CConstaterende datwijchen
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissievergadering Wijchen 19 januari 2023, gemeente wijchen32.680 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Aan de oostzijde is de ontwikkeling afgesloten met een markant gebouw dat de Poort van Leur heet. In feite zijn dit twee donjons met daartussen twee bijzondere Wegawoningen. Door en onder dit gebouw bevindt zich de fietsverbinding naar de andere zijde van de snelweg, de kern Leur. De Poort van Leur sluit het geheel ook duidelijk af. Niet alleen qua ontsluiting maar ook qua ruimtelijk beeld sluit de wijk Lambrasse goed aan bij de bestaande woonwijk Kraaijenberg. Dat betekent dat ter plaatse van de Randweg Noord gezocht is naar een parkachtige uitstraling ter weerszijden van de weg zodat het beeld van een weg door de bebouwde kom van Wijchen in plaats van erlangs (zoals in de huidige situatie) voorop staat.

Hoofdstuk 3

10

Vier deelgebieden Het stedenbouwkundige plan voor de woonwijk kent een verdeling in vier deelgebieden: 1. het centrale woongebied met een centrum van goedkope starterswoningen en een scherm van wat duurdere starterswoningen en appartementen; 2. de noordoostelijke uitloper eveneens met schermwoningen en de afsluitende Poort van Leur; 3. het centrale woongebouw met woningen gericht op alleenstaanden; 4. commercieel gebied met horecafuncties (geen onderdeel van de woonwijk, dit deelgebied wordt in de volgende paragraaf beschreven). Algemeen geldt dat er veel water en groen aanwezig moet zijn. Ad 1. het centrale woongebied met een centrum van goedkope starterswoningen en een scherm van wat duurdere starterswoningen en appartementen (Starterswoning BV te Wijchen). In het centrale woongebied zijn conceptmatige starterswoningen gesitueerd in de vorm van Wegawoningen en Donjons. Het Wega-concept kent verschillende types, in dit plan zijn de basis- en de schermwoningen gebruikt. Een rij schermwoningen is gesitueerd parallel aan de A326, waardoor deze meteen als geluidsbarrière en fijnstofscherm dient voor het achterliggende gebied. De schermwoningen bestaan uit blokken van 10 woningen, waarvan drie in vier lagen en de overige zeven in drie lagen. De blokken worden van elkaar gescheiden door een garage met daarop een zes meter hoog transparant geluidsscherm.

Dit lint begint in deelplan 1 en zet zich ritmisch voort in deelplan 2. Aan de westzijde maakt het lint van schermwoningen een noord-zuidgeoriënteerde omhaal. Het lint wordt afgerond met donjons. Hierin zijn acht of negen appartementen van ongeveer 80 tot 120 m2 groot gesitueerd. Tussen de Donjons zijn de schermwoningen in vier lagen uitgevoerd. In totaal zijn er 44 schermwoningen, waarvan 29 in een drie-laagse en 15 in een vier-laagse uitvoering. Het binnengebied is gevuld met vijf groepen Wega-basiswoningen in blokken variërend van 2x8 tot 2x11 woningen. De naar de Groenestraat georiënteerde kopgevels zijn uitgevoerd met een uitkragende glazen uitbouw waardoor enerzijds deze kopwoningen optimaal kunnen profiteren van invallend zonlicht, terwijl anderzijds daardoor de architectuur een aantrekkelijk geheel vormt. Van de 76 basiswoningen zijn er 36 uitgevoerd als standaard drie-laags woningen, 32 als vier-laags woningen en 8 als bijzondere kopgevelwoningen. Ad 2. de oostelijke uitloper eveneens met schermwoningen en een afsluitende donjon. Dit gebied is een voortzetting van het Wega-scherm (deelgebied 1) langs de A326, bestaande uit een zestal blokken van Wega-schermwoningen met het afsluitende complex de Poort van Leur. In het complex bevinden zich 20 appartementen op ondergrondse parkeerkelders en de twee bijzondere tot het appartementencomplex behorende Wegawoningen. Ad 3.

Het centrale woongebouw met woningen gericht op alleenstaanden. Op het punt waar zichtlijnen elkaar kruisen is ruimte voor een aandachttrekkende ontwikkeling geweest. Er is een soort terp ontwikkeld; Molenberg, met daarop bebouwing. In de Molenberg is ruimte voor een parkeergarage. Het gebouw heeft een ellipsvormige uitstraling. Aan de noordkant ligt een groot vijf verdiepingen hoog trappenhuis dat vanwege de doorstroming van lucht aan de onder- en de bovenzijde open is en voor het overige fungeert als een soort geluidsscherm, waarachter zich de woonvertrekken bevinden. Per laag zijn 5 op het zuiden gerichte kleine appartementen voor alleenstaanden aanwezig. De oppervlakten variëren van 60 tot 75 m 2.

Hoofdstuk 3

11

Ad 4. Commercieel gebied (buiten de woonwijk). Ten tijde van de realisatie van de woonwijk maakte dit deelgebied nog geen onderdeel uit van de ontwikkeling. In onderhavig bestemmingsplan wordt de ontwikkeling van dit terrein wel meegenomen. Nadere informatie hierover volgt in de volgende paragraaf in dit hoofdstuk. Water en groen Van de beschikbare circa 4,5 hectare voor de woonwijk is circa 1,7 hectare toebedeeld aan de woningen zodat er 2,7 hectare over is gebleven voor wegen, openbaar parkeren, gemeenschappelijke voorzieningen en vooral groen- en watervoorzieningen. De openbare groenvoorzieningen zijn bedoeld als compensatie van de afwezigheid van eigen achtertuinen. In het gebied is een beschut gebied gecreëerd in een amfitheaterachtige vorm. Tevens is er een gemeenschappelijke tuin gecreëerd. Openbare ruimte De inrichting van het terrein is vooral een inpassing van het programma in het bestaande landschap. Er is gezocht naar duurzame oplossingen voor bijvoorbeeld de al aanwezige bomen in het plangebied. Slechts vier bomen zijn verplaatst. Er is gekozen voor een terrein met lichte hoogteverschillen. Thema van de openbare ruimte zijn de heuvels die een “spoor” door het plan trekken. Op deze manier zijn veel parkeerplaatsen ongemerkt en overdekt in het gebied opgenomen. De heuvels zijn gemiddeld 1 tot 1,5 meter hoog.

