Bijlage 1: Toelichting bestemmingsplan Kasteellaan 130 Wijchen
Tekst van het document
24
• • • • • • •
De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt voor het werk; Water is bepalend voor de inrichting van het gebied; Zuinig op water en grondstoffen; Bescherming van het gebied tegen overstromingen; Uitdagingen oppakken binnen deze generatie en wentelen niets af op andere gebieden; Waterbeheer van de toekomst: het maken van maatschappelijk verantwoorde keuzes en Met elkaar zorgen we voor een toekomstbestendig rivierengebied.
Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer In de Strategische waternota van de gemeente Wijchen zijn de thema’s en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven. Deze zijn ook onder de alinea met beleidsuitgangspunten samengevat. In het kader van de watertoets moet een vertaalslag worden gemaakt naar de concrete plansituatie. Tevens beschikt de gemeente over een Gemeentelijk rioleringsplan GRP, waarin de gemeente invulling geeft aan haar zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. Op grond van de Waterwet (artikel 3.5 en 3.6) heeft de gemeente een zorgplicht voor inzameling en verwerking van overtollig hemel- en grondwater. Perceeleigenaren dienen hemelwater op eigen perceel te verwerken. Indien dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd treedt de gemeentelijke zorgplicht in werking. Daarnaast heeft de gemeente een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied om structureel de gevolgen van grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen c.q. te beperken, tenzij dit niet doelmatig is of de verantwoordelijkheid van de provincie of het waterschap.
Toets op de voorgenomen ontwikkeling Onderstaande toelichting beschrijft op welke wijze op de planlocatie rekening is gehouden met het watersysteem, gelet op de waterhuishoudkundige situatie, beleid en regelgeving. Als onderdeel hiervan is een motivering van getroffen maatregelen beschreven, om negatieve effecten op/van het watersysteem uit te sluiten, inclusief de ruimtelijke consequenties daarvan. Beschrijving watersysteem Geomorfologie en geohydrologie Ter plaatse bevindt het maaiveld zich volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland op een hoogte van circa 8,5 tot 10,5 m +NAP. De gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG is circa 7,0 tot 7,5 m +NAP. De GHG ten opzichte van maaiveld is circa 1,5 tot 3,0 m -mv (afgeleid van de klimaateffectatlas). Volgens het binnen het plangebied uitgevoerde bodemonderzoek bestaat de bodem vanaf maaiveld tot in ieder geval circa 3,0 m-mv uit zand. Infiltratie van hemelwater in de ondergrond is mogelijk, omdat de ontwateringsdiepte voldoende groot is en het zand een goed doorlatende ondergrond is. Oppervlakte- en afvalwatersysteem In de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Regen- en afvalwatersysteem Het bestaande rioolstelsel is een gemengde riolering. Het afvalwater van de nieuw te bouwen woning zal worden afgevoerd via het bestaande rioleringsstelsel.
