CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

21 11 Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne Veegplan 1

Gemeenteraad 24 november 2021, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Vaststelling omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 1 (Voet- of Kraagweg 11)14.949 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

OMGEVINGSPLAN BUITENGEBIED WESTVOORNE: VEEGPLAN 1

omgevingsplan 13 september 2021

1/2

2/2

DATUM KENMERK

13 september 2021 20191879

PROJECT PROJECTLEIDER

Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 1 J.Bakker

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Westvoorne 053400.20184023

AUTEUR STATUS

J.Bakker Vastgesteld

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

3

Inhoudsopgave

Toelichting herzieningsdocument

5

Hoofdstuk 1

Toelichting Veegplan 1

7

1.1

Inleiding

7

1.2

Planbeschrijving

8

1.3

Uitvoerbaarheid

11

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Ruimtelijke onderbouwing Voet‐ of Kraagweg 11

Bijlage 2

Nota beantwoording zienswijze

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

4

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

TOELICHTING

6

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

7

Hoofdstuk 1

1.1

Toelichting Veegplan 1

Inleiding

1.1.1 Aanleiding Op 22 januari 2020 is het 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne' van de gemeente Westvoorne vastgesteld door de raad. Het 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 1' betreft de tweede herziening. Met deze herziening wordt één ruimtelijk initiatief mogelijk gemaakt. Het gaat om het toevoegen van een woning nabij de Voet‐ of Kraagweg 11 in Rockanje en het uitbreiden van de functieaanduiding 'wonen'. Voor het ruimtelijk initiatief is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, waarin onder meer wordt getoetst aan het ruimtelijk beleid en wordt ingegaan op de ruimtelijke, milieutechnische en economische uitvoerbaarheid. Deze onderbouwing is als bijlage bij de toelichting opgenomen, en wordt in hoofdstuk 1.2 ingeleid. 1.1.2 Geldende planologische situatie en planvorm Op 22 januari 2020 is het 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne' van de gemeente Westvoorne vastgesteld door de raad. Daarmee vormt het omgevingsplan het geldende planologische kader in het buitengebied van Westvoorne.

De opzet van de herziening Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 1 gaat uit van het volgende:  op de verbeelding en in de regels worden de veranderingen doorgevoerd die zijn beschreven in de toelichting op de herziening;  in de toekomst kan steeds een nieuwe toelichting aan dit herzieningsdocument worden toegevoegd voor hierop volgende herzieningen;  het gebied waar een herziening plaatsvindt, wordt op de verbeelding aangegeven; er kan sprake zijn van een aanduiding op een gewijzigd perceel of het gehele plangebied wordt aangeduid indien er sprake is van herziening van de regels die voor het gehele plangebied gelden;  het gebied waarop de herziening ziet wordt gekoppeld aan een nieuw hoofdstuk in de regels ('Hier heeft een herziening van het moederplan plaatsgevonden'). Het herzieningsdocument waarin dit veegplan is opgenomen wordt hiermee een plan dat steeds mee verandert met de vastgestelde herzieningen en op deze wijze steeds het omgevingsplan in actuele, vigerende staat laat zien, terwijl de verschillende herzieningen toch nog zichtbaar zijn. Het beschikken over een steeds actueel omgevingsplan is een van de oorspronkelijke wensen en uitgangspunten van de Omgevingswet. Naast de verschillende herzieningen blijft ook het moederplan raadpleegbaar in de speciale raadpleegomgeving.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

8

1.1.3 Leeswijzer Hoofdstuk 1 betreft de toelichting op de voorliggende herziening. De toelichting van voorliggende herziening is als volgt opgebouwd.  In paragraaf 1.2.1 volgt een toelichting op de aanpassingen die zijn doorgevoerd met deze herziening ten opzichte van de geldende planologische situatie.  In paragraaf 1.3 wordt kort ingegaan op de uitvoerbaarheid van het ruimtelijk initiatief dat met dit plan mogelijk wordt gemaakt, op basis van de conclusies die daarover in de ruimtelijke onderbouwing is getrokken.

