B05 - Ruimtelijke onderbouwing Groenestraat
Tekst van het document
5
4.7.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico in het algemeen
Zowel volgens de oude regeling (1984) als volgens de nieuwe regeling (naar verwachting in 2006 operationeel) worden twee criteria beoordeeld om een antwoord te geven op een vraag in deze n.l. wat is het plaatsgebonden risico en wat is het groepsrisico? Bij het plaatsgebonden risico wordt gekeken naar de afstand die gehouden moet worden tussen enerzijds de bron en anderzijds de voorgenomen bebouwing. Waar ligt de grens waarachter het risico minder is dan de zgn. 10 -6 (een kans kleiner dat 1 : 1.000.000). Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een maat (afstand t.o.v. de bron). Het plaatsgebonden risico wordt berekend met behulp van een geavanceerd computerprogramma, thans alleen nog in gebruik bij het RIVM en de Gasunie. Het groepsrisico (GR) is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers voorkomt. Bij het groepsrisico kunnen de risicocontouren niet exact ingevuld worden. Het is niet ruimtelijk weer te geven. Het groepsrisico is een kansberekening welke wordt uitgedrukt in een grafiek waarbij de verticale as aangeeft de jaarlijkse kans dat zich een ongeval voordoet met gevaarlijke stoffen en de horizontale as het aantal potentiële slachtoffers in de omgeving van de activiteit. Dit maakt het groepsrisico tot een moeilijker te bevatten begrip.
Inzicht in de werking van het groepsrisico is echter onmisbaar voor een juiste invulling van de verantwoordingsplicht. Beide factoren worden berekend op basis van het rekenprogramma dat bij de regeling hoort. Samen leveren deze factoren dus de kans per jaar op dat groepen personen met een bepaalde omvang slachtoffer worden van een ongeval. 4.8.
Beoordeling van het plaatsgebonden risico
Op basis van het nieuwe rekenmodel (dat naar verwachting in 2006 in een nieuw besluit zal worden verankerd) heeft de Gasunie bepaald dat de veiligheidsafstand, ofwel de 10-6-contour (kans op ongelukken minder dan 1 : 1.000.000) én de noodzakelijke vastrechtstrook in de onderhavige situatie 5 meter bedraagt. Bij de opzet van de ruimtelijke ontwikkeling is daarmee ook rekening gehouden. Omdat er sprake is van twee leidingen met een onderlinge afstand van zes meter dient een zone van ca. 16 meter vrij te blijven van woonbebouwing. Het plan voldoet aan deze criteria en laat een zone van 18 tot 20 meter open met uitzondering van een in overleg met de Gasunie te plaatsen scherm langs de A326. Dit betreft dan de koppeling van twee woonblokken op een onderlinge afstand van ca. 20 meter door een negen meter hoog scherm dat zowel vanuit een oogpunt van geluid als vanuit de luchtkwaliteit het achtergelegen gebied beschermt tegen invloeden van de A326. Dit scherm wordt in overleg met de Gasunie beschouwd als terreinaankleding en kan
6
zonder bezwaar over het tracé heen gebouwd worden, mits bij de aanleg de voor waarden van de Gasunie strikt nageleefd worden. Op zich is de conclusie dat op 5m afstand woningen gebouwd kunnen worden ook best opvallend, want doorgaans worden met het nieuwe berekeningsprogramma grotere veiligheidsafstanden berekend dan met het oude model uit 1984. In deze situatie wordt echter juist een geringere afstand berekend, als gevolg van het feit dat de gasleiding een leidingdikte heeft van 16 mm terwijl het tracé ook dieper ligt dan normaal (gemiddeld op 1,75 meter diepte). Die twee veiligheidsaspecten geven voldoende ruimte om naar een geringere bebouwingsafstand te gaan. 4.9.
Verantwoordingsplicht Groepsrisico in het algemeen
Los van de conclusie is het duidelijk dat door de ligging nabij een gasbuis het groepsrisico toeneemt. Er komen nu eenmaal meer mensen in de directe omgeving wonen. In een dergelijke situatie is het bevoegd gezag (i.c. het college van B en W) verplicht om een verantwoording af te leggen over zaken als de omvang en de toename van het groepsrisico, de mogelijkheid van risicoreductie, de mogelijkheid van zelfredzaamheid van de bewoners en de bestrijdbaarheid. Bij de beoordeling van risico’s is onder andere de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, aanvaardbaar is. Het gaat daarbij uiteindelijk om een politieke afweging van de risico’s van de activiteit tegen de maatschappelijke baten. Hierin ligt een belangrijk verschil met de grenswaarde van het plaatsgebonden risico dat – naast zijn ordeningsfunctie bij de ruimtelijke inrichting – een uniform beschermingsniveau voor burgers persoonlijk garandeert, los van de maatschappelijke baten van een risicovolle activiteit. In de Wet milieubeheer is nadrukkelijk vastgelegd dat eenieder die eventueel milieubelasting veroorzaakt of kan veroorzaken door een activiteit, deze gevolgen tot een minimum moet beperken. Het is aan het bevoegd gezag om ‘maat’ te geven aan een passend beschermingsniveau, afgestemd op de locale situatie.
Voor de omgang met het groepsrisico wordt dit gemotiveerd door middel van de verantwoordingsplicht.
5. VERANTWOORDINGSPLICHT MET BETREKKING TOT HET PLAN GROENESTRAAT 5.1.
Bevoegd gezag en toetsing
Externe veiligheid wordt beoordeeld als onderdeel van de te volgen R.O. procedure. Is er bijv. sprake van een bestemmingsplanwijziging dan is de Gemeenteraad bevoegd om terzake te beslissen; is daarentegen sprake van een art. 19, lid 2 WRO procedure dan beslist het college van Burgemeester en Wethouders.
