CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 TAM-omgevingsplan Hoeveweg 40 Balgoij

Raad openbaar Wijchen 9 juli 2026, gemeente wijchenBij agendapunt: 314357 Beslisnota gemeenteraad TAM-Omgevingsplan Hoeveweg 40 Balgoij16.353 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘geluid’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormt. 4.5 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Op 175 meter afstand van het plangebied bevindt zich een dierenpension.

In de onderstaande tabel worden de minimale richtafstanden in meters weergegeven die volgens de handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' tussen het plangebied en het dierenpension moeten zitten. De afstand tussen het plangebied en het dierenpension ligt ruim boven de minimale richtafstanden. Bedrijf

Afstand plangebied

Dierenpension

175

tot

Richtlijn m.b.t. geur

Richtlijn m.b.t. stof

Richtlijn m.b.t. geluid

Richtlijn m.b.t. gevaar

30

0

100

0

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

28

CONCLUSIE Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. Daarmee levert het aspect Bedrijven en Milieuzonering voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan geen belemmering op en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.6 LUCHTKWALITEIT Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10).

Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Aantonen luchtkwaliteit op basis van onderzoek, NIBM. Het CIMLK is in opdracht van IenW in beheer bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De structuur en betekenis van gegevens in het CIMLK is vastgelegd in een Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit.

PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT LUCHTKWALITEIT Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone van 300 meter vanaf de rand van een Rijksweg en ook niet binnen een zone van 50 meter vanaf de rand van een provinciale weg.

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

29

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15561614 (aan de Drutenseweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen: NO2 (stikstofdioxide)

PM10 (Fijn stof)

Gemeten totale concentratie jaargemiddelde (µg/m3)

10,41 µg/m3

15,12 µg/m3

Grenswaarde concentratie (µg/m3)

40 µg/m3

40 µg/m3

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. CONCLUSIE Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang (het realiseren van 1 levensloop bestendige woning) ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormt.

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

30

4.7 GEUR Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen en afstanden aan te passen middels een gemeentelijke verordening. De gemeente Wijchen heeft geen geurverordening. Daarom gelden bovenstaande standaard geurnormen. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT GEUR Ten noorden van het plangebied ligt een varkenshouderij. Dit bedrijf ligt echter op meer dan 300 meter afstand en heeft daarmee geen effect op de woningen in het plangebied. Andersom dient dit bedrijf, voor zover relevant, al rekening te houden met diverse burgerwoningen die in de omgeving aanwezig zijn.

Het initiatief zal geen invloed hebben op de bedrijfsvoering van dit bedrijf. Tevens zijn er principe plannen om dit bedrijf te beëindigen en de bestemming te veranderen naar wonen en bedrijfsmatige opslag (veehouderij bestemming gaat waarschijnlijk verdwijnen). Het plan voorziet in het toevoegen van 1 woning. De beoogde woning dient aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen. Het plangebied is echter niet gelegen in de nabijheid van geuremissiebronnen. Een nadere toetsing is daarom niet nodig. CONCLUSIE Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'Geur' geen belemmering vormt voor het planvoornemen en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

31

4.8 OMGEVINGSVEILIGHEID ( EXTERNE VEILIGHEID) Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de “feitelijke” risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren. Ten behoeve van deze afwijking van het omgevingsplan zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven.

Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT EXTERNE VEILIGHEID Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaand een screenshot van die website.

Uitsnede van de risicokaart waarbij het plangebied rood omcirkeld is. Hieruit is op te maken dat in de omgeving van het plangebied geen noemenswaardige aspecten in het kader van externe veiligheid aanwezig zijn. Op 400 meter ten noordoosten van het plangebied is propaan opgeslagen. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van deze tank. De tank vormt dus geen belemmering voor dit initiatief. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van basisnetroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water. Het plangebied ligt tevens niet binnen de meest relevante zone voor het groepsrisico (de 200 meter zone) van de (spoor-)wegen. Het plangebied ligt met circa 180 meter afstand tot de Maas in zone 3 (90-1000 meter) van de Zonering Maas. Vanaf 90 meter zijn mensen binnenshuis in principe voldoende veilig voor een BLEVE (explosie als gevolg van een brand in de omgeving). Vanaf 90 meter wordt daarom alleen nog rekening gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. In dit gebied kan bescherming worden geboden door ramen en deuren te sluiten. Hierbij geldt voor alle objecten de standaardverantwoording (Beleidsvisie externe veiligheid, gemeente Wijchen, 2016).

