Bijlage 10: Opgraving De Meesterplaats, Don Emanuelstraat (RAAP-rapport 3983)
Tekst van het document
5.2 Archeologische achtergrond De omvang van de middeleeuwse nederzetting en de lange bewoningsgeschiedenis op de Wijchense locatie van het rivierduin worden duidelijk door de archeologische opgravingen en waarnemingen in de directe omgeving van het plangebied. De drie belangrijkste archeologische onderzoeken die hier van toepassing zijn bevinden zich ten westen, noordwesten èn ten zuidoosten van het plangebied. In de jaren 1990-1991 zijn op en rond de Marktpromenade in Wijchen opgravingen uitgevoerd door de toenmalige ROB (Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek).
18
Hierbij zijn een Merovingisch
grafveld en nederzettingssporen vanaf de Karolingische tijd tot in de nieuwe tijd aangetroffen. De jongste begravingen op het grafveld dateren tot circa 610 -640 na Chr. De eerste nederzettingssporen dateren echter pas vanaf de achtste eeuw. De theorie is dat het begraven in de tweede helft va n de zevende eeuw is verplaatst richting de Antonius Abt kerk, enkele tientallen meters ten zuidoosten van het grafveld. Of in de zevende eeuw op deze plek al een kerk stond of dat de aanleg van graven eerder plaatsvond dan de bouw van een kerk is niet bekend. De nederzettingssporen onder de Markt zijn helaas nooit uitgewerkt in een rapportage, maar ze zijn talrijk en dateren vanaf de laat-Karolingische tijd tot in de nieuwe tijd (850-1900). Tijdens de graafwerkzaamheden voor de bouw van de parkeerkelder aa n de noordwestelijke zijde, direct grenzend aan het plangebied, zijn door AWN amateurarcheologen in 1992 maar liefst 24 e
e
waterputten uit de Karolingische tijd èn de 12 tot 14 eeuw opgegraven.
18 19
19
Daarnaast is ook nog een
Heeren & Hazenberg 2010. Tuyn 1992.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[36]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
e
stenen beerput uit de vroeg 15 eeuw opgegraven die het afval van een redelijk welvarend huishouden bezat (zoals de aanwezigheid van een drinkglas laat zien), maar de resten van de bijbehorende woning zijn niet aangetroffen. Ten zuidoosten van het plangebied zijn in het najaar van 2015 groo tschalige opgravingen uitgevoerd op het terrein Oostflank.
20
Hierbij zijn onder andere paalkuilen, kuilen en waterputten van een
volmiddeleeuwse nederzetting blootgelegd aan de noordzijde van dit plangebied, langs de Oosterweg. De sporen dateren in dit gebied tussen 950-1250 na Chr. met een mogelijke doorloop tot in de late middeleeuwen. In tabel 11 zijn de diverse spoorcategorieën van vindplaats 2 op De Meesterplaats weergegeven met hun (grove) dateringen.
Spooraard Greppel Kuil Bodem- en cultuurlagen divers Paalkuil Verstoringen
aantal
Waterput Subtotaal
periode 1 MEVD-MELB 53 MEVD-MELB 15* X
datering 1000-1250 na Chr. 900-1300 na Chr.
139 MEVD-MELB 26 (SUB-) RECENT 5 MEVD-MELB 260
900-1300 na Chr. 1900-heden 900-1300 na Chr.
Tabel 11. Aantal sporen per spoorcategorie in vindplaats 2. *er zijn 15 spoornummers uitgedeeld aan 7 afzonderlijke bodem- en cultuurlagen.
De sporen waren goed herkenbaar en liggen verspreid door het onderzoeksgebied. In combinatie met andere waarnemingen en opgravingen in het centrum levert de opgraving in plangebied De Meesterplaats een bijdrage aan nieuwe kennis omtrent de lokalisering en ontwikkeling van de volmiddeleeuwse kern van Wijchen.
5.3 Structuren In het onderzoeksgebied zijn twee helften van twee afzonderlijke gebouwstructuren aangetroffen , in de tekst worden ze als woonhuis behandeld. Beide huisplattegronden zijn noordoost-zuidwest gelegen en liggen haaks op de Oosterweg. De Oosterweg wordt gezien als een van de oudste verbindingsassen in Wijchen en de weg leidt naar de middeleeuwse kerklocatie ten zuidwesten van het plangebied. Naast de huizen zijn nog de sporen van vijf waterputten en een bijgebouw aangetroffen. De datering van de structuren is ondanks het vele vondstmateriaal niet eenvoudig gebleken. Er lijkt een grote hoeveelheid opgespit ouder materiaal in het vondstenassemblage aanwezig te zijn waardoor dateringen van bijvoorbeeld het middeleeuwse aardewerkassemblage uiteen vallen van 500 tot 1350 na Chr. Daarbij is veel handgevormd kogelpot- en blauwgrijs aardewerk gevonden waarvan de
20
Van Kampen 2017.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[37]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
dateringsrange in het eerste geval wel een periode van 500 jaar kan beslaan. Op basis van de locatie van het aardewerk in het spoor (kern, insteek, nazak of uitgraafkuil) is getracht een zo nauwkeurig mogelijke datering aan de structuren en de sporen te geven. In tabel 12 zijn de afmetingen en dieptes van de gebouwstructuren opgenomen en in figuur 19 is een structurenkaart van vindplaats 2 afgebeeld.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[38]
Figuur 19. Overzicht volmiddeleeuwse structuren van vindplaats 2: twee woonhuizen, een spieker en vijf waterputten.
5.3.1 Gebouwstructuur 1 (woonhuis) met bijgebouw en waterput Gebouwstructuur 1 (STR1) is gelegen langs de westzijde van het onderzoeksgebied en wordt deels e
verstoord door de funderingen van een laat 20 -eeuws gebouw (zie ook figuur 20). De helft van de huisplattegrond gaat verloren in de verstoringen buiten het onderzoeksgebied. De oostelijke helft van de huisplattegrond is herkenbaar aan de negen staanders, waarvan twee staanders op elke kopse kant en vijf staanders in de lengterichting waardoor minimaal vijf gebinten aanwezig zijn . Het is daarbij niet uitgesloten dat meer staanders aanwezig waren in de noordoostelijke hoek, maar door de verstoringen is dit niet meer te achterhalen. De afstand tussen de staanders is gemeten vanaf de kern van de paalkuil en is sterk wisselend, van 3 tot 1,5 m tussenruimte. In de oostelijke wand van het huis staan de staanders op drie plekken 3m uit elkaar, maar tussen paalkuilen 211-226-227 loopt een recente verstoring waardoor paalkuilen hier gemist kunnen zijn. Gezien de geringe afstand tussen de gebintpalen S200 -201-202 / 227-228 lijkt het aannemelijk dat op de locaties van de verstoringen paalkuilen gelegen moeten hebben. Het ongestoorde vlak tussen paalkuilen S202-211 lijkt daardoor ook een daadwerkelijke opening van 3 m breed te zijn geweest in het gebouw. Dit kan wijzen op een mogelijke ingang aan deze kant van het gebouw. Deze breedte zou voldoende zijn om een kleine kar door te laten.
De paalkuilen hebben in enkele gevallen een uitgraafkuil wat impliceert dat het gebouw is ontmanteld toen het buiten gebruik raakte (zie ook figuur 21 en figuur 22). Er zijn geen concrete aanwijzingen voor een afbranden van het gebouw. Het gebouw kan gezien zijn omvang en uiterlijk vermoedelijk als woonhuis worden getypeerd.
Figuur 20. Structuur 1 met palen M en N en kuil S214, datering 1050 -1125. De zwarte pijl geeft een mogelijke ingang aan.
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
Figuur 21. Staander S202; 0:kern of uitgraafkuil, 1:insteek , 2:insteek.
Figuur 22. Staander S226; 0: uitgraafkuil, 1: kern, 2: insteek, 3: insteek, 4: insteek.
Datering In de insteek van paalkuil S202 is handgevormd kogelpot aardewerk aangetroffen, maar ook scherven van een Pingsdorf-pot waardoor de datering van deze paalkuil tussen 1050 -1125 ligt. Het aardewerk in
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[41]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
de andere sporen van de gebouwstructuur bevestigen deze d atering en maken het aannemelijk dat de datering van de bouw van het huis in deze periode gezocht moet worden. Interne indeling Binnen de huisplattegrond van structuur 1 zijn in de zuidelijke kopse kant van het huis, gelegen bij de mogelijke ingang, meerdere paalkuilen aanwezig.