Voor de inrichting van het terrein zijn de volgende uitgangspunten aangehouden:  gebruik van een beperkt aantal soorten duurzame materialen en duurzame soorten groen;  de afvoer van water in de openbare ruimte zoveel mogelijk tastbaar maken. Dit betekent afkoppeling van hemelwater vanaf de daken van de woningen en straten. Dit wordt via goten afgevoerd naar de groenzone;  in het plangebied is een grondwatervijver aanwezig;  de wijk heeft straten. Parkeerplaatsen zijn niet als zodanig in de openbare ruimte opgenomen. Wel zijn er logische plekken in het bestrate gebied te vinden die zich lenen voor parkeerplaatsen. 3.1.2 Programmatische aspecten Hieronder wordt het woningbouwprogramma weergegeven zoals opgenomen is in de stedenbouwkundige opzet. Deelplan

Aantal

Soort woning

Centraal woongebouw

25

Appartementen voor alleenstaanden

Wegawoningen

68

Wegabasiswoningen voor starters

8

Uitgebouwde Wegawoningen voor starters

105

Wega schermwoningen voor starters

39

Appartementen voor starters, doorstromers en een- of tweepersoonshuishou-

Donjons

dens

Door dit woningbouwprogramma wordt er een breed aanbod gedaan aan doelgroepen als starters en alleenstaanden. Dit zijn groepen die in een traditionele gezinsmarkt weinig aan bod komen. De woningen worden grotendeels aangeboden in de goedkope sector.

Hoofdstuk 3

12

3.1.3 Verkeerskundige aspecten Ontsluiting Vanaf de Randweg Noord is een aansluiting voor de woonwijk gerealiseerd, vergelijkbaar met de bestaande aansluiting Randweg Noord – Kavelpad. Kenmerkend voor het Wega-concept (schermvariant of rug aan rug), is de begane grondlaag voor entree, berging en garage. Binnen de waaier wordt daarmee uitgegaan van een inrichtingsconcept dat per woning een tweetal parkeerplaatsen op het maaiveld mogelijk maakt. Mede gelet op het feit dat het plangebied voor de auto in feite als één grote cul de sac functioneert en dus verkeersluw is vormgegeven, wordt ervan uit gegaan dat de ruimte tussen de blokken in beginsel als één geheel wordt vormgegeven en de bovengenoemde norm wordt ingepast. Parkeren In totaal zijn 245 woningen met daarbij 505 parkeerplaatsen op eigen terrein of in een bijbehorende parkeergarage en/of –kelder gerealiseerd. Daarnaast worden nog circa 80 parkeerplaatsen in de openbare ruimte geboden. Tevens zijn er 7 losse privé garages met elk 1 parkeerplaats aanwezig.

3.2 Bedrijfsbebouwing Lambrasse Ten behoeve van de ontwikkeling van de bedrijfsbebouwing Lambrasse is in 2007 een stedenbouwkundig kader opgesteld, welke als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan is opgenomen1. In het stedenbouwkundig kader zijn de kaders voor de verdere uitwerking van het plan opgenomen. Dit stedenbouwkundig kader wordt hierna als eerste beschreven. Daarna volgt een beschrijving van een voorbeeld van een bouwplan voor de bedrijfsbebouwing. Stedenbouwkundig kader Vanuit de snelweg gezien ligt het gebied verscholen achter een dichte houtwal. Ondanks de ligging aan de snelweg is het gebied niet als volwaardige snelweglocatie of zichtlocatie te beschouwen. Er wordt voor de locatie niet gezocht naar een beeldbepalend gebouw dat de omgeving overschreeuwt. Het gebouw dient op te gaan in het omliggende landschap. De maximale hoogte van het gebouw sluit aan bij de hoogte van de Donjons in de woonwijk Lambrasse. Deze Donjons bestaan uit 5 lagen. Het gebouw zal de westelijke entree van Wijchen markeren, daarom wordt er gezocht naar een bepaald ‘accent’. Een goed voorbeeld van een ‘markering’ in de omgeving van het plangebied is de watertoren. Het accent hoeft niet per se gezocht te worden in de vorm van het gebouw zelf. Men kan ook denken aan een architectonisch accent, een vlaggenmast of reclamezuil.

Parkeren Voor het gebied wordt gezocht naar een parkeeroplossing waarbij het uitzicht vanuit de appartementen in de Donjons in de woonwijk Lambrasse niet bepaald wordt door ‘blik’. Uit financiële en functionele overwegingen lijkt een parkeeroplossing op maaiveld voor de hand te liggen. Parkeren op maaiveld sluit het beste aan bij de mogelijke functies. Voor het parkeren moet gezocht worden naar een passende afscherming van de auto’s in de inrichting. Men kan denken aan hagen, schanskorven en hoogteverschillen.

1

Stedenbouwkundig kader Bedrijfsbebouwing Lambrasse, BRO, 7 mei 2007 (rapportnummer: 208X00250.039238_1).

Hoofdstuk 3

13

Uitzicht en oriëntatie De houtwal aan de noord- en westzijde van de locatie beperkt het uitzicht in grote mate. Het is niet gewenst deze houtwal ‘onder handen’ te nemen zodanig dat een echte zichtlocatie aan de snelweg ontstaat. Het is de bedoeling het gebied in te bedden in dit groene kader. Dit betekent dat men de snelwegzijde van het gebied kan beschouwen als een achterkant. Het gebouw is op het zuidoosten aan de Hernenseweg georiënteerd gekoppeld aan de ontsluiting van het plangebied en de wijk Lambrasse. Daarnaast dient men het vrije zicht op het appartementengebouw Donjon Zuid vanaf de snelwegafslag en de Hernenseweg in acht te nemen. Functionele voorwaarden Het gebied is geen echte ‘snelweglocatie’ of ‘zichtlocatie’. In die zin kan men niet rekenen op een groot passantenbezoek. De nieuwe functie moet het hebben van haar eigen kwaliteiten. De eis van hoogwaardigheid is niet alleen door de verscholen ligging ingegeven, maar deze eis is ook inherent aan de ligging van het gebied naast de nieuwe woonwijk Lambrasse. Vanuit de optiek van de nieuwe bewoners van deze wijk is ook kwaliteit gewenst. Dit betekent dat de nieuwe functie zowel functioneel als visueel attractief moet zijn. De functie moet ook iets toevoegen aan de huidige markt. Het moet een ‘gat’ in de markt dichten en daarnaast van hoogstaande kwaliteit zijn.

