Agendabundel
Tekst van het document
2.2.3
Naar woningtype 2018
2019
2020
2021
2021 t.o.v. 2018
Benedenwoning
322
305
267
265
82%
Bovenwoning
225
175
215
197
88%
Eengezinswoning
2.401
2.400
2.145
2.129
89%
Flatwoning met lift
1.852
2.000
1.766
2.115
114%
Flatwoning zonder lift
1.017
1.076
992
1.047
103%
De meest verhuurde woningen zijn eengezinswoningen en flatwoningen met een lift. Flatwoningen vertonen een toename van het aantal verhuringen, de andere woningtypen worden iets minder vaak verhuurd.
Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020
pagina 12/19
2.3
Slagingspercentages
Totaal
2018
2019
2020
2021
2021 t.o.v. 2018
12,8
12,1
10,3
9,9
77%
Het percentage woningzoekenden dat er in geslaagd is een woning te huren neemt in deze periode aanzienlijk af. Dat is ook logisch omdat dit percentage bepaald wordt door twee componenten; het aantal verhuurde woningen / aantal actief woningzoekenden. Eerder is geconstateerd dat het aantal woningzoekenden sterk is gestegen (+27%). Omdat het aantal verhuurde woningen vrijwel gelijk is gebleven betekent dit automatisch dat de kans om een woning te huren kleiner is geworden. Overigens is het goed hier op te merken dat woonruimteverdeling daar weinig aan kan veranderen: “Verdeling lost de schaarste niet op”. Het is goed om te beseffen dat het gaat om het percentage woningzoekenden dat woont in de desbetreffende gemeente en ook daadwerkelijk daar een woning kreeg in die gemeente of in een gemeente elders in de woningmarktregio Arnhem-Nijmegen. Onderstaande tabel laat de slagingspercentages zien voor de inwoners van een bepaalde gemeente.
2.3.1
Slagingspercentage per woningzoekende die woont in: Gemeente
actieven
verhuringen
slagingspercentage
Arnhem
14.396
1.518
10,54 %
Berg en Dal
1.494
208
13,92 %
Beuningen
1.120
157
14,02 %
Doesburg
644
96
14,91 %
Druten
653
70
10,72 %
Duiven
975
140
14,36 %
Heumen
607
60
9,88 %
Lingewaard
1.602
212
13,23 %
Montferland
1.091
121
11,09 %
Nijmegen
14.978
1.678
11,20 %
Overbetuwe
1.391
116
8,34 %
Renkum
1.112
143
12,86 %
Rheden
2.237
251
11,22 %
Rozendaal
10
0
0,00 %
Westervoort
715
101
14,13 %
Wijchen
1.712
184
10,75 %
Zevenaar
1.726
218
12,63%
De tabel laat maar beperkte verschillen zien in het percentage woningzoekenden per gemeente.
Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020
pagina 13/19
2.3.2
Slagingspercentage naar klantsoort 2018
2019
2020
2021
2021 t.o.v. 2018
8,5
7,9
6,2
6,2
73%
Doorstromer
12,8
12,6
10,5
10,6
83%
Urgenten
86,1
88,2
87,3
88,2
102%
Starter
De slaagkans van starters is beduidend lager dan die van doorstromers en is ook sterker afgenomen. Dit is logisch aangezien we al eerder constateerden dat starters veel vaker zijn gaan reageren op woningen. Overigens is het goed nogmaals op te merken dat doorstromers niet de concurrenten zijn van starters, elke doorstromer laat immers na verhuizing weer een woning achter. Ook is het goed stil te staan bij de positie van urgent woningzoekenden. Hun slagingspercentage ligt uiteraard zeer hoog omdat ze bij de meeste woning voorrang krijgen op gewone woningzoekenden. Ondanks een bijna verdubbeling van het aantal reacties van woningzoekenden met een sociale of medische urgentie, lukt het hen goed een woning te verkrijgen.