Regenwater wordt via de infiltrerende bestrating afgevoerd naar de bodem. Daarnaast wordt het regenwater opgevangen door middel van waterzakken in de kruipruimte van de nieuwbouwwoning. Hierdoor kan het opgevangen regenwater hergebruikt worden voor bijvoorbeeld het besproeien van de tuin en wordt het ingezet voor een grijs watersysteem. Ecosysteem Het plangebied maakt geen deel uit van ecologische verbindingszones uit het Gelders Natuurnetwerk. Desondanks wordt in dit plan aandacht geschonken aan natuur inclusief bouwen. Denk hierbij aan het maken van openingen in de fundering/ eerste metsellagen zodat egels kunnen schuilen onder de plinten van kasten/ werkbanken of andere voorzieningen, het maken van metselwanden en het plaatsen van een hole dakrand. Gemeentelijk waterbeleid en waterbeheer
25
Leefomgeving algemeen Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een integrale inpassing van het watersysteem in de leefomgeving en afstemming op de gebruiksfuncties in het gebied. De ruimtelijke ontwikkeling mag in beginsel geen nadelige gevolgen hebben voor de waterhuishouding en vice versa. De waterhuishoudkundige situatie moet in overeenstemming zijn met het beoogde grondgebruik. Water is mede-ordenend bij de ruimtelijke ontwikkeling (juiste functie op de juiste plaats), waarbij tevens rekening wordt gehouden met de ruimteclaim van waterhuishoudkundige voorzieningen. Wateropgaven worden gekoppeld aan andere gebiedsopgaven, zoals voor openbaar groen, riolering, welzijn en energiewinning (zie ook Klimaatverandering). Gevolgen voor het plan Om nadelige gevolgen bij de bouw van de woning te voorkomen wordt rekening gehouden met de ontwateringsen/of droogleggingseisen. In het algemeen geldt voor woningen met kruipruimte een ontwateringshoogte van 0,7 m vanaf de onderkant van de vloer. Het plan voldoet, gelet op de GHG, aan de ontwateringseisen. Ook wordt het hemelwater niet aan het rioolsysteem gekoppeld, maar op eigen terrein verwerkt. De bestrating binnen het plangebied wordt halfverhard aangelegd. Dit om het hemelwater te infiltreren in de bodem. Ook wordt het regenwater opgevangen door middel van waterzakken in de kruipruimte van de nieuwbouwwoning.
Het opgevangen regenwater wordt vervolgens hergebruikt ten behoeve van o.a. het besproeien van de tuin en voor het grijswatersysteem. Kwaliteit en beleving Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar schoon water en waterbodems die voldoen aan gestelde eisen en het behoud van (natte) natuurwaarden en biodiversiteit. Verontreiniging van grond- en oppervlaktewater dient te worden voorkomen en de waterkwaliteit zo mogelijk verbeterd. Natuurlijke grondwater- en oppervlaktewaterstanden worden beschermd of hersteld. Schoon hemelwater mag rechtstreeks in bodem of op oppervlaktewater worden geloosd. Verontreiniging van hemelwater moet worden voorkomen, o.a. door toepassing van niet-uitlogende materialen (Dubo-bepalingen) en door beperking van toepassing van lood, koper, zink en zacht pvc. Verontreinigd hemelwater mag alleen worden geloosd via een zuiverende voorziening. De kwaliteit van oppervlaktewater dient zo goed mogelijk verbeterd te worden door aanleg van natuurvriendelijke oevers en verbetering van de doorstroming. Het beheer mag geen verstoring geven van waterkwaliteit en biodiversiteit. Ecologisch natte zones of natte natuurwaarden behouden of verder ontwikkelen door bijbehorende waterhuishoudkundige omstandigheden te beschermen of herstellen. De gemeente streeft naar versterking van de belevingswaarde van water en daarmee het waterbewustzijn.
Hierbij worden water, waterhuishoudkundige elementen en cultuurhistorische structuren en landschapselementen herkenbaar verweven in de ruimtelijke inrichting en beleefbaar gemaakt. Waterstromen zichtbaar (bovengronds) afvoeren. Gevolgen voor het plan Het huidige rioolsysteem bestaat uit een gemengd rioolstelsel, waarop het afvalwater van de nieuwbouwwoning wordt aangesloten. De capaciteit van de riolering is voldoende om het afvalwater van de woning te ontvangen. Het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem, maar wordt op eigen perceel verwerkt en hergebruikt ten behoeve van onder andere de bewatering van de tuin en het toepassen in een grijswatersysteem. Het leggen van waterzakken in de kruipruimte van de nieuwe woning maakt dit systeem mogelijk. Door het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de bouw van de woning wordt voorkomen dat het hemelwater wordt vervuild. Voor de te handhaven woning blijft de situatie ongewijzigd. Daarmee heeft voorliggend plan geen negatief effect op de waterkwaliteit. Klimaatverandering Beleidsuitgangspunten
26
De gemeente streeft naar een klimaatbestendige en waterrobuuste leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen schadelijke effecten van klimaatverandering (wateroverlast en verdroging) voor het grondgebruik en vice versa te worden beperkt of teruggebracht tot een acceptabel niveau. Waterhuishoudkundige voorzieningen zijn energiezuinig en duurzaam. Komen tot een klimaatadaptieve ruimtelijke inrichting, o.a. voor wat betreft bebouwing, wegen, groen en water. Voorkomen dat water bij hevige neerslag in de bebouwing terecht komt of afstroomt buiten het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak tot een minimum beperken. Groenstructuren klimaatrobuust aanleggen voor wat betreft areaal, type beplanting en waterbergend vermogen. Grondwateronttrekking beperken door hoogwaardige toepassing van drinkwater en het treffen van waterbesparende voorzieningen. Zo mogelijk hemelwater gebruiken voor laagwaardige toepassingen. Gevolgen voor het plan Het woonperceel wordt zo groen mogelijk ingericht en de beoogde verharding ter plaatse van het plangebied is beperkt. De aan te leggen verharding wordt in de vorm van halverharde bestrating aangelegd. Dit bevordert het tegengaan van hittestress in de toekomst en speelt daarmee in op de klimaatveranderingen.
