621_PDFsam_Agendabundel
Tekst van het document
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4).
1
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
2
VOORONDERZOEK
In de NEN-5725 zijn 7 aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. Tabel 1:
verschillende onderzoeksaspecten ONDERZOEKSASPECTEN
1. locatiegegevens 2.bodemopbouw en geohydrologie 3. verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit 4. gebruik/beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval 5. terreinverkenning
eigendomssituatie hoogteligging bodemopbouw antropogene lagen in de bodem geohydrologie geval van ernstige bodemverontreiniging kwaliteit o.b.v. BKK o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken voormalig huidig toekomst asbestverdacht voorafgaand aan de uitvoering
Aanleidingen tot vooronderzoek A
B
O
O
O O
C
D
E
F
O
G
A. bodemonderzoek, par. 6.2.1; E. opstellen/ actualiseren bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.5; F. gebruik bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.6; B. nul‐ en eindsituatieonderzoek, par. 6.2.2; G. inschatten van arbeidshygiënische risico’s, par. 6.2.7. C. bodemkwaliteitsklasse (Bbk), par. 6.2.3; D. partijkeuring, par. 6.2.4; Verplicht onderzoeksaspect. Indien niet van toepassing, wordt dit vermeld en gemotiveerd O Optioneel
2.1
Onderzoeksaanleiding
Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725. Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: informatie verstrekt door de opdrachtgever; terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden; Omgevingsrapportage werkorganisatie Druten-Wijchen; www.bodemloket.nl; www.topotijdreis.nl; Bagviewer; Kadaster; grondwaterkaart van Nederland. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. De relevante gegevens zijn opgenomen in bijlage 5. 2.2
Achtergrondinformatie
De locatie staat bekend als “Kerkenweide”, gesitueerd tussen de Dorpsstraat, de Veldsestraat en het Uilengat te Bergharen, kadastraal bekend als: gemeente Bergharen, sectie G, nummers 732, 701, 375, 373 en 1116. De locatie heeft een oppervlakte van 14.250 m2. De locatie bestaat uit diverse percelen weiland. Binnen het plangebied is een gronddam en een wegtracé gesitueerd (deel Dorpsstraat). Verder zijn, zover bekend, geen voor bodemverontreiniging verdachte activiteiten en/of deellocaties aanwezig. Voor de inrichting van het terrein verwijzen wij naar tekening 1-1. Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
2
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
Figuur 1: overzicht situering herontwikkelingslocatie
Figuur 2: overzicht concept verkavelingsplan
2.3
Historische informatie
Voor zover bekend hebben op de locatie geen calamiteiten plaatsgevonden die de milieuhygiënische bodemkwaliteit negatief kunnen hebben beïnvloed. Op basis van informatie van “www.topotijdreis.nl” (zie figuur 3 t/m 6) blijkt dat meerdere percelen diverse malen verkaveld zijn. De locatie is altijd onbebouwd geweest, met uitzondering van een lokaal schuurtje. Figuur 3: situatie in 1930
Figuur 4: situatie in 1950
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
3
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________ Figuur 5: situatie in 1980
Figuur 6: huidige situatie
Op en nabij de locatie zijn meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. Het meest recente onderzoek betreft een verkennend bodemonderzoek op het zuidelijke deel van de locatie door P&J Milieu (30 juni 2001 met kenmerk 0117801A). Figuur 7: bodemverontreinigingskaart Provincie Gelderland
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
4
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
Figuur 8: asbestdakenkaart Provincie Gelderland
2.4
Bodemopbouw en geohydrologie
Regionale bodemopbouw Voor de bodemgegevens en geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van de grondwaterkaart van Nederland. De regionale bodemopbouw is samengevat in tabel 2. Tabel 2:
regionale bodemopbouw
pakket
diepte in m-mv
deklaag
0 - 16
klei, veen en fijn zand
eerste en tweede watervoerend pakket
16 - ???
grindhoudend uiterst grof tot middel grof zand
eerste scheidende laag Toelichting:
WVP
samenstelling
?-? = watervoerend pakket kD-waarde transmissiviteit
= doorlaatvermogen of
Grondwaterstroming In de deklaag stroomt het grondwater in zuidwestelijke richting.
