CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Huurlingsedam fase 3 - Bijlagenboek

Raad openbaar Wijchen 27 januari 2022, gemeente wijchenBij agendapunt: 66063 beslisnota Bestemmingsplan Huurlingsedam fase 322.744 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Gemeente Wijchen Bestemmingsplan Huurlingsedam, Fase 3 Bijlagenboek toelichting

December 2021

INHOUD Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 14

Quickscan Flora en Fauna, Tauw, 4 februari 2021 Nader ecologisch onderzoek, Bureau Waardenburg, 8 september 2021 Actualisatie dassenonderzoek, Das & Boom, juni 2021 Notitie Inschatting effecten compensatiemaatregelen das op het leefgebied van steenuil en kerkuil, Bureau Waardenburg, 1 juli 2021 Activiteitenplan steenuil en huismus Huurlingsedam 33, Bureau Waardenburg, 31 mei 2021 Stikstofdepositie-onderzoek, Tauw, 2 juli 2021 Watertoetsdocument, Grontmij, 6 februari 2015 Watertoetsdocument, Sweco, 2 augustus 2021 Archeologisch advies, Hazenberg Archeologie Leiden, 12 oktober 2012 Archeologisch inventariserend veldonderzoek, BAAC, februari 2015 Akoestisch onderzoek, Kragten, 6 juli 2021 Diverse (water)bodemonderzoeken, Verhoeven Milieutechniek B.V., 8 juli 2021 Parkeerbalans, 29 juli 2021 Bodemadvies, Omgevingsdienst Regio Nijmegen, 28 juli 2021 Nota beantwoording zienswijzen, december 2021

Bijlage 1

Quickscan Flora en Fauna, Tauw, 4 februari 2021

Quickscan Huurlingsedam fase 3, Wijchen 4 februari 2021

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Verantwoording Titel

Quickscan Huurlingsedam fase 3, Wijchen

Opdrachtgever

VOF Huurlingsedam

Projectleider

Sietse-Jelle Bijkerk

Auteur(s)

Vincent Sanders

Tweede lezer

Vincent Wisgerhof

Uitvoering meet- en inspectiewerk

Vincent Sanders

Projectnummer

1278926

Aantal pagina’s

34

Datum

4 februari 2021

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/34

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Kenmerk

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Doel .................................................................................................................................... 5

1.2

Wetgeving .......................................................................................................................... 5

1.3

Te beschouwen onderdelen Wet natuurbescherming ........................................................ 5

1.4

Werkwijze ........................................................................................................................... 6

1.5

Kwaliteit .............................................................................................................................. 6

1.6

Uitgangspunten .................................................................................................................. 6

Situatie en beoogde ontwikkeling .............................................................................................. 7 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 7

2.2

Beoogde ontwikkeling ...................................................................................................... 13

2.3

Samenhang met andere voornemens .............................................................................. 14

2.3.1

Fasering werkzaamheden ......................................................................................... 14

2.3.2

Voorgaand ecologisch onderzoek ............................................................................. 14

2.3.3

Compensatiegebied das voor eerdere fase .............................................................. 15

Soortenbescherming ............................................................................................................... 15 3.1

Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 15

3.2

Vrijstellingen ..................................................................................................................... 16

3.3

Zorgplicht ......................................................................................................................... 16

3.4

Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 17

3.5

Effecten ............................................................................................................................ 17

3.5.1

Flora .......................................................................................................................... 17

3.5.2

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 18

3.5.3

Vleermuizen .............................................................................................................. 20

3.5.4

Vogels met jaarrond beschermde nesten ................................................................. 22

3.5.5

Algemene broedvogels ............................................................................................. 24

3.5.6

Amfibieën .................................................................................................................. 24

3.5.7

Vissen ....................................................................................................................... 27

3.5.8

Libellen, vlinders en overige ongewervelden ............................................................ 28

3.5.9

Zorgplicht .................................................................................................................. 29

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 30

3/34

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Kenmerk

5

4.1

Aanleiding en doel ............................................................................................................ 30

4.2

Relevante onderdelen Wet natuurbescherming ............................................................... 30

4.3

Conclusies toetsing soortbescherming ............................................................................ 30

4.4

Vervolgstappen ................................................................................................................ 31

4.4.1

Nader onderzoek beschermde soorten ..................................................................... 31

4.4.2

Soortgericht onderzoek beschermde soorten ........................................................... 31

4.4.3

Mitigerend maatregelen ............................................................................................ 31

4.4.4

Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? .................................. 32

Literatuur ................................................................................................................................. 33

4/34

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Kenmerk

1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving, de wijze van kwaliteitsborging en de te hanteren uitgangspunten voor toetsing.

1.1

Doel

In opdracht van VOF Huurlingsedam heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming voor het ontwikkelen van een nieuwbouwwijk in Wijchen nabij de Huurlingsedam. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen kunnen worden verleend. In de rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen: • Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? • In hoeverre is de beoogde ontwikkeling (mogelijk) strijdig met de Wet natuurbescherming? • •

1.2

Zijn maatregelen en/of een ontheffing/vergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

Wetgeving

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking. De Wet natuurbescherming is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.

1.3

Te beschouwen onderdelen Wet natuurbescherming

Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming, vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (circa 8,3 kilometer tot Rijntakken) en de aard van de werkzaamheden is uit te sluiten dat de werkzaamheden negatieve effecten (verstoring door geluid, trillingen, licht et cetera) hebben op Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie worden door de aard van de werkzaamheden in combinatie met de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden (8,3 kilometer) niet verwacht. Zekerheid hierover kan echter alleen verkregen worden middels een AERIUSberekening. Het bevoegd gezag kan een stikstofberekening eisen op wettelijke basis.

5/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk Nederland is planologisch beschermd via het Barro. Toetsing in het kader van het Natuurnetwerk Nederland is niet nodig, omdat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Externe werking is in deze provincie niet van toepassing. Onder de Wet natuurbescherming zijn sommige houtopstanden en solitaire bomen beschermd. Vanwege de ligging van het plangebied in de bebouwde kom, is toetsing aan dit onderdeel van de Wet natuurbescherming niet nodig. Wel is de algemene plaatselijke verordening van toepassing. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig, waardoor een toetsing aan de lokale algemene plaatselijke verordening niet benodigd is.

1.4

Werkwijze

De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • • •

Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data (zie ook H5) Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van TAUW (https://www.TAUW.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html)

• • •

Een oriënterend veldbezoek op 23 november 2020 Ontheffing Provincie Gelderland met zaaknummer 2017-006115 Rapportages van soortgerichte onderzoeken naar das, steenuil, kerkuil, en grote modderkruiper

Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).

1.5

Kwaliteit

Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid of afwezigheid van soorten niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.