1.2

Planbeschrijving

1.2.1 Ruimtelijk initiatief: Voet‐ of Kraagweg 11 Met deze herziening wordt één ruimtelijk initiatief meegenomen. Het gaat om het mogelijk maken van een woning en de uitbreiding van de functieaanduiding 'wonen'. Hieronder wordt het initiatief kort ingeleid en worden de juridisch‐planologische consequenties belicht (aanpassingen in de regels en de verbeelding). Voor een uitgebreide planbeschrijving en onderzoeken wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing, die als bijlage bij de toelichting is opgenomen en in dit hoofdstuk kort worden toegelicht. Huidige situatie De locatie bestaat uit de percelen bekend onder nummers 617, 622 en 623, sectie A, van de gemeente Westvoorne. In de huidige situatie bestaat de locatie uit enkele opstallen en groen. Op het kadastrale perceel met nummer 623 is een bestaande woning aanwezig. De locatie is voor een klein gedeelte verhard, maar voor het overgrote gedeelte bezaaid met gras.

Figuur 2.1 ‐ Locatie initiatief Voet‐ of Kraagweg 11

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

9

Toekomstige situatie Op het westelijke perceel (het kadastrale perceel met nummer 617) wordt een vrijstaande woning toegevoegd. De landschappelijke inpassing en technische onderbouwing van de woning wordt getoetst bij de vergunningaanvraag. Ter plaatse van de westrand van het plangebied (wederom het kadastrale perceel met nummer 617) wordt de functieaanduiding 'wonen' vergroot. De bestaande woning op het oostelijke perceel (met nummer 623) blijft gehandhaafd. Het reeds aanwezige woonicoon in het plangebied wordt verschoven naar de locatie van deze woning. Ruimtelijke onderbouwing en onderzoeken De ruimtelijke onderbouwing met bijbehorende onderzoeken van de Voet‐ of Kraagweg 11 is opgenomen in 1. 1.2.2 De herziening: veegplan 1 In deze herziening worden de aanduidingen 'Wonen' en 'Bouwregels woning' uit het moederplan 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne', zoals weergegeven in figuur 2.2., overgenomen.

Figuur 2.2 ‐ Werkingsgebied aanduidingen 'Wonen' en 'Bouwregels woning' Planologische wijzigingen Om het ruimtelijke initiatief, zoals beschreven in paragraaf 1.2.1, mogelijk te maken, worden enkele planologische wijzigingen uitgevoerd. Het huidige woonicoon wordt verplaatst naar de huidige woning op perceel 623 en er wordt een woonicoon op perceel 617 toegevoegd. Hiernaast wordt het woonvlak aan de westzijde van het plangebied vergroot. Voor het overige worden de aanduidingen en regels uit het moederplan 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne' ongewijzigd overgenomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

10

Begrenzing veegplan 1 Dit resulteert in de een begrenzing van dit veegplan 1, bestaande uit de percelen bekend onder nummers 79 (gedeeltelijk), 616 (gedeeltelijk), 617, 622, 623 en 624, sectie A, van de gemeente Westvoorne, zoals weergegeven in figuur 2.3.

Figuur 2.3 ‐ Begrenzing veegplan 1 Overzicht van de regels die in de nieuwe situatie op deze locatie van toepassing zijn Hoofdstuk Artikel Welke regels gelden bij de huidige activiteit? 16 Wonen 55 Algemeen grondgebruik Welke activiteiten zijn nog meer toegestaan? 68 Jonge zeekleipolders Regels voor aanpassen van activiteiten 71 Procedure‐ en beoordelingsregels voor nieuwe gebruiksactiviteiten Wat mag ik op deze locatie bouwen? 72 Bestaande bebouwing 73 Bouwregels woning 83 Bouwvlak woning 128 Bouwregels bij algemeen grondgebruik 133 Kwalitatieve toetsing in de zone Jonge Zeekleipolders Welke regels gelden hier voor het woon‐ en 140 Wegverkeerslawaai leefklimaat? 141 Parkeren 142 Stikstof Welke regels gelden hier voor evenementen? 143 Evenementen Welke regels gelden hier voor reclame‐uitingen? 144 Reclame‐uitingen Hier gelden archeologische en/of cultuurhistorische 148 Waarde ‐ Archeologie 3 waarden om rekening mee te houden Welke regels gelden voor het kappen van 155 Het bewaren van houtopstanden houtopstanden? Welke regels gelden hier nog meer? 156 Algemene regels

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

11

Verklarende regels Waar heeft een herziening van het moederplan plaatsgevonden?