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

32

Verantwoording groepsrisico - Het plangebied en de geprojecteerde ontwikkeling bevindt zich op grote afstand van de risicobron (circa 180 meter). Om deze reden wordt conform de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Wijchen een standaardverantwoording toegepast. Ontwikkeling groepsrisico - Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden volledig kwalitatief uitgevoerd. Mogelijkheden tot beperkingen van het groepsrisico - De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Daarnaast is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval - Ook het bestrijdbaarheid vraagstuk speelt op deze afstand van de risicobron niet. Bestrijding vindt plaats bij de bron. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid - In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen.

De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Dit is echter niet af te dwingen in deze ruimtelijke procedure. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-Alert en het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het grondgebied van de gemeente Wijchen valt grotendeels binnen de dekking van de sirenepalen (Beleidsvisie externe veiligheid, gemeente Wijchen). CONCLUSIE Het plangebied bevindt zich op grote afstand van de risicobron. Op deze afstand heeft een toename van de personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Tevens speelt het bestrijdbaarheid vraagstuk met deze afstand niet en er zijn voldoende mogelijkheden met betrekking tot zelfredzaamheid. Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat het toevoegen van 1 levensloopbestendige woning geen noemenswaardige invloed op het groepsrisico heeft.

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

33

4.9 WATER Algemeen - In de Omgevingswet artikel 2.2 en Besluit kwaliteit leefomgeving art. 5.37 is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels: • • • •

Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl); Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl); Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl); IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl).

Wettelijk kader - Op basis van de wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht bij o.a. bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en omgevingsvergunningen afwijking bestemmingsplan. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, dient een watertoets te worden uitgevoerd op basis van het Nationaal bestuursakkoord water. Het Bro regelt de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro). Weging van het waterbelang - De weging van het waterbelang (voorheen: watertoets) geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Waterparagraaf - De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap (of resultaat van de digitale watertoets) in de waterparagraaf verwerkt.

Onderdelen van de waterparagraaf zijn: beschrijving beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie (oude en nieuwe situatie), motivering welke ruimtelijke keuzes gemaakt zijn en wat daar de waterhuishoudkundige gevolgen van zijn. Die gevolgen mogen niet negatief zijn. Beleid waterschap Rivierenland - De gemeente Wijchen valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een Wateschapsverordening. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet een vergunning af voor lozing van afvalwater op oppervlaktewater (Omgevingswet art. 2.17 lid 1.a.1.) en in het kader van de Keur een ontheffing voor ingrepen in/nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt de waterbeheerder het onderhoud van A-watergangen. Gemeentelijk waterbeleid - In de Strategische waternota 2019 - 2028 en het Beleidsplan water en riolering 2023 – 2027 van de gemeente Wijchen zijn de thema's en uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer omschreven.

Het gemeentelijk waterbeleid is voornamelijk gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid.