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
5
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
2.5
Hypothese en onderzoeksstrategie
Op basis van de geïnventariseerde gegevens is de locatie grotendeels onverdacht voor bodemverontreiniging, met uitzondering van de aanwezige inrit vanaf de Veldsestraat en het wegtracé (westelijke deel Dorpsstraat) welke mogelijk puinhoudend zijn en mogelijk asbestverdacht materiaal bevatten. Op basis van de beschikbare informatie zijn de agrarische percelen onderzocht conform de onderzoeksstrategie (onverdacht) bij een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN5740-ONV. Ter plaatse van de inrit en het wegtracé is het onderzoek uitgevoerd in aansluiting op de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek op verdachte locaties, met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (strategie “VEP” uit de NEN 5740). Het onderzoek is aangevuld met een verkennend asbestonderzoek conform de onderzoeksstrategie op onverdachte locatie, strategie 6.4.2 “onverdachte locatie “ uit de NEN-5707 en/of de strategie 6.5.2 “halfverhardingslagen” uit de NEN-5897. Het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek is samengevat in tabel 3. Tabel 3:
veld- en laboratoriumonderzoek actualisatie onderzoek
sublocatie/onderdeel
NEN-ONV opp. 14.250 m2 verdachte locaties: inrit + wegtrace #: putjes 30 x 30 cm
veldonderzoek boringen tot waarvan tot 0,5 m-mv > 2 m-mv
laboratoriumonderzoek met peilbuis
28
8
3
5#
4#
-
vaste bodem
4 NEN-grond (b)* 3 NEN-grond [o]* 2 NEN-grond* 2 asbest
grondwater
3 NEN-water* -
*: inclusief arseen en chroom
De samenstelling van de in tabel 3 genoemde “NEN-pakketten” is samengevat in tabel 4. Tabel 4:
samenstelling NEN Pakketten
Parameters zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink PCB’s PAK polycyclische aromatische koolwaterstoffen minerale olie vluchtige aromaten (incl. naftaleen en styreen) VCK (vluchtige chloorkoolwaterstoffen) bromoform
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
NEN-grond
NEN-grondwater
X
X
X X X -
X X X X
6
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
2.6
Betrouwbaarheid onderzoek
Onderhavig onderzoek beschrijft de actuele bodemkwaliteit en heeft alleen betrekking op de bodem van de terreindelen, welke zijn beschreven in het vooronderzoek van deze rapportage. De in het vooronderzoek geraadpleegde bronnen kunnen mogelijk onvolledig zijn. Het kan voorkomen dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Het onderzoek is gebaseerd op het nemen van een, conform de geldende richtlijnen, representatief geacht aantal monsters. Bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten moet rekening worden gehouden met het feit dat analyses mogelijk zijn uitgevoerd op basis van mengmonsters, waardoor lokaal hogere concentraties van de onderzochte stoffen niet zijn uit te sluiten. Tevens kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de bodemkwaliteit van niet onderzochte (verdachte) deellocaties en blijft het mogelijk dat lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Een bodemonderzoek betreft een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Eventuele toekomstige activiteiten, calamiteiten, sloopwerkzaamheden, bouwrijp maken en/of aanvoer van grond van elders, kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.
Tijdens werkzaamheden in de bodem dient men alert te blijven op waarneembare bijzonderheden, die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen. Het onderzoek moet worden beoordeeld als één geheel, en betreft een inschatting van de bodemkwaliteit, op een bepaald moment. Het onderzoek is gebaseerd op informatie van derden en het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, conform de geldende richtlijnen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle informatie is verkregen, dan wel dat niet alle afwijkingen in de bodem zijn geconstateerd. Voor eventueel hieruit voortvloeiende schade en/of gevolgen aanvaardt Hunneman Milieu-Advies Raalte BV op geen enkele wijze aansprakelijkheid.