1.3

157 Anti‐dubbeltelregel 158 Overgangsrecht 159 Slotregel 160 Begripsbepalingen 161 Wijze van meten 163 Herziening Veegplan 1

Uitvoerbaarheid

1.3.1 Milieutechnische uitvoerbaarheid De ruimtelijke ontwikkeling die onderdeel uitmaakt van deze herziening, is getoetst aan de relevante wet‐ en regelgeving voor de verschillende milieuaspecten. In een aantal gevallen zijn er onderzoeken uitgevoerd om aan te tonen dat hieraan wordt voldaan, bijvoorbeeld een QuickScan flora en fauna. De ruimtelijke onderbouwing, die als bijlage bij de toelichting is gevoegd, bevat de onderbouwing en zo nodig de onderzoeksrapportages voor de relevante milieuaspecten. 1.3.2 Economische uitvoerbaarheid Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan, een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd en het opnemen van aanvullende regels en eisen niet nodig is, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gronden in plangebied zijn volledig in eigendom van de initiatiefnemer. Voorliggende herziening van het bestemmingsplan omvat een bouwplan, de toevoeging van één woning. Het kostenverhaal wordt anderszins verzekerd via het sluiten van een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet noodzakelijk. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

1.3.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het bestemmingsplan 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 1' is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening aan diverse instanties toegezonden. In het kader van het overleg zijn geen inhoudelijke reacties ontvangen. Verder is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in artikel 3.8 bepaald dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit met de daarop betrekking hebbende stukken, die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, voor een termijn van 6 weken ter inzage legt. Een ieder is hiermee in de gelegenheid gesteld, schriftelijk en/of mondeling zijn zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan naar voren te brengen. In deze periode is 1 reactie binnen gekomen. De reactie is samengevat en beantwoord in bijlage 2.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

12

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

14

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

15

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing Voet‐ of Kraagweg 11

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

16

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

RO VOET- OF KRAAGWEG 11 ROCKANJE ruimtelijke onderbouwing 13 september 2021

1/2

RO Voet- of Kraagweg 11 Rockanje Westvoorne

identificatie

planstatus

projectnummer:

datum:

20191879

opdrachtleider:

J. Bakker

Weena 505 Postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl

01-04-2021 13-09-2021

status:

concept definitief

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

3

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Vigerend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

8

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

9

2.1

Bestaande situatie

9

2.2

Beoogde situatie

9

Hoofdstuk 3

Ruimtelijk beleidskader

11

3.1

Inleiding

11

3.2

Rijksbeleid

11

3.3

Provinciaal beleid

12

3.4

Gemeentelijk beleid

15

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

17

4.1

Inleiding

17

4.2

Archeologie & Cultuurhistorie

17

4.3

Ecologie

18

4.4

Bodem

21

4.5

Externe veiligheid

21

4.6

Bedrijven en milieuhinder

23

4.7

Luchtkwaliteit

24

4.8

Water

25

4.9

Verkeer en parkeren

28

4.10

Wegverkeerslawaai

28

4.11

Kabels en leidingen

29

4.12

Vormvrije m.e.r.‐beoordeling

29

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

31

5.1

Economische uitvoerbaarheid

31

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

31

Bijlagen toelichting

33

Bijlage 1

Memo stikstofberekening

35

Bijlage 2

Stikstofberekening gebruiksfase

37

Bijlage 3

Stikstofberekening aanlegfase

39

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

4

Bijlage 4

Quickscan flora en fauna

41

Bijlage 5

Bodemonderzoek

43

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

45

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

TOELICHTING

6

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Op de locatie aan de Voet‐ of Kraagweg 11 in Rockanje is het voornemen om een woning naast de huidige woning te realiseren. In de huidige situatie is sprake van een woning. Aan de westzijde wordt een woning toegevoegd. Deze gronden zijn nu ingericht met oude opstallen en groen. Aan de westzijde wordt de functieaanduiding 'wonen' vergroot. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, wordt de tweede herziening opgesteld van het geldende bestemmingsplan 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne'. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt als bijlage bij de tweede herziening 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 1' toegevoegd.

