CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10: Opgraving De Meesterplaats, Don Emanuelstraat (RAAP-rapport 3983)

Raad openbaar Wijchen 30 juni 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 30066 Beslisnota Vaststelling Bestemmingsplan TKWM 202235.264 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

RAAP-RAPPORT 3983

Wonen en handelen op het rivierduin in plangebied De Meesterplaats te Wijchen Bewoningssporen en vondstmateriaal vanaf het laat-neolithicum tot in de volle middeleeuwen Gemeente Wijchen Een archeologische opgraving

Colofon

Titel: Wonen en handelen op het rivierduin in plangebied De Meesterplaats te Wijchen. Bewoningssporen en vondstmateriaal vanaf het laat-neolithicum tot in de volle middeleeuwen. Versie: 24-07-2020 Auteur: D. te Kiefte Projectcode: WYDE3 Bestandsnaam: RAAPrap_3983_WYDE3_20200724 Autorisatie: E. Norde Met bijdragen van: M. Schabbink (aardewerk ME-NT), H. Scholte Lubberink (aardewerk prehistorie en vuursteen), G. Boreel (natuursteen en slak), M. Hendriksen (metaalobjecten), R. Nillesen (dierlijk bot), J. van der Veen (hout).

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2020 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

Samenvatting Inleiding In opdracht van Jan Oosterhout Ontwikkeling heeft RAAP op 4 februari 2019 een proefsleuvenonderzoek en van 23 april tot en met 30 april 2019 een archeologische opgraving uitgevoerd in het kader van het project ‘De Meesterplaats’ te Wijchen. Het voornaamste doel van het proefsleuvenonderzoek was het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het doel van de opgraving was het veiligs tellen van de wetenschappelijke informatie (behoud ex situ). Landschap Aan de basis van de waargenomen profielen bevindt zich de top van het grindige Laagterras, dat tot de Formatie van Kreftenheye kan worden gerekend. Hier overheen is een sterk gelaagd p akket zwak siltig zand afgezet. Het zand wordt afgewisseld door dunne lemige laagjes. De top van de laag wordt gevormd door roodbruine zandige leem, ook wel de Laag van Wijchen genoemd. Over de Laag van Wijchen is het rivierduin opgeworpen waarop Wijchen i s ontstaan. In de top van het rivierduinzand zijn alle antropogene lagen ontstaan en zijn de archeologische sporen ingegraven. Een overgangszone tussen het ‘schone’ rivierduinzand en de antropogeen beïnvloedde lagen is sterk gebioturbeerd. De antropogene lagen betreft een plaggendek dat is opgeworpen in twee fasen vanaf vermoedelijk de 13

e

e

eeuw. Aan de top van dit plaggendek is een verstoorde bouwvoor aanwezig uit de 20 eeuw. Archeologie Het archeologisch onderzoek in plangebied De Meesterplaats heeft twee vindplaatsen opgeleverd, een activiteitenzone met grondsporen en vondsten van een erf uit de midden -bronstijd en twee erven met bijbehorende structuren uit de volle middeleeuwen. Opvallend genoeg kent het vondstmateriaal een veel ruimere dateringsrange van het laat-neolithicum tot de vroege ijzertijd in vindplaats 1 en van de Merovingische periode tot de late middeleeuwen in vindplaats 2. De hoge fragmentatiegraad van het vondstmateriaal en de hoge diversiteit aan periodes met name binnen het aardewerkasse mblage laat een intensief gebruik van het terrein zien door de tijd heen. De aanwezigheid van veel vroeg- en volmiddeleeuwse waterputten zowel binnen als net buiten het plangebied en de aanwezigheid van slakmateriaal in het onderzoeksgebied dat afkomstig is van ijzerproductie èn –verwerking kunnen aanwijzingen zijn voor het uitoefenen van bepaalde ambachten zoals brouwen of smeden. Het aardewerk wijst op een gemiddelde welvarende nederzetting, maar het grote aantal potten dat is gebruikt voor opslag is opvallend te noemen.

Ook uit het grote aantal importen valt de voorzichtige conclusie te trekken dat handel een onderdeel vormt van de activiteiten die hebben plaatsgevonden in de middeleeuwse nederzetting van Wijchen. Aanbevelingen Met deze opgraving is de wetenschappelijke informatie ex situ bewaard, zodat verder archeologisch e

veldonderzoek in het plangebied niet meer aan de orde is. Ondanks de aanwezigheid van een 20 eeuws pand in het plangebied waren de sporen tussen de verstoringen van de funderingsstroken nog goed bewaard. De vele sporen en het diverse vondstmateriaal laten een zeer informatief bodemarchief zien, waarbij de sporen zich tot buiten het plangebied uit strekken. De hoge verwachting voor de percelen ten noorden en oosten rond het plangebied De Meesterplaats kan blijven gehandhaafd. Bij

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[3]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

toekomstige ontwikkelingen van de parkeerplaats en de wegen is een archeologisch onderzoek sterk aan te bevelen.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[4]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 5 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 6 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 6 1.2 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 7 1.3 Voorgaand onderzoek .......................................................................................................................... 8 1.4 Doelstellingen en onderzoeksvragen ..................................................................................................... 8

2 Methoden ....................................................................................................................................... 11 2.1 Werkputten .........................................................................................................................................11 2.2 Documentatie en registratie .................................................................................................................11 2.3 Behandeling van sporen ......................................................................................................................12 2.4 Behandeling van vondsten ...................................................................................................................12 2.5 Behandeling van profielen ...................................................................................................................13 2.6 Bemonstering .....................................................................................................................................13 2.7 Uitwerking ..........................................................................................................................................14 2.8 Afwijkingen en/of aanpassingen van de onderzoeksstrategie .................................................................14

3 Landschap en stratigrafie ............................................................................................................... 16 3.1 Inleiding .............................................................................................................................................16 3.2 Landschappelijk kader .........................................................................................................................16 3.3 Bodemopbouw ....................................................................................................................................17

4 Vindplaats 1: Laat-neolithicum tot ijzertijd ....................................................................................... 22 4.1 Inleiding .............................................................................................................................................22 4.2 Sporen uit de midden-bronstijd ............................................................................................................22 4.3 Vondsten uit de prehistorie ..................................................................................................................25 4.4 Interpretatie van vindplaats 1 ..............................................................................................................34

5 Vindplaats 2: bewoningssporen uit de volle middeleeuwen .............................................................. 36 5.1 Inleiding .............................................................................................................................................36 5.2 Archeologische achtergrond ................................................................................................................36 5.3 Structuren ..........................................................................................................................................37 5.4 Overige sporen ...................................................................................................................................48 5.5 Vondsten ............................................................................................................................................52 5.6 Interpretatie van vindplaats 2 ..............................................................................................................76

6 Synthese ........................................................................................................................................ 78 6.1 Synthese ............................................................................................................................................78 6.2 Aanbevelingen ....................................................................................................................................79

Literatuur .......................................................................................................................................... 80 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ..................................................................... 83

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[5]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

1 Inleiding 1.1 Kader In het plangebied De Meesterplaats worden winkels en appartementen gerealiseerd. Realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische 1

2

resten. Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek in 2008 en 2019 is besloten tot het uitvoeren van een archeologische opgraving om de archeologische resten veilig te stellen. In opdracht van Jan Oosterhout Ontwikkeling heeft RAAP op 4 februari 2019 een proefsleuvenonderzoek en van 23 april tot en met 30 april 2019 een archeologische opgraving uitgevoerd in het kader van het project ‘De Meesterplaats’ te Wijchen (figuur 1). Het voornaamste doel van het proefsleuvenonderzoek was het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het doe l van de opgraving was het veiligstellen van de wetenschappelijke informatie (behoud ex situ).