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

34

Gemeentelijke zorgplichten - De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (Omgevingswet art. 2.16 lid 1.a.3). Hemelwater dient door perceeleigenaren op eigen terrein te worden verwerkt, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval treedt de gemeentelijke zorgplicht voor inzameling en verwerking van overtollig hemelwater in werking (Omgevingswet art. 2.16 lid 1.a.1.). De zorgplicht voor structureel voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging ligt bij de perceeleigenaar. Als dat redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden verlangd, treft de gemeente in de openbare ruimte maatregelen, mits doelmatig en mits geen verantwoordelijkheid voor waterschap of provincie (Omgevingswet art. 2.16 lid 1.a.2). PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT WATER Voorliggend plan betreft het bouwen van 1 levensloopbestendige woning in een bestaande schuur, zonder uitbreiding van gebouwen en toename van verharding. Het regenwater wordt op locatie opgevangen in het lager gelegen weiland waar ruim voldoende waterberging aanwezig is en het water ook de ondergrond in kan zakken. De inpandige verbouwing heeft geen negatieve invloed op de hoeveelheid en de de vorm van regenwaterberging en infiltratie.

Het vuilwater afkomstig van de bebouwing wordt afgevoerd naar het gemeentelijk riool waarbij het via een drukrioolinstallatie verpompt wordt naar het vrijverval stelsel in Balgoij. De toevoeging van 1 woning met twee inwoners heeft nagenoeg geen invloed op de rioolcapaciteit en werking van het stelsel. In totaal worden er 8 woningen (7 bestaande en de toe te voegen woning) op de installatie aangesloten. Gerekend met 4 personen per woning geeft dit een piekbelasting van: 8 x 4 x 10 = 0,32 m 3 per uur. Gezien de pompcapaciteit van een standaard drukriool installatie minimaal 2,5 m3 per uur is deze extra hoeveelheid makkelijk te verwerken. De locatie ligt nabij een primaire waterkering. Doordat de bebouwing buiten de dijkzone ligt heeft dit geen beperking voor voorgenomen ontwikkeling. Zie onderstaande afbeelding van de dijkzone met rechts daarvan de bestaande bebouwing.

Het plangebied ligt in het buitengebied van Wijchen, op een hoogte van circa 8,30 m+ met een dorpel hoogte van 8,40 m+ NAP (bron: AHN). De bodem ter plaatse bestaat uit klei tot een diepte van ca. 3,50 meter, hierna vindt men fijn zand en grof zand. Op ongeveer 800 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich een peilbuis (nr: B45F0080). Volgens deze peilbuis heeft de grondwaterstand in de periode mei 1950 t/m 2001 niet hoger gestaan dan 6.95 m+NAP en niet lager dan 5.00 m+NAP. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt op 5,95

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

35

m+NAP. Gezien de peilhoogte van de beoogde woning van 8,40 meter is er een ontwateringsdiepte en drooglegging van 1,45 meter ten opzichte van de hoogst voorkomende grondwaterstand. Hiermee wordt voldaan aan de minimale ontwateringsdiepte van 1,0 meter. Ook wordt er voldaan aan de minimale drooglegging van 1,30 meter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand voor woningen. CONCLUSIE Met inachtneming van het bovenstaande, kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggend plan is voorgelegd aan de waterbeheerders en akkoord bevonden.

4.10 ECOLOGIE Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). GEBIEDSBESCHERMING Regelgeving - De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' moet worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt.

De uitkomsten van de habitattoets moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. Gevolgen voor het plan - Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website synbiosys.alterra.nl/natura2000 geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat in de nabije omgeving van het plangebied geen natura 2000-gebieden aanwezig zijn. Op ongeveer 115 meter van het plangebied ligt een GNN-gebied. Omdat het initiatief voor het bouwen van 1 levensloopbestendige woning in een bestaande schuur een kleinschalige ontwikkeling betreft en de afstand tot het te beschermen gebied vrij groot is, kan het optreden van significante negatieve effecten uitgesloten worden.

SOORTENBESCHERMING Regelgeving - Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

36

Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien moet voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan moet duidelijk zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1.

Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.

2.

Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a)

er geen andere bevredigende oplossing is, en

b) geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c)

sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: o o

3.

de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: a)

er geen andere bevredigende oplossing is, en

b) indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Wijchen is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

37

Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook moet gelet worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Gevolgen voor het plan – Voor het plan is in 2018 een Quickscan flora en fauna uitgevoerd bij de eerder doorlopen procedure voor drie appartementen in deze schuur. Op basis van die Quickscan zijn de benodigde isolerende werkzaamheden destijds uitgevoerd (kap vernieuwd en spouwmuren geïsoleerd). Voor de nu voorliggende wijziging zijn geen werkzaamheden benodigd aan de schil van de woning (alleen inpandige verbouwingswerkzaamheden). Hierdoor zijn er geen negatieve effecten te verwachten op het aspect ecologie. Ook worden er geen poelen gedempt en wordt er geen opgaande beplanting verwijderd. CONCLUSIE Met inachtneming van het bovenstaande, kan geconcludeerd worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt.

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties 4.11 ARCHEOLOGIE, CULTUURHISTORIE & LANDSCHAP De gemeente moet bij het vaststellen van de buitenplanse Omgevingsplanactiviteit rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Archeologie - De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het Omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Deze regels hebben betrekking op beschadiging, het conserven en in stand houden van archeologische monument. Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een Omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m² vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het Omgevingsplan.

Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is. Cultuurhistorie - Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het Omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels. Landschap – De ontwikkeling dient passend te zijn binnen het landschap.

PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Cultuurhistorie - De gemeente Wijchen heeft in 2017 een 'Parapluplan Cultuurhistorie Wijchen' vastgesteld met als doel om via beleid en regels waardevolle gebouwen en gebieden binnen de gemeente te beschermen. De gemeente vindt het daarbij van belang dat de historische- en beeldwaarde van gebieden of panden niet mogen worden aangetast. Het plangebied van het initiatief ligt in een cultuurhistorisch waardevol gebied. Ook is de woning naast de schuur binnen het plangebied aangeduid als een cultuurhistorisch waardevol pand. Het plan bevat geen verdere bouwof sloopwerkzaamheden. De toekomstige functie geeft daarbij geen aanleiding tot aantasting van cultuurhistorische waarden. Daarmee blijven de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied behouden. Archeologie - Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Wijchen geldt er voor het plangebied een lage archeologische verwachting. Omdat met het voorliggende plan geen bodemingrepen RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

38

plaatsvinden, is aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden ook uitgesloten. Van archeologisch onderzoek is zodoende geen sprake. Landschap – De ontwikkeling is inpandig en heeft geen invloed op het landschappelijke beeld van de omgeving.

CONCLUSIE Ter plekke van onderhavig plangebied is geen sprake van cultureel erfgoed. Uit bovenstaande toetsing is gebleken dat het cultureel erfgoed niet wordt aangetast en geen belemmering oplevert voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan. Ook wordt de landschappelijke omgeving niet nadelig beïnvloed. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12 LEIDINGEN In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische beschermd moeten worden. Kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen activiteiten. 4.13 DUURZAAMHEID EN KLIMAAT Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie).

De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voor zover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels. PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT DUURZAAMHEID EN KLIMAAT De levensloopbestendige woning wordt energieneutraal gebouwd waarbij onderstaande maatregelen worden genomen. Deze maatregelen sluiten aan bij de manier waarop de overige appartementen gebouwd zijn. Gasloze woning met verwarming door warmtepomp - De te bouwen levensloopbestendige woning wordt verwarmd door een luchtwarmtepomp met lage temperatuur vloerverwarming. Energie neutrale zelfvoorzienende woning - Door het toepassen van zonnepanelen wordt de levensloopbestendige woning voorzien in haar elektrische energiebehoefte. Het aantal zonnepanelen wordt bepaald op basis van het benodigde stroomverbruik waarbij er voldoende panelen gelegd worden om een volledig energie neutrale zelfvoorzienende situatie te behalen. Hiermee wordt ingespeeld en bijgedragen aan de gemeentelijke doelstellingen zoals omschreven in het energieplan van de gemeente Wijchen.

Indien op de daken onvoldoende panelen gelegd kunnen worden, wordt het tekort op de overige bestaande bijgebouwen op het erf gerealiseerd.