Het gebouw zelf dient een representatief uiterlijk te bezitten. De beeldkwaliteit dient gelijkwaardig te zijn aan de beeldkwaliteit van de woonwijk Lambrasse. Deze kwaliteitseisen bevorderen de duurzaamheid van de locatie. De duurzaamheid van het nieuwe gebouw moet daarnaast gezocht worden in het gebruik. Er is een multifunctioneel gebouw gewenst zodat men in de toekomst niet aangewezen is op één functie. Het gebouw moet voor meerdere (zakelijke) functies gebruikt kunnen worden en moet in de toekomst eenvoudig te verbouwen zijn voor een eventueel ander gebruik. Duurzaamheid speelt ook op andere gebieden een belangrijke rol, onder meer ten aanzien van materialen en energiezuinigheid. Zo is het uitgangspunt dat getracht wordt zo compact mogelijk te bouwen, met duurzaam ruimtegebruik en energiezuinigheid tot gevolg. Uitwerking stedenbouwkundig kader De uitwerking van het stedenbouwkundig kader als hiervoor genoemd vergt een gedegen studie naar de architectonische vormgeving die aan de geformuleerde kwalitatieve randvoorwaarden voldoet. Teneinde duidelijk te maken wat de bedoeling is, is in dit kader een voorbeeld uitgewerkt waarvan door de gemeente en haar esthetische adviseurs is aangegeven dat deze passen binnen de geformuleerde uitgangspunten.

Voorbeeld stedenbouwkundig kader In afbeelding 4 is een voorbeeld weergegeven van een mogelijke uitwerking van het stedenbouwkundig kader. Dit voorbeeld is een uitwerking voor een invulling die lange tijd voor mogelijk werd gehouden maar uiteindelijk wegens marktomstandigheden naar achteren is geschoven. Het architectonische concept van het voorbeeld kan gelezen worden als meteoriet, die geland is op twee glazen paviljoens. In de paviljoens bevindt zich de horeca, in twee formules die elkaar invullen en versterken. In de meteoriet, die ontsloten wordt vanuit de tussenruimte tussen de paviljoens, bevinden zich de sportieve functies. Het totaal van functies geeft het gebouw een autonome aantrekkingskracht en eigen identiteit.

Hoofdstuk 3

14

De locatie is een ideale plek voor de vestiging van horeca in de vorm van een fastfood restaurant. Hierbij wordt het risico gelopen dat het geijkte beeld van kleinschalige, eenvoudige bebouwing met daaromheen een grote hoeveelheid infrastructuur ontstaat. De concentratie van functies die gezocht zijn, heeft ook in dat opzicht een doel. Door het terrein intensief te gebruiken en de bebouwing te concentreren kan een monumentaliteit gecreëerd worden die aansluit bij de schaal van de snelweg en het Donjon. Ook ontstaat dan een vanzelfsprekende aanleiding voor het hoogteaccent dat gevraagd wordt in de randvoorwaarden.

Afbeelding 4: Impressie bouwplan (voorbeeld uitwerking stedenbouwkundig kader)

In onderhavig voorbeeld geeft het gebouw een ontspannen en heldere architectuur, waaraan de functies goed af te lezen zijn. De herkenbaarheid mag hierbij niet leiden onder de flexibiliteit. Kleur- en materiaalgebruik zal aansluiten bij de locatie; enerzijds groeit het gebouw uit het terrein en reageert het op de aanwezige hoogteverschillen, anderzijds verwijst het naar de grotere schaal van de snelweg. In basis omvat het gebouw 4 etages met een technische ruimte er bovenop als accent. Functionele invulling  Door BRO is de regionale marktruimte en kansrijke invullingsopties voor het bedrijfspand onderzocht. Deze analyse is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen2. Uit de analyse kan geconcludeerd worden dat er vooral marktperspectief is voor: Een moderne fastfoodzaak, onderscheidend van het bestaande aanbod in de omgeving. Met name een modern fastfoodrestaurant

2

Ladder onderbouwing horeca en leisure locatie Lambrasse, BRO, kenmerk, 211x08521.091783_2, d.d. 28 september 2022

Hoofdstuk 3

15

 

als McDonald’s, Burger King of Kentucky Fried Chicken wordt kansrijk geacht, bij voorkeur met drive through. Een laagdrempelig, dagrond geopend familierestaurant met een brede menukeuze, dat zich voor een belangrijk deel richt op autoverkeer op de A50. Ook een ondersteunende functie voor een eventueel te vestigen hotel is goed denkbaar. Een middelgroot hotel in het middensegment (60-80 kamers, uitgangspunt 3 sterren-plus), dat zich overwegend richt op de zakelijke markt en ook vergaderzalen biedt. Een fitnesscentrum, qua marktsegment en doelgroepen onderscheidend van het gevestigde aanbod in Wijchen. Voorbeeld: een hoogwaardige fitness met het karakter van een “club”. Ook hier is een combinatie met een hotel denkbaar. Een samenvoeging van de vermelde functies is goed mogelijk en kan de wervingskracht en het verzorgingsgebied voor het geheel zelfs aanmerkelijk vergroten.

Terrein- en parkeerinrichting Het terrein wordt ontsloten op de Hernenseweg. Aan de hand van een verkeersonderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning zal worden bepaald welke ontsluitingsmethodiek op de Hernenseweg het meest passend is bij de te vestigen functie en de te verwachten verkeersgeneratie. De verplichting tot uitvoering van dit verkeersonderzoek is in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen als een voorwaardelijke verplichting. In totaal biedt het terrein plaats aan ongeveer 129 parkeerplaatsen op het maaiveld.

Afbeelding 5: Situering ontsluiting

Hoofdstuk 3

16

Andere voorbeelden In de stedenbouwkundige visie opgesteld door BRO, welke als bijlage bij deze toelichting is toegevoegd, zijn nog andere voorbeelden opgenomen ten aanzien van welke architectuur wordt bedoeld. Uiteindelijk te realiseren plan Bij het uiteindelijk te realiseren plan zal extra aandacht worden besteed aan de architectuur, de verschijningsvorm en de functionaliteit van de bedrijfsbebouwing Lambrasse. Het college van burgemeester en wethouders heeft middels de bestemmingsplanregels mogelijkheden om onder meer de architectuur, de verschijningsvorm en de functionaliteit te toetsen en eventueel aanwijzingen te geven dan wel aanvullende voorwaarden te stellen. Daarnaast is op basis van het stedenbouwkundig kader een beeldkwaliteitsplan opgesteld, welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Het beeldkwaliteitsplan voor de bedrijfsbebouwing en de landmark speelt een belangrijke rol bij de welstandstoetsing. In het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag dient ieder bouwplan namelijk te worden getoetst aan een vastgesteld welstandskader. Hierin wordt benoemd aan welke architectonische eisen de welstandscommissie de bouwplannen dient te toetsen. Dit beeldkwaliteitplan voorziet in dit welstandskader. Tezamen met de kwantitatieve toets uit het bestemmingsplan, doorloopt ieder bouwplan een kwalitatieve toets aan de hand van dit beeldkwaliteitplan.