21
Wat de functie van de palen is geweest valt moeilijk
te achterhalen, maar ondanks het ontbreken van spinstenen en weefg ewichten zou het misschien om minimaal twee palen van het frame van een weefgetouw kunnen gaan. De sporen S207 en S210 komen hiervoor in aanmerking, omdat ze op 2,5 m uit elkaar zijn geplaatst, dwars op de lengterichting en precies naast de ingang. In de buurt van de ingang was over het algemeen de beste lichtinval om te weven. De palen stonden slechts 10 tot 40 cm diep in de grond, dit is tevens een aanwijzing dat het geen zware constructie kan zijn geweest en daardoor ook hoogstwaarschijnlijk geen onderdeel van de gebouwconstructie. Vondstmateriaal in deze paalkuilen bewijst dat de palen gelijktijdig met gebouwstructuur 1 ontstaan zijn. Bij opgravingen in Lieshout (NB) is de theorie voor de aanwezigheid van een weefgetouw bij de zuidoostelijke ingang in een huis al ontwikkeld voor de Romeinse tijd en de volle middeleeuwen (zie ook figuur 23).
22
Voor de middeleeuwen wordt de theorie in Zuid-Nederland
ook gehandhaafd door archeologe Antoinette Huijbers.
23
De specifieke palen worden door Huijbers in
haar typologie van middeleeuwse huizen in Zuid-Nederland getypeerd als palen M en N.
Figuur 23. Huis type H2 uit de opgraving in Lieshout Nieuwenhof -Noord. Aan de zuidelijke kopse kant van het gebouw zijn de paalsporen M en N zichtbaar in het interieur. (bron: V an der Weerden / Brouwer 2015)
21
Het gaat om sporen 207 en 210. Van der W eerden / Brouwer (2015), p. 117 en p. 249. De opgraving Lieshout Nieuwenhof -Noord leverde een huisplattegrond van het type H2 op (structuur 1). Het huis wordt gedateerd tussen 1150 -1200 en heeft bij de zuidoostelijke ingang twee typisch geplaatste palen die mogelijk de locatie van een weefgetouw voorstellen. 23 Huijbers (2007), p 106. 22
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[42]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
In structuur 1 ligt op 1,2 m van paalspoor S210 en op 2 m van staander S226 een kuil in het huis. De kuil heeft een afgeronde vierkante vorm en meet 1,8 x 1,8 m (zie ook figuur 24). Deze kuil is meermaals uitgegraven geweest en bevat houtskoolinclusies. Rond de kuil zijn verschillende ondiepere paalkuilen aanwezig, maar of deze iets met de kuil te maken hebben valt niet te zeggen. In de jongste vulling is het meeste vondstmateriaal verzameld, bestaande uit vijftien aardewerkscherven, twee stukken verbrande leem en drie middelgrote stukken smeedhaardslak. De functie van de kuil blijft desondanks onduidelijk. De datering valt tussen 900-1200 op basis van verschillende soorten aardewerk in vulling 0, zoals Pingsdorf, blauwgrijze kogelpot en Duisburgs aardewer k. En uit vulling 2 komt een scherf Duisburgs aardewerk daterend tussen 900 -1050. De kuil kan gefunctioneerd hebben tijdens het gebruik van het woonhuis.
Figuur 24. Kuil S214 in doorsnede, zichtbaar is dat de kuil meerdere malen is uitgegraven geweest, waarbij vulling 2 het oudste dateert.
Waterput S190 Ten zuiden van STR1 is een waterput (S190-S192) aanwezig die mogelijk bij het erf van het woonhuis heeft gehoord aangezien de put slechts op 1,5 m afstand van het huis ligt. De put was 2 m diep ingegraven vanaf het middeleeuwse maaiveldniveau (vlak 1) en heeft een uitgeholde boomstam als putmantel gehad, het hout was vrijwel volledig vergaan (zie ook figuur 25). De put is geslagen tot op een pleistocene grindlaag, door de Laag van Wijchen heen. Enkele scherven van reliëfbandamforen uit de onderkant van de uitgraafkuil van de waterput duiden op een datering rond 1100 voor de ontmanteling van de put. Hierdoor zou de waterput mogelijk nog dienst kunnen hebben gedaan als watervoorziening voor de bewoners van het woonhuis (STR1). Spieker In de zuidwestzijde van het onderzoeksgebied is op ca.5 m van structuur 1 een grote spieker (STR3) gelegen, een opslagschuur met vier vrij grote palen
24
24
voor opslag van graan of andere gewassen of
Het gaat om sporen 5, 13, 91 en 37/38.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[43]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
producten. De spieker is vierkant van vorm en heeft relatief forse palen voor een klein bijgebouw (zie tabel 12 en figuur 19) welke vergelijkbaar zijn met de staanders van de huizen. Deze stevige constructie wijst mogelijk op een verhoogd vloerniveau voor de opslag van de spullen buiten het bereik van muizen en ander ongedierte. Aardewerk in de paalkuilen geeft een ruime datering tussen 1000 1150, de spieker kan daarmee mogelijk bij het erf van STR1 hebben gehoord.
Figuur 25. Tekening van waterput S190-S192.
Figuur 26. Restanten van de boomstam in waterput S190.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[44]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
5.3.2 Gebouwstructuur 2 (woonhuis) met waterput Structuur 2 (STR2) is de westelijke helft van een woonhuis en bestaat uit een palenrij van acht staanders met een rijtje van vier wandpalen parallel aan de staanders langs de zuidwestzijde. De afstand tussen de staanders varieert sterk van 0,6 tot 1,4 m en de staanders liggen niet geheel recht op één lijn. In het midden van de wand, tussen paalkuilen S135 en S107 is een mogelijke ingang aanwezig vanwege de aanwezige parallelle palen aan de binnenzijde van de huisplattegrond, namelijk S134 en S101.
25
Deze twee palen zijn tevens mogelijk een aanwijzing dat er een t weedeling aanwezig
is tussen een woon- en stalgedeelte.
Figuur 27. Structuur 2 (woonhuis) zoals gereconstrueerd met gebintpalen en wandpalen, datering 950-1100. Aan de zuidwestzijde is de waterput gelegen die vermoedelijk bij het woonhuis hoorde.
Opvallend is de aanwezigheid van grote hoeveelheden verbrande leembrokken in de p aalkuilen van de huisplattegrond. De leem is voornamelijk afkomstig van wanden en in de fragmenten zijn afdrukken van vlechtwerk zichtbaar waarmee de hoofdstructuur van de wand is gevormd (zie ook paragraaf 1.1.1 voor een analyse van de verbrande leem). De depositie van de verbrande leem in de paalkuilen doet
25
Paalkuil S106 is hierbij een deel van de insteek van pa alspoor S107, maar S107 is de oorspronkelijke locatie van de gebintpaal geweest.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[45]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
vermoeden dat het gebouw is afgebrand en dat de verbrande rest en in de paalkuilen zijn geschoven na de brand. Er zijn geen aanwijzingen dat op dezelfde plek een nieuw gebouw is neergezet. Datering De datering van huis 2 was moeilijk te bepalen om de redenen zoals eerder genoemd in paragraaf 5.1. Op basis van o.a. Pingsdorf aardewerk, kogelpot en blauwgrijs aardewerk in combinatie met de locatie van specifieke scherven in zowel de kernen als de insteek van meerdere paalkuilen kan de bouw van het woonhuis gedateerd worden tussen 950-1100. Het is wel zeker dat het gebouw vóór 1200 ontmanteld is, omdat het aardewerkassemblage in de sporen niet later kan dateren. Het is niet uitgesloten dat beide woonhuizen tegelijk hebben bestaan en in dat geval moet dat rond 1050 zijn geweest (zie ook paragraaf 5.5.1.). Alleen afgaand op het aardewerk is het tegelijk ook mogelijk dat woonhuis STR2 een fase ouder is dan huis STR1 en dat de huizen elkaars opvolger zijn. Door de ruime dateringsrange en de fragmentatie en diversiteit van het aardewerk is het niet mogelijk dit nauwkeuriger uit te werken op basis van het vondstmateriaal. De ligging van de woonhuizen op slechts 4 m afstand van elkaar is geen argument om geen gelijktijdigheid te veronderstellen tussen de woonhuizen.
