CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1: Verordening Leerlingenvervoer gemeente Wijchen 2022

Raad openbaar Wijchen 24 mei 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 75277 Beslisnota Verordening Leerlingenvervoer gemeente Wijchen 202217.791 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening leerlingenvervoer gemeente Wijchen 2022 Besluit van de raad van de gemeente Wijchen tot vaststelling van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Wijchen 2022 De raad van de gemeente Wijchen; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 april 2022; gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening leerlingenvervoer gemeente Wijchen 2022 Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. aanvrager: ouder of meerderjarige handelingsbekwame leerling; b. aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar; c. afstand: afstand tussen de woning en de school. De afstand wordt gemeten langs de kortste voor de leerling naar het oordeel van het college voldoende begaanbare en veilige weg; d. begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; e. college: college van burgemeester en wethouders; f. deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige; g. eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig, scootmobiel, bromfiets, scooter of (elektrische) fiets; h.

gehandicapte leerling: een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap noch zelfstandig, noch onder begeleiding van het openbaar vervoer of eigen vervoer gebruik kan maken. Voor een psychische handicap geldt dat deze handicap moet zijn vastgesteld door een behandelaar en/of een medisch deskundige i. inkomen: - Het in de aanslag inkomstenbelasting van het peiljaar vermelde verzamelinkomen of - het geregistreerd inkomen in een inkomensverklaring van de belastingdienst van het peiljaar; j. leerling: de persoon die is ingeschreven bij een school zoals bedoeld onder s. in dit artikel en feitelijk en structureel in Wijchen verblijft; k. leerlingenvervoer: door de gemeente bekostigde vervoersvoorziening van één of meer leerlingen; l. ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 26 van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld.

Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek; m.OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a,

1

negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, negende lid, van de Wet op het voorgezet onderwijs; n. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer; o. ouders: ouder(s), pleegouders, voogden of verzorgers van de leerling; p. peiljaar: het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar valt waarvoor vergoeding wordt gevraagd; q. reistijd: - op de heenreis: de totale minimale reisduur vanaf het verlaten van de woning tot het bereiken van de schoollocatie; - op de terugreis: de totale minimale reisduur vanaf het verlaten van de schoollocatie tot het bereiken van de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 15 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; r. samenwerkingsverband: 1. voor het primair onderwijs: organisatie als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: organisatie als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3. voor het voortgezet onderwijs: organisatie als bedoeld in artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs; s. school: 1. In het primair onderwijs: de locatie van basisschool of speciale school voor basisonderwijs waar de leerling onderwijs volgt als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2.

In het speciaal onderwijs: de locatie van de school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs waar de leerling onderwijs volgt als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3. In het voortgezet speciaal onderwijs: de locatie van de school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs waar de leerling onderwijs volgt als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 4. In het voortgezet onderwijs: de locatie van school voor voortgezet onderwijs waar de leerling onderwijs volgt als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; t. schriftelijk: per brief of digitaal voor zover de aanvrager kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is; u. toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; v. vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; w. vervoersvoorziening: 1.

Vergoeding van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; of 2. Aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3. Gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; x. woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.

2

Artikel 2 OOGO 1. Het college neemt het leerlingenvervoer op als vast agendapunt in het OOGO. 2. Het college spant zich in om in het OOGO afspraken te maken met het samenwerkingsverband over: a. de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b. de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt. De deskundige betrekt hierbij de zelfstandigheid, zelfredzaamheid en eigen kracht van ouders en leerling; c. de manier waarop invulling wordt gegeven aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem best passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door het college wordt gegeven naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de manier waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; e. de manier waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid. 3. Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de volgende onderwerpen besproken: a. de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; b.

de manier waarop situaties als genoemd in artikel 8, tweede lid, kunnen worden voorkomen, dan wel op te heffen en dit onderwijs bij de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, aangeboden kan worden. Artikel 3. Algemene bepalingen 1. Ouders zijn altijd zelf verantwoordelijk voor het schoolbezoek van hun kind. 2. Ouders kunnen een beroep doen op een vervoersvoorziening voor zover er naar het oordeel van het college geen of in onvoldoende mate sprake is van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling. 3. Een vervoersvoorziening wordt alleen gegeven voor een feitelijk en structureel in de gemeente verblijvende leerling. 4. Een vervoersvoorziening wordt alleen gegeven voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. 5. Een vervoersvoorziening voor een niet gehandicapte leerling in het primair onderwijs wordt alleen gegeven als de afstand naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan 6 kilometer. 6. Een vervoersvoorziening voor een leerling in het voortgezet onderwijs wordt alleen gegeven als de leerling gehandicapt is. 7. Een vervoersvoorziening wordt schriftelijk en op aanvraag door het college gegeven aan de ouder. 8. Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening gegeven aan de leerling. 9.