1.2

Ligging plangebied

De ontwikkeling heeft betrekking op Voet‐ of Kraagweg 11 te Rockanje in het landelijk gebied (zie ook figuur 1.1). Het plangebied omvat de kadastrale percelen in de gemeente Westvoorne, sectie A, nummers 617, 622 en 623.

Figuur 1.1 ‐ Ligging plangebied

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

8

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Op de locatie geldt het 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne: Veegplan 1'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 22 januari 2021. Op de locatie bevindt zich de functieaanduiding 'wonen'. Uitsluitend aan de westrand van het plangebied geldt deze aanduiding niet. Enkel ter plaatse van een woonicoon is een woning toegestaan (ronde cirkel). Op de locatie van de toekomstige woning is geen woonicoon opgenomen. In figuur 1.2 is een uitsnede opgenomen van de huidige planologische situatie, afkomstig van de plankaart van het geldende plan.

Figuur 1.2 ‐ Planologische situatie volgens het geldende bestemmingsplan

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de huidige en toekomstige planologische situatie weergegeven. Waarna in hoofdstuk 3 het vigerende beleid wordt beschreven. In hoofdstuk 4 worden vervolgens de relevante omgevingsaspecten toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

9

Hoofdstuk 2

2.1

Planbeschrijving

Bestaande situatie

De locatie bestaat uit de percelen bekend onder nummers 617, 622 en 623, sectie A, van de gemeente Westvoorne. In de huidige situatie bestaat de locatie uit enkele opstallen en groen. De locatie is voor een klein gedeelte verhard, maar voor het overgrote gedeelte bezaaid met gras.

Figuur 2.1 ‐ Huidige situatie

2.2

Beoogde situatie

Op het westelijke perceel wordt een vrijstaande woning toegevoegd. De landschappelijke inpassing en technische onderbouwing van de woning wordt getoetst bij de vergunningaanvraag. Ter plaatse van de westrand van het plangebied wordt de functieaanduiding 'wonen' vergroot. Het huidige woonicoon ligt niet op de juiste plaats en wordt verplaatst naar de locatie van de huidige woning op perceel 623. Voor de toevoeging van de woning op het westelijke perceel (nummer 617) wordt een woonicoon toegevoegd. Dit woonicoon wordt op een afstand van 29 meter vanaf de wegas gerealiseerd om te voldaan aan de grenswaarden voor geluid, zie paragraaf 4.10.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

10

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

11

Hoofdstuk 3

3.1

Ruimtelijk beleidskader

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het relevante ruimtelijke beleidskader beschreven. Achtereenvolgens komt het rijksbeleid, het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid aan bod.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) en Barro (2020) In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) formuleert het Rijk een nieuwe integrale aanpak waarin samen met andere overheden en organisaties optimaal kan worden gewerkt aan behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen spelen de volgende vier prioriteiten de komende jaren een grote rol in de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Nationale belangen De NOVI is vertaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Deze gaat echter pas in zodra de omgevingswet in werking treedt. De voorloper van het BKL is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuurnetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Toetsing en conclusie De NOVI en het Barro kenmerken zich door een hoog abstractieniveau en bevatten geen concreet beleid ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid. 3.2.2 Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling (art. 3.6.1 Bro, juli 2017) Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Toelichting Gezien de geringe aard van de ontwikkeling (toevoeging van één woning) is er geen ladderplichtige onderbouwing noodzakelijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

12

3.3

Provinciaal beleid

Het vigerende provinciaal beleid voor het plangebied is de Omgevingsvisie Zuid‐Holland (2020‐08‐01) en de Omgevingsverordening Zuid‐Holland (2020‐08‐01). Relevante zaken uit dit beleid worden getoetst aan de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 3.3.1 Omgevingsvisie Zuid‐Holland (geconsolideerd augustus 2020) Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads‐ en dorpsgebied De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads‐ en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Zie paragraaf 3.2.2. Behoud en versterking biodiversiteit Het provinciale beleid is gericht op het behouden, herstellen en op langere termijn vergroten van de biodiversiteit in Zuid‐Holland, inclusief de biodiversiteit van de bodem. Om dit doel te bereiken zet de provincie in op duurzaam beheer, bescherming en voltooiing van het Natuurnetwerk Nederland, meer natuurwaarden op boerenland en in recreatiegebieden. De actieve bescherming van soorten krijgen vorm en inhoud aan de hand van 40 icoonsoorten en binnen het faunabeheer is er aandacht voor de (welzijns‐)effecten van dieren op de langere termijn.

