250902 Routekaart duurzame warmte Wijchen
Tekst van het document
22
Bijlage 2: definitie van betaalbaarheid (bron: VNG) Vanuit de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) krijgen gemeenten een aanwijsbevoegdheid: de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen die voor een bepaalde datum overgaan op een duurzaam alternatief voor aardgas. In de Wgiw worden ook instructieregels opgenomen die de betaalbaarheid voor bewoners waarborgen bij het inzetten van deze aanwijsbevoegdheid. Om het gesprek hierover te kunnen voeren hebben de VNG en het rijk onderzoek laten doen naar potentiële kaders voor betaalbaarheid. Achtergrond Het door bureau Berenschot uitgevoerde onderzoek (pdf, 3,2 MB) heeft op een neutrale wijze een groot aantal potentiële kaders vergeleken en de uitwerking hiervan in de gemeentelijke uitvoeringspraktijk onderzocht. Dat is nodig zodat gemeenten transparante besluiten kunnen nemen die rechtszekerheid bieden, robuust, uitlegbaar en toetsbaar zijn en rekening houden met de potentiële financiële consequenties voor gebouweigenaren, huurders en de overheid. Het onderzoek vormt een startpunt en basis voor bestuurlijke gesprekken over de invulling van mogelijke landelijke kaders voor betaalbaarheid. Zodat die uiteindelijk vertaald kunnen worden naar wet- en regelgeving en beleid, zoals de instructieregels betaalbaarheid onder de Wgiw.
Onderzoeksdoelen Het doel van dit onderzoek was potentiële kaders voor betaalbaarheid in beeld te brengen en te onderzoeken als input voor het gesprek hierover tussen de VNG en het rijk, vooruitkijkend naar de mogelijke inzet van de aanwijsbevoegdheid. Het onderzoek geeft antwoord op de hoofdvraag ‘Wat zijn mogelijke kaders voor betaalbaarheid in de context van de Wgiw, en wat zijn de onderlinge voor- en nadelen van deze kaders?’ Via de onderzochte kaders krijgen gemeenten duidelijkheid en handelingsperspectief bij de mogelijke inzet van hun bevoegdheden volgens de Wgiw. Aanvullend hierop staan in het rapport verschillende andere interessante bevindingen. Hieronder volgt een aantal van deze bevindingen en conclusies van het onderzoek. Onderzochte potentiële kaders Bij aanvang van het onderzoek zijn verschillende potentiële kaders op een rij gezet. Na een uitgebreide analyse op basis van vooraf vastgestelde criteria is besloten om 4 kaders te selecteren en nader te onderzoeken: 1. Woonlastenneutraal: Een huishouden gaat na de overstap naar een aardgasvrij verwarmingsalternatief per jaar niet meer betalen dan in de oude situatie. 2. Terugverdientijd over de levensduur: De overstap naar een nieuwe situatie moet zichzelf terugverdienen binnen een bepaalde maximale termijn. 3.
Percentage van het besteedbaar inkomen: De nieuwe maandlasten mogen niet meer dan een bepaald percentage van het besteedbaar inkomen bedragen (energiequote). 4. Mate van instemming: Bewoners in de wijk bepalen zelf of de overstap betaalbaar is op basis van een financieel aanbod van de gemeente. Beoordeling onderzochte kaders Er is een uitgebreid aantal criteria vastgesteld waarmee de onderzoekers sterke en minder sterke kanten van mogelijke kaders hebben beoordeeld. Hieruit blijkt dat geen van de kaders op alle criteria het beste scoort. Kader 1, woonlastenneutraal, en kader 2, terugverdientijd over de levensduur, lijken gemiddeld gezien iets beter te scoren. Deze kaders lijken op elkaar. maar hebben verschillen in achtergrond, uitlegbaarheid en robuustheid.