Figuur 1. De ligging van het plangebied. Inzet: ligging in Nederland (ster).

1 2

Flokstra (2008). Te Kiefte (2019b).

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[6]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL40 00, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Onderzoeksdocumentatie en vondstmateriaal zullen worden overgedragen aan het depot van de provincie Gelderland. Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is, conform de KNA een Programma 3

4

van Eisen (PvE ) opgesteld. Voor de opgraving is een Addendum op dit PvE geschreven. Het PvE en het Addendum dienden als uitgangspunt voor het onderzoek.

1.2 Administratieve gegevens Plangebied

De Meesterplaats te Wijchen

Opdrachtgever

Jan Oosterhout Ontwikkeling

Contactpersoon opdrachtgever

Dhr. A. van Beek

Bevoegde overheid

Gemeente Wijchen

Contactpersoon bevoegde overheid

Mw. E. van der Linden

Plaats

Wijchen

Gemeente

Wijchen

Provincie

Gelderland

Coördinaten

178511.89 / 424252.73

Toponiem

De Meesterplaats

Periode veldwerk

23-04/30-04-2019

Projectleider

D. te Kiefte

Projectmedewerkers

R.N. Nillesen, C. Alink, H. Eggels, E. Witmer

Onderzoeksmeldingsnummer

4696643100

Bewaarplaats vondsten

RAAP Oost

Bewaarplaats documentatie

RAAP Oost

Tabel 1. Administratieve gegevens.

Figuur 2. Werkzaamheden zoals beschrijven en meten tijdens de opgraving in plangebied De Meesterplaats.

3 4

Vosselman (2018). Te Kiefte (2019a).

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[7]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

1.3 Voorgaand onderzoek Soort onderzoek

Uitvoerder

Uitvoeringsperiode

Rapportage

Bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

RAAP

Maart 2008

Flokstra, L.M., 2008: Plangebied Don Emanuelstraat, gemeente Wijchen; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek, RAAPnotitie 2627, Weesp.

Proefsleuvenonderzoek

RAAP

Februari 2019

Kiefte, D. te, 2019: Plangebied De Meesterplaats te Wijchen, waardering en selectieadvies van de archeologische opgravingsresultaten, inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven. RAAPadviesdocument 1003, Weesp.

Tabel 2. Overzicht van voorgaande voor het plangebied relevante onderzoeken .

In overeenstemming met wat verwacht werd op basis van het bureauonderzoek (hoge verwachting voor 5

vindplaatsen uit de prehistorie t/m de late middeleeuwen) is in het plangebied De Meesterplaats te Wijchen tijdens het inventariserend veldonderzoek (boringen) een archeologische vindplaats uit de prehistorie t/m de late middeleeuwen aangetroffen. Er zijn vondsten aangetroffen vanaf 25 cm -mv tot ca. 180 cm -mv. Hoewel het plangebied grotendeels bebouwd is en er sprake is van grootschalige, diepe verstoringen (kelders, funderingen, olietank), blijken (deels) intacte bodems nog aanwezig in de ondergrond rondom de huidige bebouwing.

Tijdens het waarderend proefsleuvenonderzoek zijn vervolgens 33 archeologische sporen aangetroffen bestaande uit paalkuilen, kuilen, een greppel en één mogelijke waterput. De sporen zijn gelegen in een gebioturbeerde, maar vondstrijke bewoningshorizont die aan de onderzijde van een deels intact plaggendek aanwezig is. Het merendeel van de sporen dateert in de late Karolingische tijd (ná 850 na Chr.) tot in de volle middeleeuwen (tot ca. 1250 na Chr.), er is één kuil aangetroffen die op basis van aardewerk in de vroege bronstijd (2000-1800 voor Chr.) te dateren is. Aan de west en noordzijde van de proefsleuf zijn in de bovengrond diepe nieuwetijdse zandwinningskuilen aanwezig, die de opbouw van het plaggendek verstoord hebben.

1.4 Doelstellingen en onderzoeksvragen Het doel van de proefsleuf is inzicht te krijgen in de precieze aard, omvang, diepteligging en datering van de vindplaatsen, en te bepalen of het gaat om een behoudenswaardige vindplaats. Doel van de opgraving is het veiligstellen van informatie over de vindplaats en en behoudenswaardige resten ex situ te bewaren. In het Addendum van het Programma van Eisen (Te Kiefte 2019a) staan de specifieke onderzoeksvragen geformuleerd, die leidend waren bij het uitvoeren van de opgraving en het uitwerken 5

In deze rapportage (Flokstra 2008) wordt gesproken van plangebied Don Emanuelstraat (naam van kruisende straat nabij plangebied), in latere rapportages (te Kiefte 2019a/b) wordt gesproken van plangebied De Meesterp laats, gelijknamig het bouwontwikkelingsproject op deze locatie.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[8]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

van het proefsleuvenonderzoek en de opgraving. De uitwerking van de proefsleuf heeft deels plaatsgevonden in het adviesdocument (Te Kiefte 2019a) en zal in zijn geheel worden meegenomen in de rapportage van de opgraving. De beantwoording van de onderzoeksvragen komen uitgebreid aan bod in de volgende hoofdstukken en in de synthese (hoofdstuk 6) worden enkele brede onderzoeksvragen nog eens belicht en in context geplaatst . Bodem 1.

Wat is de aard en opbouw van de natuurlijke bodemtypen in het horizontale vlak (verspreiding) en verticale profiel (lithologische laagopeenvolging en bod emhorizonten)?

2.

Wat is op basis van het uit de plaggenlagen verzamelde vondstmateriaal de ouderdom van de onderscheiden lagen binnen het plaggendek en wanneer nam de plaggenbemesting een aanvang?

3.

Komt de bodemopbouw overeen met de gegevens verkregen door middel van het vooronderzoek (laagopeenvolging en bodemhorizonten)?

4.

In welke mate is de bodem in het plangebied verstoord en wat is de consequentie hiervan voor de leesbaarheid van archeologische sporen en structuren?

Sporen en structuren 5.

Zijn er archeologische grondsporen aanwezig? Zo ja, wat is hun aard, datering, diepteligging, kwaliteit (gaafheid en conservering) en ruimtelijke verspreiding?

6.

Zijn structuren herkenbaar van o.a. gebouwen, waterputten of beerputten? Zo ja: a.

Wat is hun aard, omvang, datering en functie?

b.

Waarop zijn de datering en de functie gebaseerd? Op dateringsmonsters, vondsten en/of typologische kenmerken van de structuren?

c.

In het geval van gebouwstructuren, kan er een functionele indeling van het gebouw worden gereconstrueerd? Licht toe.

d. 7.

Zijn de gebouwstructuren inpasbaar in bestaande typologieën?

Is er sprake van infrastructurele structuren, zoals wegen en/of paden binnen het plangebied. Zo ja, wat is de aard en datering hiervan?

8.

Is er sprake van een geïsoleerde ligging van kuilen uit de bronstijd en/of ijzertijd, of is er sprake van een erf binnen of nabij het plangebied? Waarop is deze conclusie gebaseerd?

9.

Hoe verhouden de eventueel aanwezige archeologische resten zich tot de reeds bekende vindplaatsen in de directe omgeving?

Vondsten 10. Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig en hoe is de conserveringstoestand? 11. Wat is de typologische datering, aantallen en functies van de mobiele vondsten? 12. Wat is de vondstdichtheid/ruimtelijke verspreiding van de mobiele vondsten? Uit welke contexten zijn de vondsten afkomstig?

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[9]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

13. Zijn er plaatsen aan te wijzen met een opvallend grote vondstconcentratie en wat is de samenstelling, datering en interpretatie ervan? Is sprake van een intentionele depositie?

