Bijlage 1: Toelichting bestemmingsplan Ploegweg 3 Wijchen
Tekst van het document
Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. Voor dergelijke schadelijke activiteiten kan alleen een vergunning worden verleend als er geen alternatief is en als het gaat om een dwingende reden van groot openbaar belang. De kokkelvisserij in de Waddenzee is nu bijvoorbeeld verboden. Er kon namelijk niet worden aangetoond dat er géén schade zou ontstaan aan de natuur, en er was geen van de andere redenen aanwezig om toch een vergunning te verlenen. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen.
De Minister van Economische Zaken kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
34
hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Consequenties Soortbescherming Voor de ontwikkeling is door Buro Maerlant een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek4 is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd en kent de navolgende conclusies en advies. “Conclusie In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: » Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd). Effecten Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Advies Broedvogels (Wet natuurbescherming) Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in of nabij de werkgrenzen aanwezig kunnen zijn, wordt aanbevolen werkzaamheden zoals de verwijdering van beplantingen en grondwerk met groter materieel bij voorkeur uit te voeren buiten het broedseizoen (ná half juli en vóór half maart). Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld, dat geen in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken.
Het verstoren van broedende vogels, wat leidt tot het definitief verlaten van een nest, is conform de Wet natuurbescherming niet toegestaan.” Gebiedsbescherming Binnen 10 kilometer van het plangebied is één Natura 2000 gebied gelegen, namelijk Rijntakken op 6 kilometer. In de gemeente Wijchen is het beleid dat bij de ontwikkeling van twee of meer woningen een stikstofonderzoek noodzakelijk wordt geacht om in het kader van de Wet natuurbescherming aan te kunnen tonen in hoeverre sprake is van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Voor onderhavige ontwikkeling zijn met die reden – omdat minder dan twee woningen worden ontwikkeld - geen aeriusberekeningen uitgevoerd. Conclusies De ontwikkeling van onderhavig plan zal geen nadelige invloed hebben op flora en fauna op de locatie en de toestand van flora en fauna in de directe omgeving. Voor wat betreft het aspect soortbescherming is geen sprake van strijdigheid met de Wet natuurbescherming. De ontwikkeling leidt niet tot effecten op nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Voor wat 4
In het onderzoek is nog gerefereerd aan het eerdere plan om twee woningen in plaats van één woning in het plangebied te ontwikkelen. Dit is niet aangepast, omdat de resultaten van het onderzoek voor het voorliggende verzoek (ontwikkeling van het totale plangebied voor één woning) niet anders zijn dan voor het eerdere verzoek (de ontwikkeling van het totale plangebied voor twee woningen).
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
35
betreft het aspect gebiedsbescherming is geen sprake van strijdigheid met de Wet natuurbescherming. 4.8 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die in dit bestemmingsplan moeten worden beschermd. Aanvullen zal er voordat er grondwerkzaamheden plaats gaan vinden te zijner tijd een KLICmelding opgevraagd moeten worden bij de betrokken netwerk-/leidingbeheerders. 4.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
In het besluit NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor woningen wordt hierbij een ondergrens van 1500 woningen aangehouden voor locaties waarbij sprake is van één ontsluitingsweg. Consequenties Onderhavige planontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van één nieuwe woning. Derhalve kan dit plan gezien worden als een project dat een niet in een betekenende mate bijdrage levert op het gebied van de luchtkwaliteit. Op basis van de GCN-kaarten is getoetst of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Dat is het geval. Zie onderstaande uitsnede van de GCN-kaart (PM10) die aangeeft dat ter hoogte van het plangebied sprake is van gridcelwaarde onder 18.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
36
Hieronder is de PM2,5-kaart opgenomen, die aangeeft dat ter hoogte van het plangebied sprake is van een gridcelwaarde beneden 10.