1.6

Uitgangspunten

De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: • Sloop of aantasting van bestaande bebouwing maakt geen onderdeel uit van de •

werkzaamheden Het kappen van bomen behoort niet tot de werkzaamheden

6/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

2 Situatie en beoogde ontwikkeling Dit hoofdstuk bevat achtergrondinformatie over de huidige situatie, het voorgenomen plan en de uit te voeren werkzaamheden.

2.1

Huidige situatie

Het plangebied bestaat globaal uit twee deelgebieden aan weerszijden van de Huurlingsedam in Wijchen (zie figuur 2.1). Figuur 2.2 tot en met 2.10 geeft een sfeerimpressie van het gebied. Het grote oostelijke deel van het plangebied is in gebruik als agrarisch gebied, met daar doorheen enkele sloten. Op de landbouwpercelen wordt onder andere maïs en uien verbouwd. Aansluitend op het oostelijk deel van het plangebied wordt sinds 2018 nieuwbouw gerealiseerd, wat de zogenaamde fase 2 betreft van het grotere plan waar het te toetsen voornemen ook onderdeel van uitmaakt. In de directe omgeving zijn meerdere boerderijen met schuren en erven aanwezig. Het kleinere westelijke deel van het plangebied staat bekend als ‘Het Kasteel’ (zie figuur 2.1). Dit gedeelte bestaat uit een maïsakker met naastgelegen sloten. De omgeving kenmerkt zich door de bebouwing van een woonkern, een brede waterplas genaamd het Wijchens Meer en agrarisch landschap. Om het gebied zijn de ontsluitingswegen Zuiderdreef, Oosterweg en de N324 aanwezig. Ten oosten van het plangebied en ten noorden van het Wijchens Meer is het Oosterpark gelegen. In dit park bevinden zich bosschages en wateren die in verbinding staan met het Wijchens Meer. Tussen Wijchen en Nijmegen is natuurreservaat het Wijchensche Ven aanwezig. Dit natuurreservaat is op circa één kilometer afstand van het plangebied gelegen.

7/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied. De gerealiseerde woonwijk van fase 2 staat hier niet op aangegeven

Figuur 2.2 Maïsstoppels op het vrijstaande perceel langs de weg Zuiderdreef (‘Het Kasteel’)

8/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Figuur 2.3 Sloot met naastgelegen grasland langs de weg Zuiderdreef (‘Het Kasteel’)

Figuur 2.4 Akkerland met aan de linkerkant nieuwbouw (fase 2)

9/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Figuur 2.5 Sloot gelegen tussen akkerland

Figuur 2.6 Tijdelijke opslag van grond langs de weg Wagenmaker

10/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Figuur 2.7 De noordkant van het plangebied wordt begrenst door een sloot

Figuur 2.8 Aan de rechterkant de beoogde locatie voor compensatie leefgebied das

11/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Figuur 2.9 Bomenrij langs de rand van het plangebied op het perceel van Huurlingsedam 33

Figuur 2.10 Braakliggend terrein tussen de Huurlingsedam en de Warmoezenier

12/34

Kenmerk

2.2

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Beoogde ontwikkeling

VOF Huurlingsedam is voornemens om maximaal 550 woningen te realiseren binnen de twee delen van het plangebied. De huidige agrarische gebiedsfunctie zal daardoor verloren gaan. Figuur 2.11 geeft de ligging aan van de sloten, en welke daarvan aangetast worden. Bij het voornemen worden geen bomen gekapt, en/of wordt geen bebouwing gesloopt of aangetast. Figuur 2.12 geeft een schematische weergave van de beoogde ontwikkeling. In het plangebied zijn een aantal sloten aanwezig. Deze sloten worden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling opnieuw geprofileerd of raken verloren.

Figuur 2.11 Watergangen in het plangebied die (deels) aangetast worden door de beoogde ontwikkeling

13/34

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Kenmerk

Figuur 2.12 De beoogde ontwikkeling, fase 3

2.3

Samenhang met andere voornemens

2.3.1 Fasering werkzaamheden De ontwikkeling die in dit rapport getoetst wordt, staat niet op zichzelf. Het maakt onderdeel uit van de grotere ontwikkeling van de woonwijk ‘Huurlingsedam’ die reeds vanaf 2011 gaande is. De te toetsen ontwikkeling betreft daarbinnen de 3e fase. In figuur 2.11 en 2.12 zijn deze en de eerdere fases weergegeven. Dit betreffen eerder gerealiseerde nieuwbouwwijken, die elk een eigen nummer toegewezen hebben gekregen. In het verleden zijn meerdere benamingen gebruikt voor de verschillende fases. Zo bestaat er een fase 1, fase 2, fase 2a, fase 2b, fase 2c, fase IIa en fase IIb. Deze verschillende benamingen hebben elk hun eigen begrenzingen. Voor deze rapportage wordt uitgegaan van de benamingen en de begrenzing zoals weergegeven in figuur 2.12. 2.3.2

Voorgaand ecologisch onderzoek

In het verleden zijn voor de voorgaande fases diverse ecologische onderzoeken uitgevoerd. Zo is door de opdrachtgever documentatie aangeleverd van soortgerichte onderzoeken naar das (Stichting Das&Boom 2016 en Regelink 2017), steenuil (NWC 2020, Bureau Waardenburg 2020 en Regelink 2017), kerkuil (Bureau Waardenburg 2020 en Regelink 2017)), vleermuizen (NWC 2019) en grote modderkruiper (Regelink 2017).

14/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Deze onderzoeken hebben aangetoond dat er geen grote modderkruiper in het plangebied van fase 2 aanwezig was en geen vleermuizen in een schuur op Huurlingsedam 17 waren aangetroffen. Wel is het voorkomen van steenuil en kerkuil in en om het plangebied van fase 2 vastgesteld. Daarnaast zijn er verblijfplaatsen en foerageergebied van das in fase 2, 3 en de omliggende delen van het plangebied vastgesteld. 2.3.3 Compensatiegebied das voor eerdere fase In de noordoosthoek buiten het plangebied is een compensatieleefgebied voor dassen aangewezen van circa zeven hectare groot. In de rapportage van Stichting Das&Boom wordt ingegaan op het compensatieplan voor das. Deze rapportage beschrijft het plan ter compensatie voor fase 2 en 3. Op basis hiervan is door de provincie een ontheffing verleent voor fase 2 op 21 november 2017 (zaaknummer 2017-006115). Het compensatiegebied ten behoeve van fase 3 is op moment van schrijven nog niet gerealiseerd.

3 Soortenbescherming In dit hoofdstuk volgt antwoord op de vraag de beoogde activiteiten schade (kunnen) op beschermde flora en fauna tot gevolg hebben.