Als de huizen gelijktijdig in gebruik zijn geweest was de draaicirkel waarschijnlijk voldoende voor een kleine kar om door de ingang van STR1 binnen te komen. De aanrijroute zal dan vanaf het noorden op het erf zijn geweest in verband met de locatie van de waterput van STR2. In Houten Hoogdijk
26
is de regelmatige onderlinge afstand tussen de
e
woonhuizen uit de 12 eeuw in de kleine boerennederzetting ca. 6 m, maar in Nijmegen Lent
27
zijn
e
twee woonhuizen uit begin 13 eeuw opgegraven die met de wanden slechts ca. 2 m van elkaar gelegen waren. Waterput S31-32 Ten zuidoosten van het woonhuis, op slechts 1,5 m van de gebintpalen, is een waterput (S31-32) aanwezig. De waterput heeft bij gelijktijdig gebruik van STR2 zeer dicht op de wand van het gebouw gestaan. Aardewerkscherven uit de uitgraafkuil en nazak van de waterput dateren tussen 900-1050. Uit een oversnijdende kuil zijn ook scherven afkomstig die in dezelfde tijdsspanne dateren. De demping van de put dateert hiermee op z’n laatst rond 1050. De demping van waterput S190 is gedateerd rond 1100. Beide waterputten kunnen in tijd gehoord hebben bij STR2 (950 -1100) en elkaar hebben opgevolgd in gebruik, maar alleen waterput S190 kan mogelijk gelijktijdig zijn geweest met STR1 (1050-1125). Waterput S32 werd in de tijd van de bouw van STR1 hoogstwaarschijnlijk al gedempt. Waterput S32 kent eenzelfde opbouw als de waterput bij woonhuis STR1 (zie figuur 29). De put bestond uit een uitgeholde boomstam waarvan het hout vrijwel volledig vergaan was, de enkele overgebleven stukken waren bekapt aan de onderzijde. De put is eveneens geslagen tot o p het watervoerende pleistocene grind. Dit is nog steeds het grondwaterniveau in de huidige tijd getuige het vele water dat in de laatste centimeters van ontgraven naar boven kwam wellen.
26 27
Van der velde (2001), p. 145. Verhelst (2019 – in concept), p. 725.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[46]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
Figuur 28. Vergaan hout van de boomstam in de waterput S32.Ook de grindige pleistocene ondergrond is goed te zien op het grondwaterniveau.
Figuur 29. Tekening van waterput S31-S32.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[47]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
5.3.3 Huistypes De huizen behoren tot het type van licht bootvormige plattegronden die in vrij wel geheel Nederland zijn aangetroffen. De mogelijke wandpalen dicht op de staanders en de aanwezigheid van zwaardere staanders naar buiten toe wijzen op parallellen met huisplattegronden van de Noord -Nederlandse types uit Odoorn en deels uit Gasselte. Ook middeleeuwse huisplattegronden uit Zuid-Nederland vertonen dezelfde overeenkomstige kenmerken zoals hierboven beschreven, onder andere in Lieshout
28
en
29
Nederweert . Soortgelijke huisplattegronden in de regio midden-Nederlands rivierengebied zijn nog niet veel opgegraven, maar enkele voorbeelden kunnen worden gevonden in de opgravingen van 30
31
vindplaatsen in o.a. Nijmegen-Lent , Kerk-Avezaath , Houten Hoogdijk
32
en in het plangebied
33
Oostflank , gelegen aan de overkant van de Oosterweg nabij het plangebied. Doordat de gebouwstructuren voor minder dan de helft in de werkput konden worden opgegraven is niet met zekerheid een parallel te trekken met specifi eke types uit de typologieën van de middeleeuwse huizen. Waar de huizen uit de volle middeleeuwen meestal getypeerd worden door hun licht gebogen, doch regelmatige rijen van staanders die steeds verder naar de buitenwand toe komen in de loop van de middeleeuwen, lijkt in de plangebieden Oostflank en De Meesterplaats niet sprake van een dergelijke geordende bouwtraditie. De gebinten staan op onregelmatige afstand van elkaar en de dieptes van de palen in de grond verschillen ook nogal. Op Oostflank is daarnaast geconstateerd dat het aantal gebinten in een periode ook nogal kan wisselen.
34
Diameter (cm) paalkuilen
Diepte (cm) paalkuilen
Afmetingen (m)
Datering
Erf 1 – structuur 1 (huis)
100-120
10-55
14 x onbekend
1050-1125
Erf 1 – structuur 3 (spieker)
140-160
27-44
5,1 x 3,5
1000-1150
Erf 2 – structuur 2 (huis)
100-110
20-60
17 x min. 6
950-1100
Tabel 12. Afmetingen gebouwstructuren vindplaats 2, gemeten vanaf de (vermoedde) paalkern indien aanwezig.
5.4 Overige sporen Een groot deel van de sporen kan gelinkt worden aan de middeleeuwse vindplaats op basis van spoorkenmerken of vondstmateriaal, maar niet alle sporen kunnen gekoppeld worden aan reconstrueerbare structuren. Hieronder worden enkele spoorgroepen besproken en waar mogelijk wordt een link gelegd met structuren 1 t/m 4.
28
Van der W eerden (2015). Hiddink (2005). 30 Verhelst (2019), in concept. 31 Oudhof (2000). 32 Van der Velde (2001). 33 Van Kampen (2017). 34 Van Kampen (2017), p.75. Om dit te kunnen constateren zijn in plangebied De Meesterplaats te weinig (complete) gebouwstructuren aangetroffen. 29
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[48]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
5.4.1 Palenrij als erfafscheiding? De 54 paalkuilen die op basis van aardewerk aan vindplaats 2 gerelateerd kunnen worden, liggen verspreid door het onderzoeksgebied en behalve de paalsporen van de huizen en de spieker is alleen een mogelijke palenrij te reconstrueren als structuur. De palenrij (STR4) is gelegen ten zuiden en oosten van huis 1 en de paaltjes hebben mogelijk gediend als frame voor een gevlochten hekwerk alhoewel van dit vlechtwerk geen resten zijn terug gevonden . De palen zijn gemiddeld 40-50 cm in diameter en 10-40 cm diep. De paaltjes lopen in een rechte lijn vanuit de zuidwand van WP2 en buigen in een 90 graden hoek af naar het oosten om de lijn te eind igen bij waterput S190. Mogelijk is ten westen van STR2 ook nog een restant van een palenrij te zien (S88-89-97). De palenrij dateert vermoedelijk na 1100, omdat de palen deels waterput S190 oversnijden. De palenrij zou tijdens het bestaan van gebouwstructuur 1 aangelegd kunnen zijn, na het dempen van de bijbehorende waterput. Dit kan te maken hebben met een verandering in de inrichting van het erf of met veranderende perceelsgrenzen.
Figuur 30. De gereconstrueerde palenrij met een datering na 1100. De waterput S190 t.h.v. paalkuil S191 is dan inmiddels gedempt.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[49]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
5.4.2 Kuilen Tijdens de opgraving zijn 34 kuilen opgetekend die door middel van aardewerkvondsten aan vindplaats 2 kunnen worden toegeschreven. De kuilen hebben een variabele di ameter en liggen geïsoleerd in het onderzoeksgebied, ze vormen geen clusters in het vlak. De meeste kuilen bevatten slechts één tot twee vullingen. Er is geen specifieke functie aan deze kuilen toe te wijzen , maar vaak worden deze kuilen gezien als een resultaat van zandwinning in de aangewezen periode of in jongere tijden. Het aardewerkcomplex afkomstig uit kuilcontexten laat een concentratie zien van begindateringen rond 750-800 en 900-1000. Er zijn slechts weinig dateerbare middeleeuwse kuilen waarbij een zuivere datering voor één specifieke periode is te maken, in vrijwel alle gevallen is sprake van vermenging van aardewerk uit de periodes van de Merovingische en Karolingische periode en de volle middeleeuwen. Op en rond de erven zijn ook verschillende kuilen van geringe diepte (< 15 cm) aangetroffen met onder de kuilvulling ook afdrukken van houten palen (zie ook figuur 31). Het betreft vermoedelijk een restant van kleine structuurtjes op de erven waarbij paalzettingen nodig waren en de grond enigszins was uitgegraven. Een typering, bijvoorbeeld als hutkom, is niet mogelijk omdat daarvoor de locaties van de palen te onregelmatig zijn en de kuilen te klein.