Hieronder is de NO2-kaart opgenomen, die aangeeft dat ter hoogte van het plangebied sprake is van gridcelwaarde tussen 10 en 15.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
37
Conclusie Het onderhavig plan heeft geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit omdat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, daarnaast is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmerende factor. 4.10 Water 4.10.1 Inleiding Wettelijk kader Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en -voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa.
Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
38
en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. 4.10.2 Beschrijving watersysteem Geomorfologie en geohydrologie Het plangebied is gesitueerd in het landelijk gebied. De maaiveldhoogte in het plangebied is circa 8m + NAP. Het plangebied ligt op een rivierduin. De deklaag bestaat tot 6 meter uit middelfijn tot uiterst fijn zand, tussen de 6 en 8 meter onder maaiveld is deze grindhoudend uiterst grof tot middel grof zand, tussen 8 en 14 meter klei en tussen 14 tot 18 meter onder maaiveld slibhoudend middelfijn tot uiterst fijn zand. Het eerste watervoerende pakket is een laag op ca. 18 tot 45 meter onder maaiveld, dit zijn matig tot grove grindhoudende zanden met kleilagen vanaf een diepte van 30 meter onder maaiveld. Daaronder ligt een ca. 10 meter de dikke slecht doorlatende basislaag van klei en zandige klei afgewisseld met veenlagen en middelfijn tot uiterst fijne zandlagen. Inrichting en beheer van het waterhuishoudkundig systeem op de locatie dient te zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast voor wegen en bebouwing en voorkomen van schade aan volksgezondheid, door bijvoorbeeld vochtige kruipruimten, stilstaand water en onveilige oevers.
De gemiddeld hoogste grondwaterstand dient minstens 1,0 meter onder het vloerpeil te staan, om in het kader van geldende ontwateringsnormen de functie woning toe te kunnen kennen. Op de planlocatie is sprake van grondwatertrap VIII (Bron: www.bodemdata.nl). Dit betekent dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) 140 cm of meer beneden maaiveld ligt. Deze GHG geeft voldoende ontwateringsdiepte voor bebouwing. Oppervlakte- en afvalwatersysteem In het plangebied zijn geen waterlopen aanwezig. De dichtstbij gelegen watergang ligt ten noordwesten op circa 125 meter afstand. Dit is een C-watergang. Op circa 160 meter zuidwestelijk ligt een A-watergang. Zie een uitsnede van de legger van het waterschap hieronder.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
39
Het plangebied is nog niet aangesloten op de openbare riolering. Er is nabij het plangebied wel openbare riolering aanwezig, namelijk onder de Ploegweg. Het betreft hier een openbare drukriolering, enkel voor inzameling en transport van afvalwater. Ecosysteem Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur respectievelijk het Gelderse natuurnetwerk en is niet gelegen in een hydrologische beschermingszone voor natte natuur. 4.10.3 Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer Waterbeleid Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. In de Strategische waternota Wijchen zijn de thema’s en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven (zie ook punt 3). Het Gemeentelijk rioleringsplan beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater en hemelwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33). Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen.
Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet art 3.5). Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). Waterschap De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet een vergunning af voor lozing op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2) en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen/ activiteiten in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater (Waterwet art. 3.4). 4.10.4 Beleidsuitgangspunten en consequenties voor het ruimtelijk plan Deze paragraaf beschrijft op welke wijze op de planlocatie rekening is gehouden met het watersysteem, gelet op de waterhuishoudkundige situatie, beleid en regelgeving.
Als onderdeel hiervan een motivering van getroffen maatregelen om negatieve effecten op/van het watersysteem tot een minimum te beperken, inclusief de ruimtelijke consequenties daarvan.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
40
Leefomgeving algemeen Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag in beginsel geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening wordt gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven worden gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, riolering, welzijn en energiewinning (zie ook Klimaatverandering). Gevolgen van/voor het plan Het plangebied is in de huidige situatie niet verhard. In de nieuwe situatie wordt één woning met bijgebouwen en erfverharding toegevoegd. Sprake is van een significante toename van bebouwing en verharding. Het gaat om circa 300 m2 bebouwing en verhardingstoename. Uitgangspunt is om het afstromend hemelwater integraal in het plangebied te verwerken. Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde eisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit.
Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater dient te worden voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater mag alleen worden geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater zo mogelijk verbeteren door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn. Hierbij worden water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen van/voor het plan Er worden in het plangebied geen materialen gebruikt die verontreiniging van hemelwater kunnen veroorzaken.
De wateroplossing in het plangebied geeft invulling aan het beleefbaar
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
41
maken van water/ het waterbewustzijn doordat de beoogde hemelwatervoorziening o.a. bestaat uit een oplossing op maaiveldniveau. Klimaatverandering Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa te worden beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Gevolgen van/voor het plan Het plan is nog niet architectonisch/ bouwtechnisch uitgewerkt. Bij de uitwerking van het bouwplan wordt beoordeeld in hoeverre drinkwater besparende voorzieningen toegepast kunnen worden.
Het toepassen van zo min mogelijk verharding is positief als het gaat om klimaatadaptatie. Daarnaast blijft door groen en waterbergende voorzieningen aan te leggen (zie landschapsplan) op de locatie het water langer in het plangebied vastgehouden. Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Wanneer hemelwater direct of indirect wordt geloosd op oppervlaktewater, moet dit volgens de Keur (Waterschap Rivierenland) worden gecompenseerd. De compensatieplicht houdt in dat de toename van verharding in het ruimtelijk plan moet worden gecompenseerd door aanleg van extra waterberging. Met een eenmalige uitzondering van 500 m2 (stedelijk gebied) en 1500 m2 (landelijk gebied) voor particulieren en kleine bedrijven. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken.
En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
42
Gevolgen van/voor het plan Hemelwater Gezien de bodemopbouw (doorlatendheid) en de grondwaterstand wordt het hemelwater volledig binnen het plangebied verwerkt (geborgen en geïnfiltreerd). Het totale oppervlak van het plangebied dat wordt ontwikkeld is ca. 3520 m2. Daarvan kan 300 m2 worden beschouwd als verhard oppervlak. Voor wat betreft het waterschapsbeleid hoeven dergelijke oppervlakten (eenmalige vrijstelling) niet te worden gecompenseerd. De gemeente stelt wel compensatie-eisen, namelijk dat het hemelwater dat in het plangebied valt niet tot afstroming komt op een buurperceel, op de riolering wordt geloosd of in een woning terecht komt. Om dit te voorkomen moeten in het plangebied voorzieningen worden getroffen om hemelwater tijdelijk te bergen, totdat het wordt geinfiltreerd in de bodem. Daarbij wordt rekening gehouden met de berging van een bui T=5+10%. Voor de verhardingstoename in het plangebied (300 m2) is bij T=5+10% een waterbergingsvoorziening van 9,75 m3 nodig (toepaste kwaarde 0,5 (m/dag)). Geadviseerd wordt om binnen de beschikbare ruimte een zo eenvoudig en ondiep mogelijke infiltratievoorziening aan te leggen die makkelijk is te onderhouden. De meest eenvoudige vorm hiervan is een ondiepe laagte in het maaiveld met zeer flauwe taluds van 1:3 (een zogenaamde wadi/ infiltratieveld) en met een bergingscapaciteit van minimaal 9,75 m3.