7
Op grond van de circulaire van Gedeputeerde Staten van Gelderland van 15 november 2005 inzake art. 19, lid 2 WRO, is het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd terzake het verlenen van vrijstelling / bouwvergunning indien er geen strijd is met relevante wetgeving ondermeer op het gebied van de externe veiligheid. Daarnaast is voor externe veiligheid formeel de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen van augustus 2004 en de circulaire van het Ministerie VROM 'Zonering langs hogedruk aardgas-transportleidingen' van 26 november 1984 van toepassing. Naar verwachting (in 2006; eerder verwachtte men al in 2005) wordt deze regeling vervangen door een nieuwe circulaire. Die regeling is in concept reeds gereed maar wordt niet vastgesteld als gevolg van een discussie tussen de Gasunie (ministerie Financiën), het RIVM (Ministerie VROM) en de VNG (Binnenlandse Zaken). Die discussie leidt ertoe dat het RIVM verwijst naar de oude regeling van 1984 (zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen. Alhoewel derhalve feitelijk volgens de nieuwe normen is getoetst dient formeel nog de oude regeling te worden toegepast. Ook voor het tot dusver gehanteerde, en aan de circulaire van 1984 gerelateerde berekeningsprogramma IPORBM, is in concept een nieuw programma ontwikkeld.
Dit programma is echter nog niet algemeen vrijgegeven en is alleen beschikbaar bij het RIVM en de Gasunie. De overeenstemming met de Gasunie leidt ertoe dat ook op grond van de regeling 1984 de in de rapportage opgenomen bevindingen en conclusies kunnen worden toegepast. Immers ingevolge artikel 5, lid 4, sub 3 van die regeling kan van de (oude) afstandstabellen worden afgeweken als er sprake is van overeenstemming tussen belanghebbenden. Dat zijn dan volgens die regeling: de grondeigenaar (Belin), de Gasunie en de gemeente. Bij overeenstemming kan een afwijkende maat worden vastgesteld. Voor een nadere onderbouwing: zie hoofdstuk 7 van het rapport van Oranjewoud. Deze redenatie wordt nog eens door Ingenieursbureau Cauberg Huijgen, in de notitie van 8 december 2005 (FVA/2004.3116-2/BCA) met jurisprudentie onderbouwd. Ook deze notitie is als bijlage bij deze rapportage toegevoegd. Het rapport van Bureau Oranjewoud is mede daarom voorgelegd aan de leidingbeheerder, de Gasunie. Deze heeft bij brief d.d. 9 januari 2006, kenmerk TOGO 06.B.0161 aangegeven met de conclusies in te kunnen stemmen. De brief van de Gasunie is aan deze rapportage gehecht. Over de inhoud van de rapportage en de daarin opgenomen conclusies ten aanzien van plaatsgebonden risico en groepsrisico is dus overeenstemming met de leidingbeheerder. 5.2.
Nut en noodzaak voorgenomen ontwikkeling
In de bestaande situatie zijn in de directe omgeving van deze leidingen geen woningen of andere gevoelige bestemmingen aanwezig. De gemeente Wijchen heeft zich als doel gesteld betaalbare woningbouw te realiseren. Ook vanuit het KAN (Knooppunt Arnhem Nijmegen) en de
8
Provincie Gelderland worden maatregelen genomen om deze woningbouw mogelijk te maken. Het plan voorziet in de bouw van 210 starterswoningen in een zeer lage prijsklasse vanaf 109.900,--) waardoor koopwoningen voor groepen mensen bereikbaar worden die voorheen niet in staat waren om een eigen woning aan te schaffen. Bovendien is sprake van doelgroepen (starters, alleenstaanden) waaraan over het algemeen weinig specifiek geschikte woningen worden aangeboden. Het is een noodzaak en het strekt tot algemeen nut om deze ontwikkeling voort te zetten. Er is hier sprake van een ruimtelijke ontwikkeling in de nabijheid van een tweetal gasbuisleidingen. Door de maatregelen in het plan (ophogen terrein) wordt de veiligheid van de leidingen vergroot. De situatietekening is in bijlage 1 van de rapportage van Oranjewoud opgenomen. 5.3.
Beoordeling van het groepsrisico
Op verzoek heeft de Gasunie eveneens het groepsrisico onderzocht. Daarbij zijn opnieuw berekeningen uitgevoerd door de Gasunie. Deze berekeningen zijn verwerkt in de aangehechte rapportage van Oranjewoud project 2172152308, revisie 06 van januari 2006. Daarbij is uitgegaan van het planconcept en de daarbij berekende aantallen inwoners. Oranjewoud komt (vergelijk hoofdstuk 6) tot de conclusie dat het groepsrisico als gevolg van het plan Groenestraat toeneemt tot ongeveer de oriëntatiewaarde. Dat vervolgens deze oriëntatiewaarde incidenteel in onbelangrijke mate wordt overschreden (vergelijk hoofdstuk 5, pag 11) zegt op zich niet veel. Er wordt immers geen harde, exacte maat berekend. Het is niet zoals bijv. bij geluid of bij luchtkwaliteit waar precieze, met apparatuur meetbare grenzen te bepalen zijn. De oriëntatiewaarde en de berekening in hoeverre men daaronder of nabij zit vormen een indicatie van het risico. Net eronder, of erop of er net overheen is in wezen hetzelfde want het is een kansberekening en deze kan nimmer exact zijn. Alhoewel die indicatie natuurlijk wel belangrijk is, behoeft men zich daar niet op te fixeren.