3.1

Beschermingsregime en bepalingen

Het onderdeel soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: • Vogels: Het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn • •

beschermd via de vogelrichtlijn (VR) Dieren en planten: Het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn (HR) en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: Het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd

Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Hier is ook een beschrijving opgenomen onder welke voorwaarden een bevoegd gezag ontheffing of vrijstelling kan verlenen. Tabel 3.1 is een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.

15/34

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Kenmerk

3.2

Vrijstellingen

In de Wet natuurbescherming is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie ‘Nationale soorten’, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Gelderland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten ‘vrij te stellen’ van de ontheffingsplicht (verordening Provincie Gelderland). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Tabel 3.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming

Verbodsbepaling

A

B

C

D

E

Vogels

Dieren

Planten

Dieren

Planten

(VR)

(HR)/

(HR)/

(‘nationaal’)

(‘nationaal’)

Bonn/Bern

Bonn/Bern

Dieren of planten: Doden of vangen Storen/verstoren

3.1.1

3.5.1

3.1.4

3.5.2

3.10.1.a

(tenzij 3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,

3.5.5

3.10.1.c

ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren

3.2.6

3.6.2

3.6.2

Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen

3.1.2

nesten Beschadigen of vernielen

3.5.4

voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen

3.10.1.b (vaste vp)

3.1.2

3.5.4

3.10.1.b (vaste rp)

Eieren: Vernielen (of -VR- beschadigen)

3.1.2

3.5.3

Rapen

3.1.3

3.5.3

Onder zich hebben

3.1.3

Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming. Oranje

verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet.

Rood

verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet.

3.3

Zorgplicht

De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken.

16/34

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Kenmerk

Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

3.4

Literatuuronderzoek

In de omgeving van het plangebied zijn verspreidingsgegevens bekend van de volgende soortgroepen: flora, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden. Doordat het plangebied en de omgeving bestaat uit akkerland met enkele sloten en daaromheen bebouwing en vergelijkbaar akkerland, is het plangebied ongeschikt voor reptielen. Het voorkomen van soorten uit deze soortgroep, alsmede negatieve effecten op die soorten zijn uitgesloten. Deze soortgroep wordt daarom niet verder behandeld in deze rapportage. Tabel 3.2 Soorten in de omgeving van het plangebied Soortgroep

Aanwezige soorten in omgeving

Flora

Drijvende waterweegbree, akkerboterbloem, akkerogentroost, getande veldsla, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, korensla,

Grondgebonden zoogdieren

Bever, eekhoorn, das, steenmarter, bunzing en wezel

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, franjestaart, tweekleurige vleermuis, watervleermuis en meervleermuis

Vogels

Diverse algemene soorten

Vogels jaarrond beschermd

Buizerd, wespendief, sperwer, havik, slechtvalk, boomvalk, steenuil, kerkuil, ransuil, ooievaar, gierzwaluw, roek en huismus

Amfibieën

Alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker en rugstreeppad

Vissen

Grote modderkruiper en kwabaal

Vlinders, libellen en overige

Grote vos, beekrombout, rivierrombout, gevlekte witsnuitlibel en

ongewervelden

teunisbloempijlstaart

3.5

Effecten

3.5.1 Flora Drijvende waterweegbree komt voor in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2020). De soort groeit over het algemeen in voedselarme tot matig voedselrijke, heldere wateren. In het plangebied zijn sloten aanwezig met helder water. In deze sloten groeit onder ander grote kroosvaren en stomphoekig sterrenkroos, die een voedselrijk milieu prefereren. Door de aanwezigheid van deze soorten kan gesteld worden dat de sloot voedselrijk tot zeer voedselrijk is, wat verklaarbaar is door het intensief gebruik van het akkerland naast deze sloten. De sloten voldoen zodoende niet aan de habitateisen die drijvende waterweegbree stelt.

17/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Het voorkomen van deze plant is dan ook uitgesloten in het plangebied, net als negatieve effecten op deze soort door het voornemen. Door het intensief gebruik van het agrarisch landschap, en het ontbreken van kalkrijke, leemrijke en voedselarme grond en wintergraanakkers is het plangebied (inclusief de akkerranden) ongeschikt voor akkerboterbloem, akkerogentroost, getande veldsla, glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw en korensla. Het voorkomen van deze soorten is dan ook uitgesloten in het plangebied, net als negatieve effecten op deze soort door het voornemen. Concluderend is het voorkomen van beschermde flora in het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten zijn niet aanwezig. 3.5.2

Grondgebonden zoogdieren

Bever In de brede watergang ten zuiden van de Huurlingsedam (Wijchens Meer) zijn verspreidingsgegevens van bever bekend (NDFF, 2020). Bevers leven in burchten of in holen in oevers. Het voedsel van bever bestaat voornamelijk uit jonge twijgen van bomen. Om deze te kunnen bereiken knagen bevers bomen om. Van de grotere takken wordt de burcht gebouwd. Het overgrote deel van het plangebied is ongeschikt leefgebied voor deze soort vanwege het ontbreken van bomen langs de sloten. Ten zuiden van ‘het Kasteel’ zijn tijdens het veldbezoek enkele beversporen aangetroffen. Deze sporen beperken zich tussen de verbinding van het Wijchens Meer. Het is niet uitgesloten dat er holen aanwezig zijn in de oever van deze watergang, op de rand van het plangebied ligt. Deze watergang wordt tijdens de beoogde ontwikkeling zodoende niet aangetast. Een direct negatief effect op verblijfplaatsen van bever is dan ook uitgesloten. Een verstorend effect kan optreden wanneer er een burcht of hol aanwezig is in de nabijheid van ‘het Kasteel’.

Verstoring kan optreden door bouwwerkzaamheden (geluidsoverlast, toename van menselijke activiteit) en na de aanlegfase door toename van menselijke activiteit (verkeer, fietsers, voetgangers) Een inventarisatie moet uitwijzen of er een verblijfplaats van bever aanwezig is nabij het plangebied, aanvullend kan informatie voor worden opgevraagd bij een lokale natuurvereniging. Bij aanwezigheid van een verblijfplaats en wanneer een verstorend effect niet kan worden uitgesloten is de beoogde ontwikkeling in strijd met de Wet natuurbescherming. Een ontheffing is op dat moment noodzakelijk. Bever kan als voedsel gebruik maken van cultuurgewassen zoals granen, suikerbieten, maïs en fruit (RVO, 2020). Er zijn tijdens het veldbezoek wissels van bever aangetroffen die leiden naar de maïsakker ‘het Kasteel’. Het is niet uitgesloten dat in de omgeving voorkomende bevers aldaar foerageren. In de noodzakelijke inventarisatie dient een toetsing plaats te vinden hoeveel oppervlak van deze agrarische velden bijdragen aan het totale foerageergebied , en of deze behoren tot het essentiële leefgebied van deze bevers.