Hierin blijft het water niet te lang staan en de ruimte kan nog voor andere doeleinden worden gebruikt. In het plangebied is hiervoor voldoende ruimte. Hiermee wordt aan de bergingseis voldaan. De exacte dimensionering van het watersysteem wordt in de definitieve ontwerpfase verder uitgewerkt. Vuil water De vwa-afvoer van de nieuwe woning wordt aangesloten op de bestaande openbare drukriolering in de Ploegweg. Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico’s voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico’s van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruipruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele gevolgen van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling of –fluctuatie. Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
43
waar waterkwaliteit een gezondheidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Gevolgen van/voor het plan Zoals vermeld bedraagt de GHG 140 cm of meer onder maaiveld. Er mag derhalve worden geconcludeerd dat de grondwaterstand ter plaatse van de nieuwe woning tenminste 140 cm onder maaiveld bedraagt. Het bouwpeil (vloerpeil begane grond) ligt normaal gesproken 20 tot 30 centimeter boven het maaiveld. Daarmee is sprake van voldoende ontwateringsdiepte (ten minste 1 meter). In het plangebied is geen sprake van potentieel verdrinkingsgevaar, ook niet in de nieuwe situatie. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal rekening worden gehouden met de waterkwaliteit, zodat dit geen gezondheidsrisico kan vormen. 4.10.5 Overwegingen en conclusie Gezien de terreinhoogte en grondwaterstanden wordt voldaan aan de ontwateringseisen. Hemelwater wordt op eigen terrein verwerkt en niet afgevoerd naar riolering en/of oppervlaktewatersysteem, waardoor de noodzaak voor compenserende waterberging komt te vervallen. De precieze uitwerking van de hemelwatervoorziening in het plangebied wordt verder uitgewerkt bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘Bouwen’. Het plangebied zal in overleg met de gemeente worden aangesloten op het gemeentelijke riool dat nabij het plangebied aanwezig is.
4.10.6 Overleg met waterbeheerder Voor dit bestemmingsplan is een watertoets uitgevoerd. Een watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen. Zo heeft overleg plaatsgehad tussen de gemeente en initiatiefnemer. Voor de afstemming met het waterschap is het digitale instrumentarium dat hiervoor is ontwikkeld gebruikt, namelijk de ‘digitale watertoets’ via www.dewatertoets.nl. De samenvatting en het resultaat daarvan zijn bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6). Uit de ingevoerde gegevens volgt dat de watertoets is geslaagd. De uitgangspuntennotitie van het waterschap moet in acht genomen worden en het plan hoeft niet meer voorgelegd te worden aan Waterschap Rivierenland. Voor wat betreft het wateraspect zijn geen belangen van de provincie of het Rijk aan de orde. Hiermee is voor dit onderwerp dan ook niet afgestemd. 4.10.7 Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de waterhuishouding geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.11 Geur Beleidskader Belangrijkste voorwaarden voor de ontwikkeling van geurgevoelige bebouwing in de omgeving van veehouderijen is dat voor de (toekomstige) bewoners een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat andere belanghebbenden (veehouders en derden) niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
44
Op grond van de vervallen brochure Veehouderij en Hinderwet en circulaire Veehouderij en Stankhinder was sprake van stankcirkels waarbinnen, volgens constante jurisprudentie, geen stankgevoelige bebouwing mocht worden gebouwd. Deze regeling is in 2007 opgevolgd door de Wet geurhinder en veehouderij. Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) in werking getreden. Deze wet biedt de gemeente de mogelijkheid om een eigen geurhinderbeleid op te stellen. Door de gemeente Wijchen is geen eigen geurverordening vastgesteld. Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object (geuremissie of vaste afstand). De achtergrondbelasting betreft de gebiedsbelasting: cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen. Consequenties In het plangebied wordt een nieuw geurgevoelig object opgericht. In de nabijheid van het plangebied is sprake van twee veehouderijen. Het gaat om een paardenfokkerij annex pension aan Klaverpad 9 en een varkenshouderij aan Woeziksestraat 457. Voor een paardenhouderij geldt een vaste afstand van 50 meter vanaf het geuremissiepunt. Dat is in onderhavige situatie het bestemmingsvlak. Die afstand wordt gehaald.