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
7
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
3
VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK
3.1
Veldonderzoek
Het veldonderzoek is uitgevoerd op 27 januari en 9 februari 2022 door de gecertificeerde medewerker dhr. J. Postma van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV. Voor het verkennend bodemonderzoek zijn 33 handboringen uitgevoerd (1 t/m 33), waarvan 3 boringen zijn afgewerkt als peilbuis. De maximale boordiepte bedraagt 3,2 mmv. Voorafgaand aan het verkennend asbestonderzoek is een maaiveldinspectie uitgevoerd. Tijdens de maaiveldinspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Voor het asbestonderzoek zijn de monsterpunten 29 t/m 33 uit het verkennend bodemonderzoek handmatig gegraven tot maximaal 0,5 m-mv, met een minimale oppervlakte van 0,09 m2 (30 x 30 cm). De monsterpunten zijn met behulp van een grondboor (diameter 12 cm) doorgezet tot de onderliggende/ongeroerde bodemlaag. De opgegraven grond is uitgespreid over een zeef, met een maaswijdte van 20 mm. Het achterblijvende residu op de zeef is geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal en afval- en puinrestanten. Van de uitgezeefde grond zijn mengmonsters samengesteld van de actuele contactzone (0,0-0,5 m-mv), voor de analytische bepaling van asbest in grond. In bijlage 4 zijn de monsternameformulieren asbest opgenomen. Voor de situatie van de monsterpunten en peilbuizen verwijzen wij naar tekening 1-1.
Bodemopbouw In het veld zijn de fysische bodemeigenschappen per monsterpunt en bodemlaag beschreven. De beschrijvingen van de bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 2, en samengevat in tabel 5. Tabel 5:
samenvatting van het lokaal aangetroffen bodemprofiel
traject (m-mv) 0,0 ~ 0,5
hoofdnaam
toevoeging
zand, matig fijn
matig siltig, zwak humeus
0,5 ~ 1,0
zand, matig fijn
matig siltig, zwak grindig
1,0 ~ 2,0
zand, matig fijn
matig siltig
2,0 ~ 3,2
zand, matig fijn
matig siltig, zwak grindig
grondwaterstand: circa 1,5 m-mv
Zintuiglijke waarnemingen Tijdens het veldonderzoek is de opgeboorde grond beoordeeld op zintuiglijk waarneembare verontreinigingsindicaties. Hierbij is gebruik gemaakt van de olie/watertest (O/W-test) en is gelet op afwijkende kleur of geur van de bodem. Ter plaatse van het wegtracé (Dorpsstraat) is een gestabiliseerde verhardingslaag met puingranulaat aangetroffen. Ter plaatse van de inrit/dam aan de Veldsestraat zijn matige puinbijmengingen in de bovengrond aangetroffen. Op het overige terrein zijn geen noemenswaardige bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. In de bodem/puin is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in de boorbeschrijvingen (bijlage 2).
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
8
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
Monstername Voor het chemisch onderzoek zijn uit de boringen, van iedere 0,5 m (0,2 m bij monstername met steekbus) of onderscheiden bodemlaag, monsters genomen. Op de deellocaties, waar de vluchtige verbindingen de kritische parameters zijn, is de monstername, voor zover technisch mogelijk, verricht met een steekbus. Het grondwater uit de geplaatste peilbuizen is na een standtijd van minimaal een week bemonsterd. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid (NTU) van het grondwater zijn in het veld gemeten. De meetresultaten zijn weergegeven in tabel 9. 3.2
Laboratorium onderzoek
Op basis van de gehanteerde onderzoeksstrategie en waarnemingen uit het veld zijn (meng)monsters samengesteld voor analyse. De samenstelling van de (meng)monsters is weergegeven in tabel 6 en 8. De analyses zijn uitgevoerd door een door de RvA geaccrediteerd laboratorium, welke door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is erkend om, in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), analyses uit te voeren conform AS-3000 en AP-04. De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in bijlage 3. De resultaten van de analyses zijn weergegeven in tabel 6 t/m 8. 3.3
Toetsingscriteria en analyseresultaten; NEN-parameters
Het toetsingskader voor de vaste bodem en het grondwater is afkomstig uit de “Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013” (Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa). De vaste bodem wordt getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. Het grondwater wordt getoetst aan de streef- en interventiewaarden. De meetwaarden voor de vaste bodem zijn afhankelijk gesteld van de gemeten organische stof- en/of lutumgehalten van de bodem, die meestal afwijken van de gehalten van de Standaardbodem. De volgende toetsingswaarden worden onderscheiden: AW/S(•)1:De achtergrond- en/of streefwaarden geven het niveau aan waar beneden sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De waarden hebben betrekking op de in de natuur voorkomende achtergrondgehalten of detectiegrenzen bij stoffen die niet in natuurlijke milieus voorkomen. T (••)1:
De tussenwaarde betreft het gemiddelde van de interventiewaarde + achtergrondwaarde of streefwaarde waarboven, in beginsel, een nader onderzoek noodzakelijk is.