18/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Bij aantasting van essentieel foerageergebied voor bever is de beoogde ontwikkeling in strijd met de Wet natuurbescherming. Een ontheffing is op dat moment noodzakelijk. Eekhoorn Er zijn verspreidingsgegevens bekend van eekhoorn uit de omgeving van het plangebied (NDFF, 2020). Eekhoorns maken hun nest hoog in bomen. Foerageergebied bestaat uit parken, tuinen en natuurgebieden. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig waar eekhoorns in kunnen verblijven. Gelet op de agrarische functie van het plangebied is er ook geen foerageergebied van eekhoorn te verwachten. Negatieve effecten op eekhoorn is uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt habitat. Wel komt de eekhoorn algemeen voor in de bossen ten westen en minder regelmatig in de bossen ten noordoosten van het plangebied (NDFF, 2020). Tussen deze leefgebieden en het plangebied liggen drukke (N-)wegen. Door deze wegen is er al een ruime mate van verstoring aanwezig, waardoor een eventueel verstorend effect in de realisatiefase en de beoogde situatie uitgesloten is. Daarnaast is eekhoorn niet verstoringsgevoelig, de soort is regelmatig aan te treffen in nabijheid van mensen. Das De das maakt gebruik van het plangebied als foerageergebied en om zich te verplaatsen.

Stichting Das&Boom heeft in 2015 soortgericht onderzocht waar dassenburchten aanwezig zijn in het plangebied en hoe het terrein gebruikt wordt (Stichting Das&Boom, 2016). Op basis hiervan is een compensatieplan opgesteld voor Fase 2 en 3 (Das&Boom, 2016). Provincie Gelderland heeft op basis van een mitigatie- en compensatieplan een ontheffing verleend voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soort voor de realisatie van Fase 2 (IIa in de rapportage van Das&Boom), en niet voor fase 3 die in deze toetsing wordt meegenomen (Provincie Gelderland, 2017). De onderzoeksresultaten waar bovenstaand plan op is gebaseerd, dateren uit het jaar 2015. De juridische houdbaarheid van dergelijke resultaten zijn doorgaans drie tot vijf jaar, mits het onderzoeksgebied niet noemenswaardig is veranderd. Het onderzoek is daardoor niet meer juridisch houdbaar, mede omdat het gebied en vooral de omgeving tussentijd rigoureus veranderd is. Daardoor geeft het onderzoeksrapport uit 2015 een onvoldoende recent beeld van de verspreiding en gebruik van het gebied door das, voor de te toetsen ontwikkeling. Een eventuele ontheffing kan ook alleen worden aangevraagd op basis van recent onderzoek. Aanvullend onderzoek is daarom nodig om te bepalen of het voorstel tot compensatie hedendaags voldoet.

Een ontheffing dient te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag voor het overtreden van de Wet natuurbescherming. Voordat de beoogde ontwikkeling doorgang ondervindt dienen de compensatiemaatregelen te zijn uitgevoerd en effectief te blijken.

19/34

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Kenmerk

Steenmarter Het voorkomen van steenmarter is bekend in Wijchen (NDFF, 2020). Verblijfplaatsen van steenmarter bevinden zich veelal in bebouwing waar zich openingen in bevinden. Daarnaast kan steenmarter verblijven in dicht struweel en takkenhopen. In het plangebied is geen bebouwing, struweel en een takkenhoop aanwezig. Een direct negatief effect op steenmarter is dan ook uitgesloten. Wel zijn de boerderijen, woningen en overige opstallen, zoals rond het plangebied aanwezig, geschikt voor deze soort. Indirecte effecten zoals verstoring tijdens de realisatiefase zijn uitgesloten, want steenmarter komt voor in stedelijk gebied waar continu een ruime mate van verstoring aanwezig is. De steenmarter heeft een dieet van zowel plantaardig als dierlijk voedsel (Zoogdiervereniging, 2020). Gelet op het dieet is steenmarter niet afhankelijk van een bepaald soort habitat. In de ruime omgeving zijn meer dan voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig, zoals langs het Wijchens Meer en meerdere bosschages rondom het plangebied. Een negatief effect op foerageergebied van steenmarter is daardoor uitgesloten. Kleine marterachtigen Bunzing en wezel behoren tot de groep kleine marterachtigen en komen voor in de omgeving van het plangebied. Bunzing en wezel verblijven in oude holen van andere zoogdieren, steenhopen, houtmijten, holle bomen en onder boomwortels.

Op en langs de akkers in het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen van bunzing en wezel aangetroffen. Op het braakliggende terrein in de zuidoosthoek van het plangebied zijn een tweetal hopen met snoeiafval aanwezig. Door de open ligging in het landschap en verminderde geschiktheid van het omliggende terrein wordt een vaste verblijfplaats in dit snoeiafval uitgesloten. Een in de omgeving aanwezige bunzing en wezel zal eerder verblijven in een geschikte bosschage, zoals ten oosten van de Marskramer. Door het intensief gebruik van het agrarisch landschap en dat er geen schuilmogelijkheden aanwezig zijn is een negatief effect op verblijfplaatsen van bunzing en wezel uitgesloten. Beide soorten zoeken voor voedselvoorziening aanwezige holen af in het landschap. Bunzing kan daarnaast bessen eten. In het plangebied zijn nauwelijks holen aanwezig door het intensieve gebruik van het landschap. Daarnaast zijn er geen besdragende struiken of bomen aanwezig. Gelet op bovenstaande zijn negatieve effecten op foerageergebied van bunzing en wezel uitgesloten. 3.5.3

Vleermuizen

Inleiding Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen.

20/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. Verblijfplaatsen Het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarisch landschap, waar zich geen bomen of bebouwing bevindt. De beoogde ontwikkeling leidt er dan ook niet toe dat potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen en bebouwing verloren gaan. Een direct negatief effect op verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uitgesloten. Foerageergebied Groenstructuren zoals bosschages ontbreken in het plangebied. De sloten zijn potentieel foerageergebied voor in de omgeving voorkomende vleermuizen, al gaat het om een gering oppervlak in een overwegend open gebied waardoor dit geen essentieel leefgebied zal betreffen. De watergang wordt weliswaar aangetast, maar blijft het karakter behouden. Gelet op de omliggende groenstructuren (bosschages ten westen en zuiden van het plangebied en een brede watergang ten zuidwesten van de Huurlingsedam) zijn er voldoende alternatieven en is aanwezigheid van essentieel foerageergebied uitgesloten. Vliegroutes In het plangebied zijn lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van de sloten. Direct grenzend aan het plangebied zijn lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van bebouwing en bomenlanen. Deze lijnvormige uitstraling wordt niet aangetast.