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

39

Bron: Energieplan op hoofdlijnen gemeente Wijchen, pagina 41 Duurzaam materiaalgebruik - De initiatiefnemers gaan met duurzame materialen bouwen waarmee zo veel als mogelijk gewerkt wordt volgens de principes van circulair bouwen. Onderstaand deze principes: -

Maak zoveel mogelijk gebruik van natuurlijke en herbruikbare bronnen.

-

Eindige bronnen dienen zo efficiënt mogelijk toegepast te worden.

-

Gebruikte materialen dienen bij een eventuele sloop weer hergebruikt te kunnen worden.

-

Behoud de bestaande constructie van de schuur zo veel mogelijk.

Onderstaand een overzicht van de toe te passen materialen waarbij aangegeven staat waarom voor deze materialen is gekozen. -

-

Minimaal 25 procent van de toe te passen materialen zijn gerecycled of afkomstig uit sloopwerkzaamheden elders (circulair – hergebruik). Het toepassen van isolatie van steenwol. Steenwol is een natuurlijk product gemaakt van het vulkanisch gesteente basalt, een ruim beschikbare grondstof welke volledig recyclebaar is. Nieuwe steenwolproducten bestaan tot wel 50% uit gerecyclede grondstoffen en daarmee heeft het een lage milieu impact. De rioolleidingen worden opgebouwd van pvc materialen. Deze materialen zijn volledig recyclebaar en als grondstof van nieuwe leidingen is het al heel gebruikelijk recycling toe te passen.

Doordat de woning gebouwd wordt in bestaande bebouwing zonder de toevoeging van verharding ontstaan er geen extra klimaatrisico’s. CONCLUSIE Op basis van het bovenstaande vormt het aspect 'Duurzaamheid en klimaat' geen belemmering voor het voornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.14 MER-BEOORDELING Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (MER) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de MER is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

40

kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de MER. Op deze manier vormt de MER een hulpmiddel voor de besluitvorming. Een Omgevingsplan of een afwijking daarvan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: • • • •

de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

PLANVOORNEMEN IN RELATIE TOT MER BEOORDELING In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.

Beoordelingskader project-mer-beoordeling Het projectvoornemen valt onder de categorie J11 zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor deze ontwikkelingen geldt geen mer-plicht. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt in het kader van een omgevingsplan een mer-beoordelingsplicht. De regelgeving zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit is de 'Nederlandse vertaling' van Europese regelgeving. In artikel 16.43 lid 3 sub a is opgenomen dat het bevoegd gezag bij beoordeling rekening moet houden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. Dit betreffen de criteria: • • •

Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect van het project.

In deze paragraaf wordt invulling gegeven aan deze drie criteria. Kenmerken van het project - De kenmerken van onderhavig project zijn in hoofdstuk 1 en 2 van voorliggende ruimtelijke motivering uitgebreid omschreven. Er is hierbij geen sprake van cumulatie met andere projecten. De risico's voor de menselijke gezondheid en het risico van zware ongevallen en/of rampen zijn in hoofdstuk 4 in overweging genomen en vormen geen belemmering voor het projectvoornemen.

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

41

Plaats van het project - De locatie is op dit moment in gebruik als functie wonen. Het projectgebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied dat beschermd wordt op basis van de natuurwaarde, landschappelijke waarde, cultuurhistorische waarde. Kenmerken van het potentiële effect van het project – In hoofdstuk 4 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig plan (geen) negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten. De locatie, aard en omvang van het voornemen leiden niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere project-mer-beoordeling noodzakelijk is. Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201901439/1/R1) is gezien de zeer beperkte omvang met dit voornemen geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit betreft daarmee geen m.e.r.plichtige activiteit. CONCLUSIE Uit de mer beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.15 BESCHERMEN VAN DE GEZONDHEID Het bevoegd gezag moet een afweging maken of vanwege (onzekere) gezondheidsrisico's uit voorzorgmaatregelen nodig zijn. In de paragraven 4.3 t/m 4.7 is gemotiveerd dat voor de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem geen voorzorgsmaatregelen benodigd zijn. Uit deze motiveringen blijkt dat het project geen gezondheidsrisico’s voor de omgeving met zich meebrengt en andersom dat die omgeving een goede gezondheidssituatie binnen het projectgebied niet in de weg staat. Naast deze aspecten is er ook het aspect gewasbeschermingsmiddelen welke onderstaand beschreven wordt. 4.15.1 GEWASBESCHERMINGSMIDDELEN Wettelijk kader - In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.