23
Woonlastenneutraal: Dit kader voert terug op het Klimaatakkoord en is voor de VNG leidend. Veel partijen verwachten dat dit kader het meest aansluit bij de belevingswereld van bewoners. Het sluit overigens niet uit dat kosten in de loop van de tijd toch kunnen stijgen, ook als er niets verandert in de huidige situatie zullen de kosten mogelijk stijgen. Terugverdientijd over de levensduur: Dit kader is te zien als een vorm van woonlastenneutraliteit over langere tijd. Dit kader sluit het beste aan bij de toelichting bij het amendement Erkens en kan hiermee mogelijk onderdeel worden van de Wgiw. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is dat de kosten voor bewoners binnen dit kader in eerste instantie kunnen stijgen en er een negatief effect op het besteedbaar inkomen is. Na enkele jaren echter zullen de baten groter zijn dan de kosten. Uiteindelijk, over de levensduur gezien, verdienen investeringen zichzelf wel terug en zijn de kosten en baten ten minste gelijk. Dit kader biedt meer ruimte om met bijvoorbeeld een annuïtaire leningvorm te werken, zonder dat dit een subsidie hoeft te zijn. Deze leningvorm is voor dit kader waarschijnlijk passender dan voor het kader woonlastenneutraal.
Een nadeel van het kader terugverdientijd over de levensduur kan zijn dat dit niet altijd aansluit bij de beleving van bewoners, complexer te communiceren is dan bijvoorbeeld kader 1 en daardoor op minder draagvlak kan rekenen. Percentage van het besteedbaar inkomen: Een voordeel van dit kader is dat het rekening houdt met de draagkracht van huishoudens. Een nadeel is dat het voor een deel van de inkomens tot flinke verschillen kan leiden ten opzichte van de referentiesituatie. Dit kan tot toekomstige ongelijkheid leiden omdat inkomens kunnen veranderen zijn, waardoor het kader ten koste gaat van het draagvlak. Tot slot zijn er flinke uitdagingen bij de uitvoerbaarheid. Mate van instemming: Dit kader lijkt positief omdat er draagvlak moet zijn bij de overgrote meerderheid van de bewoners en gebouweigenaren. Het kan tegelijkertijd ook tot polarisatie en onrust leiden omdat de tegenstellingen en financiële uitgangsposities van huishoudens verschillend kunnen zijn. Dit kader is daarbij minder robuust dan andere kaders omdat verschillende stemmingen, bijvoorbeeld na wijzigingen van het plan, wisselende uitkomsten kunnen hebben. Overige onderzoeksresultaten Overgrote meerderheid: Onderdeel van het onderzoek was om een visie te geven op hoe kan worden bepaald wat een ‘overgrote meerderheid’ is, uitgedrukt in een percentage.
De hoogte van dit percentage heeft uiteraard een belangrijke invloed op het draagvlak bij bewoners en gebouweigenaren. De conclusie is dat het vastleggen van wat we onder ‘overgrote meerderheid’ verstaan uiteindelijk een politieke keuze is. Positie huurders en verhuurders: Het is van belang goed rekening te houden met de betaalbaarheid voor woningeigenaren, huurders en verhuurders. Het moet voor alle doelgroepen betaalbaar zijn om het besluit van gemeenten om het transport van aardgas te beëindigen te kunnen uitvoeren. Uitrekenen van betaalbaarheid: Uit het onderzoek blijkt dat het technisch goed mogelijk moet zijn om de gemiddelde betaalbaarheid voor woningeigenaren en huurders in een plangebied te berekenen. Om te voorkomen dat berekeningen te zeer verschillen, is het belangrijk dat er landelijk overeenstemming is over te hanteren rekenregels en kengetallen en deze tijdig te actualiseren. Dit kan bijvoorbeeld in de instructieregels betaalbaarheid worden vastgelegd. Omdat sommige kosten en baten heel lokaal bepaald worden, moeten gemeenten ruimte krijgen om onderbouwd af te wijken van bepaalde (landelijke) kengetallen. Financiële gevolgen kaders: De keuze voor een bepaald kader garandeert geen betaalbaarheid voor individuele woningeigenaren en zegt ook niet dat kosten niet kunnen 24