I (•••)1 :
De interventiewaarden geven het concentratieniveau voor verontreinigende stoffen aan, waarboven sprake is van ernstige bodemverontreiniging. In bijzondere situaties kan ook bij gehaltes beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem.
1
De symbolen tussen haakjes corresponderen met de “overschrijdingssymbolen” van tabel 6 en 7.
Van een geval van ernstige bodemverontreiniging is sprake indien de verontreiniging is ontstaan voor 1987, waarbij de gemiddelde concentratie van een verontreinigende stof in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde. Bodemverontreiniging die is ontstaan na 1 januari 1987 (nieuwe verontreiniging) valt onder de zgn. zorgplicht en dient zo spoedig mogelijk te worden gesaneerd. Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
9
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
Tabel 6.1:
analyseresultaten vaste bodem en toetsing bovengrond
% H* = 10 % L*= 25 monster boring traject (m-mv) arseen barium cadmium chroom kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink PAK (10)-tot. PCB’s min.olie
gestandaardiseerde resultaten en overschrijdingen toetsingswaarden [BoToVa-toetsing is opgenomen in de bijlage] MM-01 MM-02 MM-03 MM-04 33-01 MM-08 1t/m7 8t/m14 15 t/m 21 22 t/m28 33 29t/m32 0,0-0,4 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,0-0,5 0,3-0,5 < < < < < < @ @ @ @ @ @ < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < 0,042• < < < < < < < < < < <
Toelichting bij tabel: < : geen overschrijding van de achtergrondwaarde • : overschrijding van de achtergrondwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding van de interventiewaarde
AW½ Iwaarde (AW+I) waarde 20 48 76 @ @ @ 0,6 6,8 13 55 117,5 180 15 102,5 190 40 115 190 0,15 18,08 36 50 290 530 1,5 96 190 35 67,5 100 140 430 720 1,5 20,8 40 0,02 0,51 1 190 2595 5000
-: niet geanalyseerd @: geen toetsoordeel mogelijk * : lutum- en humusgehalten standaard bodem H : organisch stof L : lutum
Tabel 6.2:
analyseresultaten vaste bodem en toetsing ondergrond
% H* = 10 % L*= 25 monster boring traject (m-mv) arseen barium cadmium chroom kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink PAK (10)-tot. PCB’s min.olie
gestandaardiseerde resultaten en overschrijdingen toetsingswaarden [BoToVa-toetsing is opgenomen in de bijlage] MM-05 MM-06 MM-07 1+4 8+12+13 17+23+26 0,4~2,0 0,5-2,0 0,5-2,0 < < < @ @ @ < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < < <
Toelichting bij tabel: < : geen overschrijding van de achtergrondwaarde • : overschrijding van de achtergrondwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding van de interventiewaarde
standaard bodem (mg/kg d.s.)