Het is veel belangrijker om goed te discussiëren over de veiligheid van de gasbuisleidingen, de wijze waarop met name beschadiging (ook over 100 of 200 jaar!) kan worden voorkomen, de interactie met de omgeving en de capaciteiten van de hulpverlening of de mogelijkheid tot zelfredzaamheid. Dit zijn nu juist de aspecten waar de verantwoordingsplicht zich op richt. In haar rapportage (hoofdstuk 8) draagt Bureau Oranjewoud argumenten aan voor het bevoegd gezag om invulling te geven aan de verantwoordingsplicht. Daarnaast constateert men dat het risico afneemt ten opzichte van hetgeen in de rapportage is berekend. Er worden immers ter plaatse van de gasleidingen tijdens de bouw nadere aanvullende maatregelen genomen die
9
het veiligheidsaspect versterken. Deze maatregelen en het effect daarvan kunnen bij de berekeningen niet worden meegenomen. Op grond van het BEVI (Besluit Externe veiligheid Inrichtingen) is de regionale brandweer de aangewezen instantie om nader te adviseren over het groepsrisico, de rampenbestrijding en de zelfredzaamheid van de burgers. De regionale brandweer heeft advies (brief van 18 november 2005, nr. RBGZ/05/2207/HH, zie bijlage) uitgebracht over deze aspecten. De regionale brandweer gaat uit van een ongeval met de grootste effecten waarvan het nog geloofwaardig is dat het zich voor zou kunnen doen. Voor gasbuisleidingen is dit een fakkelbrand ten gevolge van een beschadiging van de gasbuisleiding door een externe factor, ofschoon aangegeven wordt dat de kans daarop zeer klein is. De effectafstand van een dergelijk ongeval is berekend op 336 meter vanaf de fakkelbrand. Deze afstand beslaat het gehele plangebied. Voor een nadere beschrijving wordt verwezen naar het bijgevoegde advies van de regionale brandweer. Het advies naar aanleiding van dit maatscenario van de regionale brandweer luidt als volgt: •
Alhoewel de kans op een incident met een hogedruk aardgastransportleiding zeer klein is (ca. 1:1.000.000), kunnen de effecten zeer groot zijn. Een fakkelbrand ten gevolge van beschadiging van de leiding door een externe oorzaak zal voor het plangebied Groenestraat resulteren in een hulpvraag die de mogelijkheden van de rampenbestrijdingsorganisatie overschrijdt;
•
Voor het grootste deel van plangebied Groenestraat zullen toekomstige bewoners geen mogelijkheden hebben om zichzelf in veiligheid te brengen. Hiervoor is de ontwikkeltijd te kort en de warmtestraling te groot. Voor de meest oostelijke punt van het plangebied geldt dat personen dekking kunnen zoeken voor de warmtestraling door te schuilen aan de lijzijde van gebouwen.
•
Indien wordt besloten plan Groenestraat te ontwikkelen, kunnen aanvullende maatregelen worden getroffen om het risico te verkleinen. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen maatregelen ter verkleining van de kans van optreden van het maatscenario en maatregelen ter beperking van de effecten van het maatscenario.
Maatregelen ter verkleining van de kans van optreden van het maatscenario: •
Het ondergronds aanbrengen van een waarschuwingslint boven de hogedruk aardgasleiding binnen bebouwd gebied. Indien personen aan het graven zijn bij de hogedruk aardgasleiding zullen zij eerst het waarschuwingslint tegenkomen.
•
Het vergroten van de dekking van de hogedruk aardgasleiding door het ophogen van het totale plangebied of door de hogedruk aardgasleiding dieper te leggen.
10
•
Bovengrondse waarschuwingsborden plaatsen waarmee personen geattendeerd worden op de aanwezigheid van een aardgasleiding.
•
Burgers voorlichten over de aanwezigheid van de hogedruk aardgasleidingen en de risico’s hiervan. Door burgers bewust te maken van de risico’s van hogedruk aardgasleidingen is de kans dat zij graafwerkzaamheden gaan verrichten kleiner.
Maatregel ter beperking van de effecten van het maatscenario: •
Om redding van slachtoffers zo snel mogelijk op te zetten dient de bereikbaarheid van en binnen het plangebied Groenestraat te voldoen aan de brandweerrichtlijnen. Tevens dient er voldoende bluswater beschikbaar te zijn ter bestrijding van secundaire branden. Brandweer Wijchen heeft in een preadvies van 6 oktober 2005 reeds geadviseerd over de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen. Wij adviseren u om ook in een later traject hierover contact op te nemen met brandweer Wijchen.
•
Voldoende bereikbaarheid van de woningen volgens de normen van de Brandweer;
•
Binnen de gegeven planologische omstandigheden voldoende mogelijkheden om weg te vluchten (o.a. door vluchtdeuren aan de achterzijde van de schermwoningen en een brug van voldoende breedte over het water naar de Hernenseweg).
Het grootste risico wordt echter gelopen bij de bouw van de wijk. Daarom zal vooraf aan de bouw, een werkgroep waarin zitting hebben vertegenwoordigers van de Gemeente Wijchen, de Gasunie, de Regionale Brandweer, de Brandweer Wijchen, de ontwikkelaar, de aannemer, het bedrijf dat het grondwerk voor de aanleg van de infrastructuur uitvoert, en andere uitvoerende bedrijven die ten deze belangrijk kunnen zijn, onder goedkeuring van het college van B. en W. een gedetailleerd veiligheidplan worden opgesteld, waarin onderstaande voorwaarden alsmede hetgeen vermeld staat in het rapporten/adviezen van Oranjewoud, de Gasunie, de Regionale Brandweer en de brandweer van de Gemeente Wijchen zijn verwerkt. In ieder geval zullen tijdens de bouw de volgende extra maatregelen worden getroffen: •
Afzetten van het tracégebied tijdens de bouw en plaatsen van waarschuwingsborden.