Hoofdstuk 3

17

4.

BELEIDSKADER

4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente zelf, milieuaspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, archeologie en economische haalbaarheid. Ook onderhavig plan is getoetst voor wat betreft de uitvoerbaarheid ervan op bovengenoemde aspecten. In dit hoofdstuk is aangegeven wat de resultaten zijn van de toets aan het ruimtelijk beleid van de diverse overheden.

4.2 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte3 staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke druk af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:  een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;  over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan.

Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;  een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners. Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. 3

Vastgesteld op 13 maart 2012.

Hoofdstuk 4

18

Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Voor de regio Oost-Nederland (bestaande uit de provincies Overijssel en Gelderland) zijn de volgende opgaven van nationaal belang:  verbeteren van de internationale achterlandverbindingen;  versterking van de primaire waterkeringen;  deelprogramma’s Veiligheid, Zoet water en Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma;  EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden;  hoofdenergienetwerk (380 kV) over de grens. Doorwerking De woonwijk Lambrasse heeft gezorgd voor een aanzienlijke aanvulling op het huidige woningenbestand, waarmee ruimte is geboden om te kunnen voorzien in de natuurlijke bevolkingsaanwas. Daarnaast is er in het concept specifiek aandacht geschonken aan starterswoningen en woningen voor kleine huishoudens. De bedrijfsbebouwing Lambrasse zorgt voor een ontwikkeling en versterking van het stedelijk netwerk; door de realisatie van de voorzieningen wordt de leefbaarheid verbeterd en de verstedelijking neemt toe. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.4 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Conclusie De woonwijk Lambrasse is reeds tot ontwikkeling gebracht. Deze hoeft dan ook niet nader beschouwd te worden.

De ontwikkeling van een bedrijfslocatie in het plangebied betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling, derhalve is het doorlopen van de Ladder noodzakelijk. In de bijlage bij dit bestemmingsplan

4

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 4

19

is de complete Laddertoets bijgevoegd.5 Hieronder volgen enkel de conclusies van de uitgevoerde Laddertoets. Er bestaat in kwantitatief opzicht voldoende regionale behoefte (marktruimte) voor de beoogde functies hotel en restauratieve horeca. Een functie gericht op fitness/wellness zal zich, door de relatief bescheiden kwantitatieve behoefte, nadrukkelijk moeten onderscheiden van het gevestigde aanbod in Wijchen. Zie voor een nadere toelichting het beschreven onderzoek. Vanuit de behoefte van de regionale bevolking zijn kwaliteiten in algemene zin, productvernieuwing, bereikbaarheid en onderscheidend vermogen in wezen belangrijker dan kwantitatieve, cijfermatige aspecten (aantal zaken, capaciteit, etc.). Vanuit kwalitatief perspectief leveren alle onderzochte functies een bijdrage aan een sterkere verzorgingsfunctie voor de regionale bevolking en voorzien ze aldus in de huidige en toekomstige behoefte. Een belangrijke kernkwaliteit van Lambrasse is de uitstekende bereikbaarheid per auto t.o.v. de meeste andere horeca- en leisurebedrijven in de regio. De belangrijkste vrijetijdsbestemming is en blijft de Nijmeegse binnenstad, waar evenwel (anders dan bij Lambrasse) de ‘totaalbeleving’ en de zeer veelzijdige synergie tussen functies (leisure, horeca, retail, cultuur, uitgaan, evenementen, etc.) centraal staan.

Het verzorgingsgebied van deze binnenstad is bovenregionaal, de gemiddelde verblijfsduur lang en bezoekmotieven zijn vooral recreatief van aard. Lambrasse kan zich ontwikkelen tot een complementaire vrijetijdsbestemming in de regio, vanwege het product, de goede bereikbaarheid en de mogelijkheid tot het combineren van activiteiten. De diverse functies ‘maken’ samen het product. De conceptuele meerwaarde en wervingskracht van Lambrasse wordt vooral gevormd door de veelzijdigheid (kritische massa), ruime maatvoering voor functies (in/rond het centrum niet beschikbaar) en de uitstekende bereikbaarheid per auto vanaf de A326. Binnen de gemeente Wijchen is geen alternatieve locatie of leegstaand vastgoed beschikbaar, die in ruimtelijk-fysiek opzicht voldoet aan deze criteria. De Laddertoets toont aan dat er zowel een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte is aan de beschouwde invullingen van de bedrijfsruimte. Binnen bestaand stedelijk gebied in de regio zijn er geen alternatieve locaties of leegstand vastgoed waar in deze behoefte kan worden voorzien.

4.3 Provinciaal beleid Op 9 juli 2014 is de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie is met ingang van 17 oktober 2014 in werking getreden en 6 april 2017 als geconsolideerde versie uitgebracht. De Omgevingsvisie is een structuurplan van de provincie Gelderland. De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze waren: 1. een duurzame economische structuur; 2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

5

Ladderonderbouwing, Wijchen ladderonderbouwing horeca en leisure locatie Lambrasse, rapportnummer: 211X08521.091783_6, d.d. 16 november 2022.

Hoofdstuk 4

20

Bij de nadere invulling van de uitgangspunten wordt ruimte gelaten voor lokale of regionale initiatieven door gemeenten of regionale samenwerkingsverbanden. In het plangebied is een woonwijk gerealiseerd. De nieuwe voorgenomen ontwikkeling in het plangebied betreft de realisatie van nieuwe bedrijfsbebouwing. Het plangebied ligt in Arnhem Nijmegen City Region. Voor de Stadsregio zijn de volgende kwaliteitsambities zijn van belang:  versterking van de stedelijke structuur met aandacht voor de kwaliteiten van de bestaande woningvoorraad en goede en bereikbare voorzieningen;  ontwikkeling van een vitaal en leefbaar ommeland, rekening houdend met demografische ontwikkelingen, waar gebiedskwaliteiten verbonden worden met ruimte en mogelijkheden tot ontwikkeling;  innovatieve en economische structuurversterking met aandacht voor TOP-sectoren en brede basiseconomie, waarbij goed vestigingsklimaat onontbeerlijk is;  verbetering van de bereikbaarheid met aandacht voor verdere verbetering bestaande infrastructuur (inclusief de doortrekking van de A15), de corridorfunctie met logistieke hot-spots en hoogwaardig openbaar vervoer (de zogenaamde S-as van Wijchen naar Zevenaar). De provincie streeft naar het behoud van kansrijke bestaande bedrijven en werkgelegenheid om de concurrentiepositie van Gelderland te versterken.