Aan het geven van een vervoersvoorziening kan het college nadere voorwaarden verbinden. 10. Een vervoersvergoeding hoeft niet kostendekkend te zijn.

3

11. Het college kan aan ouders een eigen bijdrage opleggen in de vorm van een drempelbedrag en/of een draagkrachtafhankelijke bijdrage. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de eigen bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 12. Het college kan aan de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen. Artikel 4. Ten onrechte ontvangen vervoersvoorzieningen, misbruik en oneigenlijk gebruik 1. De aanvrager moet alle wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de gegeven vervoersvoorziening onmiddellijk schriftelijk door geven aan het college. Ook de (ingangs)datum van de wijziging moet worden doorgegeven. 2. Het college bepaalt of een wijziging van invloed is op een gegeven vervoersvoorziening. 3. De vervoersvoorziening stopt onmiddellijk of vanaf de ingangsdatum van de wijziging als naar het oordeel van het college sprake is van een wijziging die van invloed is op de gegeven vervoersvoorziening. 4. De vervoersvoorziening stopt ook als een wijziging die mogelijk van invloed is op de gegeven vervoersvoorziening niet of niet tijdig wordt doorgegeven. 5. Na het stopzetten kan schriftelijk opnieuw een (andere) vervoersvoorziening worden gegeven. 6. Een besluit om een vervoersvoorziening te geven kan worden herzien, opgeschort of ingetrokken, als het college vaststelt dat: a.

niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; c. de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; d. sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of e. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer voor de leerling zelf en/of voor andere leerlingen en/of de chauffeur. 7. Een ten onrechte genoten vervoersvergoeding wordt op grond van deze verordening van aanvrager teruggevorderd of verrekend met een andere (vervoers)vergoeding of uitkering die door het college aan aanvrager is of wordt gegeven. AANVRAAG Artikel 5. Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt schriftelijk door aanvrager ingediend bij het college via het daarvoor door het college beschikbaar gestelde aanvraagformulier. 2. Het ingediende aanvraagformulier moet volledig zijn ingevuld, door aanvrager zijn ondertekend en voorzien van alle op het formulier gevraagde bewijsstukken. 3. Op verzoek van het college geeft de aanvrager aanvullende informatie aan het college.

Het gaat daarbij om informatie die het college nodig vindt voor de beoordeling van de aanvraag. 4. De informatie wordt alleen gebruikt voor het beoordelen van de aanvraag en/of voor

4

de uitvoering van het leerlingenvervoer. 5. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor een volgend schooljaar moet uiterlijk op 31 mei van het voorgaande schooljaar zijn ingediend. 6. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening tijdens een lopend schooljaar is tijdig ingediend als dit tenminste 8 weken voor de gewenste ingangsdatum door het college is ontvangen. 7. Als een vervoersvoorziening wordt gegeven geldt deze: a. bij een tijdig ingediende aanvraag voor een volgend schooljaar met ingang van het nieuwe schooljaar. b. bij een niet tijdig ingediende aanvraag voor een volgend schooljaar met ingang van een datum die zo dicht mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum c. bij een tijdig ingediende aanvraag voor een vervoersvergoeding tijdens een lopend schooljaar met ingang van de door de ouders verzochte datum, maar niet vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; d. bij een niet tijdig ingediende aanvraag voor aangepast vervoer tijdens een lopend schooljaar met ingang van een datum die zo dicht mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum. BEOORDELING Artikel 6. Eigen kracht ouders 1. Een vervoersvoorziening anders dan een kilometervergoeding wordt alleen gegeven voor zover ouders naar het oordeel van het college het vervoer van hun kind niet op eigen kracht kunnen (laten) verzorgen. 2.