Wel is het mogelijk dat de vliegroute tijdelijk geblokkeerd raakt tijdens de werkzaamheden, door het opnieuw profileren van de sloten. In dat geval kunnen de omliggende lijnvormige groenstructuren als alternatief gebruikt worden. Een negatief effect op vliegroutes is dan ook uitgesloten door het voornemen. Verlichting Indirect kan uitstralende verlichting tijdens de realisatie- en de gebruiksfase een verstorend effect creëren op vleermuizen. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes in de omgeving tijdelijk ongeschikt raken. Dit geldt in het bijzonder van de watergang ten zuiden van het plangebied, en de bomen aan de overzijde van de westgrens van het plangebied. Door het nemen van preventieve maatregelen dient een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen te worden. Aan te brengen (bouwplaats)verlichting dient niet uit te stralen naar de omgeving en dus alleen gericht te zijn op het plangebied. De armaturen van de zowel de bouw- als de toekomstige straatverlichting dienen naar beneden afgesteld te worden en alleen het plangebied te beschijnen. De omgeving dient zowel tijdens de realisatie als de gebruiksfase niet beschenen worden. Indien hier niet aan kan worden voldaan, kan alleen met amberkleurige (vleermuisvriendelijke) verlichting gewerkt worden.

Al deze maatregelen gelden uitsluiten tijdens de actieve periode van vleermuizen, die globaal loopt van 1 april tot 1 december.

21/34

Kenmerk

3.5.4

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Vogels met jaarrond beschermde nesten

Algemeen De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Boombroedende vogels Het plangebied zelf bevat geen bomen of struweel, waardoor er geen nesten verloren gaan van in bomen en/of struweel broedende soorten buizerd, wespendief, sperwer, havik, boomvalk, ransuil en roek. Op enkele plekken langs de randen van het plangebied staan hoge bomen waar boombroeders in kunnen broeden. Deze bomen zijn tijdens het veldbezoek gecontroleerd op aanwezigheid van nesten, die goed zichtbaar waren omdat het oriënterende veldbezoek plaats vond in het bladloze seizoen. Slechts in één boom aan de westkant van Huurlingsedam 33 is een potentieel jaarrond beschermd nest aangetroffen. Het nest ziet er uit als een ekster- of kraaiennest. Dit soort nesten kunnen bezet raken door ransuil, boomvalk of een andere jaarrond beschermde soort. Een onderzoek in het broedseizoen van deze soorten (15 februari tot en met begin september) dient uit te wijzen of het nest in gebruik is en door welke vogelsoort. Uilen De boerderijen om het plangebied zijn geschikt voor verblijfplaatsen van steenuil en kerkuil, en hier zijn in het verleden diverse territoria van steenuil vastgesteld. Ook zijn voor de sloop van bebouwing in een eerdere bouwfase enkele voorzieningen (zoals steenuil- en kerkuilkasten) geplaatst nabij het plangebied.

Deze bevinden zich in het compensatiegebied voor de das en ten noorden van het oostelijk gelegen plangebied. Voor steenuilen en kerkuilen die rond het plangebied voorkomen, fungeert het plangebied mogelijk als foerageergebied. Bij aanwezigheid van uilen kan de beoogde ontwikkeling leiden tot vernietiging van de functionele leefomgeving van deze uilen. Wanneer hier van sprake is, worden de vaste verblijfplaatsen van deze uilen aangetast en worden mogelijk verlaten. Een overtreding van de Wet natuurbescherming is zodoende niet op voorhand uit te sluiten bij de realisatie van fase 3. De informatie over het voorkomen van de verblijfplaatsen en de (exacte locatie van de) getroffen voorzieningen voor de steenuilen is dermate fragmentarisch, dat het niet mogelijk is om in deze fase de toetsing van het voornemen te kunnen uitvoeren. Bovendien dient inzichtelijk te zijn welke territoria van steen- en kerkuil in de ruime omgeving van het plangebied aanwezig zijn, om te kunnen bepalen welke territoriumgrootte gehanteerd dient te worden en welke kwaliteit daaraan gekoppeld is. Daarmee kan worden bepaald hoeveel leefgebied gecompenseerd moet worden, waarbij het reeds beoogde compensatiegebied voor de das een rol kan spelen. Het territorium van een steenuil heeft vaak een grootte van tussen de 5 en de 30 hectare, wat sterk afhankelijk is van de kwaliteit van het leefgebied.

De kleinste oppervlaktes worden bijvoorbeeld vooral waargenomen bij landschappen die gekarakteriseerd worden als een kleinschalig cultuurlandschap, waarvan in het plangebied geen sprake (meer) van is.

22/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Om een volledige toetsing te doen aan de effecten op steenuilen in de omgeving van het plangebied (fase 3) is onderzoek benodigd. Het onderzoek dient in te gaan op een aantal zaken: • Waar bevinden zich steenuilen in de (ruime) omgeving van het plangebied? Hiervan is reeds veel informatie verzameld, hetzij nog versnipperd over meerdere partijen • • •

(verschillende aannemers, bevoegd gezag, de lokale natuurvereniging) Op welke wijze maken deze steenuilen gebruik van het landschap? Indien steenuilen gebruik maken van het plangebied, wat zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de functionele leefomgeving? Welke maatregelen moeten getroffen worden indien steenuilen gebruik maken van het plangebied?

Aan de noordkant van het compensatiegebied voor dassen zijn twee permanent vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd voor kerkuil. Bij vestiging van kerkuil zal de soort gedeeltelijk gebruik maken van het compensatiegebied als foerageergebied. Het leefgebied van kerkuilen varieert van 60 tot 1200 hectare (BIJ12). Bij aanwezigheid van kerkuil zal het potentieel aanwezige functionele leefgebied direct grenzend aan de vervangende verblijfplaatsen mogelijk verloren gaan door de beoogde ontwikkeling. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Om een actueel beeld te creëren waar zich kerkuilen bevinden in de (ruime) omgeving van het plangebied is onderzoek benodigd. Het onderzoek naar kerkuil dient in te gaan op dezelfde onderzoeksvragen als bij het onderzoek naar steenuil. Het onderzoek dient te starten met het creëren van een volledig overzicht van alle informatie, bestaande uit onder andere: • Alle resultaten van uilenonderzoek zoals verzameld bij de voorbereiding van de voorgaande fase(s)

•

Resultaten van de monitoring van de uilen tijdens de eerdere fase(s), waarbij uilen mogelijk voormalige verblijfplaatsen hebben verlaten vanwege de realisatie van eerdere bouwfase(s) Locaties van voorzieningen die conform de ontheffing geplaatst zijn

•

Alle territoria van uilen in de ruime omgeving van het plangebied

•

Bovenstaande informatie dient te worden aangeleverd door de initiatiefnemer(s) van de vorige fase, het bevoegd gezag, en/of bijvoorbeeld lokale natuurverenigingen. Indien nodig kan, wanneer essentiële informatie alsnog blijkt te ontbreken, aanvullende onderzoek naar territoria van de steenuil en kerkuil worden uitgevoerd tijdens de broedperiode van deze soorten (respectievelijk van begin februari tot augustus, en van begin februari tot november met een voorkeur voor de periode in het voorjaar tot en met april voor beide soorten). Afhankelijk van de onderzoeksresultaten naar steenuil en kerkuil kan blijken dat er een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd is. In dat geval dienen er maatregelen genomen te worden om negatieve effecten op deze soort(en) teniet te doen. Een van de maatregelen kan bestaan uit het creëren van (extra) leefgebied. Het nog te realiseren dassencompensatiegebied kan mogelijk (deels) geschikt zijn als compensatiegebied voor steenuil en/of kerkuil, wat op basis van dit nader onderzoek getoetst moet worden.