•
Uitvoering van werkzaamheden binnen het tracégebied uitsluitend in overleg c.q. onder toezicht van de leidingbeheerder.
•
Uitvoering van werkzaamheden met inachtneming van alle voorwaarden van de Gasunie opgenomen in bijlage 2 van het rapport van Oranjewoud ;
•
Reguliere inspectie en toezicht door de Gasunie;
11
Deze werkgroep zal tevens regelen de wijze waarop met de toekomstige bewoners gecommuniceerd wordt en de wijze waarop toekomstige risico’s zoveel mogelijk worden voorkomen. Communicatie over de aanwezigheid van de leidingen en de eventuele risico’s naar de toekomstige bewoners van woningen kan geschieden door opname van het leidingtracé met nadere gegevens in het bestemmingsplan en voorts door een privaatrechtelijk in te bouwen waarschuwing voor eigenaren van woningen (binnen een afstand van 50 m van het leidingtracé) middels een kettingbeding in de akte van eigendom Voorts is van belang dat landelijk een grondroerdersregeling wordt voorbereid. De inschatting daarvan is dat de kans op falen daardoor halveert. In het pre-advies van 6 oktober 2005, ref. 0432-01 en -02 gaat de brandweer van de Gemeente Wijchen zoals gemeld in op aspecten welke ook in het kader van de externe veiligheid een rol kunnen spelen. Bij de definitieve bouwaanvraag zal de brandweer haar uiteindelijke advies verstrekken. De Regionale Brandweer en de Brandweer Wijchen zullen nauw betrokken worden bij de verdere vergroting van de veiligheid met betrekking tot de hogedrukgasleidingen.
6. SLOTCONCLUSIE Naar onze mening kunnen thans de volgende conclusies getrokken worden: •
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een groeiende behoefte aan starterswoningen en woningen voor alleenstaanden; door de maatregelen in het plan (ophogen terrein) wordt de veiligheid van de leidingen vergroot.
•
Er zijn geen andere externe factoren die de veiligheid binnen het gebied van het plan Groenestraat in gevaar kunnen brengen dan de aanwezigheid van twee hoofdtransportleidingen voor aardgas. Beoordeeld moet worden of dit van invloed is op de mogelijkheid om het gebied te bebouwen.
•
De wetgeving op dit terrein is in beweging. Er geldt een oude ministeriele regeling (de circulaire van het Ministerie VROM 'Zonering langs hogedruk aardgas-transportleidingen' van 26 november 1984) en een nieuwe (nog niet gepubliceerde) maar al wel door de beheerder van de gasleidingen, de Gasunie toegepaste nieuwe regeling. Enerzijds is de nieuwe regeling strenger, maar anderzijds ook genuanceerder.
•
Bij brief d.d. 13 januari 2005, nr. TOGO 05.B.0145 heeft de Gasunie medegedeeld (op basis van de in ontwerp zijnde regeling 2006) dat vanuit een oogpunt van het plaatsgebonden risico er geen bezwaar tegen is om woningen te bouwen tot op een afstand van 5 meter ten opzichte van de gasleiding. Deze conclusie kan vooral getrokken worden omdat de aardgasleidingen vrij diep liggen en behoorlijk dikwandig zijn.
12
•
De risicocontouren van de hogedruk gasbuisleidingen dienen te worden opgenomen in het bestemmingsplan.
•
Door Bureau Oranjewoud is voorts in haar rapportage 2172-152308, revisie 06 van januari 2006 (waaraan opnieuw door de Gasunie gemaakte berekeningen ten grondslag liggen) geconcludeerd dat:
•
het plaatsgebonden risico voldoet aan de norm 10-6;
•
dat het groepsrisico als gevolg van het bouwplan toeneemt tot ongeveer de oriëntatiewaarde. De geplande bebouwing blijft daarmee binnen de redelijke risicogrenzen, onder de verplichting aan het bevoegd gezag om invulling te geven aan de verantwoordingsplicht.
•
Daaraan wordt voldaan door vooraf en tijdens de bouw een werkgroep van deskundigen en belanghebbenden goede werkafspraken te laten uitwerken, welke moeten voorkomen dat er tijdens de bouw calamiteiten ontstaan, terwijl er voorts een aantal maatregelen worden genomen (in detail uit te werken door deze werkgroep) waardoor de veiligheidsmaatregelen ook voor de toekomst verankerd worden.
•
De leidingbeheerder, de Gasunie, heeft bij brief d.d. 9 januari 2006, kenmerk TOGO 06.B.0161, aangegeven met de conclusies van het rapport van Bureau Oranjewoud in te kunnen stemmen. Daardoor wordt voldaan aan het criterium van artikel 5, sub 4 punt 3 van de genoemde circulaire 1984 en is er (bij instemming door uw college) overeenstemming tussen belanghebbenden, in casu de grondeigenaar Belin BV, de leidingbeheerde de Gasunie en de Gemeente Wijchen.
•
De Regionale brandweer advies heeft uitgebracht over deze ruimtelijke ontwikkeling. Het door de Regionale brandweer opgestelde advies heeft betrekking op een ongevalsscenario, waarvan de kans dat het voor komt uiterst klein is;
•
De door de Regionale brandweer voorgestelde maatregelen aan de bron en ter beperking van de effecten worden opgevolgd;
•
Nagegaan moet worden in hoeverre opschaling voor rampenbestrijding voor de Regionale Brandweer noodzakelijk is.