Van ouders wordt verwacht dat zij vergaande aanpassingen doen om het vervoer van hun kind naar de school die de leerling bezoekt te kunnen te kunnen (laten) verzorgen. Artikel 7. Zelfstandigheid, zelfredzaamheid en eigen kracht leerling 1. Een vervoersvoorziening wordt alleen gegeven voor zover de leerling naar het oordeel van het college niet in staat te achten is om zelfstandig of onder begeleiding naar school te gaan. Hierbij gaat het in ieder geval om lopen en (elektrisch) fietsen. 2. Een vervoersvoorziening wordt alleen gegeven als de leerling naar het oordeel van college niet in staat te achten is om zelfstandig of onder begeleiding gebruik te maken van het openbaar vervoer 3. Van het bepaalde in lid 1 en 2 is in ieder geval sprake als de niet gehandicapte leerling naar het voortgezet onderwijs gaat. 4. Bij iedere aanvraag wordt met de ouder en/of de leerling de weg naar zelfstandig reizen naar school besproken en vastgelegd. 5. Deelname weigeren aan een door het college aangeboden ondersteuningsaanbod om een leerling te leren zelfstandig te fietsen of gebruik te maken van het openbaar vervoer kan consequenties hebben voor het leerlingenvervoer. 6. Gedurende de periode dat de ondersteuning zoals bedoeld in lid 5 wordt gegeven kan een tijdelijke vervoersvoorziening worden gegeven. 7.

Als de situatie niet veranderd, kan de vervoersvoorziening, na het succesvol deelnemen aan het door het college aangeboden ondersteuningsaanbod, worden voortgezet tot het kind de school verlaat. Artikel 8. De dichtstbijzijnde toegankelijke school

5

1. Een vervoersvoorziening wordt alleen gegeven voor vervoer van de leerling naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school binnen het samenwerkingsverband. De enige uitzondering hierop is als vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente goedkoper is. 2. Als een vervoersvoorziening wordt gevraagd vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, kan deze slechts worden gegeven als is voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden: a. door ouders is naar het oordeel van het college met een verklaring van een deskundige voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling is, en; b. door ouders is naar het oordeel van het college met een (toelaatbaarheids)verklaring van het Samenwerkingsverband voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van onderwijs in de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling. c.

in het OOGO zijn afspraken gemaakt over de deskundige en is overleg gevoerd over het aanbod voor onderwijs bij de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen als bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder b. 3. De Tussenvoorziening van het Samenwerkingsverband kan worden aangemerkt als dichtstbijzijnde toegankelijke school mits voldaan is aan het bepaalde in lid 2 sub a en b. Artikel 9. Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening kan alleen worden gegeven als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college besluiten om geen afstandsgrens te hanteren als het gaat om een gehandicapte leerling. Artikel 9a. Bepalen afstand 1. De afstand tussen het woonadres en het schooladres wordt gemeten via de routeplanner van de ANWB (op www.anwb.nl) met de instelling “kortste afstand” op het moment van beoordeling van de aanvraag. 2. Bij een afstand vanaf 10 kilometer wordt hierbij de optie ‘kortste route per auto’ toegepast, waarna het gemiddelde van zowel de heen- als terugreis wordt vastgesteld. De door deze routeplanner berekende kilometers geldt bij de beoordeling van de aanvraag en voor de bekostiging van leerlingenvervoer als de afstand. 3.

Bij een afstand die korter is dan tien kilometer, wordt de optie ‘route per fiets’ toegepast. 4. Tijdelijke omleidingen bijv. door wegwerkzaamheden worden niet meegenomen bij het bepalen van de afstand.

Artikel 10. Schooltijden en wachttijden in het aangepast vervoer

6

1. Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt gegeven voor de standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Als er volgens de schoolgids van de school die de leerling bezoekt sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, dan geldt een wachttijd van maximaal 3 klokuren, om aan te sluiten op het reguliere aangepaste vervoer. 3. Aangepast vervoer in afwijking van lid 1 en 2 is alleen mogelijk als de ouders naar het oordeel van het college voldoende bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerplichtige leerling vervoer in aansluiting op de standaard schooltijden en/of wachttijd zoals bedoeld in lid 1 en 2 onmogelijk maakt. 4. Als vervoer van de leerling in aansluiting op standaard schooltijden en/of de wachttijd zoals bedoeld in lid 1 en 2 tijdelijk onmogelijk is, wordt geen of slechts gedeeltelijk aangepast vervoer gegeven, tenzij het college heeft vastgesteld dat ouders onvoldoende eigen kracht hebben om dit vervoer zelf geheel of gedeeltelijk te (laten) verzorgen. Artikel 11. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1.

Aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken worden gegeven, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken, en; b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening gegeven op grond van deze verordening en; c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is gegeven voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. Artikel 12. Stage 1. Voor vervoer naar een stageadres moet het stagecontract voordat de stage begint door ouders of school worden aangeleverd bij het college. 2. Vervoer naar een stageadres kan in principe alleen worden gegeven als er al een vervoersvoorziening is gegeven voor het vervoer van de leerling naar de school waar hij onderwijs volgt en alleen vanaf de woning naar het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 4.

De vervoersvoorziening naar een stageadres kan alleen worden gegeven als ook wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden: a. ouders en de leerling hebben onvoldoende eigen kracht om dit vervoer geheel of gedeeltelijk zelf te doen verzorgen; b. de stage onderdeel is van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; c. bij aangepast vervoerde de stagetijden overeen komen met de reguliere schooltijden; d. bij aangepast vervoer de stage per dag plaatsvindt op één stageadres; en e. het stageadres is gelegen op de route van de woning naar de school en/of de afstand van de woning naar het stageadres is maximaal 20 kilometer.

7

Artikel 13. Weekeinde en vakantie 1. Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en/of de vakantie kan alleen worden gegeven aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2. Voor het weekeindevervoer van de leerling gaat het om de voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het derde lid bedoelde schoolvakanties. 3. Voor het vakantievervoer van de leerling gaat het om de voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 4. Voor weekeinde en vakantievervoer is artikel 17 lid 2 onder b niet van toepassing. VERVOERSVOORZIENINGEN Artikel 14. Fietsvergoeding. 1.

Als een leerling in het primair onderwijs naar het oordeel van het college en op basis van deze verordening in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en de leerling kan naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik maken van het vervoer per fiets, wordt een fietsvergoeding gegeven. 2. Aan de leerling in het voortgezet speciaal onderwijs die alleen met begeleiding kan fietsen wordt een fietsvergoeding gegeven. 3. De fietsvergoeding bedraagt 9 cent per kilometer. Artikel 15. Vergoeding van de kosten van openbaar vervoer 1. Als de leerling naar het oordeel van het college en op basis van deze verordening in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en het college heeft vastgesteld dat de leerling niet zelfstandig en niet onder begeleiding kan fietsen, wordt een vergoeding gegeven op basis van de kosten van het openbaar vervoer, tenzij ouders kiezen voor eigen vervoer en dit eigen vervoer goedkoper is. 2. Het college kan aan het uitbetalen van de vergoeding van de kosten van openbaar vervoer de voorwaarde verbinden dat ouders vooraf of achteraf verantwoording afleggen, bijvoorbeeld door het indienen van door de vervoerder beschikbaar gestelde declaratie-overzicht. Artikel 16. Vergoeding van de vervoerskosten van een begeleider 1.

Als de leerling naar het oordeel van het college en op basis van deze verordening in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 14 of 15 kan ook een fietsvergoeding of een vergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer van een begeleider van de leerling worden gegeven als: a. de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders naar het oordeel van het college voldoende wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of eigen vervoer gebruik te maken, en b. het een gehandicapte leerling betreft. 2. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, worden de vervoerskosten van de begeleider slechts éénmaal vergoed.

8

3. Voor toepassing van dit artikel wordt de leeftijd van de leerling als bedoeld in lid 1 onder a bepaald op 1 augustus van en voor het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft. 4. Als begeleiding bij het fietsen vereist is, krijgt de begeleider een vergoeding van 9 cent per kilometer. 5. Als begeleiding in het openbaar vervoer vereist is, krijgt de begeleider de werkelijke kosten van de goedkoopste vorm van openbaar vervoer voor de heen- en terugreis vergoed. Voorwaarde hierbij is dat wordt aangetoond dat de begeleiding daadwerkelijk heeft plaatsgehad. 6. Als begeleiding in het vervoer vereist is, worden geen andere kosten dan in lid 4 en 5 benoemde vervoerskosten van de begeleider vergoed. 7. Als begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, krijgt de begeleider de werkelijke kosten van de goedkoopste vorm van openbaar vervoer voor de terugreis vergoed. Voorwaarde hierbij is dat wordt aangetoond dat de begeleiding daadwerkelijk heeft plaatsgehad. Artikel 17. Vergoeding van de kosten van eigen vervoer 1. Als de leerling naar het oordeel van het college en op basis van deze verordening in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening kan het college een vergoeding geven van de kosten van eigen vervoer van één of meer leerlingen: a. op verzoek van ouders én b.