Het plan voorziet met de aanleg van halfverharde bestrating voor de infiltratie van hemelwater in de bodem, waardoor er geen hemelwater in de nieuwe woning terecht komt. De woning zelf is relatief klein en behalve de bouw van deze woning, wordt geen andere bebouwing mogelijk gemaakt. De eventuele toepassing van waterbesparende voorzieningen wordt nader uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. Waterberging Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Hemelwater afkomstig van verharde oppervlakken dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van de riolering met de voorkeursvolgorde: 1) Benutting, 2) Bodeminfiltratie binnen het gebied, 3) Berging binnen het gebied, 4) Vertraagde afvoer naar oppervlaktewater buiten het plangebied en 5) Afvoer naar riool. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen, zoals bodempassages en open water, moeten voldoende capaciteit hebben om het hemelwater te kunnen verwerken. En zodanig ruimtelijk ingepast (ruimtebeslag, ligging) dat adequaat functioneren is gewaarborgd. Gevolgen voor het plan Conform het gemeentelijke uitgangspunt dient al het hemelwater op eigen terrein te worden verwerkt.
Onderstaande afbeelding laat zien dat het waterbergend vermogen van de ondergrond binnen het plangebied 250 – 500 mm bedraagt. Dit is in de marge van het gemiddelde wat in Nederland voorkomt. Dat zou betekenen dat de ondergrond in voldoende mate hemelwater op eigen terrein kan verwerken.
Afbeelding 10: Uitsnede kaart waterbergend vermogen ondergrond.
Echter, door de klimaatverandering is tegenwoordig steeds meer sprake van piekbuien met als gevolg (extreem) wateroverlast. Zie hiervoor afbeelding 11 waar de hoeveelheid water binnen het plangebied is weergeven als er een bui T=100 (bui wat 1x in de 100 jaar voorkomt) valt.
27
Afbeelding 11: Uitsnede kaart water op straat na een extreme bui.
Daarom wordt in het plan ook voorzien van waterberging in de kruipruimte van de nieuw te bouwen woning (zie afbeelding 12). Door waterzakken in de kruipruimte van de nieuwbouwwoning toe te passen, zal het hemelwater opgevangen- en benut worden. Dit opgevangen water kan vervolgens gebruikt worden ten behoeve van de bewatering van het perceel en voor het grijswatersysteem. Dat betekent dat ook voorzieningen zoals het toilet, waarbij het water niet als drinkwater wordt gebruikt, hun water uit dit systeem halen. Een elektrische pomp met sensoren die is aangesloten op het drinkwaternet van de woning zorgt ervoor dat indien noodzakelijk water bijgepompt wordt, dan wel de waterzak wordt afgesloten als deze vol is. Met dit systeem worden de onuitputtelijke bronnen van de natuur optimaal benut en vormt het als zodanig een uitstekend duurzaam en circulair initiatief. De combinatie van benutting van het hemelwater en bodeminfiltratie op eigen perceel maakt dat de waterbergingsopgave in voldoende mate is verzekerd. De exacte situering en uitvoering van de compensatiemaatregel zoals bovenstaand beschreven wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe woning.