Geurhinder afkomstig van de paardenhouderij is niet aan de orde. Een varkenshouderij heeft een geuremissiefactor waarmee rekening gehouden moet worden. Hiervooris door De Roever Omgevingsadvies een geuronderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek zijn alle relevante bronnen v.w.b. het aspect geurhinder afkomstig van veehouderijen zonder (vaste afstanden) en met (geurcontouren) emissiefactor meegenomen. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 5) en kent de navolgende resultaten en conclusie. “Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan spelen standaard de volgende vragen: 1. Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? 2. Worden omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen geschaad? Geconcludeerd wordt dan voldaan wordt aan vaste in acht te nemen afstanden tussen veehouderijen zonder geuremissiefactor en het initiatief. De worst-case voorgrondbelasting ter plaatse van het beoogde bouwvlak bedraagt op zijn hoogst 4,9 ouE/m3. Er wordt voldaan aan de geurnorm van 8,0 ouE/m3. De veehouderij wordt niet in haar belangen geschaad. Bovendien liggen bestaande woningen (met dezelfde geurnorm) tussen de veehouderij en het plangebied. De voorgrondbelasting vormt geen belemmering voor het plan en andersom vomt de ontwikkeling geen belemmering voor omliggende veehouderijen.
De achtergrondbelasting bedraagt 4,6 ouE/m3 komt overeen met een ‘redelijk goed’ woonen leefklimaat. Het woon- en leefklimaat op grond van de achtergrondbelasting is daarom gelijk aan of beter dan het ‘slecht’ woon- en leefklimaat dat op grond van de individuele
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
45
geurnorm aanvaardbaar wordt geacht. De achtergrondbelasting vormt geen belemmering voor het plan. Gelet op het bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.” Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het initiatief. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (vaste afstanden en geurnormen worden niet overschreden). En, nabijgelegen veehouderijen worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. O.a. zijn tussen de veehouderijen en het nieuwe geurgevoelige object meerdere andere reeds gevestigde geurgevoelige objecten aanwezig welke als maatgevend worden beschouwd mochten de veehouderijen willen uitbreiden. 4.12 Milieueffectrapportage (M.e.r.) Beleidskader Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. Of en wat aan de orde is blijkt uit bijlage C en D van het belsuit m.e.r. Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. Voor elke aanvraag moet, als de activiteit voorkomt in bijlage D van het besluit m.e.r.: - door de initiatiefnemer onderzocht worden in hoeverre er aanleiding is voor het doen van een m.e.r.-beoordeling; - het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
-
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Consequenties Onderzocht is of een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling nodig is. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen voor een project een mer (beoordeling) nodig is. In overweging kan worden genomen of het initiatief een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. betreft, echter kan afgaande op jurisprudentie (201901439/1/R1) worden beoordeeld dat dit gezien de aard en de omvang van de ontwikkeling niet het geval is. De omvang is te klein (minder dan 12 woningen), het ruimtebeslag beperkt. Het initiatief komt gezien voorgaande
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
46
motivatie niet voor in bijlage C of D van het Besluit m.e.r. en is met die reden niet m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Conclusie Voor dit initiatief hoeft op grond van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling. 4.13 Volksgezondheid Gezondheid is in de ruimtelijke ordening steeds meer een thema. Er is echter geen specifieke wet- en regelgeving dan wel beleidskader voor het meenemen van het aspect gezondheid in bestemmingsplannen of andere ruimtelijke besluiten. Van belang is dat een ruimtelijk besluit voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Hiervoor is het belangrijk dat ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat en bedrijven en dergelijke door een ruimtelijke ontwikkeling niet in hun belangen/ bedrijfsvoering geschaad worden. In dit bestemmingsplan zijn diverse thema’s die van invloed zijn hierop en daarmee mogelijk ook op de gezondheid aan de orde gekomen. Aspecten die nog niet aan bod zijn gekomen, maar mogelijk wel van invloed zijn op de gezondheid van mens, dier en natuur komen in deze paragraaf nog aan de orde. Geitenhouderijen Binnen een straal van 2 km rondom het plangebied zijn geen geitenhouderij(en) aanwezig. Pluimvee- en varkenshouderijen Binnen 1 km van het plangebied zijn geen pluimveehouderij(en) gelegen.