23/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Slechtvalk, huismus en gierzwaluw Slechtvalk broedt in Nederland uitsluitend op hoge bouwwerken. In het plangebied is geen (hoge) bebouwing aanwezig waardoor een nest van slechtvalk is uitgesloten. Doordat er geen bebouwing aanwezig is, is het voorkomen van huismus en gierzwaluw eveneens uitgesloten. Ooievaar In Nederland broedt ooievaar vrijwel uitsluitend op nestpalen of kunstmatige nesten op daken. Incidenteel is de soort ook aan te treffen in oude bomen. Nesten zijn dermate groot dat deze gemakkelijk geïnventariseerd kunnen worden. Tijdens het veldbezoek zijn geen grote nesten aangetroffen in of rondom het plangebied. Het voorkomen van ooievaar en een negatief effect daarop ten gevolge van de beoogde ontwikkeling is uitgesloten. 3.5.5

Algemene broedvogels

De nesten van deze soorten zijn beschermd als ze als broedlocatie in gebruik zijn. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Geadviseerd wordt om de start van de werkzaamheden te laten plaatsvinden buiten het regulier broedseizoen. Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. Indien de werkzaamheden in Fase 3 door het jaar heen worden uitgevoerd, zijn wekelijkse broedvogelcontroles benodigd om negatieve effecten uit te sluiten bij het bouwrijp maken van delen van het terrein. 3.5.6

Amfibieën

Alpenwatersalamander Op 300 meter ten oosten van het plangebied is het voorkomen bekend van Alpenwatersalamander. De Alpenwatersalamander stelt geen hoge eisen aan zijn biotoop (RAVON, 2020). Stilstaand of zwak stromend water is voldoende om als voortplantingslocatie te fungeren. De soort is doorgaans te vinden in deze wateren vanaf januari tot en met de zomer. Daarna trekt de soort meestal het land op om te gaan overwinteren. Jonge Alpenwatersalamanders blijven gedurende de eerste drie levensjaren op het land. Tijdens de landfase verblijft deze salamander in de strooisellaag, houtwallen, struwelen, holen in de grond en onder stenen. Deze locaties liggen altijd binnen één kilometer van het voortplantingswater. De sloten in het plangebied zijn potentieel geschikt voortplantingswater voor Alpenwatersalamander, omdat het stilstaand water betreft met voldoende waterplanten om eieren op af te zetten. Indien deze wateren in gebruik zijn als voortplantingslocatie zijn de omliggende bosschages potentieel in gebruik als winterrustplaats.

24/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

De watergangen in dit agrarisch gebied vormen een suboptimaal leefgebied voor deze soorten, echter door de aanwezigheid van de soort zeer nabij het plangebied kan de theoretische kans op deze soort niet worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt ertoe dat deze sloten aangetast worden en het omliggende land volgebouwd wordt met nieuwbouw. Bij aanwezigheid van Alpenwatersalamander is de beoogde ontwikkeling in strijd met de Wet natuurbescherming. Vervolgonderzoek dient uit te wijzen of Alpenwatersalamander voorkomt in het plangebied. Afhankelijk van de uitkomst van dit onderzoek kan een ontheffing noodzakelijk blijken. Rugstreeppad Rugstreeppad komt nabij het plangebied voor in het Wijchens ven. Rugstreeppadden zijn een pioniersoort bij uitstek, die snel nieuw geschikt habitat kan koloniseren. De soort is dan ook afhankelijk van een hoog dynamisch terrein, zowel op natuurlijke wijze als door menselijk handelen (RAVON, 2020). Braakliggende terreinen, groeven, zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. Op deze terreinen is vaak een goed vergraafbare zanderige bodem aanwezig. De soort kan echter ook in vennen op heideterreinen en in sloten rond akker- en graslandgebieden voorkomen.

Rugstreeppadden prefereren een plassen zonder vegetatie, met een zanderige bodem en waar geringe concurrentie is van andere amfibieën of insecten. Regenplassen of sporen van voertuigen waar (regen)water in is blijven staan vormen ideaal voortplantingswater. Het foerageergebied vormt zich tot circa vijfhonderd meter rond de locatie waar de rugstreeppad zich overdag bevindt. In het plangebied is geen zanderige, goed vergraafbare bodem aanwezig. Het water in de sloten in dicht begroeid en de oevers zijn redelijk steil. Van een pioniersituatie is zodoende geen sprake. Tussen het plangebied en het Wijchens ven liggen meerdere bosschages en agrarische bedrijven, waar de soort kan overwinteren. Echter is de rugstreeppad een mobiele soort en kan door dispersie grote afstanden afleggen, ook door volwassen exemplaren. Vooral juveniele rugstreeppadden kunnen maximaal circa vijf kilometer afleggen op zoek naar nieuw leefgebied, maar doorgaans is deze afstand geringer (zo’n 1.5 kilometer) (BIJ12, 2017). Tussen het plangebied van fase 3 en de bekende voortplantingslocaties liggen meerdere gebieden die ook geschikt zijn voor de rugstreeppad, en die niet gekoloniseerd zijn door deze soort. Het gaat om meerdere watergangen, poelen, en boerenbedrijven die geschikt zijn als landgebied.

De soort is daar afwezig, hetgeen onderbouwd dat er geen sprake is van een trekkende beweging van rugstreeppadden richting het plangebied. De tussengelegen bossen betreffen bovendien geen kenmerkende dynamische milieus, en de beschaduwde bodem maakt deze locaties ook minder geschikt voor voortplanting. Ook ligt er een druk bereden N-weg tussen het plangebied en de voortplantingslocaties, die voor rugstreeppadden als een barrière fungeert. Ten slotte zijn er ook geen rugstreeppadden bekend die tijdens de bouw van de eerdere fases gebieden nabij het plangebied hebben gekoloniseerd. Gelet op bovenstaande is uitgesloten dat rugstreeppadden het plangebied koloniseren tijdens de werkzaamheden.