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[10]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

2 Methoden 2.1 Werkputten Tijdens de opgraving zijn twee vindplaatsen in kaart gebracht. Hierbij zijn de vindplaatsen vlakdekkend onderzocht. In tabel 3 zijn de afmetingen van de verschillende werkputten aangegeven. Een overzicht van de ligging van de werkputten is afgebeeld in figuur 3. Tijdens het onderzoek zijn vier werkputten aangelegd met een totale oppervlakte van 528 m² op sporenvlak 1 en tijdens het veldwerk bleek op veel plekken een tweede vlak noodzakelijk in verb and met complexiteit van sporen. Het totale oppervlak van vlak 2 bedraagt 183 m2. De profielen zijn gedocumenteerd langs de oostzijde en zuidzij de van het plangebied, omdat deze de minste verstoringen van het akkerdek en het sporeniveau bevatten. Daa rnaast is een boring in WP2 gezet om de diepere bodemlagen te kunnen bestuderen, zoals bijvoorbeeld de Laag van Wijchen (zie hoofdstuk 3.3).

Werkput

Aantal vlakken

Oppervlakte vlak 1 (in m2)

Oppervlakte vlak 2 (in m2)*

WP1 (proefsleuf)

1

55

0

WP 2

2

159

89

WP 3

2

144

46

WP 4

2

80

48

WP 5

2

145

0

583

183

Totaal

Tabel 3. Overzicht van werkputten en oppervlaktes.

2.2 Documentatie en registratie In alle werkputten is minimaal één vlak aangelegd en op enkele locaties waar waterputten of grote kuilen aanwezig waren moest het vlak verdiept worden naar een vlak 2 en in het geval van twee waterputten is ook een vlak 3 aangelegd. Hiertoe is besloten toen bleek dat meerdere malen paalkuilen onder en/of in de kuilen gesitueerd waren. De sporen zijn digitaal ingemeten met een RTK-GPS met een maximale afwijking van 5 x 5 x 5 cm. Ook de hoogte van de aangelegde vlakken ten opzichte van NAP is bepaald met een GPS. De ruwe GPS bestanden zijn dagelijks uitgelezen, gecontroleerd en gecorrigeerd. Spoor- en vondstgegevens zijn in het veld ingevoerd in de Odi le database. In het algemeen geldt dat sporen en vondsten zijn gedocumenteerd conform de specificaties OS04 en OS05 van de BRL4000.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[11]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

Figuur 3. Overzicht van de werkputten (proefsleuf is getrapt aangelegd) en de locaties van de profielen.

2.3 Behandeling van sporen Om sporen te traceren en sporenclusters zo goed mogelijk te kunnen begrenzen, is het vlak waar nodig tijdens de aanleg handmatig opgeschaafd. Tijdens de opgraving zijn, behoudens recente (na 1945) verstoringen, alle antropogene sporen gecoupeerd en afgewerkt. Van sporen met een diepte van meer dan 10 cm is een coupetekening (schaal 1:20) en tevens een foto gemaakt; van minder diepe sporen is alleen de diepte en vorm in doorsnede vastgelegd in de database. Sommig e grote sporen zijn machinaal gecoupeerd en afgewerkt. De sporen zijn in een doorlopende reeks genummerd en worden in dit rapport aangeduid met een nummer, voorafgegaan door een S (bijv. S2). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.

2.4 Behandeling van vondsten Bij de vlakaanleg en bij het couperen van de sporen zijn de vondsten per spoorvulling verzameld. Vondsten die aan het plaggendek konden worden gekoppeld, zijn per laag in vakken van 5 x 5 m verzameld. Voor het verzamelen van metaalvondsten is tijdens het aanleggen van de vlakken intensief gebruik gemaakt van een metaaldetector. De vondsten zijn in een doorlopende reeks genummerd; ze worden in dit rapport aangeduid met een V (bijv. V14).

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[12]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

2.5 Behandeling van profielen De natuurlijke gelaagdheid en de verschillende archeologische niveaus zijn in kaart gebracht door middel van profielkolommen (verspreid over het onderzoeksgebied) die zijn opgeschaafd, gefotografeerd, getekend en beschreven vanaf het maaiveld (figuur 3). De profielkolommen zijn per werkput genummerd, waarbij het eerste nummer steeds naar het putnummer verwijst. Om de landschappelijke ontwikkeling en de bodemopbouw goed te begrijpen, is ernaar gestreefd om tijdens het veldwerk de stratigrafische eenheden (lagen) in de verschillende putten direct aan elkaar te koppelen. De lagen zijn hierbij in een stratigrafische reeks per werkput genummerd, waarbij het eerste deel van het vijf- of zescijferige nummer verwijst naar de werkput en het tweede de el een laagnummer is (bijv. S1040 = laag 40 in WP1). Om lagen aan te duiden, zal in de tekst alleen naar dit laagnummer verwezen worden.

2.6 Bemonstering Enkele kansrijke sporen (sporen met zichtbaar verkoold materiaal of sporen met een humeuze vulling) zijn tijdens het onderzoek bemonsterd ten behoeve van ¹⁴C-analyse. Monsternummers worden in dit rapport aangeduid met een cijfer voorafgegaan door een M (bijv. M3). Zie tabel 4 voor een overzicht van de genomen monsters. Monster

Spoor

Put

Vlak

Interpretatie spoor

Aard monster

1

162

4

1

Kuil

¹⁴C-analyse

2

24

3

1

Kuil

¹⁴C-analyse

3

190

3

2

Waterput

Bewerkingssporen hout

4

190

3

2

Waterput

Dendrochronologie

Tabel 4. Overzicht van monsters.

Er zijn in totaal twee grondmonsters genomen uit twee kuilen. De monsters zijn genomen omdat ze mogelijk een bijdrage konden leveren aan het nauwkeuriger dateren van de prehistorische sporen. Tijdens de eerste uitwerking bleek dat de aardewerkscherven in enkele sporen voldoende daterend e kenmerken bevatten voor een relatief nauwkeurige datering van de prehistorische sporen. D aarom is in 6

het evaluatieverslag voorgesteld de dateringsmonsters niet verder uit te werken. Het bevoegd gezag is hiermee akkoord gegaan. Van waterput S190 zijn de resten verzameld van de boomstammantel en enkele losse planken in de kern van de put. De voornaamste reden om het hout te verzamelen is om bewerkingssporen te herkennen en de methode van bewerken te kunnen achterhalen. De planken zouden ook secundair kunnen zijn en primair eerst een andere functie hebben gehad. Met houtonderzoek kunnen dergelijke bewerkingen en functionele toepassingen onderzocht worden. Het hout is niet gesch ikt voor een dendrochronologische analyse vanwege de slechte conservering en de relatief kleine fragmenten. In paragraaf 5.3.1 worden de resultaten behandeld.

6

Te Kiefte 2019c.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[13]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

2.7 Uitwerking De documentatie van het onderzoek is na afloop van het veldwerk gecontroleerd. Tevens zijn na afloop van het veldwerk de analoge profiel- en coupetekeningen gedigitaliseerd en de vondsten gewassen en gesplitst per materiaalcategorie. Vervolgens is aan de hand van de lagen en sporen een fasering opgesteld en zijn de vondsten gewaardeerd door materiaalspecialisten. Aan de hand van deze gegevens en de eisen in het PvE is een evaluatie- en selectierapport opgesteld dat is voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het evaluatierapport is een voorstel gedaan voor de uitwerking van de sporen, vondsten en grondmonsters. Hierin is tevens een voorstel gedaan voor de conservering van kwetsbare vondsten (metaal). Op basis van het goedgekeurde evaluatierapport zijn de opgravingsgegevens vervolgens verder uitgewerkt.