Toetsing en conclusie De toetsing van het NNN is te vinden in paragraaf 4.3 en in de toelichting bij de laag van beleving. De ontwikkeling heeft, mede vanwege de kleinschaligheid, geen invloed op de beschermde gebieden. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits‐beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). In de visie wordt hiervoor verwezen naar de kwaliteitskaart. De provincie onderscheidt vier lagen: de ondergrond, cultuur‐ en natuurlandschappen, stedelijke occupatie en beleving. Ieder ondergrond kent zijn eigen richtpunten om de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving.

Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Laag van de ondergrond In figuur 3.1 is te zien dat het plangebied op de ondergrond jonge stroomgordels en rivierdeltacomplex ligt. De volgende richtpunten zijn relevant voor het plangebied:  Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. 1. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

13

Figuur 3.1 ‐ Laag van de ondergrond (bron: kwaliteitskaart provincie Zuid‐Holland) Laag van de stedelijke occupatie Deze laag is niet aanwezig in het plangebied. Laag van de cultuur‐ en natuurlandschappen Figuur 3.2 laat zien dat het plangebied in zowel zeekleipolderlandschap als rivierdeltalandschap ligt. De volgende richtpunten zijn relevant voor het plangebied:  Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.

Figuur 3.2 ‐ Laag van de cultuur‐ en natuurlandschappen (bron: kwaliteitskaart provincie Zuid‐Holland)

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

14

Laag van de beleving In figuur 3.3 is te zien dat het plangebied ten zuiden van een natuurgebied (NNN) ligt. Richtpunt voor het natuurgebied is dat ontwikkelingen de wezenlijke natuurkenmerken en waarden van een gebied behouden of herstellen. In paragraaf 4.3 is getoetst aan het NNN.

Figuur 3.3 ‐ Laag van de beleving (bron: kwaliteitskaart provincie Zuid‐Holland) Toetsing en conclusie Het huidig aanwezige groen wordt zo veel mogelijk behouden. De nieuwe woning sluit aan bij de omgeving en het bestaande ruime bebouwingslint. De locatie betreft een polderlint met een groensingel. Binnen de groensingel wordt de nieuwe woning ingepast. Hierdoor wordt de openheid van de jonge zeekleipolder en de huidige structuur niet aangepast. De richtpunten uit het provinciaal beleid zijn daarmee niet in het geding. 3.3.2 Omgevingsverordening Zuid‐Holland 2020‐08‐01 (geconsolideerd) In de Omgevingsverordening heeft de provincie regels gesteld om de provinciale hoofdbelangen uit de Omgevingsvisie Zuid‐Holland 2040 juridisch te borgen. Gemeenten moeten bij het maken van ruimtelijke plannen deze regels in acht nemen. De Omgevingsverordening is daarmee een kaderstellend instrument van de provincie voor gemeenten. De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna aan de relevante artikelen uit de omgevingsverordening getoetst. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Lid 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

15

1.

c.

zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Toetsing en conclusie In tegenstelling tot gebiedsidentiteit en structuur is een kavel vaak een relatief klein, aaneengesloten stuk grond dat één bepaalde vorm van gebruik kent. Ruimtelijke ontwikkelingen op een kavel kunnen geheel in lijn met de bestaande situatie en bestaande kwaliteit liggen. In dat geval zijn de consequenties van de ingreep nauwelijks van invloed op de ruimtelijke kwaliteit van kavel en omgeving. De ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet geen wijzigingen op structuurniveau en past bij de aard en schaal van het gebied. Er is sprake van inpassen. Er dient rekening te worden gehouden met de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie, zie paragraaf 3.3.1. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:  de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening. Toetsing en conclusie Gezien de geringe aard van de ontwikkelingen (een woning) is er geen ladderplichtige onderbouwing noodzakelijk, zoals eveneens is geconcludeerd in paragraaf 3.2.2.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Westvoorne 2030 Het ruimtelijk beleid van de gemeente Westvoorne is vastgelegd in de Omgevingsvisie Westvoorne 2030 (vastgesteld 24 januari 2017). Met de omgevingsvisie wil de gemeente Westvoorne vooruitlopen op de komst van de Omgevingswet. De visie nodigt vooral uit, is flexibel en is vooral geen harnas. De gemeente streeft naar een voldoende aanbod van kwalitatief goede en betaalbare woningen, zowel in de huur‐ als in de koopsector. Per locatie/gebied wordt bekeken wat de wensen en mogelijkheden zijn; uitgaande van maatwerk. Het toevoegen van een woning op deze locatie draagt bij aan het diverse aanbod van woningen in de gemeente.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