Waarschijnlijk betreft het hier kuilen die ontstaan zijn na zandwinning waarbij zand nodig was voor bijvoorbeeld aanleg van vloeren, straatwerk of verschraling van de akkergrond. Enkele voorbeelden van dergelijke kuilen zijn voornamelijk te vinden aan de noordzijde van het terrein, zoals kuilen S65, S70, S73, S75 en S85. Ook aan de zuidwestzijde waren enkele kuilen aanwezig waaronder na verdiepen enkele paalkuilen tevoorschijn kwamen. Aan de zuidzijde gaat het om de kuilen S36 en S60, waarbij onder kuil S60 paalsporen van de palenrij tevoorschijn komen.
Figuur 31. Kuil S70 met daaronder paalspoor S165.De zwak humeuze opvulling van de kuil tekent zich als een donkere kuilvulling af.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[50]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
5.4.3 Waterputten In het onderzoeksgebied zijn, verspreid over het terrein, in totaal vijf waterputten aangetroffen. De waterputten zorgden voor de watervoorziening op de erven in de volle middeleeuwen. Twee putten zijn al behandeld als onderdeel van de twee besproken erven, hieronder volgt een korte beschrijving van de andere drie waterputten. Omdat deze alle drie tegen de putwand waren gelegen, konden ze niet volledig worden onderzocht. Waterput S40 lag in de uiterste zuidwest hoek van het onderzoeksgebied . De vulling bestond uit licht siltig matig grof zand met een donkerbruine kleur en oranjegele vlekken. Het spoor is gedeeltelijk machinaal gecoupeerd. Aangezien de kern van de waterput achter de profielwand en buiten het plangebied was gelegen, is het spoor niet volledig onderzocht . Uit de bovenste vulling komen slechts e
e
enkele scherven, waarvan sommige in de 17 -18 eeuw dateren. Uit de onderste vulling komt één Karolingische aardewerkscherf met kenmerkende lensbodem die tussen 700-900 gedateerd kan worden. Hoewel het slechts een enkele vondst betreft, geeft het mogelijk een indicatie dat de put in de e
9 eeuw in onbruik is geraakt. De nieuwetijdse scherven kunnen als intrusief gezien worden en zijn vermoedelijk door grondbewerking of bioturbatie in het spoor terechtgekomen. De andere twee waterputten waren ook met hun kern net buiten de grens van het plangebied gelegen en konden daardoor niet volledig onderzocht worden. Waterputten S167 en S81 zijn beide gelegen in de uiterste noordoost hoek van het onderzoeksgebied, op slechts 1 m van de noordelijke kopse kant van STR2. Waterput S167 oversnijdt put S81 en beide putten zijn vermoedelijk na elkaar in gebruik geweest. Put S81 bestaat uit een bruine gelaagde vulling die als insteek geïnterpreteerd kan worden. De put wordt zowel door put S167 als door een diep paalspoor S62 oversneden . Waterput S167 heeft matig siltig en matig grove zandvullingen van een overwegend licht grijze tot bruine kleur. De onderkant van de put kon met een boring worden vastgesteld op een totale diepte van 1,3 m vanaf bovenkant waterput en de put eindigde net in de top van de pleistocene grindlaag. Von dstmateriaal uit de kern van waterput S167 wijst op een datering van gebruik tussen 900-1250 en aardewerkvondsten in de uitgraafkuil dateren het dempen van de put tussen 1200 -1250. Vondsten uit paalspoor S62, welke de oudste waterput S81 oversnijdt, wijzen op een globale datering tussen 900-1200.
De datering van waterput S81 komt daarmee op een terminus ante quem vóór 1200 uit. De laatste twee waterputten S167 en S81 kunnen daarmee mogelijk qua datering bij zowel STR1 als STR2 hebben gehoord, maar een nauwkeurige datering is helaas niet mogelijk .
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[51]
5.5 Vondsten Het archeologisch onderzoek van vindplaats 2 heeft in totaal 994 vondsten opgeleverd. In de sporen behorende bij vindplaats 2 zijn verreweg de meeste vondsten verzameld in de paalkuilen, kuilen en afdekkend plaggendek. Zoals al eerder aangegeven in paragraaf waren de sporen door de fragmentatiegraad en de ruime dateringen van de vondsten lastig te dateren en te faseren. De diversiteit aan dateringen in het vondstmateriaal en de relatie tot de aangetroffen sporen worden in de synthese van hoofdstuk 6 nog eens toegelicht en geïnterpreteerd voor het gehele onderzoeksgebied en voor beide vindplaatsen. Een overzicht van de aantallen van de verschillende vondstcategorieën binnen vindplaats 2 wordt weergegeven in tabel 13. De complete vondstencatalogus is opgenomen in Appendix 2. In het onderstaande worden de vondsten per materiaalcategorie en waar mogelijk per context beschreven.
materiaal
soort
aantal stuks
MXX
non-ferro
3
MXX
ferro
19
SVU
-
7
ODX
-
40
SLK
-
75
SXX
-
112
KER
verbrande huttenleem en bouwkeramiek
222
KER
-
510
OPH
hout
6
subtotaal
994
Tabel 13. Aantal vondsten per materiaalcategorie binnen vindplaats 2.
In waterput S190 zijn stukken hout geborgen voor nader onderzoek op gebruikerssporen en functie. Het in de bodem van de waterput aangetroffen hout is verzameld (M3) en beschreven (zie Appendix 3 hout). De verzameling omvat zes stukken hout, elk in een matige conserveringstoestand. Alle vondsten zijn van eikenhout, en alle betreffen plankvormige delen uit de stam. Daarbinnen bestaat enige variatie; Bij drie fragmenten gaat het zeker om duigen, terwijl het bij twee verdere fragmenten eventueel ook nog om duigen kan gaan. Het laatste fragment echter is deel van een dikke plank of balk. Deze is aan een einde aangepunt, waarbij de punt aangekoold lijkt. Het hout is vermoedel ijk als reparatiehout van de putmantel te bestempelen of secundair in de waterputvulling terecht gekomen als afval, mogelijk bij demping van de put.
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
5.5.1 Aardewerk middeleeuwen M.L. Schabbink Inleiding Het middeleeuwse aardewerk dat is gevonden bij de opgraving aan De Meesterplaats te Wijchen bestaat uit 510 scherven. Binnen dit aantal zijn een aantal, vanwege de grote fragmentatie niet determineerbaar (8) en stamt een klein deel uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd (6). Het gebruiksaardewerk is gedetermineerd naar baksel, herkomst en datering. In de database zijn de vondstnummers uitgesplitst naar baksel, waarbij zowel het aantal gevonden scherven, het minimum aantal exemplaren
35
36
als het EVE (Estimated Vessel Equivalents of geschatte aantal pot-equivalenten )
is vastgelegd. Waar mogelijk is het gebruiksaardewerk verder uitgesplitst naar vorm en eventueel type volgens de coderingen van het deventersysteem, het Classificatiesysteem voor laat- en postmiddeleeuws aardewerk en glas uit 1989.
37
baksel
n
mae
eve
datering
gladwandig aardewerk (gw)
8
6
0
500-700
ruwwandig aardewerk (rw)
2
2
0,05
500-700
Karolingisch grijs (kg)
5
5
0,1
675-750
Mayen (my)
15
15
0,25
700-900
handgemaakt aardewerk (hg)
32
25
0,25
700-900
Badorf (ba)
50
39
0,5
700-1050
witbakkend Maaslands (wm)
16
15
0,45
800-1250
kogelpot (kp)
246
196
4,3
800-1300
Duisburg (du)
8
8
0,3
900-1050
Pingsdorf (pi)
51
46
0,75
900-1205
blauwgrijs aardewerk (bg)
61
48
0,75
900-1350
roodbakkend Maaslands (rm)
2
2
0
1150-1250
496
407
7,7
totaal
Tabel 14. Verdeling middeleeuws aardewerk De Meesterplaats te Wijchen.
e
e
e
In totaal dateren 496 scherven uit de periode van de 8 tot en met de 12 of vroeg 13 eeuw. Dit materiaal is afkomstig van een langdurig in gebruik zijnde nederzettingslocatie, en is als gevolg daarvan zeer gefragmenteerd. De 496 scherven hebben toebehoord aan minimaal 407 verschillende
35
Het MAE is een bepaling van het aantal individuele vormen op basis van rande n, bodems of andere onderscheidende kenmerken. 36 Orton et al. 1993. Om uitspraken te kunnen doen over de conserveringstoestand van vondsten en het creëren van referentiemateriaal voor (toekomstig) onderzoek wordt van elke schervenfamilie geschat welk percentage deze uitmaakt van de complete pot. Van de potten wordt met beh ulp van een rim chart op basis van de randfragmenten een percentage berekend van het geheel. Deze methode staat bekend als Estimated Vessel Equivalents of geschatte aantal pot-equivalenten. Als een rand compleet bewaard is gebleven, is het 100%, maar bijna altijd is het minder. Bij het vondstcomplex van De Meesterplaats zijn de randpercentages afgerond op 5%. De “EVE -methode” geeft een betrouwbaarder beeld dan de absolute aantallen randfragmenten. 37 Clevis & Kottman 1989.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[53]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
exemplaren. Het totale EVE van 7,7 is bepaald door 53 verschillende exemplaren, hetgeen betekent dat van elke rand slechts 14,4% bewaard is gebleven.