2.8 Afwijkingen en/of aanpassingen van de onderzoeksstrategie Het oorspronkelijk puttenplan voorzag in de aanleg van 3 werkputten, maar tijdens het veldwerk bleek dat de sporen aan de westzijde van werkput 4 buiten de geplande werkputten, maar binnen het plangebied, verder liepen en minder verstoord waren dan verwacht. Hierdoor is, na overleg en op aangeven van het bevoegd gezag, besloten om aan de westzijde van het oorspronkelijk e onderzoeksgebied 150 m2 extra aan te leggen tot aan de grens van het plangebied. Aan de oostzijde en zuidzijde van het plangebied kon de geplande werkputgrens niet altijd gevolgd worden in verband met de aanwezigheid van de openbare straat en diepte van de werkputten, waardoor vaak een met er breed getrapt moest worden aangelegd.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[14]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

Figuur 4. Op deze foto, genomen tijdens het proefsleuvenonderzoek, is goed de diepteligging van het archeologisch vlak te zien, waarbij de wanden getrapt moesten worden aangelegd.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[15]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

3 Landschap en stratigrafie G. Boreel en D. te Kiefte

3.1 Inleiding Een vindplaats kan niet los worden gezien van het landschap waarin deze is gelegen. Voor een correcte interpretatie is het dan ook van belang om de landschappelijke context inzichtelijk te maken. In het onderstaande wordt kort ingegaan op de geologische, geomorfologische en bod emkundige aspecten van het plangebied en directe omgeving. Dit hoofdstuk zal antwoord geven op onder andere onderzoeksvraag 1 van het PvE, waarbij de aandacht uit zal gaan naar de verticale bodemopbouw. Het opgegraven terrein is namelijk zo klein dat in horizontale zin nauwelijks sprake is van enige variatie. Daarnaast worden onderzoeksvragen 2, 3 en 4 beantwoord in dit hoofdstuk.

3.2 Landschappelijk kader De belangrijkste landschappelijke ontwikkelingen hebben zich voor Wijchen voorgedaan in het laatste deel van de laatste ijstijd, het Weichselien (90.000 tot 10.000 jaar geleden) en het Holoceen (10.000 tot heden). Tijdens het Weichselien werd Nederland niet door landijs bedekt, maar maakte het deel uit van een poolwoestijn. De rivieren Rijn en Maas stroomden h ier in brede riviervlaktes als verwilderde rivieren doorheen. De grofzandige en grindige afzettingen hiervan behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Tijdens het Pleniglaciaal, de koudste periode van het Weichselien, wordt het Laagterras gevormd dat wordt gerekend tot Kreftenheye 5. In het wat warmere Bølling/Allerød -interstadiaal transformeren de verwilderde rivieren naar insnijdende meanderende rivieren. Hierbij worden primitieve oeverwallen opgeworpen en wordt tijdens hoogwater een zandige klei afgezet, die op veel plekken is terug te vinden op het Laagterras. Deze laag wordt de Laag van Wijchen genoemd. In het Jonge Dryas wordt het kouder. Door toenemende piekafvoeren en sedimentlast veranderen de rivieren weer terug in een verwilderd patroon. De oude diepe geulen worden uitgeruimd en een nieuwe, maar lager gelegen brede riviervlakte ontstaat. Dit terras wordt gerekend tot Kreftenheye 6 en Terras X genoemd. De riviervlakte staat in deze droge en koude periode echter regelmatig droog.

De sterke zuidwesten winden nemen hieruit veel zand op en zetten dit aan de noordoostelijke randen van de riviervlakte af op het wat hoger gelegen Laagterras, over de Laag van Wijchen. Het huidige Wijchen is ontstaan op de top van een dergelijk rivierduin. Met het warmer worden van het klimaat vanaf het begin van het Holoceen, gaan de rivieren weer meanderen en insnijden. De Maas speelt daarbij voor de ontwikkeling van Wijchen een grote rol. De rivier ligt ten zuiden van het uitgebreide rivierduincomplex en waarschijnlijk al v anaf het Vroeg Holoceen op de plek waar deze nu ligt. Vanaf ongeveer 3.000 voor Chr. wordt in de directe nabijheid van Wijchen een nevengeul van de Maas actief, het Wijchens Maasje (3578 - 1715 voor Chr.). Het Wijchens Meer vormt een niet volledig opgevulde restgeul van het Wijchens Maasje.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[16]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

3.3 Bodemopbouw Aan de hand van de profielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven. Aan de basis van de waargenomen profielen bevindt zich de top van het grindige Laagterras, dat tot de Formatie van Kreftenheye kan worden gerekend (laag 60 in werkput 2 en laag 70 in de werkputten 3 en 4). Hier overheen is een sterk gelaagd pakket zwak siltig zand afgezet dat eveneens tot het Laagterras wordt gerekend (overal tot laag 60 gerekend). Het zand wordt afgewisseld door dun ne lemige laagjes, waarvan figuur 6 een goede impressie geeft. De top van laag 60 wordt gevormd door een roodbruine zandige leem. Deze harde laag is geïnterpreteerd als Laag van Wijchen en de top ervan bevindt zich +

op een hoogte van 7,3 tot 7,4 m NAP. Over de Laag van Wijchen is het rivierduin opgeworpen waar op Wijchen is aangelegd (laag 50). Het losse, zwak siltige en matig grove zand laat nergens sedimentaire structuren zien. Op de top van het rivierduinzand zijn de archeologische sporen ingegraven waarboven vervolgens een plaggendek is opgeworpen. Een overgangszone tussen het ‘schone’ rivierduinzand en de antropogeen beïnvloede lagen is sterk gebioturbeerd. Hoewel hier strikt genomen niet sprake is van een laag is deze in de profielen begrensd als laag 30.

Figuur 5. Twee lithogenetisch geïnterpreteerde profielen binnen het plangebied (zie voor locatie figuur 3).

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[17]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

Figuur 6. Impressie van het gelaagde zandpakket van laag 60 met in de top de Laag van Wijchen. Laag 50 wordt gevormd door het rivierduin dat op de Laag van Wijche n is afgezet. (foto genomen in zuidelijke richting ter plaatse van boring 1, zie ook profiel 201 in figuur 5).

Plaggendek De door bodemvorming ontstane horizonten zijn volledig opgenomen in de eerdlaag die hier als plaggendek geduid kan worden. Op basis van kleur, hoeveelheid en aard van inclusies kunnen in dit pakket twee fasen worden onderscheiden (lagen 20 en 21). Laag 20 is donker grijsbruin van kleur, terwijl laag 21 donkerbruin is en wat vlekkerig (doorschemerend lichtbruin rivierduinzand) . De jongste fase laat daarnaast meer fijn baksteengruis en houtskool zien dan de onderliggende laag 21. Op basis van het vondstmateriaal kan weinig gezegd worden over een precieze datering van het plaggendek, omdat veel scherven in de vroege of volle middeleeuwen dateren en opspit betreffen. In laag 20 is een blauwgrijze scherf gevonden die tussen 1200-1300 dateert, naast enkele andere scherven die tot 1200 kunnen dateren. Opvallend genoeg zijn geen nieuwetijdse scherven aangetroffen in het plaggendek en e

daarmee dateert het opwerpen van dit pakket vermoedelijk in de 13 eeuw. Het plaggendek wordt afgedekt door ophogingen (laag 16) en de bouwvoor (laag 15). De ophogingen zijn wisselend van aard, maar overwegend bijna zwart van kleur, bestaan uit zwak siltig zand en bevatten veel bouwpuin. Verstoringen hebben geen laagnummer gekregen, maar versnijden het plaggendek (figuur 5) en zijn met divers recenter materiaal opgevuld. De bouwvoor bestaat uit donker grijsbruin, zwak siltig zand met een matige hoeveelheid fijn bouwpuin. D e top hiervan is verstoord bij de aanleg van de straat, tuin en bebouwing (laag 10). In figuur 7 wordt een impressie gegeven van het volledig profiel (zonder de grindige pleistocene afzettingen) ter plaatse van profiel 403.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[18]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

Figuur 7. Impressie van de bodemopbouw ter plaats e van profiel 301.