als het college van oordeel is dat eigen vervoer goedkoper is dan de kosten van openbaar vervoer of openbaar vervoer met begeleiding. 2. De vergoeding van de kosten van eigen vervoer bedraagt: a. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling zelf als de leerling in aanmerking zou komen voor vergoeding van de kosten van openbaar vervoer. De kosten van een begeleider in het openbaar vervoer blijven hierbij buiten beschouwing. b. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto als de leerling in aanmerking zou komen voor aangepast vervoer. Deze vergoeding bedraagt 19 cent per kilometer voor de heen-en terugreis. c. 19 cent per kilometer voor de heen-en terugreis als de onder b bedoelde leerling met een ander soort eigen vervoer dan de auto wordt vervoerd. Dit geldt niet voor vervoer met de fiets. 3. Aan ouders die op alle schooldagen zowel hun kind of kinderen als één of meer andere leerlingen tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, wordt éénmaal de vergoeding gegeven zoals bedoeld in lid 2 sub b en c. 4. Aan ouders die hun kind of kinderen laten vervoeren door andere ouders, wordt geen vergoeding gegeven. 5.

Aan ouders die gezamenlijk zorgen voor het zelf vervoeren van hun kinderen door ieder een of meerdere dagen of dagdelen te vervoeren, dan krijgen ouders ieder een vergoeding zoals bedoeld in lid 2 voor de dagen/dagdelen dat zij zorgdragen voor het vervoer. Artikel 18. Aangepast vervoer 1. Aan de gehandicapte leerling die niet zelfstandig en ook niet onder begeleiding gebruik kan maken van het openbaar vervoer of fiets kan een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer worden gegeven. 2. Aan de niet-gehandicapte leerling kan alleen aangepast vervoer worden gegeven als de eigen kracht van ouders en/of de leerling naar het oordeel van het college in

9

onvoldoende mate aanwezig is, en a. De leerling naar het oordeel van het college niet of niet in voldoende mate in staat is gebleken om het gebruik van het openbaar vervoer of eigen vervoer aan te leren, of b. De leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur (enkele reis) onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. De feitelijke reistijd per aangepast vervoer hoeft niet korter te zijn dan de reistijd per openbaar vervoer. c. openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets. 2. Ouders zijn ook tijdens het aangepast vervoer verantwoordelijk voor het gedrag van hun minderjarig kind. Artikel 19. Een andere passende vervoersvoorziening Als de leerling naar het oordeel van het college in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met aanvrager een vergoeding geven voor een andere passende voorziening die goedkoper is dan of waarvan de kosten gelijk zijn aan de vervoersvoorziening waarvoor de leerling in aanmerking komt. Artikel 20. Andere vergoedingen Geen of een lagere vervoersvergoeding wordt gegeven als de aanvrager of de leerling een andere vergoeding van de reiskosten heeft of kan krijgen. Artikel 21.

Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1. Het drempelbedrag bestaat uit de kosten van het openbaar vervoer voor de heen- en terugreis van de leerling tot aan de kilometergrens van 6 kilometer. 2. Het drempelbedrag geldt per leerling en komt voor rekening van de ouders waarvan het gezamenlijk inkomen in het peiljaar meer bedraagt dan € 27.900. 3. Het drempelbedrag geldt alleen voor de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt. 4. Als het college het vervoer verzorgt of laat verzorgen betalen ouders per leerling per schooljaar het drempelbedrag. 5. Als een vervoersvoorziening in de vorm van een vergoeding wordt gegeven, dan wordt het drempelbedrag per leerling per schooljaar in mindering gebracht op de vergoeding. 6. Het gezamenlijk inkomen zoals benoemd in lid 2 wordt jaarlijks geïndexeerd zoals wettelijk bepaald en conform de opgave van de VNG. 7. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in dit artikel, zijn de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de afstand van 6 kilometer retour redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan.

Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 8. Dit artikel is niet van toepassing op de gehandicapte leerling. Artikel 22. Draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage 1. Ouders moeten een eigen bijdrage betalen als de afstand van de woning naar de

10

dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool meer dan twintig kilometer is. Dit geldt niet als het om een SBO gaat. 2. De hoogte van de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage is afhankelijk van het gezamenlijk inkomen van ouders in het peiljaar. Deze eigen bijdrage is maximaal de kosten van de vervoersvoorziening. 3. Het gezamenlijk inkomen van ouders wordt conform de opgave van de VNG jaarlijks geïndexeerd zoals wettelijk bepaald. 4. De eigen bijdrage wordt berekend per gezin en bedraagt in 2021: Inkomen in euro’s Eigen bijdrage in euro’s per gezin 0-36.900 Nihil 36.900-43.650 145 43.650-50.400 630 50.400-56.700 1.170 56.700-64.800 1.715 64.800-71.100 2.300 71.100 en verder Voor elke extra € 5.000: € 550 erbij 5. Dit artikel is niet van toepassing op de gehandicapte leerling. SLOTBEPALINGEN Artikel 23. Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college kan nadere regels en/of beleidsregels stellen voor de uitvoering van deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de leerling afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 24.

Intrekking oude regeling De Verordening Leerlingenvervoer 2014 gemeente Wijchen wordt ingetrokken. Artikel 25. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 24 mei 2022 en is van toepassing op alle aanvragen die betrekking hebben op het schooljaar 2022-2023 en daarna. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Wijchen 2022. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 24 mei 2022. De voorzitter,

De griffier

M. van Beek

L. Berendsen

Toelichting bij de Verordening leerlingenvervoer gemeente Wijchen 2022

11

Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de Verordening leerlingenvervoer. Wettelijke plicht De raad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2. De Verordening leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van de gemeentebesturen. Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft.

Vervoersvoorziening In de Verordening leerlingenvervoer wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het college van burgemeester en wethouder (hierna: het college) bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. Uitgangspunt van de regeling is vergoeding van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, is aangepast vervoer mogelijk, voor zover ouders niet zelf kunnen (laten) vervoeren. Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren moeten ze hiervoor een verzoek te doen aan het college. De vergoeding van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten. Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt een drempelbedrag in rekening brengen.

De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In de Verordening leerlingenvervoer is deze grens vastgesteld op zes kilometer (zie artikel 9). De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan twintig kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht en wordt per gezin geheven (zie verder de artikelen 21 en 22). Artikelsgewijs Alleen de artikelen die een toelichting nodig hebben, worden hieronder behandeld.

12

Artikel 1. Definities Afstand De afstand dient consequent te worden gemeten. In artikel 9a wordt dit nader uitgewerkt. De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: Afdeling) ABRvS 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg (zie ABRvS 27 december 1989, nr. R03.88.7309). Begeleider Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen hetzij tijdelijk en/of deeltijds overnemen. Gehandicapte leerling Een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of eigen vervoer zoals de fiets gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de Verordening leerlingenvervoer.

Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de Verordening leerlingenvervoer géén gehandicapte leerling. De beperking die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking behandelbaar en/of met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is. Inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen. Bij het opvragen van de Inkomensverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan. Omdat een inkomensverklaring eenvoudiger is, heeft dit de voorkeur.

Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening als wordt voldaan aan

13

de voorwaarden van de Verordening leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang. Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. OOGO Artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO bepalen, dat samenwerkingsverbanden en gemeenten met elkaar een Op Overeenstemming Gericht Overleg (hierna: OOGO) moeten voeren met als doel om een ondersteuningsplan vast te stellen. Het samenwerkingsverband en het college overleggen, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, met elkaar ten minste over:  de vraag hoe de aansluiting tussen de ondersteuning in het onderwijs en de (jeugd)zorg vanuit de gemeente het beste tot stand kan komen;  het leerlingenvervoer;  de leerplicht;  de onderwijshuisvesting. Het overleg moet leiden tot een goede afstemming en samenwerking tussen het samenwerkingsverband en de gemeente.

Openbaar vervoer Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd. Ouders De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’. Reistijd De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is én de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, kan de leerling in aanmerking komen voor aangepast vervoer (artikel 18, eerste lid, aanhef en tweede lid onder b). De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, gemiddeld tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Daarom wordt de tijd vanaf het bereiken van de schoollocatie uit gesloten van de reistijd.