38
Karolingische periode Het aardewerk uit de middeleeuwen bestaat uit een groot aantal verschillende baksels. Ongeveer de helft van het gevonden aardewerk is van elders aangevoerd. De verdeling van materiaal, datering en conservering staat weergegeven in tabel 14. Een deel van het aardewerk kan mogelijk nog in de laat -Merovingische tijd geplaatst worden. Een handvol scherven van het gladwandige aardewerk is afkomstig van knikwandpotten. Onder de overwegend grijze baksels is een enkel fragment versierd met groeven, een ander is gepolijst. Door het ontbreken van complete potprofielen kunnen de potten niet nader gedateerd worden. Het gelijktijdige ruwwandige aardewerk, de zogenaamde Wölbwandtopfe, is met slechts twee fragmenten vertegenwoordigd. Het geringe aantal scherven van beide bakselgroepen doet een late datering vermoeden, die meer aansluit bij de verschillende Karolingische bakselgroepen, waarvan het gevonden e
aantal scherven veel groter is. De datering zou dus kunnen liggen in het begin van de 8 eeuw. Een enkel randfragment van een Wölbwandtopf (rw-pot; zie figuur 32 ) lijkt qua fijne profilering van de rand en dunwandigheid die overgang tussen Merovingische en Karolingische periode te bewijzen.
Figuur 32. Tekening van randfragment V152, een Wölbwandtopf , schaal 1 : 4.
Handgevormde baksels Het handgevormde aardewerk bestaat uit zogenaamd Hessens -Schortens-, en kogelpotaardewerk. Het oudste materiaal is vernoemd naar twee vindplaatsen Hessens en Schortens, twee terpen in het NoordDuitse kustgebied. Het materiaal is ook bekend uit de Dorestad -typologie als HIII en HVI.
39
Het
38
Ter vergelijking vondstmateriaal van fort Knodsenburg bij Nijmegen-Lent (Schabbink 2018): uit de analyse van al het aardewerk blijkt dat van elke rand gemiddeld 17,5% bewaard is gebleven. Hieruit blijkt een redelijke conservering van het materiaal, ma ar de conservering verschilt duidelijk per vondstcontext. Voor specifieke vondstcontexten binnen fort Knodsenburg als stortlagen van in de haast verlaten gebruiksfase ligt het EVE bijvoorbeeld rond de 20%, terwijl het EVE voor een laatmiddeleeuwse greppel van voor de fortfase ligt op 17% en voor middeleeuwse greppels ligt het totale EVE tussen de 0 en 10%. Bij een opvallend goed geconserveerde beerput in Amsterdam (beerput ´t Catgen, Gawronki & Jayasena 2017) was gemiddeld maar liefst 76% van elke rand bewaard gebleven. 39
Van Es & Verwers 1980.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[54]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
aardewerk is matig grof gemagerd, dikwandig, slecht afgewerkt en de potten hebben een buidel - of emmervormig lichaam en een iets afgevlakte bodem. Daarnaast komen halsloze schalen of komvormen voor. Het baksel van Hessens-Schortens-aardewerk onderscheidt zich van het latere kogelpotbaksel door de grotere dikte en grofheid. Het materiaal uit Wijchen is gemagerd met gro f zand en/of klein steengruis, heeft een grillig patroon op de breuk en een ruw, leerachtig aanvoelend oppervlak. Enkele grotere fragmenten, als de typische, korte rand (hg -pot,V42) of rand met ondiepe insnoering (V8 en V223) zijn opvallend vaak met stempels versierd. Het merendeel van het materiaal is echter sterk gefragmenteerd, hetgeen determinatie en onderscheid met kogelpotten met veelal dezelfde magering, bemoeilijkt. Hessens-Schortens-aardewerk komt voor van 500 tot 900.
Figuur 33. Een voorbeeld van stempelversiering op ee n kogelpotscherf (V223).Schaal 2:1.
De belangrijkste ontwikkeling in het handgemaakte aardewerk van de Karolingische tijd is het verdwijnen van Hessens-Schortens-aardewerk en de introductie van de kogelpot, een pot met een volkomen ronde bodem. Het ontstaan van deze bolle bodems was een geleidelijk proces. Gezien het massale voorkomen van kogelpotten in Dorestad en Medemblik, heeft de overgang van Hessens e
Schortens- naar kogelpotaardewerk zich in West- en Midden-Nederland zich al in de 8 eeuw voltrokken. In Oost-, Noord-Nederlandse en Duitse nederzettingen komt in de 9e eeuw nog een aanzienlijke hoeveelheid Hessens-Schortens-aardewerk voor. Ook in Wijchen komen beide aardewerksoorten naast elkaar voor. Het kogelpotaardewerk vormt met de helft van het totaal aantal gevonden scherven, veruit de grootst aangetroffen bakselgroep. Het is echter ook de bakselgroep met de langste doorlooptijd, tot wel in de e
e
13 of zelfs 14 eeuw. Binnen de kogelpotten zijn verschillende baksels in aard en datering te onderscheiden (tabel 15). De baksels kp4 en kp5 liggen dicht bij het eerder genoemde Hessens Schortens-aardewerk en vertonen overeenkomsten met de handgevormde baksels uit de Dorestad typologie.
40
Het grijsbruine baksel kp4 onderscheidt zich van de andere door de aanwezigheid van rode
insluitsels afkomstig van ijzerrijke inclusies en de zichtbaarheid van witte puntjes van waarschijnlijk zand. Baksel kp5, aanwezig met slechts twee exemplaren voelt leerachtig aan als het Hessens -
40
Van Es & Verwers 1980; bakselgroep HI.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[55]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
Schortens-aardewerk en heeft op de breuk kleine gaatjes, mogelijk van (verbrande) organische magering. Binnen deze opvallend goed geconserveerde, vroege kogelpotten is een grote v ariëteit in randvormen aanwezig: -
S-vormig uitgebogen verdikte afgeronde randen (kp -kog-9, V153, figuur 33)
-
Sterk uitgebogen horizontale randen met rechte zijkant (kp-kog-10, V162 en V194, figuur 34)
-
Horizontaal geknikte rechte randen (kp-kog-19, V162, figuur 35)
-
Afgeronde, verdikte (omgeslagen) en ondersneden randen (kp -kog-20, V223, figuur 36).
baksel
n
mae
eve
datering
kp4
18
5
1,2
750-900
kp5
4
2
0,15
750-900
kp2
130
104
1,95
800-1050
kp1
72
50
0,75
1000-1250
kp3
6
6
0,25
1200-1300
Tabel 15. Onderscheiden baksels binnen de kogelpotten (kp-kog).
Veruit de grootst aanwezige groep binnen het kogelpotaardewerk betreft baksel kp2 dat sterk lijkt op Zuid-Nederlandse voorbeelden. Zuid-Nederlands handgemaakt aardewerk is de Zuid-Nederlandse variant van het kogelpotaardewerk zoals dat in de rest van Nederland wordt aangetroffen. De algemene term is door Verhoeven geïntroduceerd om het aardewerk te onderscheiden van het overige kogelpot aardewerk.
41
Het aardewerk met een opvallende gelaagdheid op de breuk komt voor van 800 tot 1050.