Afbeelding 12: Voorbeeld toe te passen waterzakken in kruipruimte.
Gezondheid en veiligheid Beleidsuitgangspunten De gemeente streeft naar een veilig watersysteem. Inrichting en beheer van het watersysteem op de planlocatie dient te zijn gericht op het voorkomen of beperken van risico's voor de volksgezondheid en veiligheid. Risico's van optrekkend vocht primair beperken door ter plaatse van bebouwing te voorzien in voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Of, als dit niet mogelijk is, door het treffen van maatregelen (bv. kruip-ruimtevrij bouwen, waterdicht bouwen). Een permanente verandering (verlaging) van grondwaterstanden is daarbij niet toegestaan. Voorts in het plan rekening houden met eventuele gevolgen van bodemdaling als gevolg van grondwaterstandsdaling of -fluctuatie.
28
Inrichting en beheer van oppervlaktewater in bebouwd gebied afstemmen op potentieel verdrinkingsgevaar (veilige oevers). Bij de ruimtelijke inrichting rekening houden met locaties waar waterkwaliteit een gezond-heidsrisico kan vormen (zoals bij overstorten en stilstaand water). Gevolgen voor het plan In het plan wordt rekening gehouden met voldoende ontwaterteringsdiepte en drooglegging. Het plan voldoet, gelet op de GHG, aan de ontwaterings- en droogleggingseisen. Het plangebied ligt niet binnen een waterstaatswerk of beschermingszone. De regels uit de Keur over activiteiten op en langs waterkeringen zijn dus niet van toepassing. Onderzoeksresultaten Watertoets Voor dit plan is er een digitale watertoets uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage 5 aan deze toelichting toegevoegd. Uit de watertoets blijkt dat de ‘normale’ watertoetsprocedure gevolgd dient te worden. Dit betekent dat er nader overleg plaats dient te vinden met het Waterschap Rivierenland. Vooroverleg Waterschap Rivierenland Uit de watertoets en ingevoerde gegevens blijkt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met een automatisch gegeneerd wateradvies. Zie hiervoor bijlage 5.
Conclusie Met inachtneming van het bovenstaande, kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘water’ geen belemmering vormt voor de uitvoering van onderhavig plan.
5.8
Ecologie
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
29
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); • Soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); • Andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Onderzoeksresultaten GRAS advies heeft op 25 januari 2022 een quickscan flora/ fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 toegevoegd aan deze toelichting. Natura 200-gebieden Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is Rijntakken op ca.
7,4 km afstand van het projectgebied en wordt hiervan gescheiden door agrarisch gebied en de bebouwde kom van Wijchen en Beuningen. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 13 km) van het projectgebied. Er is geen sprake van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden, het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Natuurnetwerk Nederland (NNN-gebieden) Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland betreft het Natura 2000-gebied Rijntakken en enkele aangrenzende percelen op 1.4 km afstand van het projectgebied. Aangezien het projectgebied buiten de begrenzing van het NNN ligt en de provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent, is nadere toetsing ten aanzien van NNN niet noodzakelijk. Houtopstanden Het projectgebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. Daarmee is het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing op het projectgebied.
30
Vleermuizen Direct naast het projectgebied ligt begraafplaats Kasteellaan. Deze begraafplaats is mogelijk een belangrijkfoerageergebied voor vleermuizen. Aan de noordkant van het projectgebied ligt de kasteellaan. Deze laan is mogelijk een vliegroute voor vleermuizen. Daarnaast is in één van de bomen in de laan een holte aanwezig. Deze holte is mogelijk een verblijfplaats voor vleermuizen. Indien er tijdens de werkzaamheden en toekomstig gebruik geen licht wordt gericht op de begraafplaats en de Kasteellaan, is van een negatief op vleermuizen geen sprake. Vogels Het projectgebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen en bosschages in het projectgebied gebruiken als broedlocatie. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dat niet mogelijk is, kan verstoring voorkomen worden door de bosschages niet te beschadigen tijdens het broedseizoen. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming.