2.3.3
Slagingspercentage naar inkomen* 2018
2019
2020
2021
2021 t.o.v. 2018
tot minimum inkomen
12,7
11,9
10
9,7
76%
minimum - grens doelgroep
10,8
10,6
8,5
8,5
79%
grens doelgroep - Europagrens
10,5
9,9
7,7
7,8
74%
Europagrens en meer
7,6
8,3
7,6
6,7
88%
Voor alle inkomensgroepen is er sprake van een daling van de kans op een woning. Opvallend is dat het slagingspercentage voor de laagste inkomensgroep het hoogste is. Omdat er steeds meer woningzoekenden komen met een inkomen boven de huurtoeslaggrens (doelgroep) is in 2020 de huur-inkomenstabel enigszins aangepast zodat ook deze groep kans houdt op een woning.
2.3.4
Slagingspercentage naar leeftijd 2018
2019
2020
2021
2021 t.o.v. 2018
t/m 22 jaar
6,1
6,2
5,1
4,5
74%
23 t/m 27 jaar
6,3
6
5,2
5,1
81%
28 t/m 54 jaar
13,4
12,4
9,9
9,6
72%
55 t/m 74 jaar
20,9
20,1
17,8
18,5
89%
75 jaar en ouder
32,2
32,9
31,2
31,4
98%
Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020
pagina 14/19
Slagingspercentages nemen toe met de leeftijd. Dit is ook logisch omdat je naar mate je ouder wordt een langere meettijd hebt. De kans op een woning voor ouderen is vrijwel stabiel maar neemt voor de andere leeftijdsgroepen af.
2.3.5
Slagingspercentage naar huishoudgrootte 2018
2019
2020
2021
2021 t.o.v. 2018
1 persoon
11,65
11,13
9,19
9,23
79%
2 personen
11,95
12,09
10.07
10,48
88%
3 personen
15,70
13,54
10,80
9,34
59%
4 personen
11,57
11,96
10,31
8,53
74%
5 en meer personen
10,09
11,07
8,49
6,94
69%
De verschillen tussen de diverse groepen zijn beperkt. Dat is opvallend gezien de grote aantallen eenpersoonshuishoudens. Ook opvallend is dat huishoudens van drie personen in eerste instantie een duidelijk hogere kans op een woning hadden maar na een relatief sterke afname van het slagingspercentage nu in de buurt van het gemiddelde komen.
2.4
Meettijd in jaren
2.4.1
Meettijd naar klantsoort 2018
2019
2020
2021
2021 t.o.v. 2018
Doorstromer
19,57
20,06
21,44
22,33
114%
Starter
7,72
8,06
7,94
8,25
107%
Herstarter
16,30
16,17
17,65
18,00
110%
Doorstromers hebben een beduidend langere meettijd als ze een woning gaan huren dan starters. Herstarters hebben ook een langere meettijd. Voor alle groepen geldt dat hun meettijd ongeveer gelijk toeneemt.
2.4.2
Meettijd naar inkomen* 2018
2019
2020
2021
2021 t.o.v. 2018
tot minimum inkomen
13,66
14,27
14,76
15,52
114%
minimum - grens doelgroep
18,26
18,32
18,45
19,31
106%
grens doelgroep - Europagrens
16,44
17,25
18,88
19,62
119%
Europagrens en meer
15,32
15,15
16,95
18,24
119%
Ook als we kijken naar de verschillende inkomensgroepen dan zien we dat meettijd waarmee een woning wordt verkregen toeneemt. De verschillen tussen de inkomensgroepen zijn beperkt wat logisch is omdat inkomen vrijwel geen rol speelt bij de rangorde bepaling. Opvallend is dat de laagste inkomensgroepen de kortste meettijd hebben. Dit kan samenhangen met het feit dat de meeste verhuurde woningen een prijs hebben onder de 1e aftoppingsgrens.
Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020
pagina 15/19
2.4.3
Meettijd naar leeftijd 2018
2019
2020
2021
2021 t.o.v. 2018
t/m 22 jaar
1,84
2,11
2,20
2,33
127%
23 t/m 27 jaar
5,17
4,87
4,92
5,62
109%
28 t/m 54 jaar
13,39
13,98
14,74
15,17
113%
55 t/m 74 jaar
21,97
22,24
23,64
23,58
107%
75 jaar en ouder
35,58
36,54
36,98
37,66
106%
Tussen de diverse leeftijdsgroepen bestaan grote verschillen in de meettijd waarmee een woning wordt verkregen. Dit is logisch aangezien de opgebouwde meettijd direct samenhangt met de leeftijd. Wel neemt de gemiddelde meettijd van de jongste groep woningzoekenden het snelste toe.
2.5
Zoektijd in jaren Klantsoort
2018
2019
2020
2021
2021 t.o.v. 2018
Doorstromer
1,19
1,30
1,29
1,38
116%
Starter
1,48
1,60
1,72
1,77
120%
Herstarter
0,72
0,90
0,81
1,00
139%
Zoektijd is de periode die verlopen is tussen het moment dat een woning wordt gehuurd en de eerste reactie op een woning. Voorwaarde is dat er geen periode van meer dan een jaar waarin niet gereageerd is. De zoektijd is relatief het sterkste toegenomen bij herstarters maar deze is nog wel ruim het laagst bij de drie onderscheiden groepen. Dit kan verklaard worden uit het feit dat deze groep een lange meettijd heeft maar wel vaak op korte termijn een woning nodig heeft. Het gaat in de praktijk vaak om situaties waar relatieverbreking een rol speelt. Deze groep woningzoekenden zou zonder deze regeling waarschijnlijk anders vaak een beroep doen op de urgentieregeling.
2.6
Voorrang urgenten In de huidige huisvestingsverordening is vastgelegd dat corporaties een deel van hun woningen mogen adverteren waarbij urgenten geen voorrang krijgen. 2018
2019
2020
2021
Advertentie geen voorrang
1.369 (32%)
1.319 (31%
1.468 (40%)
1.321 (40%)
Advertentie wel voorrang
2.929 (68%)
2.925 (69%)
2.209 (60%)
2.324 (60%)
N.B.1: niet meegenomen zijn: Boven de liberalisatiegrens, Indicatiewoningen en lotingwoningen. N.B.2: Ondanks het grote aantal woningen waarbij urgenten geen voorrang hebben levert dit geen te lage kans op een woning op.
Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020
pagina 16/19
N.B.3. In 2018 en 2019 mocht 20% uitgesloten worden, in 2020 en 2021 was het 30%.
2.7
Verhuisbewegingen Binnen eigen gemeente
Uit andere gemeente WMR Arnhem Nijmegen
Naar andere gemeente WMR Arnhem Nijmegen
Saldo verhuizingen binnen de regio
Van buiten de WMR Arnhem Nijmegen
Arnhem
4677
1327
1643
-316
664
Berg en Dal
546
404
336
68
108
Beuningen
228
282
320
-38
56
Doesburg
251
184
126
58
74
Druten
177
128
125
3
50
Duiven
265
354
316
38
85
Heumen
93
151
175
-24
43
Lingewaard
408
257
347
-90
57
Montferland
426
290
141
149
171
Nijmegen
5221
1256
1320
-64
733
Overbetuwe
250
273
286
-13
63
Renkum
364
234
239
-5
122
Rheden
617
570
438
132
207
Westervoort
115
220
626
-406
43
Wijchen
450
366
478
-112
124
Zevenaar
552
452
376
76
108
Eindtotaal
14640
6753
9461
-2708
2708
Deze tabel laat de verhuisbewegingen binnen de woningmarktregio Arnhem Nijmegen zien, evenals de verhuisstroom van buiten de regio naar de regio. De paars gemarkeerde cijfers laten de gemeenten zien met een negatief migratiesaldo. Dat wil zeggen dat er meer woningzoekenden vanuit die gemeenten naar de andere regiogemeenten zijn vertrokken, dan dat er vanuit een regio gemeente naar de desbetreffende gemeente is verhuisd.
Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020
pagina 17/19
Door cijfers in een langer termijn perspectief te plaatsen kunnen we zicht krijgen op de structurele ontwikkelingen op dit gebied. In de volgende tabel staat het percentage woningzoekenden dat een woning heeft gehuurd op basis van de herkomst gemeente. WMR Arnhem Nijmegen
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Eigen gemeente
68%
65%
55%
63%
62%
61%
61%
60%
57%
Regio gemeente
21%
24%
23%
24%
27%
28%
28%
30%
31%
Rest Nederland
11%
11%
12%
13%
11%
11%
11%
10%
12%
Wat opvalt is dat er sprake is van een toenemende regionalisering binnen de woningmarktregio Arnhem Nijmegen. Het percentage woningzoekenden dat een woning vindt in de eigen gemeente is nog steeds het hoogst maar is wel met ruim 10% afgenomen. Verhuizingen binnen de regio vinden steeds vaker plaats (+10%). Het aandeel woningzoekenden van buiten de regio is vrijwel constant. Helaas zijn er geen gegevens beschikbaar van verhuizingen vanuit de regio naar de andere gemeenten van Nederland zodat daarvoor geen migratiesaldo kan worden bepaald. * Inkomensgrenzen: Hier zijn geen bedragen opgenomen omdat deze jaarlijks wijzigen. In onderstaande tabel zijn de geldende bedragen per jaar opgenomen. 2018 Groep Minimum Grens doelgroep EU-grens 1 persoon <= AOW
€ 15.925
€ 22.400
€ 36.798
1 persoon > AOW
€ 17.325
€ 22.375
€ 36.798
Meer personen <= AOW
€ 20.600
€ 30.400
€ 36.798
Meer personen > AOW
€ 23.200
€ 30.400
€ 36.798
2019 Groep
Minimum
Grens doelgroep
EU-grens
1 persoon <= AOW
€ 16.300
€ 22.700
€ 38.035
1 persoon > AOW
€ 17.875
€ 22.675
€ 38.035
Meer personen <= AOW
€ 21.000
€ 30.825
€ 38.035
Meer personen > AOW
€ 23.900
€ 30.825
€ 38.035
2020 Groep
Minimum
Grens doelgroep
EU-grens
1 persoon <= AOW
€ 16.650
€ 23.225
€ 39.055
1 persoon > AOW
€ 18.350
€ 23.175
€ 39.055
Meer personen <= AOW
€ 21.575
€ 31.550
€ 39.055
Meer personen > AOW
€ 24.475
€ 31.45
€ 39.055
Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020
pagina 18/19
2021 Groep
Minimum
Grens doelgroep
EU-grens
1 persoon <= AOW
€ 16.950
€ 23.725
€ 40.024
1 persoon > AOW
€ 18.775
€ 23.650
€ 40.024
Meer personen <= AOW
€ 22.000
€ 32.200
€ 40.024
Meer personen > AOW
€ 25.025
€ 32.075
€ 40.024
** Huurprijsgrenzen: Ook de huurprijsgrenzen worden elk jaar opnieuw door de rijksoverheid vastgesteld. In de onderstaande tabel zijn de bedragen per jaar opgenomen. 2018 2019 2020 2021 Tot 1e aftoppingsgrens € 597,30 € 607,46 € 619,01 € 633,25 Tussen 1e en 2e € 640,14 € 651,03 € 663,40 € 678,66 aftoppingsgrens Huurtoeslaggrens € 710,68 € 720,42 € 737,14 € 752,33
3 Onderzoek gemeenten De resultaten van de vragenlijst aan gemeenten volgt nog.
Concept evaluatie Huisvestingverordening 2020
pagina 19/19