Toetsing - Op basis van vaste jurisprudentie dient een vaste afstand van 50 meter te worden aangehouden tussen gevoelige functies en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Doorgaans vindt spuiten met name plaats in (fruit)boomgaarden. De gemeente Wijchen heeft in het bestemmingsplan 'Buitengebied Wijchen' een regeling opgenomen dat het oprichten van nieuwe boomgaarden binnen 50 meter afstand geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woon- en leefklimaat. De nieuwe woning wordt op de begane grond gerealiseerd waarbij er al appartementen op de verdiepingen aanwezig zijn. Binnen 50 meter van de locatie zijn agrarische percelen aanwezig. Om te zorgen voor een goed woon en leefklimaat wordt er een spuitzone aangeduid van 50 meter vanuit de nieuwe woning. Binnen de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ is het gebruik maken van chemische gewasbeschermings- en

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

42

bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten op het goed woonen leefklimaat niet toegestaan. CONCLUSIE Door de motivering in paragraven 4.3 t/m 4.7 en het toevoegen van een spuitvrije zone van 50 meter is er op deze locatie sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5 JURIDISCHE BESTUURLIJKE ASPECTEN

5.1 INLEIDING Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe bestemmingsplannen meer in procedure gebracht. Tenzij het gaat over een ontwerp (zoals bedoeld in artikel 4.6 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet) dat voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd. Deze plannen worden nog volgens de oude wetgeving behandeld; Wet ruimtelijke ordening [oud]. Nieuwe plannen die niet voor 1 januari 2024 ter inzage zijn gelegd, dienen volgens de nieuwe wettelijke procedures behandeld te worden. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente over een Omgevingsplan. Op basis van artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet bestaat een deel van het Omgevingsplan o.a. uit: bestemmingsplannen, beheersverordeningen en wijzigingsplannen. Dit gedeelte van het Omgevingsplan valt op basis van artikel 22.1 Omgevingswet in het 'tijdelijk deel' van het Omgevingsplan. Daarnaast bestaat het 'tijdelijk deel' uit (rijks)regels die voor 1 januari 2024 golden; artikel 22.2 Omgevingswet. Dit gedeelte wordt ook wel de zogenaamde bruidsschat genoemd. Iedere gemeente dient in de zogenaamde transitiefase het tijdelijk deel aan te passen en 'Omgevingsplan proof' te maken. Hiermee wordt bedoeld dat iedere gemeente het tijdelijk deel dient te verwerken in het (definitieve) Omgevingsplan.

Deze transitiefase geldt tot 1 januari 2032 en deze transitiefase is bij koninklijk besluit vastgelegd; artikel 22.5 Omgevingswet. 5.2 JURIDISCHE SYSTEMATIEK Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente over één tijdelijk omgevingsplan. Dat tijdelijke omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de 'bruidsschat' genoemd, die is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd. Via het Omgevingsloket is op termijn daarom nog maar één, geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekkend omgevingsplan 'nieuwe stijl' gereed zijn. Ook al lijkt het juridisch deel van deze wijziging van het omgevingsplan op een bestemmingsplan, het karakter is anders. Inhoudelijk dient deze wijziging namelijk te voldoen aan de eisen die de Omgevingswet aan een omgevingsplan stelt, met uitzondering van de wijze van digitale vormgeving en publicatie.