25/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Heikikker In de omgeving van het plangebied is het voorkomen van heikikker bekend uit het Wijchens ven. Heikikker prefereert heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. De soort kan ook voorkomen in bos en struweel. Heikikker wordt niet aangetroffen in intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing (RAVON, 2020). Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief agrarisch landschap en andere hierboven genoemde, geschikte habitats zijn niet aanwezig. Het voorkomen van heikikker in het plangebied is dan ook uitgesloten. Kamsalamander In de omgeving van het plangebied is het voorkomen bekend van kamsalamander. Kamsalamander komt voor in landschap das bosrijk is, houtwallen en/of struweel bevat en de directe omgeving van het voortplantingswater wordt gekenmerkt door kleinschaligheid (RAVON, 2020). De soort komt zelden in akkerbouwgebieden voor. In het plangebied ontbreekt het aan kleinschaligheid, er zijn geen houtwallen of struweel aanwezig en het bestaat voornamelijk uit intensief akkerland. Door het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van kamsalamander in het plangebied uitgesloten. Poelkikker Poelkikker is op meer dan één kilometer afstand aangetroffen nabij het plangebied. Poelkikker prefereert onbeschaduwde wateren waarbij de oever rijkelijk begroeid zijn met vegetatie. Het water dient voedselarm en schoon te zijn.

De sloten in het plangebied zijn voedselrijk door het intensief gebruik van het omliggende agrarisch landschap. Dit wordt bevestigd door aanwezigheid van stomphoekig sterrenkroos in de sloten, die een voedselrijk milieu prefereert. Het voorkomen van poelkikker in het plangebied is dan ook uitgesloten. Knoflookpad Knoflookpad komt op enkele kilometers afstand voor nabij het plangebied in de Hatertse Vennen. Deze soort komt voor in agrarisch gebied, ruderaal terrein (zoals volkstuinen), rivierduinen en halfnatuurlijke graslanden. Ook kan de soort worden aangetroffen op en rond infrastructuur, in heideterreinen, bos en struweel. De knoflookpad vereist open zandplekken die omringd zijn door vegetatie. Het zand moet daarbij vergraafbaar zijn zodat de soort zich overdag in kan graven. In het plangebied ontbreekt het aan dit soort zanderige locaties. Het voorkomen van knoflookpad is daarmee uitgesloten.

26/34

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Kenmerk

3.5.7

Vissen

De in de omgeving voorkomende grote modderkruiper leeft in de modderlaag van ondiepe wateren met een uitbundige waterplantengroei. De soort heeft een voorkeur voor verlandende wateren in laag dynamische overstromingsvlakten en moerasgebieden. De sloten in het plangebied bevatten een modderlaag, een flinke hoeveelheid aan waterplanten (figuur 3.1) en op het moment van het veldbezoek was de waterstand laag. Enkele delen van de sloten waren drooggevallen. Grote modderkruiper is op grote afstand van het plangebied waargenomen (Hatertse Vennen, circa 2,8 kilometer tot plangebied). In het plangebied zijn geen verlandende oevers aanwezig en is vanwege het agrarisch karakter ook geen sprake van een dynamische overstromingsvlakte of moeras. Ten behoeve van fase 2 is naast het plangebied van fase 3 onderzocht of grote modderkruiper voorkomt, in watergangen die vergelijkbaar zijn met die van fase 3. De soort is daarbij ook niet aangetroffen. Gelet op het ontbreken van optimaal habitat in een ongeschikt landschapstype, de afstand tot bekend verspreidingsgebied en de onderzoeksresultaten uit het verleden is het voorkomen van grote modderkruiper in het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op grote modderkruiper in het plangebied zijn daarom uitgesloten. In de omgeving voorkomende kwabaal leeft in rivieren, beken, meren en estuaria.

Deze elementen zijn niet aanwezig in het plangebied, waardoor het voorkomen van kwabaal uitgesloten is.

Figuur 3.1 Weelderige groei van onderwaterplanten in een van de heldere sloten in het plangebied

27/34

Kenmerk

3.5.8

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Libellen, vlinders en overige ongewervelden

Teunisbloempijlstaart Teunisbloempijlstaart is een vanuit het zuiden oprukkende soort en wordt in Nederland steeds vaker waargenomen. In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen gedaan van teunisbloempijlstaart. Er zijn waarneming van deze soort gedaan bij Balgoij (2019) en rond Nijmegen (2020). De nachtvlinder kan zich voortplanten op teunisbloem, kattenstaart, basterdwederik en wilgenroosje (De Vlinderstichting, 2020). Op het braakliggende terrein ten zuidwesten van Huurlingsedam 33 zijn meerdere uitgebloeide teunisbloemen aangetroffen. Het is niet uitgesloten dat teunisbloempijlstaart zich voortplant en aanwezig is op het braakliggende terrein. Bij aanwezigheid van teunisbloempijlstaart is de beoogde ontwikkeling in strijd met de Wet natuurbescherming. Soortgericht onderzoek dient uit te wijzen of teunisbloempijlstaart aanwezig is in het plangebied. Dit kan gedaan worden door informatie hierover op te vragen bij een lokale natuurvereniging en door in 2021 soortgericht onderzoek naar deze soort uit te voeren. Grote vos Uit de omgeving van het plangebied zijn verspreidingsgegevens bekend van grote vos. Grote vos is een dagvlindersoort die zich voortplant op iep, zoete kers en sommige wilgensoorten. Afzet van eieren vind plaats op hoge bomen (De Vlinderstichting, 2020).

In het plangebied zijn geen bomen aanwezig, waardoor een negatief effect op grote vos uitgesloten is. Een effect op potentiële voortplantingsplaatsen rondom het plangebied is uitgesloten, gezien de beoogde ontwikkeling niet tot deze potentiële voortplantingsplaatsen reikt en/of er geen waardplanten voor grote vos aanwezig zijn. Rivierrombout Uit de omgeving bekende rivierrombout leeft in rivieren en/of grote beken, voornamelijk op plaatsen waar zand of slib is afgezet (De Vlinderstichting, 2020). In het plangebied zijn geen rivieren of grote beken aanwezig. Enkele sloten bevinden zich in het plangebied en deze hebben geen zand- of slibafzettingen. Het voorkomen van rivierrombout en eventuele negatieve effecten zijn dan ook uitgesloten. Beekrombout Beekrombout is aan te treffen in stomende, genormaliseerde en natuurlijke beken, maar ook in kleinere riviertjes. In deze wateren dienen stroomluwe delen aanwezig te zijn (De Vlinderstichting, 2020). Op de oever dient een weelderige vegetatie aanwezig te zijn. Daarnaast vereist de beekrombout een nitraat- en fosfaatarm milieu. De waterkwaliteit is voor de beekrombout belangrijker dan de structuur van de oevervegetatie en de diversiteit van de omgeving.