Flora Het veldbezoek vond plaats buiten het groeiseizoen van planten zodat een summiere indruk is verkregen van de aanwezige soorten. Hierbij is de aanwezigheid vastgesteld van enkele algemeen voorkomende grassoorten en kruiden waaronder Engels raaigras en smalle weegbree. Tijdens het veldbezoek zijn geen bijzondere of beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de huidige inrichting van het projectgebied en het regelmatige onderhoud van grasveld en tuin, is het niet aannemelijk dat beschermde plantensoorten in het projectgebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde flora en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren of sporen van zoogdieren aangetroffen. Gezien de aangetroffen vegetatie en omgeving kunnen soorten als egel en algemene muizensoorten worden verwacht. Het projectgebied is onderdeel van de leefomgeving van deze soorten. De bovengenoemde soorten zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming ‘andere soorten’, maar staan ook in de categorie ‘vrijgestelde soorten’. Dit houdt in dat bij uitvoering van de werkzaamheden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling geldt voor deze soort. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht voor de uitvoerende partij. Kleine marterachtigen Het projectgebied is geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel).
Aangezien de directe omgeving niet geschikt is als leefgebied voor deze soorten is de aanwezigheid van verblijfplaatsen binnen het projectgebied niet aannemelijk. De aanwezigheid van deze soorten in het projectgebied zal beperkt zijn tot sporadisch passerende exemplaren. De aanwezigheid van nestlocaties van kleine marterachtigen in het projectgebied is redelijkerwijs uit te sluiten. AERIUS-berekening In het ecologisch onderzoek is de mogelijkheid op aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van natura2000gebieden op basis van onderliggend plan, beoordeeld. Gelet op het feit dat het plangebied zich binnen het bestaand stedelijk gebied van Wijchen bevindt, op een afstand van 7,4 km van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied en de beperkte mate van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden gedurende een relatief korte periode), kan verstoring van soorten in Natura2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten.
Conclusie Met inachtneming van het bovenstaande, kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘ecologie’ geen belemmering vormt voor de uitvoering van onderhavig plan.
31
5.9
Archeologie en cultuurhistorie
5.9.1 Archeologie Toetsingskader Als wettelijk toetsingskader In Europees verband is het 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. In de Wamz is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Gemeentelijk beleid archeologie Gemeenten zijn met de inwerkingtreding van de Wamz in grote mate verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente Wijchen heeft in 2009 een archeologische beleidskaart vastgesteld. Deze kaart vormt de onderlegger voor het Wijchens archeologiebeleid en is het gemeentelijk toetsingsinstrument voor archeologie bij ruimtelijke ontwikkelingen, bouwplannen en andere bodemverstoringen.
Onderzoeksresultaten Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Wijchen wordt het plangebied aangewezen als een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Dit betekent dat archeologisch onderzoek verplicht is bij een ingreep groter dan 60 m². Aangezien het planvoornemen voorziet in een ontwikkeling groter dan 60 m² is op 22 februari 2022 door Greenhouse Advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek noodzakelijk te achten voorafgaand aan de ruimtelijke ingreep. De hoge archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar een lage archeologische verwachting. De kans op het aantreffen of verstoren van archeologische waarden wordt voor het onderzochte deel van het perceel laag ingeschat. Indien tijdens de uitvoering tegen de verwachting uit het vooronderzoek toch nog archeologische resten worden aangetroffen, dient hiervan altijd direct melding te worden gemaakt bij de bevoegde overheid in het kader van de wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet. Ook in vooraf vrijgegeven gronden. Procedure Dit conceptrapport en bovenstaand advies is ter beoordeling voorgelegd aan de bevoegde overheid, de gemeente Wijchen. Deze beslist namelijk over de aard en invulling van eventueel vervolgonderzoek.