stijgen. Wel kan hiermee berekend worden wat er gemiddeld gezien nodig is om ervoor te zorgen dat de overgrote meerderheid binnen een bepaald kader voor betaalbaarheid mee kan doen. En wat het mogelijk kost om een hoger percentage woningeigenaren mee te krijgen in een positief besluit. Gevoeligheden: Op basis van dit onderzoek zijn ook enkele gevoeligheden te benoemen die zeer bepalend zijn voor de kosten en baten. Voor warmtenetten ligt dit voornamelijk in het vastrecht en de prijs van warmte. Deze worden bepaald door kosten voor de warmtebron en aanleg van de warmte-infrastructuur. In het geval van all-electric varianten zijn vooral de hoogte van nettarieven, investeringskosten en rentetarieven zeer bepalend. Hoe verder? Het onderzoek is gericht op de ontwikkeling van landelijke kaders voor betaalbaarheid. Het is bewust neutraal opgesteld zodat er een feitelijk gesprek kan plaatsvinden tussen de VNG en het rijk. Er vindt een debat plaats in de Eerste Kamer over de Wgiw en het Bgiw wordt later voorgehangen in de Tweede Kamer. Het kabinet kan op basis hiervan vervolgens een besluit nemen over de kaders. Deze keuzes zullen vertaald worden in instructieregels voor betaalbaarheid in de Wgiw. Deze instructieregels vormen uiteindelijk het kader waarop gemeenten de betaalbaarheid moeten toetsen bij gebruik van de aanwijsbevoegdheid.
De komende maanden zal meer duidelijk worden hoe de uitwerking in instructieregels eruit komt te zien en wat dit betekent voor gemeenten die de bevoegdheid uit de Wgiw willen inzetten.
25
Bijlage 3: Van Warmteprogramma via uitvoeringsplan naar Omgevingsplan (bron NPLW)
Bron: Handreiking warmteprogramma NPLW
Het Warmteprogramma is de eerste stap in de gebiedsgerichte aanpak van de warmtetransitie. Aan de hand van deze aanpak gaan bewoners, ondernemers, partners van de gemeente, netbeheerders, woningcorporaties en andere betrokkenen onder regie van de gemeente per gebied op zoek naar het beste alternatief voor aardgas. De gebiedsgerichte aanpak komt voort uit het Nationaal Klimaatakkoord. Het richt zich op het uitvoeren van een set collectieve maatregelen voor een gebied, buurt of wijk. Naast de gebiedsgerichte aanpak is ook de individuele aanpak een mogelijkheid. Gebouw- en woningeigenaren zijn dan zelf verantwoordelijk voor het verduurzamen van hun pand. Warmteprogramma en uitvoeringsplan De kern van de gebiedsgerichte aanpak is dat gemeenten samen met partners identificeren welke gebieden kansen bieden voor verwarming zonder of met minder aardgas en vervolgens een plan ontwikkelen en dit uitvoeren. Het identificeren van geschikte gebieden gebeurt in het Warmteprogramma. Het plan voor het gebied kan de vorm krijgen van een uitvoeringsplan. Het uitvoeringsplan concretiseert dus de plannen uit het Warmteprogramma voor een specifiek gebied. Dit heeft gevolgen voor wanneer je welke keuzes maakt. Sommige keuzes hoeven pas ná het vaststellen van het Warmteprogramma gemaakt te worden, terwijl andere al in het Warmteprogramma nodig of nuttig zijn, zelfs als ze niet verplicht zijn.
Het is verstandig keuzes al in het Warmteprogramma te maken als deze gebiedsoverstijgend zijn of vroeg in het proces nodig zijn voor een goed verloop van de gebiedsgerichte aanpak. Gebiedsoverstijgende keuzes zijn bijvoorbeeld: • De fasering van de warmtetransitie in de hele gemeente: wanneer start je in welk gebied? • De verdeling van warmtebronnen als deze in meerdere gebieden ingezet kunnen worden. Keuzes die vroeg in de gebiedsgerichte aanpak nodig zijn, zijn bijvoorbeeld: • Voorlopige keuze voor een aardgasvrije warmtetechniek. Er wordt dan bijvoorbeeld vermeld dat er onderzoek wordt gedaan naar een publiek warmtenet. Dit houdt in dat de keuze voorlopig wordt gedaan en pas definitief wordt gemaakt aan de hand van de onderzoeksresultaten.