De meest voorkomende vorm betreft eerder genoemde kp-kog-9, met een fors verdikte rand (V25) of meer elegant vormgegeven vorm (V46). Overige typen zijn een kp -kog-22, met verdikte aan de bovenzijde afgeplatte rand met groef bovenop (V130) of met lage aan de bovenzijde afgeronde of afgevlakte rand (kp-kog-25, V213, twee ex). Opvallend is het voorkomen van vingerindrukken op de schouder bij laatstgenoemde en de meer elegante kp-kog-9. Ook is nog een enkele wandscherf met stempels (V223) gevonden. Het veelvuldig voorkomen van versieringen als vingerindrukken en e
stempels is een vroeg verschijnsel en ligt voor het begin van de 11 eeuw, waarna deze zo goed als nooit meer voorkomen. Een tweede opvallende verschijning is een fragment van een bakpan met een tuit. Bakpannen van kogelpotaardewerk hebben meestal een holle steel, maar deze gaan nooit door de wand van de bakpan. Of het Wijchense exemplaar een holle steel of een greep heeft gehad is niet duidelijk. Op grond van de rand betreft het een bolle bakpan met ingesnoerde hals en driehoekige rand e
e
(kp-bak-6, V182). Een vergelijkbaar exemplaar uit de late 10 of vroege 11 eeuw is bekend uit Nijmegen-Lent.
41 42
42
Verhoeven 1993, 72-76. Verhelst 2019, cat.60.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[56]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
Figuur 34. V153, kp-kog-9, schaal 1 : 4.
Figuur 35. V162 (links) en V194 (rechts), kp-kog 10, schaal 1 : 4.
Figuur 36. V162, kp-kog 19 , schaal 1 : 4.
Figuur 37. V223, kp-kog 20, schaal 1 : 4.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[57]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
Bakselgroepen kp1 en kp3 vertegenwoordigen de latere kogelpotten waarbij de grovere met kwarts verschraalde baksels plaats maken voor fijnere met zand gemagerde baksels. Deze tendens is bekend e
e
uit de regio Nijmegen waarbij de baksels van kogelpotaardewerk vanaf de 11 of 12 eeuw meer en meer verwantschap gaan vertonen met het uit Duitsland afkomstige blauwgrijze aardewerk.
43
Het latere
kogelpotaardewerk is duidelijk minder vertegenwoordigd binnen de Wychense vondsten. Een enkel e
randfragment met een hoge hals (kp-kog-15, V220) betreft een vorm uit de 11 eeuw in Nijmegen of e
zelfs begin 14 eeuw in Amsterdam.
44
Karolingisch importaardewerk Het aardewerk uit de Karolingische tijd bestaat voor een deel uit het karakteristieke Badorf -aardewerk, waaronder fragmenten met opgelegde banden en met radstempels gedecoreerde reliëfbandamforen (ba-pot-5, V227 en V194 – zie figuur 37). Deze kenmerkende voorraadpotten zijn met minimaal vijf e
exemplaren vertegenwoordigd. De doorlooptijd van deze potten ligt tot halverwege de 11 eeuw. Naarmate de tijd voortschrijdt worden de reliëfbanden minder zorgvuldig afgewerkt. Het Wychense exemplaar uit figuur 37 is vrij slordig afgewerkt en het is duidelijk zichtbaar dat het oor pas na het aanbrengen van de reliëfbanden is aangezet en behoorlijk lomp is aangedrukt.
Figuur 38. Fragmenten van een reliëfbandamfoor V227 en V194 uit waterput S190, schaal 1 : 4.
Voorts zijn fragmenten van verschillende kookpotten gevonden, een enkele keer versierd met e
e
radstempels op de rand (ba-pot, V46). Dit betreft voornamelijk vormen uit de 8 en 9 eeuw. Een klein 43 44
Ostkamp 2017, mededeling Arjan den Braven (Leiden University). Gawronski 2012, cat.64.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[58]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
aantal scherven van gladwandige baksels, een enkele keer met verfvegen, vormen de overgang naar e
de Pingsdorf-producten die vanaf de 10 eeuw verschijnen. Het betreft waarschijnlijk het zogenaamde e
Huneschans-aardewerk uit het laatste kwart van de 9 eeuw. Grijsbakkend aardewerk uit deze periode komt overeen met het WVI-baksel uit de Dorestad-typologie.
45
Onder het geringe aantal scherven is een rand van een steile pot op zeer waarschijnlijk een vlakke bodem aanwezig (kg-pot, V8). Het eveneens kenmerkende aardewerk uit Mayen is iets ruimer vertegenwoordigd. Het betreft gezien de randen en lensbodems zonder uitzondering bolpotten (my -pot, V8 en V95 – zie figuren 38 en 39). Een enkele bolpot is van een geelwit, Badorf-achtig baksel, maar gezien de zwarte, vulkanische magering, waarschijnlijk i n Mayen of elders in de Eifel vervaardigd.
Figuur 39. V8, een Mayen bolpot, schaal 1 :4.
Figuur 40. V95, ook een Mayen bolpot, schaal 1 :4.
Ottoonse tijd e
Het aardewerk uit de 10 eeuw wordt gedomineerd door blauwgrijs- en Pingsdorf-aardewerk. Maar ook gidsartefacten als Duisburg-aardewerk zijn aanwezig. Over de productieaanvang en verspreiding van het witbakkende aardewerk uit het Maasland (wm) bestaat discussie. Het blauwgrijze aardewerk is vooral toe te wijzen aan twee specifieke productieplaatsen. Het betreft producten uit Paffrath (n=38) en Elmpt (n=20). Van enkele scherven met een compact grijs baksel is de herkomst onduidelijk. Het aardewerk uit Paffrath komt eerder voor, in het rivierengebied al in de 10 e
e
e
eeuw, maar heeft een doorlooptijd tot in de 12 of zelfs 13 eeuw. Voor Elmpter waar wordt vaak een e
begindatering aangenomen in het laatste kwart van de 12 eeuw. Uit de opgravingen in Tiel kan voor enkele fragmenten worden aangenomen dat dit aardewerk al voor 1150 voor komt. Voor het oostelijk rivierengebied en Noord-Limburg is echter een nog vroegere datering waarschijnlijk, mogelijk al rond 1050. Het blauwgrijze aardewerk uit zowel Paffrath als Elmpt bestaat in deze fase l outer uit kogelpotten (bg-kog-2; V89 paffr-a; V231 elmpt; V130 onbekend baksel). In de late middeleeuwen wordt het vormenspectrum van de producten uit Elmpt verder uitgebreid.
45
Van Es en Verwers (1980).
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[59]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
Onder het goed dateerbare aardewerk uit Pingsdorf is slechts een klein aantal ra nden aanwezig. Uit de vroegste productieperiode, de eerder genoemde overgang van Badorf - naar Pingsdorf-aardewerk, zijn een aantal fragmenten aanwezig. Een voorbeeld daarvan is een rand van een pot in een rossig baksel met een randtype dat leunt tegen de vormen uit de Badorf-periode (pi-pot, V137). Een rand van een hoge beker is door studies van Sanke
46
en Bult
47
goed te dateren. Het betreft randtype 2.5a uit de 10
e
e
of eerste helft van de 11 eeuw (pi-pot, V130 – zie figuur 40). Maar er zijn ook duidelijk fragmenten uit e
e
de latere productieperioden van de 11 en 12 eeuw aanwezig. Ook een handgevormde kogelpot (pikog-5) behoort tot de latere producten. Een enkel fragment neigt al naar het proto -steengoed van de e
vroege 13 eeuw.
Figuur 41. V130, een rand van een hoge beker van Pingsdorf aardewerk, randtype 2.5a , uit de 10 e of begin 11 e eeuw, schaal 1 : 4.
Het handgemaakte aardewerk uit Duisburg is op de draaischijf afgemaakt en is bijvoorbeeld veel in Tiel aangetroffen.
48
Het aardewerk is grijsbruin van kleur en gemagerd met zand en/of fijn, rood potgruis.
Door het gladstrijken van de voornamelijk grote potten ontstaan de kenmerkende groeven. Het aardewerk heeft forse randen en is vaak voorzien van lichte radstempeldecoraties of som s losse rozetstempels. Een enkel randfragment uit Wijchen (du-pot-1, V140) lijkt echter onversierd. Het e
aardewerk is vooral in gebruik in de 10 eeuw, maar komt zeker nog voor in de eerste helft van 11
e
eeuw. Het aantal scherven van witbakkend Maaslands aardewerk, voorheen aangeduid als Andenneaardewerk, is gering. Het vormenrepertoire bestaat voornamelijk uit kook - en tuitpotten met e
e
lensbodems. De randen ontwikkelen van sikkelvormige randen in de 10 en 11 eeuw tot e
manchetvormige randen in de 12 eeuw. Vondsten van Maaslandse of vergelijkbare waar uit Oost Souburg geven echter een genuanceerder beeld. Daar is veel drinkgerei in de vorm van kruikamforen en verschillende bekervormen aangetroffen.