Het bevoegd gezag is akkoord met het advies uit het archeologisch onderzoeksrapport. Het perceel kan vrij gegeven worden voor de bouw van één nieuwe woning. Het selectiebesluit is als bijlage 8 toegevoegd aan de toelichting van dit bestemmingsplan. Conclusie Het aspect ‘archeologie’ vormt met inachtneming van het bovenstaande geen belemmering voor de verdere ontwikkeling van het plan. 5.9.2 Cultuurhistorie Toetsingskader Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft de gemeente Wijchen besloten om samen met de gemeenten Beuningen, Druten en Heumen een beleidsnota cultuurhistorie op te stellen. Deze beleidsnota is de planologische borging van cultuurhistorische waarden binnen de Gemeente Wijchen in de vorm van het 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen', vastgesteld op 3 mei 2017. Dit parapluplan voegt een dubbelbestemming toe aan het vigerend bestemmingsplan: 'Waarde - Cultuurhistorisch waardevol gebied'. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Wijchen is het plangebied aangeduid met
32
een hoge cultuurhistorische waarde. In een gebied van hoge stedenbouwkundige waarde is dat verband in potentie aanwezig of nog herkenbaar maar aangetast. Het zijn gebieden met een hoge cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit in de samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en beplanting, en/of enige relatie met de historische en landschappelijke hoofdstructuren. De naastgelegen historische protestantste begraafplaats en de Kasteellaan worden als cultuurhistorisch waardevol gebied aangemerkt. Kenmerkend hierbij is de afwisseling in open, gesloten, bebouwde en onbebouwde delen, dichte en open groene ruimtes. Toets op voorgenomen ontwikkeling De nieuw te bouwen woning ligt op een afstand van ruim 15 meter van de begraafplaats en zal de aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten niet verstoren. Tevens blijven de waardevolle bomen rondom de begraafplaats gehandhaafd. Echter, het planvoornemen wordt langs het historische lint van de Kasteellaan gerealiseerd. Dit zorgt voor een verstening van de groene waardevolle plek naast de historische begraafplaats. Om het groene aanzicht langs de Kasteellaan te waarborgen zal ter hoogte van de nieuw te bouwen woning een haag met een hoogte van 1,5 meter geplaatst worden. Ook zal op deze locatie gebruik worden gemaakt van beplanting en boomsoorten zoals de Rhododendron. Hiermee blijven de cultuurhistorische waarden ter plaatse gewaarborgd.
De wegenstructuur is met de samenkomst van wegen rondom de kasteellaan nog altijd aanwezig en herkenbaar. Deze structuur zal met voorliggend plan ook niet wijzigen; de wegen behouden hun ligging en karakteristieken. De LV-aansluiting zal via de Grootvenseweg lopen zodat de cultuurhistorische waarden van de Kasteellaan behouden blijven. Daarnaast staan ter plaatse van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevol panden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevol gebied’ op de locatie van het plangebied dan ook niet overgenomen. Conclusie Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘cultuurhistorie’ geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.10 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico’s – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn: • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10−6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen)
33
geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.
In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit) Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit) Toets op voorgenomen ontwikkeling Woningen zijn aan te merken als een (beperkt) kwetsbaar object, zodat beoordeeld moet worden of er in de nabijheid van het plangebied Bevi-inrichtingen (of andere onderdelen van externe veiligheid) zijn die van invloed zijn/kunnen zijn op de plannen. Hiertoe is een check uitgevoerd aan de hand van de landelijke risicokaart. Zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 13: Uitsnede risicokaart
Aan de Vijverlaan 25, op ruim 340 meter afstand van het plangebied, bevindt zich een meet en regelstation van de gasunie (type N2). Hiervoor geldt een risicoafstand van 15 meter. De afstand tussen het plangebied en deze inrichting valt ruim buiten de genoemde veiligheidsafstand. Nadere toetsing kan daarom achterwege blijven.