Het plangebied is niet binnen 250 meter van overige veehouderijen (m.u.v. een niet in bedrijf zijnde varkenshouderij) gelegen. Spuitzones In de omgeving van het plangebied liggen geen gronden waarbij sprake is van een spuitzone. Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Door alle zeven stappen te doorlopen en beantwoorden kan worden nagegaan of er knelpunten aan de orde zijn en het zinvol is de GGD om advies te vragen. Hieronder is aan het stappenplan getoetst. Stap 1 De ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 2. Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
47
Stap 3a Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. de gezondheidskundige advieswaarde. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 4. Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden. Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5. Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten zijn geen geitenhouderijen gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Binnen een afstand van 1 km van nieuwe woon- en verblijfsruimten zijn geen pluimveebedrijven gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Binnen een afstand van 250m van nieuwe woon- en verblijfsruimten is geen overige veehouderij (m.u.v. een melkveehouderijbedrijf) gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 7 nog toe een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGD-advies.
Er is in verband met onderhavig initiatief geen aanleiding voor het vragen van een GGDadvies. Er wordt voor onderhavig initiatief met die reden geen advies bij de GGD gevraagd. Conclusie Gezondheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.14 Straling Beleidskader Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is door het ministerie verder verduidelijkt in een brief van november 2008. Het advies is gebaseerd op onderzoek naar kinderleukemie in relatie tot blootstelling aan bepaalde hoeveelheden aan microtesla. Alhoewel geen sprake is van een bewezen
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
48
oorzakelijk verband adviseert het ministerie gemeenten en netbeheerders om nieuwe situaties te voorkomen waarin kinderen (tot 15 jaar) langdurig (1 jaar, minimaal 14 uur per dag) worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddeld) hoger is dan 0,4 microtesla. Dit geldt in geval nieuwe hoogspanningslijnen worden aangelegd of nieuwe woningen/ scholen/ crèches of kinderdagverblijven worden ontwikkeld. In alle andere situaties kan de grenswaarde van 100 microTesla – internationaal gehanteerde (veilige) grenswaarde van ICNIRP (1999/519/EG) - aangehouden worden. Consequenties Onderhavig plangebied is gelegen op voldoende afstand van een hoogspanningslijn waardoor ter plaatse geen sprake is van een veldsterkte van meer dan 0,4 microTesla. Conclusie Straling vormt geen belemmering voor het initiatief.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
49
5. Toelichting, verbeelding en regels 5.1 Algemeen Dit wijzigingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding tezamen bieden het juridische kader. Voor de regels en de verbeelding is naast aansluiting gezocht bij de SVBP2012. Dit betekent onder meer dat de opbouw van de regels standaard is. 5.2 Toelichting op de regels Wijze van bestemmen Onderstaand is een korte toelichting opgenomen van de in de regels opgenomen bestemmingen. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingen De regels in verband met de bestemmingen kennen allen een min of meer gelijke opbouw en bestaan in ieder geval uit bestemmingsregels en bouwregels. Voor enkele bestemmingen zijn daarbij bijzondere gebruiksregels opgenomen en/of een afwijkingsbevoegdheid. De bestemmingsregels betreffen de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan (= het gebruik).
