduid zijn onder de middeleeuwse ophogingslaag oeverafzettingen waargenomen tot 0,9 m-mv en 1,4 m-mv (ca. 5,8 m +NAP). Daaronder lijkt zand aanwezig te zijn op de foto’s. In de oeverafzettingen zijn houtskool en fosfaatvlekken waargenomen. Op een dieper niveau rond 6 m+NAP is een stilstandsfase in de oevervorming waargenomen in de vorm van een vegetatieniveau. Bij de N.H. kerk zijn lichtgrijze zandlagen aangetroffen die onder invloed van water gevormd zijn en mogelijk een relatie hebben met een gracht/waterloop. In het deel van de oudste bewoningsfase is ook het IJzertijd niveau waargenomen, muuwerk van hoogstwaarschijnlijk de Katentoren of de Bergharense poort en drie waterputten en divers andere muurresten. Hesseling (2020) gaat verder niet in op de ligging van het plangebied op een pleistoceen rivierterras met mogelijk een rivierduin.
Vermoedelijk reikten de ingrepen niet tot die diepte om daar uitspraken over te kunnen doen. De zone met een oude woongrond op Figuur 5 (incl. het plangebied) heeft een hoge archeologische verwachting op de gemeentelijke archeologische beleidskaart opgemaakt door RAAP uit 2009. Rondom de kruising Parallelweg/Kruisstraat was toen nog een AMK-terrein aanwezig. Het plangebied ligt binnen een attentiezone van 50 m rondom dit (voormalige) AMK-terrein, waardoor er een verhoogde verwachting geldt. Dit is echter niet overgenomen in het bestemmingsplan, omdat deze volgens de gemeentelijk archeoloog nog net uiting van de gemeentelijke archeologische beleidskaart uit 2002. 2.5
Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden
Aangezien het plangebied momenteel onbebouwd is, zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend (paragraaf 2.1). Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3) en de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) worden deze ook niet specifiek verwacht. 2.6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is aan het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend. Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 3). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht.
KSP Archeologie
22
Periode
Landschap
Pleistocene riviervlakte en vroeg LaatHolocene Paleolithicum – komvlakte van Neolithicum op grotere afstand gelegen rivieren Actieve Bronstijd tot en beddinggordel met Middenvan HuisselingIJzertijd Demen en de huidige Maas (Late IJzertijd of Vroege Middeleeuwen) (bedijkte) Oever tot Volle van de Middeleeuwen stroomgordel van de Maas Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd
Verwachting
Verwachte kenmerken vindplaats
Onbekend
Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen
Laag
Middelhoog
Laag
Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen Begravingsresten: kringgreppel, fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, bakstenen, fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen
Diepteligging sporen
Geërodeerd ter hoogte van de stroomgordel van HuisselingDemen, maar lokaal in de omgeving nog intact.
Onder een pakket oeverafzettingen van de stroomgordel van de Maas, vanaf ca. 1,0 m diep Direct onder de bouwvoor (vanaf ca. 30 cm beneden maaiveld) of onder het ophogingspakket (vanaf ca. 1 m-mv). Vanaf maaiveld tot diep in de oeverafzettingen
Tabel 3: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
Het huidige landschap rond het onderzoeksgebied is ontstaan tijdens het Holoceen en is beïnvloed door verschillende Rijntakken. Het rivierenlandschap is voortdurend veranderd en dat heeft een grote invloed gehad op de keuze voor bewoningslocaties voor met name de prehistorische mens. Vooral de hoger gelegen pleistocene terrasresten, rivierduinen, oevers van rivieren en verlaten stroomgordels werden uitgekozen als nederzettingslocatie. Stroomgordels zijn relatief hooggelegen gronden tussen laaggelegen komgebieden. De stroomgordels zijn daarom aantrekkelijke vestigingsplaatsen voor mensen. Tijdens de actieve fase van de stroomgordel kan bewoning hebben plaatsgevonden op de oeverwal langs de geul, na het verlanden van de stroomgordel kan ook of juist de beddinggordel van de fossiele rivierloop een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn. In de ondergrond van het plangebied is de Huisseling-Demen stroomgordel gekarteerd die beddingzand heeft afgezet in de periode vanaf de Bronstijd tot in de Romeinse tijd. De top van dit zand wordt op basis van de zanddieptekaart (Figuur 4) verwacht tussen 1,0 en 1,5 m-mv.