Grondwinning of tabaksteelt? Een opvallend verschijnsel zijn de langwerpige kuilen die vanaf de bovenkant van het plaggend ek zijn ingegraven en zijn opgevuld met geelbruin gevlekt, matig fijn zand. De kuilen zijn alleen aanwezig in het plaggendek ter hoogte van werkputten 2 en 3 en de onderkant van de kuilen ligt net boven de overgang naar het natuurlijk rivierduin, het gele schone zand. De sporen zijn in het veld als verstoringen beschouwd en derhalve ook niet ingemeten. Het lijkt aannemelijk om de kuilen met de winning van humeuze grond te associëren. Ze zijn regelmatig in rijen uitgegraven met de lengterichting 7

georiënteerd op de Oosterweg. Een andere mogelijkheid is dat de kuilen zijn gegraven voor de aanplant van tabak. Hierbij zijn aarden wallen, ook wel ‘bedden’, opgeworpen waarin de tabaksplant werd gepoot. Naast het tabaksveld werden vaak bonenstaken aangeplant om voor extra inkomsten te 8

zorgen met dit landbouwproduct. De aangetroffen kuilen kunnen het resultaat zijn van het uitgraven

7 8

Observatie tijdens het veldwerk door D. te Kiefte. Hulst (2011), p. 15.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[19]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

van de humeuze grond waarmee de bedden zijn aangelegd. Echter, lijken de zogenaamde wallen wel erg smal te zijn in het onderzoeksgebied waardoor deze theorie enigszins op losse schroeven staat. In figuur 8 is een dergelijke kuil in doorsnede te zien zoals aangetroffen in profiel 101. In figuur 9 is een tekening afgebeeld welke een doorsnede toont van een tabaksveld, hierin zijn duidelijk de smalle greppels/kuilen tussen de aarden wallen zichtbaar en de bonenstaak langs de rand van het veld. In de omgeving van Wijchen en Druten is bekend dat tabaksteelt werd bedreven en rond 1959 kwam pas een 9

einde aan de inlandse tabaksteelt na het uitbreken van een schimmelziekte. Op de Bonnekaart uit 1900 is binnen het plangebied echter geen akker te zien, wel is op een naastgelegen oostelijk perceel een akker met een gebouw ingetekend (zie figuur 10).

10

Uit de kuilen komen geen vondsten, maar uit

e

de bovengelegen bouwvoor is materiaal uit de 19 eeuw afkomstig wat een terminus ante quem e

oplevert voor de kuilen in de 19 eeuw of ouder. Dit kan ook verklaren waarom op de Bonnekaart al geen akker meer ingetekend is, omdat deze reeds buiten gebruik is. Na het in onbruik raken van het mogelijke tabaksveld zijn de kuilen dichtgegooid met geel zand om het terrein weer vlak te maken.

Figuur 8. Een opgevulde kuil in profiel 101, mogelijk restant van tabaksteelt.

Figuur 9. Schematische weergave van de doorsnede van een tabaksveld (bron: Hulst 2011 , p.15).

9

www.tabakshistorie.nl. Bekeken via www.topotijdreis.nl en www.atlas1868.nl.

10

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[20]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

Figuur 10. Het plangebied geprojecteerd op de Bonnekaart uit 1900, ten oosten van het plangebied is een akker met een gebouw zichtbaar.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[21]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

4 Vindplaats 1: Laat-neolithicum tot ijzertijd 4.1 Inleiding Vindplaats 1 bestaat uit tien mogelijke paalkuilen en elf kuilen die in de midden-bronstijd gedateerd kunnen worden op basis van aardewerkscherven in enkele sporen. De sporen liggen verspreid door het onderzoeksgebied, maar met een duidelijke concentratie in de zuidwestelijke hoek van werkput ten 2 en 3. De concentraties paalkuilen maken het aannemelijk dat de sporen de el uitmaken van een gebouwstructuur. Als gevolg van het beperkte oppervlak is het echter niet mogelijk om de aard van de structuur vast te stellen. In paragraaf 4.4 worden de elementen van sporen en vondsten bij elkaar gebracht om een conclusie en eerste synthese te vormen over vindplaats 1 en de relatie met omliggende aangetroffen prehistorische vindplaatsen op het rivierduin van Wijchen. Dit zal ook onderzoeksvragen 5 t/m 9 kunnen beantwoorden voor wat betreft vindplaats 1.

4.2 Sporen uit de midden-bronstijd Tijdens de opgraving zijn diverse sporen uit de midden -bronstijd blootgelegd. Ze zijn gedateerd op basis van de kenmerken van het uit de vullingen van (een deel van) deze sporen verzamelde aardewerk (zie 4.3.1). De sporen zijn gelegen op hetzelfde vlakniveau als de sporen uit de middeleeuwen (zie ook figuur 14). Hierdoor zijn mogelijk sporen van vindplaats 1 reeds vergraven in de middeleeuwen en is geen intact bodemarchief bewaard gebleven. Desalniettemin is de hoeveelheid aan sporen uit de midden -bronstijd een sterke indicatie dat in het onderzoeksgebied of net daarbuiten een erf aanwezig i s geweest, hoogstwaarschijnlijk in de zuidwestelijke hoek ter hoogte van een grotere concentratie sporen. Er is een onderscheid te maken in de vulling van de sporen, waarbij de meeste sporen een licht grijsbruine vulling hebben en geen tot zeer weinig hou tskool bevatten. In figuur 11 en figuur 12 zijn de sporen 8 en 17 afgebeeld, voorbeelden van paalkuilen uit de midden-bronstijd en gelegen in de concentratie sporen in werkput 2 en 3. Eén spoor dat afwijkt van de gebruikelijke vulling, is spoor 24. Dit spoor is een kuil met meerdere vullingen en een uitzonderlijk grote hoeveelheid houtskool (HK2 ) ten opzichte van de andere sporen uit dezelfde periode. De kuil is 25 cm diep.

De functie van de kuil is onbekend, maar gezien de afwezigheid van verbrand zand, zal het houtskool secundair als afval in de kuil zijn terechtgekomen en is geen sprake van een haardkuil (zie figuur 13).

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[22]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

Figuur 11. Spoor 8, een paalkuil uit de midden-bronstijd.

Figuur 12. Spoor 17, een mogelijke paalkuil uit de midden-bronstijd.

Figuur 13. Spoor 24, een kuil met veel houtskool, daterend in de midden-bronstijd.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[23]

Figuur 14. De verspreiding van de grondsporen behorende bij vindplaats 1.

4.3 Vondsten uit de prehistorie Het archeologisch onderzoek heeft binnen vindplaats 1, 152 vondsten opgeleverd. Een overzicht van de aantallen van de verschillende vondstcategorieën wordt weergegeven in tabel 5. De complete vondstenlijst is opgenomen in Appendix 2. In Appendix 3 zijn de vondstdeterminatietabellen opgenomen. In dit hoofdstuk worden de vondsten per materiaalcategorie beschreven in samenhang met de spoorcontexten waarin ze zijn gevonden. Vooruitlopend op enkele constateringen in dit hoofdstuk is het opvallend dat het vondstmateriaal uit de prehistorische perioden voornamelijk is verzameld in antropogene grondsporen uit de middeleeuw en. Met name wat betreft het natuursteen is moeilijk aan te geven of de fragmenten bewerkte steen secundair of primair in de spoorcontext zijn terechtgekomen. In dit hoofdstuk worden de onderzoeksvragen 10 t/m 13 beantwoord voor vindplaats 1. Vondstcategorie

Aantal

Aardewerk

99

Natuursteen

25

Vuursteen

31

Tabel 5. Aantal vondsten per vondstcategorie (vindplaats 1).