•
In technisch-juridische zin bestaan er vanuit een oogpunt van externe veiligheid geen beletselen in de weg om de ontwikkeling van deze woonwijk door te zetten.
•
De Projectgroep externe veiligheid van het plan Groenestraat Wijchen stelt dan ook aan het college voor om in te stemmen met de conclusies van dit advies.
de
13
Wijchen, 13 januari 2006 De Projectgroep externe veiligheid project Groenestraat Wijchen Namens de ontwikkelaar, Namens de Gemeente,
Mark van Thiel
Henk Derks RME
Bijlagen: Rapportage Bureau Oranjewoud d.d. januari 2006, revisie 06 Notitie Cauberg Huijgen d.d. 8 dec. inzake de juridische aspecten externe veiligheid Advies Regionale Brandweer d.d. 18 november 2005 nr. RBGZ/05/2207/HH Pre-adviezen van de Brandweer Wijchen van 6 oktober 2005, referentie 0432-01 en 02 Brief Gasunie houdende instemming met de conclusies van de rapportage van het Bureau Oranjewoud d.d. 9 januari 2006, kenmerk TOGO 06.B.0161
14
Bijlage 2 Eindrapportage projectgroep Luchtkwaliteit
PROJECT GROENESTRAAT WIJCHEN
EINDVERSLAG VAN DE PROJECTGROEP LUCHTKWALITEIT
Laatstelijk gewijzigd: 13 januari 2005
1
1.
INLEIDING
Tezamen met de Gemeente Wijchen is door Belin Projectontwikkeling BV aan de westkant van Wijchen een project ontwikkeld voor de bouw van 210 starterswoningen. Dit project is vooral gericht op en draagt ook in belangrijke mate bij aan de oplossing van de woningbehoefte van een grote groep starters en alleenstaanden, omdat alle woningen een koopsom hebben van tussen de € 115.000,- en € 172.000,- v.o.n., terwijl de gemiddelde prijs op ca. € 150.000,-- ligt. Voor een beschrijving van het project zij verwezen naar de bijgevoegde projectnotitie.
Overzichtsillustratie gebied Groenestraat
Om een definitief standpunt in te nemen of aan de realisering van deze ontwikkeling medewerking kan worden gegeven is door de Gemeente Wijchen de Stuurgroep Groenestraat ingesteld, welke daarover een advies aan het college voorbereidt. Per deelgebied formeert de stuurgroep een projectgroep, welke verslag uitbrengt aan de stuurgroep en/of het college van B en W. Ook voor het onderzoek naar de luchtkwaliteit en de daaromtrent in de ruimtelijke onderbouwing op te nemen paragraaf, is een projectgroep in het leven geroepen, waarin zitting hebben: namens de Gemeente Wijchen: Leo Arets (RO), Henk Derks en Tryfon Roelofs (Milieu) namens de ontwikkelaar: Gabrie van Lin en Gerard Janssen adviseur Francie Vanweert (Cauberg Huijgen) rapporteur/projectbureau: Mark van Thiel Het onderstaande is het eindverslag van de projectgroep, dat dient als verantwoordingsverslag op basis waarvan het bevoegd gezag een beslissing kan nemen en dat kan worden verwerkt in de ruimtelijke onderbouwing.
2
2.
LIGGINGSASPECTEN VAN HET PROJECT
Het plan, groot ongeveer 4,5 ha. is gesitueerd ten noordwesten van Wijchen (ook ten noord westen van de wijk Kraaijenberg) in het gebied tussen de snelweg de A326, de afrit daarvan, de Hernenseweg en de Randweg Noord. Dit gebied ligt (aanvankelijk gedeeltelijk maar sedert juni 2005) geheel binnen het stedelijk gebied van Wijchen volgens het onlangs vastgestelde Streekplan Midden Gelderland en valt (eveneens aanvankelijk gedeeltelijk, maar thans geheel) ook binnen de KAN contouren woningbouw. Door het gebied lopen twee hoofdtransportleidingen voor aardgas.
3.
BEVOEGD GEZAG EN TOETSING
De luchtkwaliteit wordt beoordeeld als onderdeel van de te volgen R.O.procedure. Is er bijv. sprake van een bestemmingsplanwijziging dan is de Gemeenteraad bevoegd om terzake te beslissen; is daarentegen sprake van een art. 19, lid 2 WRO procedure dan beslist het college van Burgemeester en Wethouders. Op grond van de circulaire van Gedeputeerde Staten van Gelderland van 15 november 2005 inzake art. 19, lid 2 WRO, is het college van Burgemeester en Wethouders bevoegd gezag terzake het verlenen van vrijstelling / bouwvergunning indien er geen strijd is met relevante wetgeving ondermeer op het gebied van de luchtkwaliteit
4.