Anders dan een RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

43

bestemmingsplan maakt deze wijziging van het omgevingsplan géén onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, maar maakt deze onderdeel uit van het nieuwe deel. In juridisch opzicht worden de in dit TAMomgevingsplan opgenomen regels en locaties dus fictief toegevoegd aan het initieel omgevingsplan zoals dat per 1 januari 2024 is te raadplegen via het Omgevingsloket. Daarmee vormt het ook één geheel met de bruidsschat die reeds is opgenomen in hoofdstuk 22 van dat plan, de begripsbepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van dat plan en de slotbepaling die is opgenomen in hoofdstuk 23 van dat plan. Dit TAM-omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in: • •

•

•

• • •

Met dit TAM-omgevingsplan wordt één hoofdstuk toegevoegd aan het Omgevingsplan, tussen hoofdstuk 22 en hoofdstuk 23, in dit geval hoofdstuk 22q. Aangezien het omgevingsplan zoals dat raadpleegbaar is via het Omgevingsloket technisch alleen inhoudelijk kan worden gewijzigd volgens STOP/TPOD, vindt die toevoeging fictief plaats door een TAMomgevingsplan op te stellen volgens de IMRO-standaard (plantype bestemmingsplan) en dat als zodanig te publiceren via ruimtelijkeplannen.nl, waarna het plan via de zogenoemde overbruggingsfunctie alsnog in het Omgevingsloket zichtbaar wordt. De plannaam maakt duidelijk dat sprake is van een TAMomgevingsplan, waarbij ook het beoogde hoofdstuknummer in de plannaam terugkomt. In dit geval is dat hoofdstuk 22q. De regels binnen een hoofdstuk van een omgevingsplan kunnen worden ondergebracht in paragrafen en subparagrafen. IMRO kent geen paragrafen en subparagrafen binnen een hoofdstuk en de nummering van hoofdstukken begint binnen IMRO altijd bij 1. Gelet op het voorgaande is daarom een zogenoemde preambule nodig die onder meer toelicht dat het gehele IMRO-plan moet worden gezien als hoofdstuk 22q van het omgevingsplan en dat de daarin opgenomen hoofdstukken daarom moeten worden gelezen als paragrafen. Dit wordt in paragraaf 5.4 nader toegelicht. Voor de aanduiding van locaties in de regels c.q.

het koppelen van regels aan een locatie wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die IMRO biedt en de beperkingen die daaruit voortvloeien. Denk aan het gebruik van hoofdgroepen van bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen, Een TAM-omgevingsplan kan niet worden voorzien van annotaties. Voor deze motivering wordt conform de genoemde werkafspraak gebruik gemaakt van het objecttype 'toelichting' en is daarom onder dat kopje terug te vinden in het omgevingsloket. De zogenoemde 'pons' die er kortgezegd voor zorgt dat (delen van) bestemmingsplannen die inmiddels zijn 'overschreven' door een nieuw deel van het omgevingsplan niet meer worden getoond in het omgevingsloket werkt niet voor TAM-omgevingsplanen. Daarom is het noodzakelijk door middel van voorrangsregels duidelijk vast te leggen of, en zo ja welke delen van een bestemmingsplan (als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) komen te vervallen bij de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.

5.3 WERKINGSBEREIK/ TOEPASSINGSBEREIK TAM -OMGEVINGSPLAN Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22q wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22q van het omgevingsplan Wijchen Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3). 5.3.1 JURIDISCHE LEESWIJZER VAN HET TAM -OMGEVINGSPLAN De voorgeschreven regels in dit plan zijn uitsluitend opgenomen, indien dit uit een oogpunt van een goede ruimtelijke inrichting van het plangebied noodzakelijk is.