4.3.1 Handgevormd prehistorisch aardewerk Huub Scholte Lubberink Het onderzoek aan de Meesterplaats te Wijchen heeft een bescheiden en qua datering gevarieerde hoeveelheid handgevormd aardewerk uit de prehistorie opgeleverd. Het gaat om 96 scherven handgevormd aardewerk afkomstig uit een bescheiden aantal contemporaine sporen, een groot aantal is afkomstig uit middeleeuwse grondsporen en uit afdekkende (akker)lagen (tabel 6). Het prehistorisch aardewerk in de middeleeuwse sporen kan als opspit worden beschouwd.

aard en datering grondspoor

Handgevormd aardewerk (n)

kuil prehistorie

33

paalspoor prehistorie

3

spoor middeleeuwen

61

laag middeleeuwen

2

totaal

99

Tabel 6. Herkomst van het handgevormde aardewerk.

Onder het handgevormde aardewerk, dat relatief sterk is gefragmenteerd, is een klein aantal randen en bodems en een relatief groot aantal wandfragmenten en fragmenten ondetermineerbaar gruis aanwezig (tabel 7). Determinatie en datering heeft hoofdzakelijk plaatsgevonden op basis van bakselkenmerken (magering, kleur, wanddikte etc.) en op basis van de aanwezige wandversiering.

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

aard

n

rand

4

wand

64

bodem

9

gruis

17

totaal

99

Tabel 7. Aard van het handgevormde aardewerk.

Onder het handgevormde aardewerk van de Meesterplaats is een groot aantal scherven dat zich kenmerkt door de toepassing van grove minerale magering, in de vorm van gebroken k warts en grindjes/grofzand ( circa 62%). Daarnaast is een aanzienlijk percentage (34%) gemagerd met potgruis. Het overige materiaal is gemagerd met zand of bevat geen zichtbare magering. Aan het onderscheid tussen de toegepaste mageringsbestanddelen ligt in grote lijnen een verschil in datering ten grondslag. Materiaal met een grove minerale magering dateert hoofdzakelijk uit de tijdspanne van het laat neolithicum tot en met de vroege ijzertijd. Materiaal dat uitsluitend met potgruis is gemagerd, stamt deels uit het laat-neolithicum maar vooral uit de late bronstijd en/of ijzertijd. Een meer nauwkeurige datering is soms mogelijk op basis van wandversiering. Eenduidige scherven uit het laat-neolithicum, zes in getal, zijn geïdentificeerd op basis van wandversiering. Het gaat om scherven in een grijsbruin tot roodbruin baksel gemagerd met potgruis of gebroken kwarts. Onversierd materiaal uit deze periode laat zich binnen het onderhavige aardewerkcomplex op basis van alleen bakselmerken vrijwel niet onderscheid en van materiaal uit latere perioden.

Het versierde materiaal vertoont indrukken aangebracht met een kerfspatel (klokbeker; V 178 en 240) of nagel- of spatelindrukken, meestal gecombineerd met opgeknepen rillen/ribbels (potbeker en potbekerachtig materiaal; V16, 34, 114 en 232; figuur 15). Bij de laatste versieringsvorm is het onderscheid met op een vergelijkbare wijze versierd materiaal uit de late bron stijd en/of vroege ijzertijd niet altijd eenvoudig, zeker wanneer het om verweerde, kleine tot zeer kleine aardewerkfragmenten gaat. Voor deze laatste fragmenten is om die reden in de database een ruimere datering aangehouden. Eenduidig aardewerk uit de late bronstijd ontbreekt echter onder het gedetermineerde materiaal, zodat een datering in het laat-neolithicum het meest waarschijnlijk geacht wordt. Materiaal uit de midden-bronstijd is met 34 scherven relatief overvloedig. Het gaat hierbij uitsluitend om met kwartsgrindjes (en grof zand) gemagerd aardewerk dat zich verder kenmerkt door beige tot lichtbruine tinten, vrij grote wanddiktes (> 10 mm) met uitschieters naar 21 mm, en een ruw oppervlak. Al het materiaal uit de midden-bronstijd is onversierd. De helft van de scherven uit deze periode zijn afkomstig uit de vulling van één kuil (S43). Hieronder is een randfragment van een voor de periode kenmerkende tonvormige (tweeledige) pot zonder hals (V58 – zie ook figuur 16).

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[26]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

Figuur 15. Scherven met nagel- of spatelindrukken en opgeknepen ribbels uit het laat-neolithicum, niet op schaal.

Figuur 16. Scherven van een tonvormige tweeledige pot zonder hals uit de midden -bronstijd, gevonden in kuil S43 (V58), niet op schaal.

Een ander deel van het aardewerk wijst op activiteiten in de tijdspanne van de late bronstijd en/of de vroege ijzertijd (V79, 148 en 171). Het gaat om vier scherven die opvallen door de toepassing van grove minerale magering (gebroken kwarts) en (delen van) patronen van aaneengesloten indrukken, zogenaamde Kalenderberg-versiering (V148 en 171), en losse indrukken met een zijwaartse ribbel (Wulstgruben; V79). In de regio Wijchen wordt na het begin van de midden -ijzertijd geen grove minerale magering meer toegepast. De combinatie van deze magering en de voornoemde versieringstechnieken maken een datering in de late bronstijd en vroege ijzertijd zeer aannemelijk. Het is mogelijk dat ook het met kwarts, potgruis en/of zand gemagerde, onversierde materiaal (met een

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[27]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

‘ijzertijdbaksel’; n = 21) uit deze periode stamt. Een argument voor een vroege datering binnen deze periode vormt de schaarste aan aardewerk met een besmeten oppervlak, waarvan slechts één scherf is aangetroffen. Na de eerste fase van de vroege ijzertijd zouden in principe hogere aantallen bes meten aardewerk verwacht mogen worden, terwijl daarvóór besmijting maar een geringe rol speelde. Samenvattend kunnen op basis van het handgevormde prehistorische aardewerk drie gebruiks - of activiteitenfasen worden onderscheiden. Een fase in het laat -neolithicum B, de midden-bronstijd en de late bronstijd en/of het begin van de vroege ijzertijd. Het geringe aantal grondsporen uit deze perioden doet vermoeden dat de kern van de bewoning zich in alle gevallen buiten het onderhavige onderzoeksgebied bevond.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[28]

4.3.2 Vuursteen Huub Scholte Lubberink Het onderzoek aan de Meesterplaats heeft een bescheiden hoeveelheid vuurstenen artefacten opgeleverd. Ze zijn op het oog gedetermineerd en ingevoerd in de RAAP -database Odile. Er zijn 31 vuurstenen artefacten met een gezamenlijk gewicht van 249,3 gr. verzameld uit de vullingen van kuilen, paalsporen en natuurlijke vlekken (tabel 8). Het gaat om materiaal dat op basis van zijn specifieke karakter in het laat-neolithicum of de bronstijd gedateerd moet worden.

Vondstcategorie

Aantal

afslagschrabber

3

geretoucheerde brok

2

afslagkern

2

afslag

6

brok

17

potlid

1

Tabel 8. Aard van de vuurstenen artefacten.