LUCHTKWALITEIT IN HET ALGEMEEN 4.1. Waar gaat het om op bij luchtkwaliteit
De lucht die wij inademen bevat, naast de broodnodige zuurstof, tal van andere stoffen die in meer of mindere mate van invloed kunnen zijn op onze gezondheid. Daarom zijn door de Europese Commissie voor een aantal van deze stoffen, met name NO2, fijn stof (PM10), benzeen, SO2 en CO, normen gesteld. De lucht mag dus niet te hoge concentraties van genoemde stoffen bevatten. Daarbij veroorzaakt ook landelijk, met name de te hoge concentratie fijnstof problemen omdat normen overschreden worden. Voor fijnstof komen die erop neer dat de lucht die wij inademen, per jaar gemiddeld op jaarbasis gesproken niet meer dan 40 µg/m3 fijnstof mag bevatten, terwijl er, gemiddeld op jaarbasis gesproken, niet meer dan 35 dagen sprake mag zijn van een dagconcentratie van meer dan 50 µg/m3. Deze normen gelden voor geheel Europa. In alle andere Europese landen worden de regels echter beschouwd als een streefgetal waaraan beleid gekoppeld moet worden. In Nederland is het Europese beleid ook tot uitgangspunt voor de Ruimtelijke Ordening gemaakt (de zgn. koppeling). Daardoor moet ieder nieuw plan reeds nu aan de
3
normen voldoen. Met name deze koppeling leidt tot problemen omdat bij veel ruimtelijke plannen in Nederland de grenswaarde wordt overschreden. Op grond van het Besluit Luchtkwaliteit 2001 moeten plannen voldoen aan de Europese normen die gelden die gelden voor luchtkwaliteit. Voor de Gemeente Wijchen is het uitgangspunt dat een teveel aan fijnstof (PM 10) slecht is voor de volksgezondheid en dat alle maatregelen ter voorkoming van fijnstof of ter voorkoming dat mensen aan te hoge concentraties worden blootgesteld genomen dienen te worden. Ook Belin Projectontwikkeling BV onderschrijft dat standpunt. 4.2. Invloed schrappen zeezout In het nieuwe Besluit Luchtkwaliteit van juni 2005 is doorgevoerd de wijziging dat de achtergrondconcentratie zeezout niet meer in de berekening betrokken hoeft te worden. In de Meetregeling Luchtkwaliteit 2005 (van 5 augustus 2005) zijn deze correcties geregeld. Voor de Gemeente Wijchen betekende dit een correctie met 4 µg/m3 op de jaargemiddelde achtergrondconcentratie. De Meetregeling Luchtkwaliteit beperkt de correctie op het aantal overschrijdingsdata echter tot maximaal zes dagen (en dat geldt voor heel Nederland). Alhoewel het schrappen van de invloed van zeezout enig soelaas leek te bieden ontstaat de facto niet de gewenste verlaging van normen.
Het heeft een positieve invloed (3 tot 7 µg/m3) op het jaargemiddelde (maar Nederland voldeed, op enkele stedelijke gebieden na, al volledig aan die norm) maar geen of nauwelijks invloed op het aantal dagen. Het schrappen van het meewegen van het zeezout in de achtergrondconcentratie biedt dan ook in het algemeen geen af nauwelijks meer armslag aan in procedure zijnde plannen. 4.3. Invloed van buitenaf Geconcludeerd kan toch ook worden dat de problematiek van het fijnstof niet alleen binnen Nederland opgelost kan worden. Sterker nog: Nederland heeft de laatste 10-20 jaar zoveel maatregelen al genomen dat de luchtverontreiniging met factor 2-3 is afgenomen. Ter verduidelijking het volgende. Fijnstof in Nederland is globaal samengesteld uit 15% bronnen uit Nederland waarvan globaal de helft uit verkeer 30% bronnen uit het buitenland 1/3 industrie, 1/3e verkeer en 1/3e overige bronnen (bijv. uit het Roergebied maar zelfs ook vanuit de industriegebieden rondom Londen) 55% andere bronnen waarvan 15% zeezout en 40% bodemstof, biostof, water en overige stoffen. In Nederland is dus maximaal 15% van het fijnstof beïnvloedbaar, maar zelfs al zou je in Nederland geen of nauwelijks meer uitstoot hebben dan nog zou je moeilijk aan de normen kunnen voldoen.
4
Voor meer informatie kunt u het boekwerk “Fijn stof nader bekeken” van het RIVM raadplegen.
5.
LUCHTKWALITEIT BINNEN HET PLANGEBIED
Door de ligging van het plan langs de A 326 is de verwachting gerechtvaardigd dat de luchtkwaliteit zonder te nemen maatregelen te wensen over laat. Met name de hoge achtergrondwaarden en de invloed van de A326 spelen hierin een rol. Omdat alle ruimtelijke plannen in Nederland getoetst moeten worden aan het Besluit Luchtkwaliteit is ook voor Groenestraat een dergelijke toets uitgevoerd. Deze toetsing heeft betrekking op de invloed van het plan op haar omgeving alsmede de toename van het aantal verkeersbewegingen binnen het plangebied. Alvorens te toetsen is het van belang enige bijzonder aspecten te beschouwen. 5.1. De Wegawoning is een bijzondere woning In het plan Groenestraat gaat het niet om een standaard woningtype maar om een bijzondere woning. Kenmerk van deze woning is dat alle woonfuncties (entree, woonkamer, slaapkamers e.d.) eenzijdig naar een kant gericht zijn, waardoor deze woningen aan de achterzijde uitgevoerd kunnen worden met een geheel dichte of dove gevel. Enerzijds bereikt men daardoor dat woningen rug aan rug tegen elkaar gezet kunnen worden waardoor ondermeer een hoge woning dichtheid en een zeer efficiënt grondgebruik (70 m2 per woning waarop plaats voor 2,5 voertuig) ontstaat. Anderzijds kunnen de woningen ook met de dove gevel gericht worden naar bijv. geluidsbronnen, wegen e.d.