De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Deze periode is ook volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State redelijk (ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Naast deze tien minuten is er vrijwel altijd sprake van een wachttijd, voordat de reis van een leerling werkelijk aanvangt. Veelal moeten leerlingen aan het einde van de schooldag

14

wachten tot het aangepast vervoer na aankomst vertrekt. Er wordt dan gewacht op andere leerlingen van die school. Indien meerdere scholen in één route gecombineerd worden, kan datzelfde zich nogmaals voordoen wanneer er bij de volgende school gewacht moet worden op andere leerlingen. De totale tijd, dat een leerling aan het einde van de schooldag moet wachten op of in het aangepast vervoer kan op deze manier flink oplopen. Samenwerkingsverband Onder 1 Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.

Onder 3 Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. School Onder 1 In de WPO gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs. Onder 2 In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

De WEC onderscheidt de volgende clusters: Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap, Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps, Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke

15

handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’. Onder 3 In de WVO gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en pro. Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo. Toegankelijke school Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand zijn aangewezen op een bepaalde school. In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen. De WVO kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17a, zesde lid, van de WVO). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.

Vooralsnog bepaalt de regionale verwijzingscommissie de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs (artikel 10g van de WVO) en beslist of een leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen (artikel 10e van de WVO). Met ingang van 1 augustus 2015 wordt het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs in het passend onderwijs geïntegreerd; dan beslist het samenwerkingsverband of een leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs. Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de WEC). Vervoer Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd.

Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Vervoersvoorziening De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt.

16

Woning Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’. Artikel 2. OOGO Eerste en tweede lid In de Wet passend onderwijs is bepaald dat samenwerkingsverbanden over het ondersteuningsplan OOGO voeren met de gemeente(n). Immers, het beleid van samenwerkingsverbanden en dat van gemeenten kan over en weer gevolgen hebben. Zo is de gemeente, behalve voor het leerlingenvervoer, ook verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de leerplicht, de onderwijshuisvesting en het achterstandenbeleid. Bovendien is de gemeente sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de zorg voor jeugd. Het leerlingenvervoer is één van de thema’s die bij het OOGO ter sprake komt.

In het ondersteuningsplan wordt aangegeven op welke scholen extra ondersteuning wordt geboden en welke tussenvoorzieningen er worden gecreëerd. Hiervan is een helder overzicht nodig, waaruit duidelijk valt op te maken wat de gevolgen zijn voor het vervoer van leerlingen. Gemeenten zijn bij het op overeenstemming gerichte overleg én bij de voorbereiding daarvan met de scholen in gesprek. De partijen zijn zodoende van elkaars inspanningen en beleid op de hoogte. Advies van deskundigen Het is voor een gemeente bij een aanvraag om een vergoeding leerlingenvervoer niet altijd duidelijk wat een kind met het oog op zelfstandig reizen kan. Het onderzoek daarnaar kan bepalend zijn voor het recht op een vergoeding en in andere gevallen bepalend zijn voor de vraag welke vervoerskostenvergoeding er wordt verstrekt. Daarmee is het een belangrijk onderdeel van de behandeling van een aanvraag. De mening van ouders en het advies van de school helpen niet altijd in voldoende mate. Een onafhankelijk onderzoek is soms noodzakelijk. De kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente.

Adviezen kunnen in ieder geval worden gegeven door:  een pedagogisch deskundige;  de commissie voor de begeleiding, ingesteld door een of meer scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4; de commissie van onderzoek, ingesteld door een of meer instellingen van cluster 1 en cluster 2; de ambulante begeleider van de leerling; de directeur van de school; het samenwerkingsverband;  de jeugdgezondheidsdienst;  de geneeskundige dienst;  een sociaal-medische adviesdienst;  een medicus gespecialiseerd in de betreffende handicap;

17

 een orthopedagoog;  kinderpsycholoog. Om een zo objectief mogelijk advies te verkrijgen is het van belang gerichte vragen te stellen en te verzoeken de antwoorden te motiveren. De raad kan ook een commissie van advies instellen, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten. Een onafhankelijk advies is op deze wijze gegarandeerd. De kosten verbonden aan een dergelijke commissie worden uiteraard door de (samenwerkende) gemeenten gedragen. Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer – bijvoorbeeld over de vraag of de route veilig is – kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld de (verkeers)politie. In het OOGO wordt afgesproken door wie het college zich laat adviseren. Derde lid Naast het wettelijk verplichte OOGO, waar beleidsmatige afspraken worden gemaakt, spreekt het college met het samenwerkingsverband een periodiek uitvoerend overleg af. In dit overleg houden beiden elkaar op de hoogte van de ontwikkelingen in beleid en uitvoering (bijvoorbeeld ontwikkelingen rondom (jonge kind)arrangementen en observaties). Dit overleg versterkt de onderlinge samenwerking.