Een optimaal vestigingsklimaat is het doel, waarbij bedrijven zich kunnen ontwikkelen en kunnen zorgen voor werkgelegenheid. De provincie gaat uit van de kracht van ondernemers en ondernemingen. De provincie zet zich maximaal in om kansrijke bedrijven te faciliteren. De provincie gaat op zoek naar de economische dynamiek en ondersteunt de economische kracht van Gelderse bedrijven. De provincie streeft naar een adequate borging van de kwaliteit van de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik, samen met partners en mensen in de provincie. De provincie voelt zich verantwoordelijk voor een aantrekkelijke, vitale en krachtige provincie. Die verantwoordelijkheid voor onze leefomgeving wil de provincie meer dan voorheen doorleven, aanmoedigen en bewerkstelligen. Daarom streeft de provincie naar een adequate borging van de kwaliteit van de Gelderse ladder voor duurzame verstedelijking. Nieuwe omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 1 maart 2019 is de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 in werking getreden. Deze vervangt Omgevingsvisie Gelderland 2014 - 2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid.

Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Doorwerking De voorgestelde ontwikkeling past binnen het provinciale beleidskader. Binnen het plangebied is een woonwijk gesitueerd, waarmee wordt ingespeeld op de woningbehoefte. Door deze woningen blijft het buitengebied zo veel mogelijk gevrijwaard van verstedelijking. De woonwijk heeft geen karakteristieke elementen of waardevolle open ruimte aangetast. De voorgestane ontwikkeling van de bedrijfsbebouwing zorgt voor een verhoging van de kwaliteit van de leefomgeving door de functies die er gerealiseerd worden en is tevens goed ontsloten. Daarnaast wordt het stedelijk grondgebruik geïntensiveerd terwijl de karakteristieke elementen bewaard blijven. Ook de ontwikkeling van de bedrijfsbebouwing is

Hoofdstuk 4

21

zodoende in lijn met de provinciale omgevingsvisie. In paragraaf 4.2 is het initiatief getoetst aan de Ladder. Omgevingsverordening Gelderland Op 24 september 2014 is de Omgevingsverordening door Provinciale Staten vastgesteld. Deze is met ingang van 17 oktober 2014 in werking getreden en 6 april 2017 als geconsolideerde versie uitgebracht. In de Omgevingsverordening wordt het provinciaal beleid vertaald in een juridisch instrument. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. Naar aanleiding van de nieuwe omgevingsvisie, is Actualisatieplan 9 tot wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Het gaat om de vaststelling van enkele beleidsrijke wijzigingen in de Omgevingsverordening, en om een integrale redactionele opschoning (en dus beleidsneutrale wijziging) van de tekst van de Omgevingsverordening. Die opschoning sluit aan bij het provinciale streven naar toegankelijk taalgebruik en bij de taalvernieuwing die is nagestreefd bij het formuleren van de Omgevingswet.

Doorwerking Ten aanzien van woonlocaties is bepaald, dat de gemeentebesturen een regionale woonagenda op. Gedeputeerde Staten stellen de regionale woonagenda vast, als de agenda in overeenstemming is met de regionale opgave en het meest recente provinciale beleid. Als nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of een noodzakelijke actualisatie van de vigerende regionale woonagenda nog niet heeft plaatsgevonden, beoordelen Gedeputeerde Staten, totdat die regionale woonagenda is vastgesteld of na actualisering opnieuw is vastgesteld een bestemmingsplan dat nieuwe woningen mogelijk maakt aan de volgende criteria:  Er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking.  De ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid.  Er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling. Nu het hier gaat om een bestaande woonwijk, wordt hiermee rekening gehouden in de regionale woonagenda. Een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om voldoende en geschikte ruimte voor de vestiging van nieuwe bedrijven en voor de ontwikkeling van bestaande bedrijven. De provincie wil er, samen met gemeenten voor zorgen, dat het juiste bedrijf zich op de juiste plek kan vestigen. Dit vraagt om kwalitatief goede locaties die aansluiten bij de vraag van bedrijven en de gewenste, ruimtelijk-economische ontwikkeling van de regio.

Die behoefte verschilt per bedrijf en per regio. Voor een goed vestigingsklimaat wordt daarom per regio gewerkt aan een divers aanbod van verschillende type werklocaties. Waar de opgave er om vraagt, worden hierover in regionaal verband afspraken gemaakt in het Regionaal programma werklocaties. Voor de ontwikkeling van de bedrijfsbebouwing kan uit de uitgevoerde Laddertoets (zie paragraaf 4.2) geconcludeerd worden dat er sprake is van een kwantitatieve en kwalitatieve regionale behoefte voor het beoogde programma, bestaande uit een hotel, horeca (met name restaurant, fastfood) en fitnesscentrum. Binnen de gemeente Wijchen zijn geen alternatieve locaties of leegstaand vastgoed voor handen. Er is sprake van goed ruimtegebruik waarbij wordt ingespeeld op een bestaande behoefte. Het initiatief is in lijn met de Omgevingsverordening.

Hoofdstuk 4

22

4.4 Gemeentelijk beleid Gemeentelijk Volkshuisvestingsbeleid Op 15 juli 2004 heeft de Wijchense Raad ingestemd met de KAN-Concessie. Dit betekent dat de gemeente Wijchen zich conformeert aan de afspraken die in deze concessie zijn opgenomen, onder andere wat betreft de woningdifferentiatie. Wijchen zal in een periode van 5 jaar 50% van haar woningbouw in het betaalbaar segment moeten realiseren. Dit kan zowel sociale huur als sociale koop zijn. Op dit moment is nog een aantal plannen in voorbereiding waarin (overwegend) dure woningen worden gerealiseerd. Mede ter compensatie van deze plannen is het project Groenstraat ontwikkeld, dat volledig binnen het betaalbare segment valt. Strategische visie Wijchen 2025 De Strategische visie Wijchen 2025 is in maart 2007 vastgesteld door de gemeenteraad van Wijchen. In de Strategische visie stelt Wijchen zich voor het jaar 2025 de volgende strategische doelstellingen: ‘groei én een kwaliteitsimpuls’ en ‘het ontwikkelen van kernen en land in duurzame samenhang’. ‘Duurzaam’ en ‘kwalitatief’ zijn sleutelwoorden. De term ‘balans’ is essentieel: Stedelijke en landelijke kwaliteiten moeten in Wijchen in onderlinge samenhang worden ontwikkeld. In deze visie is een toekomstrichting voor Wijchen aangegeven. Er is bewust gekozen voor concentratie van de bouwopgave om de kern Wijchen met daarbij Wijchen-west als belangrijkste locatie.