De dichte achtergevels van de woningen dienen dan tevens als efficiënt geluidsscherm, waardoor niet alleen die woningen zelf maar ook de daarachter gelegen woonbebouwing afgeschermd worden tegen daarachter gelegen bronnen (aanvankelijk alleen maar bedoeld voor geluidsbronnen). De woningen worden in groepen van 10 gebouwd en tussen deze blokken komen dan glasschermen tot 9 meter hoogte waardoor een lange aaneengesloten wand ontstaat. Een gegeven dat in het kader van de luchtkwaliteit ook interessant kan zijn. 5.2. Toepassing van een scherm waartegenaan gebouwd wordt Aaneengesloten in blokken en gekoppeld door middel van schermen kan men, zoals de tekeningen ook al aangeven, een dergelijke wand ook beschouwen als een gesloten luchtdicht scherm waartegen aan gebouwd wordt. Als een fijnstof-scherm dus. Voorkomen moet worden dat de stofbron-zijde (de wegkant) als gebruiksgebied benut kan worden terwijl ventilatie van woningen of andere bouwkundige ruimten dient te geschieden vanuit de schone luwtekant. Om esthetische redenen kunnen er in het scherm best ramen zitten doch deze dienen niet geopend te kunnen worden. Men woont dan achter het scherm
5
en de bewoners worden pas het eerst met de buitenlucht geconfronteerd aan de voorgevel (het balkon of de voordeur), terwijl ook de lucht van luchtverversingssystemen van de voorkant van de woning gehaald wordt. De Wegawoning is, doordat deze reeds in verband met het geluid over een dove gevel beschikte, ook direct bruikbaar om een stofscherm te vormen.
5.3. Berekenen met de CAR methode Om te bezien of de plannen voldoen aan de normen mbt de luchtkwaliteit is het plan voorts getoetst op basis van de gebruikelijke CAR rekenmethode. Volgens het bijgevoegde rapport van Cauberg Huijgen d.d. 28 december 2005 nummer 2004.3116-2 wordt geconstateerd dat er bij dit bouwterrein geen sprake van overschrijding van enige norm voor luchtkwaliteit met uitzondering van de overschrijding van het aantal dagen dat de verontreiniging met fijnstof meer is dan 50 µgram/m3. Voor fijnstof geldt als norm maximaal 35 dagen overschrijding. Berekend is een overschrijding van de daggemiddelde concentratie van fijn stof in 2010 van 36 tot 42 dagen bij een achtergrondconcentratie van 33 dagen en in 2015 van 33 tot 39 bij een achtergrondconcentratie van 31 dagen (vergelijk tabel 3.3. pag 12 rapportage CH). Op basis van het CAR-model zou er derhalve sprake zijn van een overschrijding van de normen. Zoals gemeld is de CAR methode een globale methode welke geen rekening houdt met bijv. de schermwerking van gebouwen, schermen, bomen e.d. 5.4.
Andere rekenmethoden In het gesprek dat wij over deze problematiek gevoerd hebben met het KAN Luchtloket (een ad hoc adviesorgaan binnen het Knooppunt Arnhem Nijmegen waarin vertegenwoordigers van de diverse disciplines binnen het ministerie van VROM zitting hebben) is naar voren gekomen dat de algemeen toegepaste CAR rekenmethode in feite te grofmazig is en is opgezet als een signalerings-methode. Een negatieve uitkomst (zoals bij het plan Groenestraat) signaleert alleen maar dat er mogelijk problemen kunnen zijn. Omdat enerzijds ook de middels de CAR methode geconstateerde overschrijding van de norm zeer gering is, anderzijds omdat hier sprake is van eerst een zone dichte eiken hakhout en vervolgens een hoofdzakelijk stenen scherm van 8 tot 12 meter hoog (waartegenaan het bijzondere type eenzijdig gerichte Wegawoning met het scherm als een dichte achtergevel wordt gebouwd (zie hiervoor) is ook te overwegen om met andere rekenmethoden te bezien welke verfijningen in de berekening kunnen worden aangebracht. 5.5. De methode WinMISKAN
6
De aanvullende berekeningen zijn uitgevoerd met het ook officieel erkende, van oorsprong Duitse programma WinMISKAN. In dit programma zijn ingebracht de driedimensionale gegevens van het te realiseren plan om op die manier te bepalen welke invloed die bebouwing (het dichte scherm) heeft op de luchtkwaliteit. In de rapportage van Cauberg Huijgen zijn diverse berekeningen opgenomen waarbij rekening wordt gehouden met het bouwkundige scherm c.q. de als stofdicht en gesloten scherm uitgevoerde dichte achtergevels van de woningen, Daaruit blijkt dat het scherm een zodanige reductie van het fijnstof veroorzaken dat op de meetpunten binnen het plangebied (dus aan de lijzijde van het scherm) in 2010 nagenoeg wordt voldaan aan de norm terwijl in 2015 volledig voldaan wordt aan de norm. Berekend wordt dat aldaar het daggemiddelde concentratie van fijn stof in 2010 meestal 35 dagen en incidenteel 36 of 37 dagen is en in 2015 in zijn geheel beneden de 35 dagen (32 tot 34) (vergelijk tabel 4.4. pag 21 rapportage CH). Helaas kan niet in de berekeningen worden verwerkt het aanwezige scherm van hakhout van 2 tot 5 meter dik en 15-20 meter hoog. Vast staat dat ook dit scherm een reductie veroorzaakt, alleen kan men niet berekenen hoeveel dat dan is. 5.6. Saldering Naast het voldoen aan de regels is ook de mogelijkheid geschapen om te salderen.