16

3.4.2 Handboek Kwaliteitsverbetering De gemeente Westvoorne kent een integrale omgevingsvisie, welke in samenspraak met stakeholders en burgers is opgesteld. In de integrale omgevingsvisie is de gewenste koers beschreven van een aantal deelgebieden en de ontwikkelrichtingen gaan hierbij uit van het verder verbeteren van bestaande kwaliteiten. Men wenst hiermee te bewerkstelligen dat het karakter van Westvoorne behouden blijft en indien mogelijk, de gemeente nog mooier te maken. Uitgangspunt hierbij is dat bestaande kwaliteiten behouden blijven, of dat deze worden vergroot. De gemeente speelt hierbij een faciliterende c.q. regisserende rol. De planlocatie is gelegen in een gebied hetgeen wordt getypeerd als Jonge zeekleipolder. Deze polders zijn ontstaan doordat er tegen de dijken van oude zeekleipolders kleiplaten opslibden en deze “aanwassen” werden ingepolderd. Kenmerkend voor de jonge zeekleipolders is dat ze planmatig zijn verkaveld, met hoekige vormen en met rechte polderwegen die als lange lijnen door de open polders lopen. De planlocatie is gelegen binnen de St‐Annapolder alwaar de verkaveling regelmatig en blokvormig is. Het kwaliteitshandboek kent ambities en aanbevelingen voor wat betreft de jonge zeekleipolders omtrent cultuurhistorische identiteit, de landschapsstructuur, openheid, erfsingels, kavelpatronen en karakteristieken van het lint.

De planlocatie is gelegen binnen een groensingel c.q erfsingel welke in tact blijft. Hierdoor wordt de ontwikkeling aan het zicht onttrokken en vinden er ook geen veranderingen plaats voor wat betreft het kavelpatroon alsmede het karakteristiek van het lint. Derhalve blijven de bestaande kwaliteiten behouden en is de ontwikkeling in lijn met het handboek.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

17

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk project te worden aangetoond en dient te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de milieutechnische aspecten beschreven en getoetst die relevant zijn voor de ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

4.2

Archeologie & Cultuurhistorie

Beleidskader Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Westvoorne heeft op 22 april 2008 een gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de Archeologische Waarden‐ en Beleidskaart (AWK) een belangrijk instrument vormt.

De kaart toont de archeologische waarden en verwachtingen binnen Westvoorne en geeft aan hoe de gemeente daarmee omgaat. In het momenteel voor het plangebied geldende bestemmingsplan is een dubbelbestemming ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden opgenomen. De AWK is het achterliggende beleidskader voor de motivering van die dubbelbestemming. Onderzoek en conclusies Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden is in het bestemmingsplan 'Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne' een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van meer dan 200 m2 of die dieper reiken dan 80 cm beneden het maaiveld. Deze vrijstellingswaarden zijn met een archeologische dubbelbestemming overgenomen in de regels van de tweede herziening. Op deze manier is en blijft het archeologische belang gewaarborgd in het geldende bestemmingsplan. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardes aanwezig.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

18

4.3

Ecologie

Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura‐2000 gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura‐2000 gebieden: De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN): Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

19

dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.1). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied, Voornes Duin, ligt op circa 1,2 kilometer.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