34
Ten oosten van het plangebied, aan de Nieuweweg, bevindt zich een LPG-afleverinstallatie type B. Hiervoor geldt een veiligheidsafstand van minimaal 150 meter tot aan een burgerwoning. De nieuw te bouwen seniorenwoning bevindt zich op een afstand van ca. 480 meter. Het plangebied valt niet binnen de genoemde veiligheidsafstand. Hiermee is het groepsrisico verantwoord. Op circa 500 m afstand, ten noorden van het plangebied, ligt de spoorlijn Tilburg-Nijmegen. Over dit spoor vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Voor dit spoor geldt een onderzoekszone van 200 meter. Het plangebied ligt op een afstand van ca. 360 meter van het spoort af. Nadere toetsing kan daarom achterwege blijven. Verder bevinden zich geen in de nabijheid van het plangebied geen route gevaarlijke stoffen etc. Tevens bevinden zich geen Bevi-bedrijven nabij het plangebied die invloed zijn op het plangebied. Ook ligt het plangebied niet in een provinciale veiligheidszone 2. Het plan is vanuit externe veiligheid acceptabel. Conclusie Het aspect ‘Externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor het plan.
35
5.11 Verkeer en parkeren Algemeen Voor het berekenen van de verkeersgeneratie en het bepalen van de parkeerbehoefte wordt gebruik gemaakt van de normen uit publicatie 381 van het CROW. Op basis van het Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen (2016), wordt gebruik gemaakt van de maximumnormen voor rest bebouwde kom in een matig stedelijk gebied. Verkeer Als vuistregel kan een getal van maximaal 8,6 ritten per woning per etmaal worden gehanteerd. Bij 1 woning levert dit een etmaalintensiteit van 8,6 motorvoertuigen op. Het plangebied zal ontsloten worden via de Grootvenseweg en hiermee aangesloten worden op de wegen in de bestaande bebouwde kern van Wijchen. De Grootvenseweg kan een verkeersintensiteit van 2500 voertuigen afhandelen. Het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid. Parkeren Conform het gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan dient het CROW gebruikt te worden voor het berekenen van de parkeerbalans van nieuwbouwplannen. Om de parkeerbehoefte voor het project te bepalen is gebruik gemaakt van het gemiddelde van de minimum-, en maximumnormen van het CROW voor 1 vrijstaande koopwoning in de rest bebouwde kom in een matig stedelijk gebied. Uitgaande van de CROW-normen bedraagt de parkeerbehoefte voor het project: Koop, vrijstaand: maximaal 2,6 parkeerplaatsen per woning * 1 woning = 2,6, afgerond 3 parkeerplaatsen.
Er is een totale parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in de aanleg van drie parkeerplaatsen op eigen terrein. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen voldoet daarmee aan de norm zoals vastgesteld in het Parkeerbeleidsplan gemeente Wijchen. Conclusie Het aspect ‘Verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor het plan.
5.12 Milieueffectrapportage Wettelijk kader Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. In de bijlage bij het Besluit m.e.r is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Er heeft een vormvrije m.e.r beoordeling plaatsgevonden. Onderhavig plan voorziet in de bouw van één nieuwbouwwoning. De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit dan ook niet m.e.r. beoordelings plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2).
Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde, die een milieueffectrapportage rechtvaardigen. Dit blijkt tevens uit de milieuparagraaf (hoofdstuk 5) van dit bestemmingsplan.
36
Conclusie Het plan is niet m.e.r.(-beoordelingsplichtig). Het plan heeft geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
5.13 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘Milieu- en omgevingsaspecten’ geen belemmering vormt voor het plan.
37
6 Juridische vormgeving 6.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke bestemmingen. Onderhavig bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken binnen het plangebied. Specifiek maakt het bestemmingsplan de bouw en gebruik van één grondgebonden woning mogelijk. Het toekomstige bouwplan dient te passen binnen de mogelijkheden van dit bestemmingsplan. Onder paragraaf 6.2 wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan.