Bij saldering gaat het erom dat tegelijk met de uitvoering van het plan waarbij meer fijnstof toegevoegd wordt (bijv. door het autoverkeer binnen de nieuwe wijk) een plan wordt uitgevoerd om fijnstof te verminderen (bijv. het verlagen van de snelheid) zodat de vermeerdering teniet wordt gedaan. Zoiets kan bijv. ook voor een randweg in combinatie met het verkeersluw maken van een centrum. Uit het onderzoek van Cauberg Huijgen blijkt dat de luchtkwaliteit in het betreffende gebied als gevolg van die schermwerking sterk verbeterd, terwijl (net als bij de geluidsproblematiek) de nieuwbouw ook een positieve invloed heeft op de bestaande wijk Kraaijenberg. In de huidige situatie is daar sprake van overschrijding van de normen. Door de nieuwbouw komen de hier staande woningen ook binnen de normen uit. Daarnaast wordt de maximum snelheid van voertuigen op de Hernenseweg van 80 km naar 50 km per uur verlaagd. Ook dit positief effect kan gesaldeerd worden. 5.7. Conclusies ten aanzien van het plangebied In haar rapportage d.d. januari 2005 concludeert Cauberg Huijgen dan ook dat realisatie van het plan, door het enorme afschermende effect van de aaneengesloten bebouwing en ondanks de extra verkeersbewegingen, per saldo tot een verlaging van de concentraties schadelijke stoffen en dus tot een verbetering van de luchtkwaliteit leidt.
7
6.
VOORWAARDEN BIJ PLANREALISERING
De berekeningen tonen aan dat aan de normen voldaan kan worden omdat hier sprake is van een eenzijdig gerichte bebouwing met een dichte dove gevel aan de kant van de A 326. Aan de snelwegkant van het scherm is wel sprake van overschrijding. Om die reden worden een aantal maatregelen voorgesteld om te voorkomen dat toekomstige bewoners aan de “slechte” kant van het scherm kunnen verblijven of van die zijde verontreinigde lucht in de woning krijgen. Het betreft: -
Publiekrechtelijk: door in het bestemmingsplan geen uitbreidingsmogelijkheden aan die zijde op te nemen en daarin ook aan te geven dat aan die zijde de woning uitgevoerd moet worden als een stofdichte gevel zonder te openen ramen en deuren vanuit de verblijfsruimten (behalve de op te nemen vlucht- en onderhoudsdeur welke uit komt in een overige gebruiksruimte als berging of garage).
-
Privaatrechtelijk: door de grondeigendom zodanig te regelen dat de erfgrens direct achter de woning wordt gelegd en alle overige grond eigendom wordt van de gemeente, het waterschap of de Provincie, zodat bewoners ook geen recht op verblijf daar hebben en voorts door bij de grondoverdracht ten gunste van de Gemeente een kettingbeding op te nemen dat regelt dat de dichte bouwkundige voorzieningen ook gehandhaafd dienen blijven.
-
Bouwtechnisch: in de bouw zodanige maatregelen te nemen dat deze gevel ook werkelijk als een dichte gevel wordt uitgevoerd door daarin vanuit de verblijfsruimten uitsluitend niet te openen ramen te maken alsmede slechts een goed sluitende deur per woning uitkomend in een niet verblijfsruimte (de garage of berging), te gebruiken als vluchtdeur of voor het verrichten van onderhoud aan de achterzijde e.d. Ook dienen maatregelen te worden genomen dat alle ruimten vanuit de voorzijde van de woningen geventileerd worden en er derhalve voor de ventilatie niet vervuilde lucht wordt gebruikt.
7.
SLOTCONCLUSIE EN ADVIES
Door Cauberg Huygen is d.d. 28 december 2005, onder nummer 2004.31162 voor het plan Groenestraat een rapportage opgesteld waarin berekend is hoe het is gesteld met de luchtkwaliteit in het plan Groenestraat in 2015 en waarin Cauberg Huijgen het volgende constateert. 1.
Met uitzondering van de grenswaarde voor het aantal overschrijdingen van de daggemiddelde waarden van 50 µg/m3 worden alle grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit gerespecteerd.
2.
Aan de noordzijde van de aaneengesloten bebouwing en nabij de Randweg Noord wordt de zogenaamde daggrenswaarde van 35 dagen per jaar overschreden. Op andere locaties binnen het plangebied - daar waar
8
de mensen normaliter kunnen verblijven – bedraagt het aantal overschrijdingsdagen 35 of minder. 3.
Realisatie van het plan leidt - door het enorme afschermende effect van de aangesloten bebouwing en ondanks de extra verkeersbewegingen per saldo tot een verlaging van de concentraties schadelijk stoffen en dus tot een verbetering van de luchtkwaliteit.
De goede luchtkwaliteit ten zuiden van de aaneengesloten bebouwing en de verbetering van de luchtkwaliteit in Kraaijenberg is van groot maatschappelijk belang. In overeenstemming met het gestelde in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de WRO-procedure. In dit eindverslag zijn tevens een aantal voorzorgsmaatregelen voorgesteld die in het bestemmingsplan cq. de grondtransacties opgenomen kunnen worden. De Projectgroep Luchtkwaliteit van het plan Groenestraat Wijchen kan zich vinden in de conclusie van de genoemde deskundigenrapportage en adviseert Uw College dan ook om: -
in te stemmen met de conclusies van deskundigenrapportage;
-
de voorzorgsmaatregelen zoals genoemd op te nemen in het bestemmingsplan cq. de grondtransacties en voorts het bouwplan Groenestraat in procedure te brengen.
Wijchen, 12 januari 2006 De Projectgroep Luchtkwaliteit Project Groenestraat Wijchen Namens de ontwikkelaar, Namens de Gemeente,
Mark van Thiel
Henk Derks, afd. Milieu
Bijlagen: -
Rapport Luchtkwaliteitsonderzoek van Cauberg Huijgen van januari 2006
9