In principe zijn alle voorzieningen die horen bij een gemeente van 40.000 inwoners aanwezig. Er zijn twee gebieden aangewezen voor grootschalige stedelijke ontwikkeling: Huurlingsedam en Wijchen West. De voorgestane ontwikkeling is daarmee in lijn met het gemeentelijke beleid uit de Strategische visie. Structuurvisie Wijchen Op 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden. Deze wet geeft aan dat de gemeenteraad voor zijn gehele grondgebied een of meerdere structuurvisies dient vast te stellen. De gemeente Wijchen heeft voor het eerste gekozen: één structuurvisie voor de hele gemeente. Het is niet de bedoeling dat met de structuurvisie nieuw beleid wordt gemaakt. De gemeente heeft in 2007 al een strategische visie vastgesteld. De structuurvisie is op 29 mei 2009 vastgesteld. Met deze visie heeft de gemeente een ‘instrument in handen waarmee vorm en inhoud wordt gegeven aan de verdere ontwikkeling van Wijchen in de komende jaren’. Deze structuurvisie geeft een overzicht van de verwachte ontwikkelingen binnen de gemeente Wijchen voor de komende tien jaar. De gemeente gaat uit van een compacte groei en het benutten van de potenties van bestaand stedelijk gebied zonder daarbij de bestaande kwaliteit aan te tasten, in combinatie met een vitaal platteland en sterke kleine kernen.

Kansen wonen  een structurele aanpak van het tekort aan huisvesting voor jongeren, starters en ouderen op korte termijn;  het verhogen van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving;  Inzetten op een beperkt aantal uitleglocaties;  geen nieuwe inbreiding als deze ten koste gaat van de groene en open structuur. Inbreiding enkel daar waar sprake is van herstructurering of transformatie van bestaand gebouwd gebied of daarmee samenhangende compensatie;  afstemming van stedelijke ontwikkeling op de “milieutechnische thema’s”, zoals geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid;  kwaliteitsimpuls geven aan bestaande groenstructuur (groenrode ontwikkeling).

Hoofdstuk 4

23

Goede woon- en leefomgeving De gemeente streeft naar een meer vroegtijdige afstemming tussen de ruimtelijke planvorming en knelpunten die samenhangen met de verschillende milieufactoren zoals geluidhinder, luchtkwaliteit, geurhinder en risico’s die samenhangen met de externe veiligheid. Behoud en versterking van een goed woon- en leefomgeving, o.a. door goede afstemming tussen RO en milieu. In de toekomst zal nadrukkelijker een integrale afweging tussen ruimtelijke ordening en milieuaspecten worden gemaakt. Geluidkwaliteit, externe veiligheid, duurzaamheid en dergelijke krijgen nadrukkelijk een plek naast stedenbouwkundige kwaliteit, bereikbaarheid en financiële haalbaarheid. Voor alle wijken zullen wijkontsluitingsplannen worden opgesteld. Daar waar de woon- en leefkwaliteit een impuls behoeft zal op termijn wellicht herstructurering plaatsvinden. Het plangebied is aangeduid als bestaand stedelijk gebied. Door de ontwikkeling van de woonwijk Lambrasse is invulling gegeven aan het beleid uit de structuurvisie ten aanzien van wonen. Daarnaast wordt bij de invulling van het westelijke deel van het plangebied met de bedrijfsbebouwing rekening gehouden met de milieuaspecten, waardoor dit eveneens in lijn is met het beleid uit de structuurvisie.

Hoofdstuk 4

24

5.

RANDVOORWAARDEN

5.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente zelf, milieuaspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, archeologie en economische haalbaarheid. Ook onderhavig plan is getoetst voor wat betreft de uitvoerbaarheid ervan op bovengenoemde aspecten. In dit hoofdstuk is aangegeven wat de resultaten zijn van de toets aan de milieuhygiënische en waardenaspecten. De realisatie van de woonwijk Lambrasse is destijds juridisch-planologisch mogelijk gemaakt door middel van een vrijstellingsprocedure ex artikel 19, lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Om een en ander in een bestemmingsplan te vervatten, is deze woonwijk ook opgenomen in dit bestemmingsplan. Aangezien de woningen destijds middels een procedure mogelijk zijn gemaakt, heeft onderbouwing hiervan destijds plaatsgevonden waardoor dat in dit hoofdstuk over het algemeen niet meer hoeft te gebeuren. Voor de onderbouwing van de woningen wordt verwezen naar het voorontwerpbestemmingsplan ‘Lambrasse, inclusief Poort van Leur’ (kenmerk 211x00830.030403_1) d.d. mei 2006.

Waar relevant wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan de onderbouwing van de woningen, zoals in de paragraaf externe veiligheid.

5.2 Archeologie en cultuurhistorie Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland zijn in het plangebied geen archeologische vindplaatsen aangegeven die bescherming genieten of waarvoor bescherming in voorbereiding is. Nabij het plangebied bevinden zich ook geen terreinen van archeologische waarde. Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is de kans op het aantreffen van archeologische resten aangegeven. Het plangebied heeft op deze kaart een hoge archeologische verwachting, waardoor een archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden ter plaatse van het te bebouwen deel in het plangebied.6 Hieronder worden enkel de conclusies van dit onderzoek weergegeven. De volledige rapportage is als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan opgenomen. Conclusie Het uitgevoerde archeologisch onderzoek bestaat uit een inventariserend veldonderzoek door middel van het uitvoeren van proefsleuven. Binnen het plangebied zijn een vijftal proefsleuven (werkputten) aangelegd, zowel in het westen (werkput 1) als in het oosten (werkputten 2 t/m 5). In de in rivierduinzand aangelegde proefsleuf 2 (WP 2) is een mogelijke vondstlaag aangesneden uit, blijkens een fragment handgevormd aardewerk, de Bronstijd. Nu de bouw van de oostelijke woontoren de (mogelijke)

6

Archeologische Rapporten Oranjewoud 2008/48 ‘Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven en opgraving plangebied Lambrasse te Wijchen’, Oranjewoud, 30 juni 2009 (projectnr. 169963).