Het uitgangsmateriaal bestaat uit in de omgeving van Wijchen verzameld materiaal dat gezien de windlak en verweerde cortex op een groot deel van de stukken voor een belangrijk deel niet afkomstig is uit rivierafzettingen, maar eerder uit een eluvium of een and ersoortige vuursteenhoudende afzetting. Het betreft uitsluitend vuursteen van een zuidelijke origine, de artefacten zijn van een klein tot zeer klein formaat en bevatten naar verhouding een groot aandeel natuurlijk (verweerd) oppervlak. Hoewel niet uitgesloten kan worden dat enkele van een betere kwaliteit vuursteen vervaardigde artefacten afkomstig zijn van restanten van vuurstenen bijlen, zijn op het bestudeerde materiaal geen geslepen vlakken aanwezig. De bewerkingstechniek van het materiaal heeft een sterk ad-hoc-karakter dat karakteristiek is voor de hierboven genoemde perioden. Van een regelmatige afbouw van kernen voor de productie van klingen en/of afslagen was geen sprake (meer). Eerder betreft het materiaal dat zijn ontstaan dankt aan de zogenaamde hamer-en-aambeeldtechniek, waarbij het uitgangsmateriaal tussen twee stenen werd uiteengeslagen in brokken en ruwe afslagen die (wanneer ze aan bepaalde criteria voldeden) zonder een uitgebreide, verdere bewerking werden gebruikt.

Onder de bestudeerde stu kken zijn vijf geretoucheerde, maar qua datering weinig diagnostische stukken, waarbij het gaat om drie afslagschrabbers en twee geretoucheerde brokken. Het overige materiaal bestaat uit bewerkingsafval zonder verdere modificatie. Een deel van het vuursteenmateriaal was vergezeld door scherven handgevormd aardewerk uit de prehistorie. Het gaat hierbij met name om tien vuurstenen artefacten uit de vullingen van spoor 1 (V 171), 15 (V 175), 24 (V 158) en spoor 43 (V 58). Een afslagschrabber uit spoor 15 ging vergezeld van met potgruis gemagerd aardewerk uit het laat-neolithicum of uit de ijzertijd. De datering van deze schrabber is daarom niet geheel duidelijk. Het is niet uitgesloten dat het artefact als opspit in een jonger spoor uit bijvoorbeeld de ijzertijd is beland. Alle andere sporen met vuurstenen artefacten hebben aardewerk uit de midden-bronstijd opgeleverd. Het ligt om die reden voor de hand dat de vuurstenen artefacten uit deze sporen, waaronder nog een afslagschrabber (V 158), vooral uit die

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

periode stammen. Het overige deel van het vuursteenmateriaal bevond zich als opspit in de vullingen van (overwegend) middeleeuwse grondsporen en kan niet nader gedateerd worden dan laat neolithicum of bronstijd.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[30]

4.3.3 Natuursteen Gerard Boreel Inleiding In totaal zijn 143 fragmenten natuursteen gevonden in beide vindplaatsen. Zij wegen samen 14.487 g. Al het materiaal is gevonden in sporen. Vijfentwintig fragmenten komen uit sporen van vindplaats 1 uit de midden-bronstijd, een deel van het natuursteen (57 stuks) komt uit middeleeuwse sporen, die tot vindplaats 2 gerekend worden en de rest komt uit niet te dateren sporen. Beschrijving In tabel 9 wordt een overzicht gegeven van de gevonden totaalaantallen en gewichten per soort natuursteen voor beide vindplaatsen. Een groot percentage wordt gevormd door het tefriet (basaltlava) en zandsteen. Van de 143 fragmenten kunnen twaalf als artefact worden aangemerkt, omdat hier sporen van bewerking op zijn aangetroffen. soort

aantal gewicht in g

chert

4

51

indet.

5

74

jaspis

1

52

kalksteen

6

1.017

kwarts

4

106

kwartsiet

2

1.271

leisteen

4

399

radiolariet

1

12

rhyoliet

1

31

schist

1

89

siltsteen

4

117

tefriet

57

3.498

tufsteen

2

83

vuursteen

6

123

zandsteen

45

7.564

totaal

143

14.487

Tabel 9. Overzicht van de gevonden aantallen en gewichten per soort natuursteen in beide vindplaatsen.

Het natuursteen in de sporen uit de midden - bronstijd Uit sporen van vindplaats 1 komen in totaal 25 fragmenten natuursteen met een gewicht van 332 g (zie tabel 10). Naast soort, aantal en gewicht is gekeken naar de vorm van de stukken, de grootteklasse en verbranding en/of verhitting (resp. verkleuringen/roetaanslag en openstaande breuken of breukvormen als gevolg van verhitting). Als laatste is vastgelegd of stukken bewerkt zijn geweest. Determinatie heeft plaatsgevonden op het oog en waar nodig met behulp van een 10x vergrotende loep. Meer dan driekwart van het natuursteen heeft een (afgerond -)hoekige vorm en is dus op een of andere manier gefragmenteerd geraakt. Op één fragment na zijn de fragmenten niet groter dan 60 mm. Onduidelijk blijft op welke manier het natuursteen gefragmenteerd is geraakt, aangezien maar één

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

fragment sporen van verbranding laat zien. Het meeste materiaal was echter ook voor frag mentatie niet groter dan grind en kan als natuurlijk gevormd materiaal worden beschouwd.

soort

aantal

gewicht in g

chert

1

2

indet.

3

28

kwarts

2

15

radiolariet

1

12

rhyoliet

1

31

siltsteen

2

26

vuursteen

3

59

zandsteen

12

159

totaal

25

332

Tabel 10. Overzicht van de gevonden aantallen en gewichten per soort natuursteen uit vindplaats 1.

Eén opvallend stuk wordt gevormd door een klein plat grindje van siltsteen, waar op beide platte zijden een aanzet tot doorboring is gevonden (zie figuur 17). Getracht is een gaatje te boren met een boor van 3 mm doorsnede en een bolvormige kop, maar het gaatje is niet doorboord geweest . Het lijkt een halffabricaat te betreffen. Op één van de platte zijden is een deel van een cirkel ingekrast waarvan het middelpunt samenvalt met het geboorde gat. Verder zijn op hetzelfde oppervlak v erschillende ondiepe krasjes vaag te herkennen, zonder dat hierin een patroon is te zien. Het steentje is gevonden in paalkuil S17, die op basis van aardewerk in de midden-bronstijd gedateerd wordt.

Figuur 17. Bewerkte siltsteen, een halffabricaat, met een half doorboord gaatje. Schaal 3:1.

Bij het archeologisch onderzoek op de Oostflank is ook een dergelijke steen gevonden , waar het als snorrebot is geïnterpreteerd.

11

Vaak gesneden van hout of bot, maar ook vervaardigd van steen,

maakten deze stenen een opvallend brommend geluid als ze aan een koordje snel worden rondgedraaid. Door de vorm en het profiel gaat de steen hard om zijn lengteas draaien, wat het specifieke geluid maakt. Bij de opgraving Martensterrein, ten noordoosten van het plangebied, is in 2007 een soortgelijke doorboorde platte steen aangetroffen.

11 12

12

De opgravers interpreteren het hier als

Van Kampen (2017), p. 208-209. Verhelst (2011), p. 124.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[32]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

een amulet en het wordt op basis van de context in de late bronstijd gedateerd. De vorm van de steen en de locatie van het niet-doorboorde gaatje uit plangebied De Meesterplaats lijkt nog het meeste op het amulet van het Martensterrein, met het gaatje in het midden. Bij het exemplaar van de Oostflank was het gaatje meer naar de rand geplaatst. Verspreid over Nederland zijn meer doorboorde hangers bekend uit prehistorische context ( figuur 18). De meeste komen van de pleistocene zandgronden, terwijl uitzonderingen bekend zijn uit Den Haag en Meteren-De Bogen (niet in ARCHIS terecht gekomen). Een opvallende concentratie is te zien l angs de Maas. De hangers uit Wijchen en van De Meesterplaats kunnen als meest noordelijk voorkomende exemplaren langs de Maas worden gezien.