Op basis van het onderzoek van de rioolbegeleidingen (samengevat door Boshoven 2016 in Figuur 9) blijkt dat in de boringen nabij en ten westen van het plangebied binnen 2,5 m vaak nog geen zandlaag (bedding) is waargenomen, maar zandlagen met kleilaagjes of zandige tot sterk siltige klei (oeverafzettingen). Op basis van de datering van deze stroomgordel kunnen archeologische resten voorkomen vanaf de Bronstijd. Aangenomen wordt dat deze stroomgordel is gefundeerd tot in het pleistocene zand. Dit betekent dat eventuele archeologische resten uit de voorgaande periode geërodeerd zullen zijn. Daarom worden in principe in het plangebied geen vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum verwacht. Archeologisch booronderzoek bij de rioolbegeleidingen toonde echter aan dat lokaal de zogenaamde Laag van Wijchen lokaal intact is. En er wordt gesuggereerd dat er daarom ook rivierduinzand kan zijn afgezet ter hoogte van Batenburg. Tijdens de actieve fase van de rivierloop van de stroomgordel van Huisseling-Demen worden geen vindplaatsen verwacht ter hoogte van de beddinggordel. De opvolger van deze rivier is de huidige Maas. Op basis van nabijgelegen onderzoeken voor de rioolbegeleiding is de verwachting dat het plangebied op de oever heeft gelegen van een Maasloop die direct ten oosten van het plangebied heeft gelegen.
Deze Maasloop is op basis van de vulling met 14e eeuws stadsafval van Batenburg nog watervoerend tot in de Late Middeleeuwen.
KSP Archeologie
23
Het plangebied ligt binnen de op basis van Boshoven (2016) gekarteerde oeverzone van de Maasmeander, maar buiten de oudste bewoningsfase van Batenburg uit de 11e eeuw. Deze oudste bewoningsfase is ook de zone waar tot nu toe de meeste aanwijzingen gevonden zijn voor menselijke activiteit in de IJzertijd en Romeinse tijd. Aan het plangebied is daarom een middelhoge verwachting toegekend voor nederzettingen en begravingen uit de periode tussen het ontstaan van de Maasmeander (in de Vroege Middeleeuwen, maar mogelijk al in de Late IJzertijd) en de bedijking/het verlanden van de Maasmeander in de Volle Middeleeuwen (tot 1300) 1. 2. 3.
4. 5.
6. 7.
8.
Datering: Late-IJzertijd tot Volle Middeleeuwen (tot 1300) of Vroege Middeleeuwen en Volle Middeleeuwen. Complextype: Nederzetting en/of grafveld. Omvang: Nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau wordt in de top van de stroomgordelafzettingen (meestal de oeverafzettingen) verwacht (ca. 30 à 100 cm -mv). Gaafheid en conservering: als sprake is van een afdekkende ophogingslaag (noordelijke rand vna het plangebied) dan zullen de archeologische grondsporen en vondsten goed bewaard zijn gebleven. Als ze dicht aan het oppervlak liggen dan kan het vondstenniveau en (een deel van) het sporenniveau zijn opgenomen in de bovengrond. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: de nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen. Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d. De sporen kunnen diep in de bodem reiken.
Daarnaast kan sprake zijn van een archeologische laag (oude woongrond) met indicatoren zoals fragmenten aardewerk, houtskool en fosfaat. Mogelijke verstoringen: het terrein is tot op heden onbebouwd gebleven en in gebruik als landbouwgrond en/of boomgaard. Naar verwachting is ca. de bovenste 30 cm van de bodem door landbewerking gemengd. Er zijn geen aanwijzingen dat sprake is van (diepe) bodemverstoringen.
In de Late Middeleeuwen zijn dijken langs de rivier aangelegd. De bedijking nabij het plangebied in de vorm van de Ringdijk kan pas zijn ontstaan nadat de Maasloop ten oosten van het plangebied verlandde. Aangezien deze verlande rivierloop in/vanaf de 14 e eeuw is opgevuld met stadsafval zal de bedijking in de 14e of 15e eeuw hebben plaatsgevonden. Na de bedijking langs de Maas werd het gehele achterland beschermd, maar er vonden nog wel regelmatig dijkdoorbraken plaats waarbij het gebied overstroomde. De (laatmiddeleeuwse) bewoning bleef zich daarom concentreren op de hogere delen in het landschap en er werden (nieuwe) opgehoogde woonplaatsen aangelegd. Op basis van historische kaartmateriaal uit het einde van de 18e eeuw is duidelijk dat het plangebied in de afgelopen eeuwen niet tot de historische bebouwde kern van Batenburg hoorde. De kans lijkt klein dat in de periode tussen de bedijking en het einde van de 18e eeuw wel bebouwing in het plangebied heeft gestaan. Het plangebied lijkt dan in gebruik als moestuin. De moestuinen werden bemest met stadsafval. Deze ophogingslaag kan in het noorden van het plangebied rond de meter dik zijn, in het zuiden wordt een beperkte ophoging verwacht.