Hoofdstuk 5

25

vindplaatsplaats uit de Bronstijd ten noorden van proefsleuf 2 (WP 2) zou verstoren, is besloten een archeologische opgraving uit te voeren. Deze archeologische opgraving heeft naast enkele (vage) paalsporen en kuilen geen duidelijke aanwijzing opgeleverd voor een vindplaats. De in WP 2 aangetroffen (mogelijke) vondstlaag uit de Bronstijd, is tijdens de archeologische opgraving niet aangetroffen. De aangetroffen sporen kunnen samenhangen met de tijdens het proefsleuvenonderzoek aangetoonde vindplaats uit de Karolingische periode/Volle Middeleeuwen. Vanwege het ontbreken van (dateerbaar) vondstmateriaal bij de archeologische opgraving is gelijktijdigheid evenwel niet aan te tonen. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de tijdens het proefsleuvenonderzoek in WP 2 vermoede vondstlaag naar alle waarschijnlijkheid geen vondstlaag blijkt te zijn. Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat uit het archeologisch onderzoek is gebleken dat er wat betreft archeologie geen belemmeringen bestaan voor de in onderhavig bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. Het archeologisch onderzoek is acht jaar geleden uitgevoerd. Gezien het feit dat een proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat er geen belemmering bestaan voor wat betreft archeologie kunnen de conclusies van het onderzoek gehandhaafd blijven.

5.3 Bodemkwaliteit In het kader van de bestemmingsplanprocedure vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Er heeft op 17 augustus 2005 dan ook een verkennend bodemonderzoek7 plaatsgevonden. Dit onderzoek is in maart 2006 aangevuld 8. Door Aeres Milieu een actualiserend bodemonderzoek9 uitgevoerd in mei 2018. Het doel van het onderzoek is middels een steekproef, het in 2005 op locatie uitgevoerde verkennend bodemonderzoek te actualiseren. Hieronder wordt enkel de conclusie van deze onderzoeken weergegeven. De volledige rapportages zijn separate bijlagen bij deze bestemmingsplantoelichting. Conclusie Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met cadmium, kobalt en nikkel. De ondergrond is licht verhoogd met nikkel en Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK 10-VROM). De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de vormgenomen planontwikkeling.

5.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de

7

8

9

Verkennend bodemonderzoek Nieuwbouwproject Lambrasse aan de Groenestraat te Wijchen, Cauberg-Huygen, 15 augustus 2005 (rapportnr. 2004.3116-1). In kaart brengen bodemkwaliteit gedeelte nieuwbouwproject Lambrasse, aan de Groenestraat te Wijchen, Cauberg-Huygen, 15 mei 2006 (rapportnr. 2006.0175-4). Actualiserend bodemonderzoek Lambrasse, Wijchen, Aeres Milieu, 1 juni 2018 (AM17253)

Hoofdstuk 5

26

verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants10. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Doorwerking plangebied Binnen het plangebied zijn woningen toegestaan binnen de bestemming ‘Wonen’. Daarnaast zijn binnen de bestemming ‘Gemengd’ leisure, horeca in categorie 1, 2 en 5, een congres- en vergadercentrum toegestaan. Woningen en de functies in het bedrijfsgebouw zijn (beperkt) kwetsbare objecten en moeten getoetst worden aan het Bevi en de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Door de Antea Group is een extern veiligheidsonderzoek gedaan. Hieronder wordt enkel de conclusie van dit onderzoek weergegeven.

De volledige rapportage is als separate bijlagen bij deze bestemmingsplantoelichting gevoegd.

10

Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Hoofdstuk 5

27

Risicovolle bedrijven In de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven gevestigd die gevaarlijke stoffen transporteren of opslaan. Dit zorgt dan ook niet voor belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling. Transport gevaarlijke stoffen Rijksweg A326 ligt langs de noordzijde van het plangebied. De autoweg heeft geen 10-6 plaatsgeboden risicocontour, het plaatsgebonden risico levert derhalve geen belemmeringen op. De A326 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Het groepsrisico blijft gelijk. Wel een is een beperkte verantwoording van het groepsrisico verplicht conform het Bevt. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Den Bosch –Nijmegen. De hoogte van het groepsrisico neemt niet toe. Wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico verplicht conform het Bevt. De spoorlijn heeft geen plasbrandaandachtsgebied of plaatsgebonden risicocontour 10-6 en levert geen belemmeringen op. Buisleidingen Door het plangebied loopt een tracé met hogedruk aardgasleidingen. Dit betreft twee hogedruktransportleidingen (A-533-KR-050 en A-524-KR-050). De hogedruk transportleidingen hebben geen plaatsgebonden risicocontour 10-6. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering. Het groepsrisico neemt voor beide buisleidingen toe en het plangebied ligt binnen de 100% letaliteitscontour van de leidingen.

Een volledige verantwoording van het groepsrisico is verplicht conform het Bevb. Verantwoording groepsrisico Algemene beschouwing veiligheidssituatie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een verschillende transportroutes voor gevaarlijke stoffen (de provinciale autosnelweg A326 en spoorweg Den Bosch-Nijmegen) en twee hogedruk aardgasleidingen (A-524 en A-533). Bij deze risicobronnen kunnen verschillende scenario’s optreden. Bij de weg en het spoor kan een plasbrand, BLEVE (Boiling Liquid Expanding Va- pour Explosion) of toxisch scenario optreden. Bij de hogedruk aardgastransportleiding is een fakkelbrand het maatgevend scenario. De gevolgen van deze scenario’s zijn verschillend. In deze paragraaf worden de scenario’s verduidelijkt. Plasbrandscenario Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen kan een plasbrand ontstaan (een plas van brandende vloeistof). Het gevolg is een korte, maar extreme hittestraling. De omvang van het effect wordt bepaald door de oppervlakte van de plas. Uitgaande van een calamiteit waarbij een gehele tankinhoud vrijkomt is het invloedsgebied van een plasbrand ongeveer 60 meter. Dit reikt tot in het plangebied. Toxisch scenario Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tank lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien.

Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.

Hoofdstuk 5

28

BLEVE-scenario Een koude BLEVE ontstaat wanneer de tankwagen bezwijkt waardoor er plotseling gas kan ontsnappen, welke na ontsteking ontploft. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een spoorwagen of tankwagen. Door de hitte van de brand loopt de druk in een spoorwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt. Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen. Door de maatregelen beschreven in het convenant ‘Warme- BLEVE-vrij’ is de kans op een warme BLEVE afgenomen voor incidenten op het spoor. Met de ‘Safety Deal hittewerende bekleding op LPG-autogastankwagens’ zijn tankauto's voorzien van een hittewerende bekleding die de kans op een warme BLEVE gedurende ten minste 75 minuten voorkomt11. De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen. Fakkelbrand Bij de hogedruk aardgastransportleiding kan een fakkelbrand ontstaan. Een fakkelbrand ontstaat wanneer door een externe beschadiging (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden) gas vrijkomt dat vervolgens ontsteekt. Wat volgt is een fakkelbrand die extreme hittestraling kan veroorzaken. Het invloedsgebied van de gasleiding wordt bepaald door de druk en diameter van de leiding (de leiding nabij het plangebied heeft een invloedsgebied van 540 meter en 210 meter voor de 100% letaliteitscontour).