Figuur 18. Spreiding van doorboorde hangers van natuursteen in prehistorische context o. b.v. ARCHIS3 (gezien op 10-07-2020).

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[33]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

4.4 Interpretatie van vindplaats 1 De paalkuilen en kuilen in vindplaats 1 dateren voornamelijk in de midden-bronstijd, omdat op basis van onderscheid in vulling in elk prehistorisch spoor minimaal één scherf vrij nauwkeurig in de middenbronstijd gedateerd kan worden. Daarnaast zijn op basis van het aardewerk en het vuursteen ook twee activiteitenfases in het laat-neolithicum B en in de late bronstijd / vroege ijzertijd aan te wijzen in het onderzoeksgebied, maar hierbij ontbreken de specifiek aanwijsbare grondsporen per periode. Slechts één kuil (S15) bevat enkel aardewerk dat ofwel uit het laat -neolithicum B of de vroege ijzertijd kan dateren op basis van potgruismagering. De bijbehorende afslagschrabber (V175) ka n ook in een van deze twee perioden dateren. De prehistorische grondsporen zijn zeer waarschijnlijk onderdeel van een erf uit de midden-bronstijd.

13

Het bijbehorende woonhuis is vermoedelijk aan de zuid of westkant buiten

de werkput gelegen. De gedocumenteerde paalkuilen zijn onderdeel geweest van gebouwde structuren, maar als gevolg van latere activiteiten en het beperkte oppervlak van het onderzoeksgebied is het niet mogelijk om de precieze aard en omvang van de mogelijke structuur vast te stellen. Ten zuidoosten van het plangebied De Meesterplaats zijn in het najaar van 2015 grootschalige opgravingen uitgevoerd op het terrein Oostflank.

14

Hierbij zijn sporen aangetroffen van een

huisplattegrond en vier kuilen uit de laatste fase van de midden-bronstijd B (1377-1126 voor Chr.). De kuilen lagen daar ruim verspreid rond het huis. Aan de noordzijde van het onderzoeksgebied zijn destijds wel vondsten gedaan, maar niet de sporen die hierbij zouden horen. Het is niet uitgesloten dat deze vondsten horen bij het erf dat in plangebied De Meesterplaats wel is aangesneden. De archeologen van de opgraving Oostflank vermoedden dat in en rond de Oostflank sprake moet zijn van een nederzetting uit de midden-bronstijd B die mogelijk slechts twee generaties bewoond is geweest, gezien de lage hoeveelheid vondsten en de specifieke gebruiksperiode die op basis van de vondsten aan de sporen kan worden toegewezen.

15

Tijdens de opgraving op de Oostflank zijn slechts 18

aardewerkscherven uit de vroege tot midden -bronstijd verzameld op een totaal van 24.000 scherven uit alle perioden. Tegelijkertijd wijzen ze er ook op dat bij andere opgravingen is gebleken dat de lage hoeveelheid vondsten weinig zegt over de omvang van een nederzetting, zoals was gebleken bij onderzoek in o.a. Veldhoven Habraken.

16

Bij een opgraving op het Martensterrein, enkele honderden

meters naar het noordwesten, zijn sporen en vondsten aangetroffen uit de bronstijd.

17

Hierbij zijn met

name uit de late bronstijd concrete aanwijzingen voor een nederzetting op he t terrein waarbij een spieker, kuilen en een waterkuil zijn aangelegd en in een overstoven horizont is veel nederzettingsafval bewaard gebleven (o.a. 882 aardewerkscherven daterend in de late bronstijd). Uit de vroege bronstijd zijn alleen enkele paalkuilen en kleine hoeveelheden vondsten aangetroffen op het Martensterrein (o.a. 14 aardewerkscherven), waardoor de bewoningskern buiten het plangebied lijkt te liggen . Uit de midden-bronstijd zijn slechts enkele potscherven verzameld en lijkt op het terrein sle chts sporadisch iemand gepasseerd te zijn, maar kan geen sprake zijn van bewoning.

13

Op basis van een groter aantal dateerbare scherven uit de midden -bronstijd kan de bewoning in deze periode worden geplaatst in tegenstelling tot wat in het vooronderzoek (Te Kiefte 2019a) is vermeld waar nog werd uitgegaan van een vroege bronstijd datering op basis van een lager aantal dateerbare aardewerkscherven. 14 Van Kampen 2017. 15 Van Kampen (2017), p. 66. 16 Van Kampen (2017), p. 64. Voor Veldhoven Habraken zie Van Kampen / Van den Brink (2013), p. 77. 17 Verhelst 2011.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[34]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

De hoeveelheid vondsten op De Meesterplaats (o.a. 99 stuks aardewerk, waarvan 33 stuks in prehistorische context) lijkt een gemiddeld aantal te representeren voor een kleinschalige vindplaats uit de bronstijd. Hier kan zeker sprake zijn van een (deel van een)) erf uit de midden-bronstijd gezien het hogere aantal scherven dat specifiek aan deze p eriode kan worden toegeschreven en welke verzameld zijn in gesloten contexten zoals enkele paalkuilen en kuilen (34 stuks). Het ziet er naar uit dat de bewoning in de midden en late bronstijd zich uitstrekte over het rivierduin langs de oostkant van Wijchen tussen het Wijchens Maasje in het zuiden en de oude loop van de rivier de Elst in het noordoosten. Waarbij de bewoning uit de midden-bronstijd zich rond de Oosterweg (terreinen Oostflank en Meesterplaats) lijkt te concentreren en de bewoning in de late bronstijd naar het noordoosten, richting het Martensterrein, verschuift.

RAAP-rapport 3983 / versie 24-07-2020

[35]

De Meesterplaats Te W ijchen, gemeente W ijchen, een archeologische opgraving

5 Vindplaats 2: bewoningssporen uit de volle middeleeuwen 5.1 Inleiding Vindplaats 2 bestaat uit kuilen, paalkuilen, een greppel en vijf waterputten die horen bij minimaal twee erven uit de vroege en volle middeleeuwen (900-1300). De erven bestaan uit twee gebouwstructuren met bijbehorende waterputten, een spieker en mogelijke erfafscheiding door middel van een hek (palenrij). De erven zijn onderdeel van een groter middeleeuws nede rzettingsareaal daterend in de gehele middeleeuwen en verspreid over honderden vierkante meters op het rivierduin van Wijchen. De vondst van Karolingische waterputten ten westen van het plangebied (op locatie van de huidige Albert Heijn), gebouwstructuren (Oostflank, de Meesterplaats en Markt) en een omvangrijk grafveld onder de markt van Wijchen getuigen van een omvangrijke (vroeg-/vol-)middeleeuwse nederzetting rond plangebied de Meesterplaats. Hoofdstuk 5 beantwoordt de onderzoeksvragen 5 t/m 13 met betrekking tot sporen, structuren en vondsten van vindplaats 2. In paragraaf 5.3 en 5.4 worden met name vragen over sporen en structuren beantwoord en in paragraaf 0 worden de vragen met betrekking tot de vondsten deels beantwoord. In paragraaf 5.5 wordt alles in samenhang tot elkaar gebracht en tevens onderzoeksvraag 9 beantwoord.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=dfa7f692-501d-49d9-98b0-303acdc529d9