In een aantal gevallen is een specificering opgenomen van de toegestane functie, welke correspondeert met aanduidingen op de verbeelding. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsregels. Bouwregels zijn in ieder geval van toepassing bij de toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning en activiteiten die vallen onder artikel 3 van bijlage II Bor. Binnen het plan worden de volgende bestemmingen gebruikt: Artikel 3 Wonen Deze bestemming maakt het mogelijk om de in het plangebied één vrijstaande woning te bouwen en gebruiken. Via een specifieke regel met aanduiding op de verbeelding is geregeld dat het moet gaan om een levensloopbestendige woning. Hoofdstuk 3 Algemene regels In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsregels, aanvullende regels gesteld.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
50
Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 5 Algemene bouwregels Het artikel ‘Algemene bouwregels’ bevat algemene bouwregels. Artikel 6 Algemene afwijkingsregels Het artikel ‘Algemene afwijkingsregels’ bevat algemene afwijkingsregels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 7 Overgangsrecht In de overgangsrechtregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Artikel 8 Slotregel In de 'slotregel' is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
51
6. Uitvoeringsaspecten 6.1 Economische haalbaarheid Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Op basis van artikel 6.2.1. Bro betreft onderhavige ontwikkeling een bouwplan. Hiermee valt de ontwikkeling onder de Grondexploitatiewet. Kostenverhaal van plankosten is hier dan ook aan de orde. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het betalen van de kosten die de gemeente maakt voor het in procedure brengen van dit bestemmingsplan, eventuele planschade die uit het planvoornemen voortvloeit en andere kosten die te relateren zijn aan het planvoornemen zoals de aanleg van of wijziging aan openbare voorzieningen door of als gevolg van het plan. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal is geregeld. Uit bovenstaande blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is. 6.2 Overleg en maatschappelijke haalbaarheid De ruimtelijke procedures tot en met de vergunningverlening van een omgevingsvergunning zijn door de wet geregeld.
De wet regelt bijvoorbeeld dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Dit vooroverleg is ook in het kader van onderhavig plan gevoerd, dit heeft niet geleid tot wijzigingen aan het bestemmingsplan. De gemeente Wijchen kan ervoor kiezen om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Hiervoor wordt door de gemeente Wijchen aangaande dit plan niet gekozen. Er is in het voortraject door de initiatiefnemer namelijk een omgevingsdialoog georganiseerd. Van de omgevingsdialoog is een verslag gemaakt. Het verslag is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 7). De initiatiefnemer heeft gesproken met de bewoners/ eigenaren van eigena(a)r(en) van Ploegweg 1, Ploegweg 2, Ploegweg 4, Ploegweg 5, Ploegweg 7, Ploegweg 9, Ploegweg 10, Distelweg 8, Klaverpad 11 en Woeziksestraat 462. Uit de omgevingsdialoog bleek dat er in de buurt geen draagvlak was voor de realisatie van twee nieuwe vrijstaande woningen. Door de initiatiefnemer is daar op de volgende wijze in de plannen rekening mee gehouden: er is één woning geschrapt.
Via dit bestemmingsplan wordt met die reden, in tegenstelling tot het eerder aan de gemeente gedane verzoek, nog maar één woning gerealiseerd. Omdat geen voorontwerp ter inzage is gelegd/ inspraak is overgeslagen, is direct een ontwerpbestemmingsplan in procedure gebracht. Vanaf 26 januari 2023 tot en met 8 maart 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan voor een termijn van 6 weken ter inzage gelegen.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
52
In die periode zijn door de gemeenteraad geen zienswijzen ontvangen. Er is met die reden geen aanleiding om het bestemmingsplan te wijzigen. Het bestemmingsplan is door de gemeenteraad ongewijzigd vastgesteld. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan gepubliceerd en kan gedurende een periode van 6 weken eventueel nog beroep ingesteld worden bij de Raad van State.
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
53
7. Bijlagen Bijlage 1 – Landschappelijke inpassing Bijlage 2 – Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3 – Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4 – Quickscan flora en fauna Bijlage 5 – Geuronderzoek Bijlage 6 - Resultaat en samenvatting www.dewatertoets.nl Bijlage 7 – Verslaglegging omgevingsdialoog Bijlage 8 – Archeologisch bureau- en booronderzoek Bijlage 9 – Nader asbestonderzoek Bijlage 10 – Selectiebesluit
Bestemmingsplan ‘Ploegweg 3 Wijchen’ – 7 april 2023
54