Hoogte van het groepsrisico Voor de aardgastransportleidingen geldt dat het groepsrisico in de toekomstige situatie stijgt, maar onder de oriëntatiewaarde blijft. Voor de A326 geldt dat het groepsrisico gelijk blijft. Het groepsrisico van de spoorweg ligt onder de oriëntatiewaarde. Beperking groepsrisico van de hogedruk transportleidingen Bronmaatregelen De meest effectieve veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen aan de risicobronnen zelf. Bij de realisatie van naastgelegen bestemmingsplan is het grondpakket boven de hogedruk aardgastrans- portleidingen verhoogd om de veiligheid te vergroten. Daarnaast is relevant van Gasunie een uitgebreid pakket aan veiligheidsmaatregelen hanteert om de veiligheid van buisleidingen te optimaliseren. Bouwtechnische veiligheidsmaatregelen Voor het scenario fakkelbrand van de hogedruk aardgastransportleidingen wordt de 100% letaliteitscontour begrenst door de 35kW warmtestralingscontour. Binnen de huidige bouwwetgeving kunnen geen bouwkundige maatregelen worden geëist om in dit soort situaties te beschermen. In de toekomstige Omgevingswet kunnen deze bouwkundige eisen wel gesteld worden. Er is echter nog geen eenduidigheid over de toepassing van de bouwkundige materialen en de randvoorwaarden die hierbij zouden moeten gelden.

Ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico Het is conform artikel 12 van het Bevb verplicht om in te gaan op ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico. Deze afweging is onderdeel van de ruimtelijke besluitvorming, waar deze rapportage een bijdrage voor levert.

11

Tests hebben aangetoond dat deze bescherming over een veel langere periode effectief is (>360 minuten)

Hoofdstuk 5

29

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Binnen het plangebied zijn diverse functies voorzien, welke allen zijn te typeren als kwetsbaar object. De zelfredzaamheid kan op een voldoende hoog niveau worden gebracht door in het (bouwkundige) ontwerp van het gebouw rekening te houden met vluchtroutes en mogelijke scenario’s. Het opstellen van een bedrijfsnoodplan, waarin rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van (beperkt) zelfredzame personen in relatie tot incidenten op het spoor, draagt tevens bij aan het verbeteren van de zelfredzaamheid. Risicocommunicatie Gerichte risicocommunicatie met werknemers en bezoekers (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hier invulling aan kan worden gegeven. Vluchtwegen Door interne vluchtwegen af te stemmen op externe veiligheid wordt geanticipeerd op een incident met gevaarlijke stoffen.

Interne vluchtwegen die gericht zijn in de richting van de risicoluwe zijde van het gebied (wegvluchten van de autosnelweg of de aardgasleidingen) voorzien in een veiligere ontruiming en evacuatie in geval van een calamiteit. Deze mogelijke maatregel voorziet in uitbreiding van het traditionele ontruimingsplan met een paragraaf externe veiligheid voor bedrijven en inrichtingen in de directe omgeving van de spoorweg. In deze additionele paragraaf wordt beschreven hoe de alarmering plaats vindt, wat het gewenste handelingsperspectief is bij een rampscenario (schuilen of vluchten) en op welke wijze hieraan invulling wordt gegeven (in welke richting vluchten, in welke ruimte(s) schuilen). Deze maatregel kan in samenspraak met de exploitanten besproken worden. Externe vluchtwegen Voor externe ontvluchting van het plangebied is een goede infrastructuur van belang waarbij van de bron af gevlucht kan worden. De bestaande wegenstructuur in en rond het plangebied biedt niet veel mogelijkheden om in meerdere richtingen van de incidentlocatie af te kunnen vluchten. Er is op dit moment slechts één route (oostelijk) om van het plangebied af te vluchten, het aanleggen van een andere vluchtroute is daarom wenselijk. Vluchten kan primair in westelijke, zuidelijke of oostelijke richting, waarbij de gewenste vluchtweg(en) afhankelijk is van de incidentlocatie.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een BLEVE In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen nagenoeg alle personen in het plangebied binnen 150 meter van de weg slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij

Hoofdstuk 5

30

dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen op een van de transportroutes is het van belang dat (ruimtes in) de geprojecteerde bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat in dat geval de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een fakkelbrand In het geval van een fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de100 procent-letaliteitscontour slachtoffer worden (deze zone bedraagt de leiding ter hoogte van het plangebied 210 meter, het gehele plangebied). Buiten deze zone is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een dergelijk scenario kan optreden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen om een ander aanvalsplan.

De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt door de gemeente Wijchen in het kader van de bestemmingsplanprocedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. Plasbrand-scenario Bij een ongeval met brandbare vloeistoffen, waarbij een plasbrand kan ontstaan is het van belang dat de brandweer snel ter plaatse is. Een plasbrand is dan goed te bestrijden. Door het tijdig arriveren van de brandweer kan voorkomen worden dat het vuur zich snel kan uitbreiden en kan overslaan op gebouwen. Het bestrijden van een plasbrand scenario kan plaatsvinden door het beschuimen van de plas- brand. Verder kan de weg rondom de incidentlocatie worden afgezet om mensen te beschermen en dient te worden overwogen om locaties in de omgeving te koelen indien de warmtestraling hoog is. BLEVE-scenario Belangrijk voor een ongeval met brandbare gassen (in combinatie met brandbare vloeistoffen) is dat de brandweer zo snel mogelijk ter plaatse van de calamiteit is, zodat de gevolgen van de 'warme' BLEVE bestreden kunnen worden.

Toxisch scenario Bij een incident met toxische stoffen kan afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario de brandweer optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Fakkelbrand In geval van een fakkelbrand spuit aardgas onder hoge druk uit de leiding, voor de brandweer bestaat geen bestrijdingsstrategie om de bron te doven. Gasunie zal op afstand de leiding afsluiten waarna het gas moet opbranden en de fakkelbrand na verloop van tijd dooft. De rol van de brandweer beperkt zich tot het afzetten van de omgeving, zo mogelijk het redden van slachtoffers, het koelen van panden in de omgeving en het bestrijden van secundaire branden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=wdw&id=0ca2a5ec-790e-47ba-94f3-faff6994e84a