26
•
Uitgangspunten voor het participatieproces. Dezen worden vastgelegd in een communicatie- en participatie(uitvoerings)plan.
Andere keuzes kunnen doorgaans beter pas ná het Warmteprogramma gemaakt worden. Deze keuzes vragen om aanvullende participatie en inzichten die tijdens het opstellen van het Warmteprogramma onvoldoende beschikbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan inzicht in de specifieke wensen en behoeften van bewoners van het gebied, de vereiste gebouwaanpassingen, infrastructuur voor de warmtetechniek en de kosten voor de samenleving en eindgebruikers. Deze informatie is bijvoorbeeld belangrijk voor: • De definitieve keuze voor een aardgasvrije warmtetechniek voor een gebied. • De keuze voor een specifieke ondersteuningsaanpak voor gebouweigenaren. • De planning voor de uitvoering en realisatie. Samenhang gebiedsgerichte aanpak en juridisch planproces • De gebiedsgerichte aanpak is een werkwijze om plannen te maken om de warmtevoorziening in een gebied te verduurzamen. Het vaststellen van regels kan onderdeel zijn van deze plannen, maar dit hoeft niet. Het volgen van de gebiedsgerichte aanpak is niet verplicht. • Het juridisch planproces is een proces om op een zorgvuldige manier regels op te nemen in het omgevingsplan over de warmtevoorziening in een gebied, waaronder de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Sommige onderdelen van het juridisch planproces zijn verstandig om te doen, maar zijn niet verplicht.
27
28
Bijlage 4: Mogelijke inhoudsopgave van het Warmteprogramma Introductie Samenvatting 1. Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Gevolgen voor de gemeente 1.3 Over dit Warmteprogramma 2. Leidende principes Hierin staan we de uitgangspunten voor de gemeente, die vastgesteld zijn door de gemeenteraad. 3. Aanpak voor de hele gemeente 3.1 Verwachte resultaten van het Warmteprogramma 3.2 Sturen in transitie 3.3 Overzicht van de plannen 3.4 Onderbouwing van de keuzes Hier beschrijven we de aanpak voor de warmtetransitie voor de hele gemeente voor de komende 10 jaar. Dit onderdeel bevat: • De verwachte resultaten. • De uitgangspunten voor de rolverdeling. • Een overzicht van de keuzes per gebied. • De randvoorwaarden om de aanpak succesvol uit te kunnen voeren. 4. Aanpak per gebied 4.1 Onderbouwing keuze 4.2 Hoofdlijnen aanpak 4.3 Randvoorwaarden In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de gemeente en partners in de geselecteerde gebieden gaan doen. Na de vaststelling van het Warmteprogramma volgt het concretiseren van deze plannen, bijvoorbeeld in een uitvoeringsplan. Het Warmteprogramma sorteert voor op uitvoeringsplannen en legt de basis voor vervolgstappen. Beschrijf de aanpak per individueel gebied of groepeer soortgelijke gebieden.
Gebieden kunnen gelijksoortig zijn vanwege de beoogde warmtetechniek – bijvoorbeeld bij een gebiedsoverstijgend warmtekavel – of vanwege de eigendomssituatie van gebouwen. Onderbouw per gebied of groep gebieden de keuze voor dat gebied, beschrijf de hoofdlijnen van de aanpak en benoem de randvoorwaarden voor de gewenste uitkomst. 5. Monitoring en evaluatie In dit hoofdstuk beschrijven we de monitoring en evaluatie van het Warmteprogramma. Bijlage A: Feiten en onderzoeksgegevens Bijlage B: Participatieverslag Bijlage C: Evaluatie
29