28/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

De sloten in het plangebied liggen in agrarisch gebied, waardoor de omgeving zeer voedselrijk is. In het water van de sloten is stomphoekig sterrenkroos aanwezig, die in voedselrijke wateren groeit. De sloten zijn dan ook ongeschikt voor beekrombout. Negatieve effecten op beekrombout zijn uitgesloten. Gevlekte witsnuitlibel Uit de omgeving bekende gevlekte witsnuitlibel komt voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen (De Vlinderstichting, 2020). Deze elementen zijn niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen en een negatief effect op gevlekte witsnuitlibel is uitgesloten. 3.5.9 Zorgplicht Ten aanzien van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen van toepassing. • De werkzaamheden vanuit één richting uitvoeren, zodat aanwezige fauna het gebied tijdig kan ontvluchten

29/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

4 Conclusies en aanbevelingen 4.1

Aanleiding en doel

In opdracht van VOF Huurlingsedam heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming voor de ontwikkeling van de 3e fase van de woonwijk met de naam ‘Huurlingsedam’ in het oosten van Wijchen. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wet natuurbescherming, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend.

4.2

Relevante onderdelen Wet natuurbescherming

Het onderdeel soortbescherming is van belang gelet op het potentieel voorkomen van beschermde soorten. Toetsing aan beschermde gebieden (zoals Natura 2000 en het NNN) en houtopstanden is niet benodigd. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wordt niet verwacht. Zekerheid hierover kan echter alleen verkregen worden middels een AERIUS-berekening. Het bevoegd gezag kan een stikstofberekening eisen op wettelijke basis.

4.3

Conclusies toetsing soortbescherming

De beoogde ontwikkeling is (mogelijk) in strijd met de Wet natuurbescherming op de volgende onderwerpen: • Zoogdieren: Verstoring van bevers ten zuiden van ‘het Kasteel’

•

Aantasting leefgebied van das Verstorende werking van verlichting op vleermuizen Vogels met jaarrond beschermd nest: -

• • •

Aantasting functionele leefomgeving van meerdere steenuilen Aantasting functionele leefomgeving kerkuil Verstoring van een potentieel aanwezig jaarrond beschermd nest aan de Huurlingsedam

33 (soort nog onbekend) Verstoring en/of aantasting van algemene broedvogels Amfibieën: Het doden en aantasten van leefgebied Alpenwatersalamanders Vlinders: Het doden en aantasten leefgebied teunisbloempijlstaart

Ten slotte dient met niet beschermde soorten altijd rekening gehouden te worden in het kader van de Zorgplicht.

30/34

Kenmerk

4.4

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

Vervolgstappen

4.4.1 Nader onderzoek beschermde soorten Zoals uit vorige paragraaf blijkt, heeft het voornemen in potentie een negatief effect op meerdere beschermde soorten. Alleen wanneer deze soorten daadwerkelijk voorkomen in het plangebied, en negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden middels (mitigerende) maatregelen, is voor het voornemen en ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Om die (mitigerende) maatregelen, en/of de noodzaak van een ontheffing inzichtelijk te maken, moet duidelijk worden of deze soorten in of nabij het plangebied van fase 3 voorkomen. Alvorens wordt over gegaan op soortgericht onderzoek naar deze soorten (de reguliere handelswijze in deze situaties), dient eerst een volledig beeld gemaakt te worden van alle beschikbare informatie naar het voorkomen van deze soorten. Dit vervolgonderzoek moet bestaan uit het verzamelen van informatie over het voorkomen van de hierboven genoemde soorten bij lokale natuurverenigingen, informatie bij de ontwikkelaars van fase 1 en 2 over die soorten, en de stukken waarmee de afgeven ontheffing voor de das voor fase 2 is aangevraagd (waar fase 3 ook in vermeld is, maar die niet is genoemd in de afgegeven ontheffing). Aangaande deze uilen wordt geadviseerd om alle reeds ingewonnen informatie over hun verblijfplaatsen te verzamelen en het voornemen daaraan te toetsen.

Daarbij moet het meest actuele beeld gevormd worden, dus na de realisatie van Huurlingsedam fase 2. Onderdeel van de toetsing die daarop volgt, moet zijn in hoeverre het beoogde compensatiegebied voor de das tevens kan fungeren als compensatie voor het foerageergebied van de uilen dat verloren gaat, of dat aanvullend compensatiegebied voor de uilen nodig is. 4.4.2 Soortgericht onderzoek beschermde soorten Indien onvoldoende (relevante en/of recente) gegevens beschikbaar is, is soortgericht onderzoek (vanaf begin maart 2021) nodig naar de volgende soorten: bever, das, steenuil, kerkuil, Alpenwatersalamander en teunisbloempijlstaart. Soortgericht onderzoek dient uit te wijzen of het nest aan de Huurlingsedam 33 in gebruik is door boomvalk, ransuil, een andere vogelsoort, of niet in gebruik is. Dit nest is immers nog niet eerder onderzocht. 4.4.3 Mitigerend maatregelen De volgende mitigerende maatregelen zijn per definiete noodzakelijk, onafhankelijk van de uitkomsten van bovenstaande vervolg stappen (onder andere vanwege de algemene Zorgplicht): • •

Het voorkomen van uitstraling van verlichting tot buiten het plangebied in de periode van 1 april tot 1 december tussen zonsondergang en zonsopkomst Start van de werkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen van vogels (maart tot en met augustus), om de kans op een broedgeval en daarmee het stilleggen van werkzaamheden te verkleinen

31/34

Kenmerk

R001-1278926VSX-V02-mfv-NL

•

Periodieke broedvogelcontroles indien nieuwe gedeeltes van het plangebied bouwrijp worden

•

gemaakt in of rond de reguliere broedperiode De werkzaamheden vanuit één richting uitvoeren, zodat aanwezige fauna het gebied tijdig kan ontvluchten

4.4.4 Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering? Afhankelijk van de uitkomst van de diverse onderzoeken kan een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk blijken. Een onderdeel van een ontheffing kan zijn dat een compensatie- en/of mitigatieplan wordt vereist. Het onderzoek naar das en de uilen moet aantonen of een het eerder opstelde compensatieplannen voor de uilen en die van de das door van Das&Boom moet worden geactualiseerd en/of uitgebreid voor fase 3. In tabel 4.1 is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de soortenbescherming. Tabel 4.1 Conclusies toetsing soortenbescherming Aanwezige soort(groep)en

Effect

Vervolgstappen

Flora en vissen

Geen overtreding artikel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=16cc070e-4328-411c-8617-a72f85b4ae9e