standaard bodem (mg/kg d.s.) AW½ Iwaarde (AW+I) waarde 20 48 76 @ @ @ 0,6 6,8 13 55 117,5 180 15 102,5 190 40 115 190 0,15 18,08 36 50 290 530 1,5 96 190 35 67,5 100 140 430 720 1,5 20,8 40 0,02 0,51 1 190 2595 5000
-: niet geanalyseerd @: geen toetsoordeel mogelijk * : lutum- en humusgehalten standaard bodem H : organisch stof L : lutum
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
10
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
Tabel 7:
analyseresultaten grondwater
analyseresultaten (µg/l) peilbuis 1 12 filter (m-mv) 1,9-2,9 2,2-3,2 pH 7,21 7,06 EC (µs/cm) 814 640 troebelheid (NTU) 8,6 9,0 grondwater [m-mv] 1,42 1,71 zware metalen arseen < < barium < < cadmium < < chroom < < kobalt < < koper < < kwik < < lood < < molybdeen < < nikkel < < zink < 110• vluchtige aromaten benzeen < < tolueen < < ethylbenzeen < < xylenen (som) < < styreen < < naftaleen < < gechloreerde koolwaterstoffen 1,1-dichloorethaan < < 1,2-dichloorethaan < < 1,1-dichlooretheen < < cis 1,2-dichlooretheen < < trans 1,2-dichlooretheen < < dichloormethaan < < dichloorpropanen < < tetrachlooretheen (per) < < tetrachloormethaan (tetra) < < 1,1,1-trichloorethaan < < 1,1,2-trichloorethaan < < trichlooretheen (tri) < < trichloormethaan (chloroform) < < vinylchloride < < < < minerale olie < < bromoform Toelichting bij tabel:
• : overschrijding van de streefwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding interventiewaarde
toetsingswaarden (µg/l) 26 2,1-3,1 7,01 692 7,4 1,60
Swaarde
½ (S+I)
Iwaarde
< < < < < < < < < < 120•
10 50 0,4 1 20 15 0,05 15 5 15 65
35 337,5 3,2 15,5 60 45 0,17 45 152,5 45 432,5
60 625 6 30 100 75 0,30 75 300 75 800
< < < < < <
0,2 7 4 0,2 6 0,01
15,1 503,5 77 35,1 153 35
30 1000 150 70 300 70
< < < < < < < < < < < < < < < <
7 7 0,01 0,01 0,01 0,01 0,8 0,01 0,01 0,01 0,01 24 6 0,01 50 #
453,5 203,5 5 10 10 500 40,4 20 5 150 65 262 203 2,5 325 315
900 400 10 20 20 1000 80 40 10 300 130 500 400 5 600 630
< : geen overschrijdingen detectiegrens en/of streefwaarde # : geen toetsingswaarden voor gegeven -: niet geanalyseerd
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
11
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
3.4
Toetsingscriteria en analyseresultaten; asbest
Voor asbestonderzoek is de interventiewaarde uit de “Circulaire bodemsanering van 1 juli 2013” voor asbest in grond of puin (100 mg/kg d.s. gewogen) van toepassing. Conform de NEN 5707 wordt in een verkennend onderzoek asbest beoordeeld of sprake is van een verdachte of een onverdachte locatie op het voorkomen van asbest. Het resultaat van het verkennend onderzoek is een uitspraak over de mogelijke verontreiniging van de bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters grond. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Door de lagere onderzoeksintensiteit van het verkennend onderzoek kan in deze fase niet direct worden getoetst aan de interventiewaarde. In het verkennend onderzoek wordt het gehalte getoetst aan de interventiewaarde, gecorrigeerd met een factor 2. Deze correctiefactor is een maat voor de betrouwbaarheid van het verkennend onderzoek in relatie tot het nader onderzoek. Alleen indien in het verkennend onderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als in het nader onderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk.
Indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Toetsing van de concentratie aan respirabele vezels (<0,5 mm) vindt plaats door toetsing van de gemeten concentratie aan de maximale waarde van 10 mg/kg d.s. (gewogen). Bij overschrijding van deze waarde is sprake van ‘onaanvaardbare risico’s buiten’. Uit onderzoek dat TNO (RIVM rapport 711701034/2003) heeft uitgevoerd blijkt dat zelfs voor het meest ‘losse’ niet-hechtgebonden asbest het aandeel aan respirabele vezels nooit meer zal zijn dan 5~10%. Dit betekent dat bij een asbestconcentratie in de grond van 100 mg/kg d.s. de concentratie aan respirabele vezels nooit meer zal zijn dan 5~10 mg/kg d.s. en derhalve geen sprake is van ‘onaanvaardbare risico’s’ Grond of puin waarin een (gewogen) concentratie asbest boven de interventiewaarde wordt aangetroffen wordt, ongeacht het volume, beschouwd als verontreinigd met asbest.
Indien na uitvoering van een nader onderzoek asbest in de grond of puin, een (gewogen) concentratie asbest lager dan de interventiewaarde wordt aangetoond, wordt de bodem als niet verontreinigd aangemerkt. Tabel 8:
analyseresultaten asbest in grond (fase verkennend derhalve indicatieve gehalten) monstergegevens
Monster
MP
RE-01 RE-02
33 29t/m32(puin)
analyseresultaten (mg of mg/kg d.s.) materiaalbodem/puin bodem/puin gewogen* traject monster(s) > 0,5< 20 mm < 0,5 mm asbestgehalte (m-mv) >20 mm (mg) in mg/kg ds. in mg/kg ds. in de bodem 0,0-0,5 0,0-0,3
-
< <
n.a. n.a.