6.2 6.2.1
Opzet van de regels Inleidende bepalingen
De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan. Deze bepalingen gelden voor alle bestemmingen. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. 6.2.2
Bestemmingsbepalingen
Wonen Het hele plangebied krijgt de enkelbestemming ‘Wonen’. Binnen deze bestemming mogen maximaal twee woningen met de daarbij horende erven, tuinen en voetpaden gebouwd worden. Het bouwen van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is zowel binnen als buiten de bouwvlakken achter de voorgevellijn mogelijk binnen deze bestemming. De relevante hoogtes zijn door middel van matrices op de verbeelding aangeduid en aangepast aan de bestaande en de te realiseren goot- en bouwhoogtes. Voor wat betreft gebruiksmogelijkheden is van belang dat aan huis verbonden beroepen onder de genoemde voorwaarden rechtstreeks zijn toegestaan. De bouwmogelijkheden sluiten aan bij de planologische regeling welke opgenomen is in het geldende bestemmingsplan van het aansluitende gebied (bestemmingsplan Oost Wijchen). Tevens zijn ter afweging van het college van burgemeester en wethouders een aantal binnenplanse afwijkingsbevoegdheiden binnen de woonbestemming opgenomen om juridisch-planologisch de mogelijkheid te bieden in de toekomst in te spelen op veranderde omstandigheden.
6.2.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelbepaling opgenomen. Deze regels worden opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Voor het gehele plangebied zijn regelingen opgenomen betreffende de afmetingen, afstanden en percentages. Voor het ondergronds bouwen zijn aparte regelingen opgenomen.
38
Algemene gebruiksregels Voor het gehele plangebied is een regeling opgenomen waarbij het verboden is om de gronden of bouwwerken te gebruiken voor een seksinrichting dan wel een prostitutiebedrijf en als stort- en/of opslagplaats van grond en of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud. Voor het in gebruik nemen van bouwwerken ten behoeve van mantelzorg zijn aparte regelingen opgenomen. Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen het bevoegd gezag, in deze meestal burgemeester en wethouders, gerechtigd is om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de in het bestemmingsplan geregelde maatvoeringen en gebruiksregels. 6.2.4
Overgangs- en slotbepalingen
In deze paragraaf zijn tot slot de overgangs- en slotregels opgenomen, die voor het gehele bestemmingsplan gelden.
39
7 Uitvoerbaarheid 7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt zowel de economische als de maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure). 7.2.1 Omgevingsdialoog In het kader van het maatschappelijk draagvlak voor de voorgenomen ontwikkeling heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden met de direct omwonenden. Opmerkingen die omwonenden hebben gemaakt, zijn verwerkt in het plan en onderhavig bestemmingsplan. 7.2.2 Vooroverleg Conform ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg wordt het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen. 7.2.3 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan Na afronding van het vooroverleg start de formele bestemmingsplanprocedure.
Eventuele aanpassingen de volgen uit de overlegreacties worden te zijner tijd verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Indien nodig worden er ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Het ontwerp van dit bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website (www.ruimtelijkeplannen.nl). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in de Staatscourant, het plaatselijke weekblad en op de gemeentelijke website. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerp van het ruimtelijke besluit bij de gemeenteraad naar voren brengen. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan. 7.2.4 Vaststelling door de gemeenteraad Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. 7.2.5 Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan Het besluit tot vaststelling van de gemeenteraad wordt vervolgens gepubliceerd en voor een periode van zes weken voor iedereen ter inzage gelegd.
Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.
40
7.3
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaren een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Schade aan openbare voorzieningen door of als gevolg van het plan worden op de initiatiefnemer verhaald. Daartoe wordt de staat van de openbare voorzieningen voorafgaand opgenomen en tussen gemeente en initiatiefnemer vastgelegd. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.
41