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

44

Het juridisch-bindende deel van de omgevingsplanwijziging bestaat uit een verbeelding en de regels. De regels dienen te worden begrepen in samenhang met de verbeelding. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken: • Hoofdstuk 1 bevat de algemene bepalingen; de begrippen en de wijze van meten. • Hoofdstuk 2 bevat de functies. Deze worden in deze paragraaf inhoudelijk nader toegelicht. • Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals algemene afwijkingsregels. • Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen De regels in hoofdstuk 1 van het TAM-omgevingsplan vormen paragraaf 22q.1 van het omgevingsplan. In dit hoofdstuk zijn onder andere de begripsbepalingen en wijze van meten opgenomen. Bij het opstellen van een lijst met begripsbepalingen in het TAM-omgevingsplan is rekening gehouden met de bergripsbepalingen uit de bijlage bij de Omgevingswet. Op grond van artikel 1.1 van de Omgevingswet zijn die begripsbepalingen van rechtswege van toepassing op regelingen op grond van de Omgevingswet en dus ook op (TAM-IMRO) omgevingsplannen. Begrippen in het TAM-omgevingsplan kunnen niet afwijken van begripsbepalingen uit de omgevingsplan, maar in het TAM-omgevingsplan kunnen wel aanvullende begripsbepalingen worden opgenomen. Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten De regels in hoofdstuk 2 van het TAM-omgevingsplan vormen paragraaf 22q.2 van het omgevingsplan.

In dit hoofdstuk is per functie bepaald welke activiteiten zijn toegestaan, welke activiteiten niet zijn toegestaan en voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies De regels in hoofdstuk 3 van het TAM-omgevingsplan vormen paragraaf 22q.3 van het omgevingsplan. In dit hoofdstuk zijn algemene regels opgenomen. Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten De regels in hoofdstuk 4 van het TAM-omgevingsplan vormen paragraaf 22q.4 van het omgevingsplan. In dit hoofdstuk is de bescherming van bijvoorbeeld cultuurhistorische waarden geregeld. De voormalige 'dubbelbestemming' is terug te vinden in dit hoofdstuk. Hoofdstuk 5 Overgangsregels De regels in hoofdstuk 5 van het TAM-omgevingsplan vormen paragraaf 22q.5 van het omgevingsplan. In dit hoofdstuk zijn overgangsregels opgenomen. Een TAM-omgevingsplan heeft geen slotregel, omdat het TAMomgevingsplan slechts één hoofdstuk betreft van het gebiedsdekkend omgevingsplan van de gemeente.

5.4 BESCHRIJVING PER FUNCTIE /AANDUIDING Voor het toekennen van functies en het opstellen van regels voor deze functies is gebruik gemaakt van bestaande regels uit de omgeving. Er is aansluiting gezocht bij de regels van het (ontwerp) bestemmingsplan Stedelijk Gebied Wijchen. Deze regels zijn vervolgens geschikt gemaakt voor het gebruik in een TAM-omgevingsplan.

5.4.1 WONEN De functie 'Wonen' is behouden bij het bijgebouw. Om de toevoeging van een woning op de begane grond mogelijk te maken is het aantal wooneenheden verhoogd van 3 naar 4. Onder een wooneenheid wordt verstaan: een woning die geschikt en bestemd is voor permanente bewoning door één huishouden, voorzien van eigen voorzieningen voor wonen, slapen, koken, sanitair en berging.

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

45

5.4.2 MILIEUZONE - SPUITVRIJE ZONE Binnen de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ is het gebruik maken van chemische gewasbeschermingsen bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten op het goed woon- en leefklimaat niet toegestaan.

6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Alle kosten die gemaakt worden voor voorgenomen ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Daarmee zijn de kosten voor de planontwikkeling anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet aan de orde. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

7 PARTICIPATIE Voor de voorgenomen ontwikkeling is een participatietraject doorlopen waarbij de directe omgeving benaderd is haar visie te geven op de ontwikkeling. Met de eigenaar van de percelen waar een spuitvrije zone wordt aangeduid is overeenstemming bereikt.

RUIMTELIJKE MOTIVERING HOEVEWEG 40 BALGOIJ

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=ee3c3e39-4933-45fa-b855-f457cc94a660