< <
asbesttype soort asbest
H/NH
-
-
Toelichting bij tabel: <: kleiner dan de bepalingsgrens MVM: materiaalverzamlemonster n.g.: niet geanalyseerd -: niet van toepassing n.a.: niet aangetoond S: serpentijn-asbest H: hechtgebonden asbest P: puinmonster A: amfibool NH: niet hechtgebonden asbest MP: monsterpunt *: gewogen concentratie asbest in de bodem of puin in mg/kg ds. wordt gevormd door de aangetoonde concentratie in het materiaal (verzamel)-monster aan asbestplaatjes in de gegraven monsterpunten en/of sleuven, vermeerderd met de aangetoonde concentratie aan asbest in het bodem/puin (meng)monster.
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
12
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
4
INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN
In opdracht van Erfgoed landelijk Bouwen is in januari en februari 2022, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de “Kerkenweide” te Bergharen. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen herontwikkeling van de locatie voor woningbouw, en heeft tot doel het vaststellen van de actuele kwaliteit van de bodem. 4.1
Asbestonderzoek
Ter plaatse van het wegtracé (Dorpsstraat) is een gestabiliseerde verhardingslaag met puingranulaat aangetroffen. Ter plaatse van de inrit/dam aan de Veldsestraat zijn matige puinbijmengingen in de bovengrond aangetroffen. Op het overige terrein zijn geen noemenswaardige bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. In de bodem/puin is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de actuele contactzone, ter plaatse van de inrit/dam, binnen RE-01 [0,0-0,5 m-mv] is analytisch, in de fractie > 0,5 mm en < 20 mm, geen gewogen asbest aangetoond. In de fractie <0,5 mm zijn geen vrije vezels aangetroffen. In de puinverharding, ter plaatse van het wegtracé, binnen RE-02 [0,0-0,5 m-mv] is analytisch, in de fractie > 0,5 mm en < 20 mm, geen gewogen asbest aangetoond. In de fractie <0,5 mm zijn geen vrije vezels aangetroffen. 4.2
vaste bodem en grondwater
Analytisch zijn in de bovengrondmengmonsters MM-01 t/m MM-04, met uitzondering van een licht verhoogd gehalte aan PCB’s in MM-01, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. Het in MM-01 aangetoonde gehalte aan PCB’s overschrijdt de achtergrondwaarde, maar blijft beneden de tussenwaarde. In het monster van de puinhoudende bovengrond uit boring 33 zijn, van de geanalyseerde parameters, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. In mengmonster MM-08 van de bovengrond onder de wegverharding van het wegtracé zijn, van de geanalyseerde parameters, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. Analytisch zijn in de ondergrondmengmonsters MM-05 t/m MM-07, van de geanalyseerde parameters, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het grondwater (peilbuizen 1, 12 en 26) zijn, met uitzondering van licht verhoogde gehalten aan zink in peilbuis 12 en 26, geen gehalten aangetoond boven de streefwaarden. De aangetoonde gehalten aan zink overschrijden de streefwaarden, maar blijven beneden de tussenwaarde.
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
13
_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________
4.3
Conclusies en aanbevelingen
Ter plaatse van het wegtracé (Dorpsstraat) is een gestabiliseerde verhardingslaag met puingranulaat aangetroffen. Ter plaatse van de inrit/dam aan de Veldsestraat zijn matige puinbijmengingen in de bovengrond aangetroffen. In de bodem/puin is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. In de vaste bodem is lokaal een licht verhoogd gehalte aan PCB’s aangetoond. In het grondwater zijn lokaal licht verhoogde gehalten aan zink aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan er milieuhygienisch gezien geen bezwaren voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie voor woningbouw.
Verkennend bodem- en asbestonderzoek, “Kerkenweide” te Bergharen
14
BIJLAGE 1 Kadastraal overzicht
Kadastrale kaart
Uw referentie: 20854_01
Deze kaart is noordgericht
12345 25
Schaal 1: 1000
Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens
Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Bergharen G 701
Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 14 maart 2022 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.