49
Bovendien is na de publicatie van de Oost-Souburgse
46 Sanke 2002. 47 Bult 2011. 48 Bartels e.a.1997. 49 Verhaeghe in Van Heeringen et all 1995, 156 -160.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[60]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
vondsten, die dateren uit de periode 900 tot 1000, de discussie over de begindatering van Maaslandse waar aangezwengeld. Een artikel uit 1996 suggereert zelfs een begindatering van de productieplaats e
Huy tot wel de 6 eeuw!
50
Bovengenoemde vormontwikkeling van de randen lijkt daar zelfs terug te
gaan tot de 9e of 10e eeuw. De in Wijchen gevonden randen duiden op bolle (tuit-)potten op lensbodems met een ondersneden sikkelrand zonder (wm -pot-4 V227) of met dekselgeul (wm-pot-5, e
V216 en V48). Deze dateren in de klassieke witte baksels respectievelijk in de tweede helft 11 of e
e
laatste kwart 11 of eerste kwart 12 eeuw en een fragment in een roodbruin baksel is mogelijk toe te schrijven aan de Huyse baksels en mogelijk iets ouder. Maar ook binnen de Maaslandse g roep van het aardewerkcomplex van de Meesterplaats zijn latere vormen aanwezig, zoals bijvoorbeeld een fragment van een manchetvormige rand (wm-pot-2) en te dateren tussen 1125 en 1175. Een bodemfragment van een kleine of mogelijk miniatuur pot (wm-pot-13 V119 – zie figuur 41) stamt uit het begin van de 13
e
eeuw. De miniatuurvormen worden vaak als kinderspeelgoed omschreven, en betreffen miniaturen van 51
bestaande vormen. Een groter aantal van deze vormen, opgegraven in Hendrik -Ido-Ambacht , lijken echter eerder te duiden op een miniatuurpot met een specifieke functie voor de opslag van olie, zalf, e
parfum of iets dergelijks. Ook het roodbakkende aardewerk uit het Maasland dateert uit de 12 of 13
e
eeuw.
Figuur 42. V119, bodemfragment van een miniatuurpot (wm-pot-2) uit het begin van de 13 e eeuw. Schaal is 1:1.
Latere middeleeuwen en nieuwe tijd Het aardewerk uit de latere middeleeuwen (1050 -1500) en nieuwetijd (na 1500) is, naast de boven beschreven late vormen van de verschillende productiecentra, zeer beperkt. Het totaal aantal scherven e
e
e
uit de hierboven beschreven productiecentra met een datering in de 11 , 12 of 13 eeuw bedraagt 106. Dit komt overeen met slechts 1/5 deel van het totaal aantal vondsten. De in de inleiding genoemd e e
e
vondsten uit late middeleeuwen en nieuwe tijd bestaa n uit drie scherven uit de 13 of 14 eeuw. Twee daarvan zijn afkomstig uit middeleeuwse sporen en lijken te duiden op intrusie. e
52
De derde scherf van
e
een grijsbakkende kom (14 /15 eeuw) is afkomstig uit een afdekkende cultuurlaag. De drie overige e
vondsten zijn afkomstig uit de bouwvoor (mineraalwaterkruik) of een waterput uit de 19 eeuw (roodbakkend en industrieel witbakkend aardewerk). Verspreiding en duiding Het overgrote merendeel van het gebruiksaardewerk dateert uit de periode van het begin van de 8
e
e
eeuw tot rond het midden van de 11 eeuw. Slechts een klein deel maakt duidelijk dat waarschijnlijk e
sprake is van een (veel grotere) nederzettingslocatie die doorloopt tot in de 12 of begin van de 13
e
50 Giertz, 1996. 51 Schabbink 2019. 52 Een steengoedscherf (s1, Siegburg 14e/15e eeuw) in S171, kuil met datering in 10 e of eerste helft 11 e eeuw) en een roodbakkende scherf (r, 13 e /14 e eeuw) in kuil S42 met datering in 12 e eeuw).
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[61]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
eeuw. Hoewel het materiaal over het algemeen fragmentarisch is aangetroffen, valt wel het grote aantal voorraadpotten op die zijn gebruikt voor opslag. Ook uit het grote aantal importen valt de voorzichtige conclusie te trekken dat handel een onderdeel vo rmt van de activiteiten die hebben plaatsgevonden. Zowel in tijd als in aanwezige baksels is er overeenkomst met de vondsten zoals die bekend zijn uit handelsplaatsen als Dorestad en het latere Tiel. Echter door de geringe grootte van het opgegraven terrein kan dit niet hard gemaakt worden. De vondsten uit woonhuis STR1 bestaan uit 20 scherven (tabel 16). Opvallend is dat onder het overheersende kogelpot-aardewerk, zowel vroege kp2- als de latere kp1 en zelfs kp3-baksels zijn vertegenwoordigd. baksel
vorm
ba bg kp
kog-10
kp pi
kog-5
pi
aantal
datering
1
750-900
2
900-1200
1
800-1050
13
800-1200
1
1050-1125
1
900-1200
Tabel 16. Vondsten uit structuur 1.
e
Op basis van de handgevormde kogelpot uit Pingsdorf ligt de datering waarschijnlijk in de late 11 of e
vroege 12 eeuw. De kogelpot kp-kog-10 van het kp2-baksel is dan een late vertegenwoordiging. De ene kogelpotscherf van baksel kp3 moet dan vroeger gedateerd worden. Behalve de ene Badorf -scherf passen alle andere vondsten, waaronder de scherf van het Paffrath -baksel (bg) binnen genoemde tijdsmarge. De ene Badorf-scherf betreft dan opspit uit vorige bewoningsperioden van de nederzetting. De 53 scherven uit woonhuis STR2 tonen nog veel meer aan dat verspitting heeft plaatsgevonden ( zie tabel 17). De jongste vondsten van blauwgrijs aardewerk (bg -kog-2) betreffen zowel Paffrath- als Elmpt-baksels. In de database is de algemene datering voor Elmpt vanaf 1150 aangehouden, maar Wijchen kan zeker als derde voorbeeld van het veel vroegere voorkomen van Elmpt, zoals hiervoor e
betoogd, gelden. Dan ligt de datering rond het midden van de 11 eeuw en zijn de Maaslandse pot met sikkelvormige rand (wm-pot-5) en een Pingsdorf-pot uit Sanke’s periode 3 of 4 late verschijningsvormen. Overigens is de grote hoeveelheid opspit uit de K arolingische periode opvallend. baksel ba
vorm -
bg hg
aantal 1
datering 750-900
kog-2
13
900-1250
pot
10
700-900
kg
-
1
675-750
kp
kog
17
800-1250
my
pot
4
700-900
pi
pot
5
875-1205
wm
pot-5
2
950-1050
Tabel 17. Vondsten structuur 2.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[62]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
In de vullingen van waterput S32 zijn, naast vroege kogelpotten (kp4 en kp5), in de onderste vulling Badorf-scherven gevonden. De datering zal liggen rond 900, wanneer het Badorf -aardewerk steeds meer plaatsmaakt voor dat uit Pingsdorf. In de tweede waterput S192 vallen de grote fragmenten van een reli ëfbandamfoor op. Deze worden echter vergezeld door scherven van witbakkend Maaslands. Een randscherf van een pot (wm -pot-4) e
met sikkelvormige rand maakt een datering rond het midden van de 11 eeuw aannemelijk. Dat is het tijdstip dat de reliëfbandamforen van het toneel verdwijnen en de sikkelvormige randen van de Maaslandse potten verschijnen. Het materiaal uit de grote paalkuilen van de spieker (structuur 3) bestaat naast ouder materiaal, vooral uit late kogelpot (kp3), blauwgrijze waar uit Paffrath en Pingsdorf -aardewerk. De datering wordt echter vooral bepaald door het rood-en witbakkende aardewerk uit het Maasland. Een randscherf van een pot e
met manchetvormige rand bepaalt de datering rond het midden van de 12 eeuw. Het geringe materiaal uit de palenreeks (structuur 4) met blauwgrijs uit Paffrath, kogelpot en e
e
Maaslands, kan niet nader gedateerd worden dan 11 - of 12 -eeuws.