Wanneer het samenwerkingsverband een leerling een schoolverwijzing geeft, waardoor de leerling ver moet reizen (bijvoorbeeld voor arrangementen of symbiose-onderwijs), wordt in dit overleg besproken, wat er op korte en lange termijn gedaan kan worden om het specifieke onderwijsaanbod dichter bij huis te organiseren. Slechts door het maken van afspraken hierover kan een gemeente besluiten het vervoer naar de (tijdelijke) ver weg gelegen school te vergoeden (artikel 8, vierde lid). Artikel 3. Algemene bepalingen Eerste lid De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders. Het gesprek met de ouder gaat over wat ze zelf kunnen betekenen bij het schoolbezoek van hun kind. Vierde lid De vervoersvoorziening heeft betrekking op het vervoer tussen de woning en de school. Een vergoeding van het vervoer naar een opvanglocatie, zorglocatie, buitenschoolse voorziening of andere instelling anders dan een school zijn uitgesloten voor een vergoeding. Negende lid Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden verbinden.

Zo kan het college bepalen, dat, bijvoorbeeld in het kader van het streven naar zelfredzaamheid, in de winterperiode een vergoeding van de kosten van het aangepast vervoer wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het openbaar vervoer wordt gereisd en dat hiervoor wordt geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel. Elfde lid Ook als het college het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, kan het van ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen voor het vervoer van hun leerlingen (artikel 6, tweede lid). Indien de ouders weigeren de bijdrage te betalen of nalatig hierin zijn leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer.

18

Twaalfde lid Nadere regels zijn een uitwerking van beleidsregels of verordeningen. Artikel 4. Ten onrechte ontvangen vervoersvoorzieningen, misbruik en oneigenlijk gebruik Eerste lid Ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed zijn op de toegekende vervoersvoorziening zo snel mogelijk door te geven aan het college. Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere: - wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing; - verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs); - wijziging van het adres van de school; - wijziging van de schooltijden; - verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer; - wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen. Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd (zie de artikelen 21 en 22). Deze bijdrage kan worden verrekend met de eventuele vergoeding. Een wijziging in het inkomen van deze ouders heeft in principe geen invloed op de vergoeding van de vervoerskosten voor datzelfde jaar.

Indien echter sprake is van een structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college, vooruitlopend op een komend schooljaar, de vergoeding aanpassen. zesde lid Het college kan, zonder dat ouders of meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte bekostiging is verstrekt. Het zesde lid biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging (zie ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:165). Het college kan een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt de toegang tot dit vervoer tijdelijk of voor de rest van het schooljaar ontzeggen, indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door onaangepast gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig en inzittenden in gevaar brengt. Uiteraard kunnen uitzonderlijke situaties noodzaken tot andere besluiten (bijvoorbeeld bij direct gevaar). De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Zij moeten de gelegenheid krijgen hun kind te begeleiden bij het vervoer.

Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat daar echter consequenties aan worden verbonden dient nagegaan te worden of het gedrag verwijtbaar is. Bepaalde

19

aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat dit niet het geval is. In dat geval zal beoordeeld moeten worden of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals inzet eigen vervoer. Artikel 5. Aanvraagprocedure Eerste lid Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling kan dit ook zelf doen. De aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft. De gemeente stelt hiervoor een papieren of digitaal aanvraagformulier beschikbaar. Tweede lid Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur van de belasting of een verklaring van overwegende bezwaren. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. Een advies is wel op te vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Bij twijfel zal de gemeente zelf een onafhankelijke deskundige moeten inschakelen.

Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzende beschikking niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is, zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is (zie ABRvS 9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=84cc410b-3f79-4c76-86dc-fd1b7ac7bfa1