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[63]
5.5.2 Dierlijk bot R. Nillesen Inleiding Tijdens het onderzoek zijn 40 fragmenten botmateriaal verzameld in sporen behorende bij vindplaats 2, waaronder twee paalkuilen, twee kuilen en een laatmiddeleeuwse akkerlaag . Bij de analyse van het botmateriaal is gedetermineerd op diersoort en element. Vervolgens is gekeken of het materiaal aanwijzingen bevat voor pathologische afwijkingen en of er sporen van slacht of consumptie waarneembaar zijn. Fragmenten die tot hetzelfde skeletelement behoren zijn daarbij als één fragment beschouwd. Het totaal aantal gedetermineerde botelementen bedraagt derhalve vijf stuks (tabel 18). Leeftijdsbepaling is verricht op basis van vergroeii ng van groeinaden en epifysen (skeletelementen) en doorbraakstadia en slijtage (gebitselementen).
53
Diersoort
Aantal elementen
Minimum aantal individuen (MAI)
Rund
5
2
Totaal
5
2
Tabel 18. Overzicht soorten en aantallen botmateriaal uit vindplaats 2.
Beschrijving Het botmateriaal is afkomstig van ten minste twee runderen op basis van het type bot. Met uitzondering van V211, een fragment van een radius (spaakbeen), bestaat het materiaal uit onderkaak- en tandfragmenten. Alle elementen vallen onder de noemer ‘vleesarm deel’ van het rund. Het botmateriaal is onverbrand en slecht geconserveerd. Het is erg bros en breekt makkelijk. In vrijwel alle gevallen zijn het oppervlak en de breukvlakken van het botmateriaal, waar aanwij zingen voor slacht en consumptie zichtbaar kunnen zijn, te sterk verweerd om hier uitspraken over te kunnen doen. Beide onderkaken zijn afkomstig van de rechterzijde van de kaak. De kaken behoren toe aan runderen van respectievelijk 30-32 maanden oud (V13) en 36-40 maanden oud (V215). Runderen zijn op deze leeftijd volgroeid en kunnen als vleesproducent hebben gediend. Het dierlijk bot is zeer waarschijnlijk als afval in de sporen terecht gekomen. Er zijn geen aanwijzingen voor dierlijke begravingen.
53
Silver 1969, Higham 1967.
5.5.3 Verbrande leem en bouwkeramiek D. te Kiefte inleiding Tijdens het onderzoek zijn 94 fragmenten verbrande leem verzameld in 36 antropogene sporen en twee akkerlagen. De fragmenten samen wegen 6,6 kilo en kunnen aan sporen van de middeleeuwse vindplaats 2 worden toegewezen. De fragmenten leem hebben in enkele gevallen gediend als wandbepleistering, maar in de meeste gevallen blijft de precieze functie onduidelijk. Naast d e verbrande leem zijn ook twaalf stukken bouwkeramiek verzameld met een totaalgewicht van 419 gram. Deze fragmenten zijn voornamelijk stukken van dakpannen, een roodbakkende tegel en een mogelijk deel van een tubulus. De bouwkeramiek wordt zonder uitzondering in de Romeinse tijd gedateerd, maar is afkomtig uit middeleeuwse sporen. Beschrijving verbrande leem De verbrande leem is bekeken op kenmerken van de samenstelling van het gebruikte materiaal (op het oog), constructieafdrukken en functietoewijzing in een structuur of object. Alle ke nmerken zijn opgenomen in een determinatietabel in Appendix 3. In deze tekst worden alleen de fragmenten besproken die iets meer kunnen vertellen over toepassingen en specifieke kenmerken van de leem in de gebouwstructuren. Het leem dat is teruggevonden tijdens het veldwerk zal slechts een fractie zijn van de leem die is gebruikt bij de constructie van gebouwstructuren.
Het voorkomen van verbrande leem in archeologische context hangt sterk samen met enkele factoren; bijvoorbeeld de samenstelling, de hardheid en de conserveringsomstandigheden in de bodem.
54
Vooral de hardheid is bepalend voor
de hoeveelheid leem die overblijft na zoveel eeuwen. Naast deze factoren is ook de context waarin de leem terechtkomt bepalend voor wat overblijft en teruggevonden wordt. Leem dat voor langere tijd aan de oppervlakte blijft liggen zal meer gefragmenteerd raken dan fragmenten die in een meer afgesloten context zijn terechtgekomen, zoals paalkuilen en kuilen. De grootste concentraties van verbrande leem zijn gevonden in enkele paalkuilen die toebehoren aan gebouwstructuur 2. Hierbij zijn verreweg de meeste fragmenten in paalspoor S93 aangetroffen, onderdeel van het gebint. Deze fragmenten zijn grotendeels afkomstig van de wand van het gebouw. De afdrukken van de twijgen in de wand zijn goed zichtbaar en hadden een gemiddelde diameter van 1 tot 1,5 cm. De dikte van de opgebrachte buitenste leemlaag was gemiddeld 5 cm, van de buitenkant wand tot aan het vlechtwerk van twijgen in de wand. Dit was te herleidden doordat aan één zijde enkele fragmenten afgesmeerd waren en aan de andere zijde de twijgindrukken aanwezig waren (zie ook figuur 43). In meerdere brokken leem is tevens goed te zien dat de leem in verschillende lagen op de wand is aangebracht door de gelaagde structuur van de fragmenten. Naast de fragmenten uit S93 met afgesmeerde wandvlakken, zijn ook proppen leem verzameld die ergens tussen zijn gedrukt, of wel ‘gepropt’, bijvoorbeeld tussen het vlechtwerk van de wand.
54
Sepers (2016), p. 302-303.
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
Figuur 43. Fragmenten leem met twijgindrukken en een afgesmeer de zijde (V48), schaal 1:1.
Uit een andere paalkuil van gebouwstructuur 2, paalkuil S96, zijn stukken leem verzameld waarvan de samenstelling duidelijk anders is. Het gaat om roodbruine leembrokken met veel ijzer - en organische inclusies, de meeste van deze brokken bevatten tevens hele fijne plantenworteltjes. De brokken zijn vormeloos en bevatten geen afgesmeerde vlakken of indrukken.
Figuur 44. Een fragment verbrande leem met veel ijzerinclusies en fijne plantenresten langs de buitenzijde (V88), schaal 2:1.
De leem voor dit materiaal lijkt niet van dezelfde herkomst als in S93 en tevens lijkt het ook minder goed gemengd te zijn voordat het is uitgehard. De leem komt uit een ijzerrijke omgeving, zoals bijvoorbeeld een beekdal in de buurt. De fijne plantenresten lijken alleen aan de buitenkant te zitten, mogelijk zijn ze nog voor het uitharden van de leem op de brokken terechtgekomen. Gezien de zwakke samenstelling en de ‘vervuiling’ met de plantenresten lijkt het om een restproduct te gaan dat is overgebleven bij het aansmeren van de wanden. Enkele brokken zijn op de grond terecht gekomen en langs de buitenzijde vermengd geraakt met humeus oppervlakte materiaal. Op enkele stukken leem afkomstig uit kuilen en één paalkuil is op de reeds afgesmeerde zijden een witte aangebrachte laag waargenomen, een oppervlakte bewerking van een mogelijke wandzijde. De betreffende kuilen liggen in het noorden (S77-S85-S234-S236-S237) en een kuil S170 en paalkuil S5
RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020
[66]
De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving
(behorende bij spieker STR3) in het zuidwesten van het onderzoeksgebied. Uit de ijzertijd, maar met name uit de Romeinse tijd is bekend dat wanden van gebouwen soms met witte kalk werden aangesmeerd om ze te beschermen tegen regen en verwering of ter decoratie. Uit de middeleeuwen is dit fenomeen minder gekend, omdat deze vondstcategorie maar weinig wordt beschreven enerzijds en anderzijds omdat op middeleeuwse sites ook vaak Romeinse bouwkeramiek wordt aangetroffen waardoor de datering onzeker is.
55
De aangebrachte laag is getest op de aanwezigheid van kalk door
middel van zoutzuur te druppelen op de laag. De vloeistof begint door een chemische reactie te bruisen als het in contact komt met kalk. De witte laag op fragmenten verbrande leem uit kuilen S236 en S170 begon echter niet te bruisen en gaf daardoor geen indicatie voor de aanwezigheid van kalk . Dit kan twee dingen betekenen; het betreft geen kalkmengsel of de kalk is reeds opgelost na al die eeuwen in de bodem. Vooralsnog blijft daardoor onduidelijk wat de oppervlaktebewerking van d eze fragmenten dan wel voorstelt (zie figuur 45).