20

Figuur 4.1 ‐ Uitsnede beschermde natuurgebieden Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. Mogelijk heeft de ontwikkeling wel gevolgen als verzuring of vermesting voor de Voornes Duinen. Dit is onderzocht met AERIUS‐berekeningen. De memo hiervan is opgenomen in de bijlagen (bijlage 1). In bijlage 2 en 3 zijn de berekeningen opgenomen. Soortenbescherming Door de sloop van enkele opstallen en de kap van enkele bomen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 4. Uit de quickscan blijkt dat:  Er zijn geen beschermde natuurwaarden aanwezig en/of te verwachten in de bebouwing en rondom het beboste deel van de onderzoekslocatie.  De werkzaamheden dienen zoveel als mogelijk uitgevoerd te worden buiten de broedperiode van vogels om verstoring van nesten te voorkomen, of de werkzaamheden dienen te starten voor het broedseizoen met een doorloop tijdens het broedseizoen. Op deze manier wordt vanwege de toenemende menselijke activiteit in het gebied voorkomen dat broedvogels zich zullen gaan vestigen.  Er treden geen effecten op ten aanzien van beschermde natuurwaarden.  Er is geen nader soortgericht onderzoek noodzakelijk ter plekke.  Er vinden geen overtredingen plaats van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve gevolgen voor beschermde soorten en er is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming, wel dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Het aspect ecologie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

21

4.4

Bodem

Toetsingskader In verband met de uitvoerbaarheid van een plan dient rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek Het grootste gedeelte van het plangebied is reeds bestemd voor wonen. Voor het gedeelte aan de westzijde, waar de functieaanduiding 'wonen' wordt toegevoegd, is een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld:  In de grond zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen.  De grond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.  Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Voor de overig onderzochte parameters zijn geen verhoogde concentraties aangetoond. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende streefwaarde (grondwater) dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen.

Echter, is de gemeten waarde dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stof in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Beperkingen inzake het juridisch‐planologisch mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling die met de herziening van het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

4.5

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

22

Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.

Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In de directe omgeving van de ontwikkeling liggen geen risicovolle inrichtingen. De locatie ligt circa 500 meter ten noorden van de N57, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De PR 10‐6‐contour ligt op 12 m uit de wegas. De locatie valt buiten deze risicocontour. Wel ligt dit perceel deels binnen het invloedsgebied voor het GR. Uit het bijlagenrapport bij het Basisnet weg (Arcadis, 2009) blijkt dat het GR kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ontwikkeling heeft een minimale invloed op de personendichtheid langs deze transportroute en heeft daarmee geen gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico langs de N57. Vanwege de ligging in het invloedsgebied is wel een beknopte verantwoording opgesteld waarbij kort wordt ingegaan op de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

23

Verder zijn in of nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen. Tevens vindt in of nabij het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Voet‐ of Kraagweg. Deze weg gaat in oostelijke richting naar de provinciale weg N496 en in westelijke richting naar de Schapengorsedijk. Vanaf deze wegen kan het verdere wegennet van Goeree‐Overflakkee worden bereikt. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal één nieuwe woning gerealiseerd worden.

De mogelijk aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Conclusie Uit de beknopte verantwoording blijkt het risico van de risicovolle transportroute N57 aanvaardbaar. Er zijn geen verdere relevante risicovolle bronnen gevonden voor de ontwikkeling. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.6

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor een gemengd gebied geldt dat een trede lager genomen mag worden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

24

Onderzoek De locatie aan de Voet‐ of Kraagweg wordt omgeven door agrarische gronden, natuur, verblijfsrecreatie en woningen. Agrarische bedrijven In de omgeving van het plangebied is sprake van agrarische bedrijvigheid. Om te spreken van een ruimtelijk acceptabel woon‐ en leefklimaat is een afstand benodigd van 50 meter tussen plangebied en agrarische gronden. Er hoeft dan niet te worden gevreesd voor (toekomstige) beperkingen voor het agrarisch bedrijf. Doordat er mogelijk sprake is van een kleinere afstand dan 50 meter tussen de beoogde ontwikkeling en de agrarische gronden dient er locatie specifiek onderzoek te worden uitgevoerd om te kijken of er sprake is van een ruimtelijk aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Gezien er nu nog niet exact bekend is waar de extra woning zal komen, dient bij de verdere uitwerking rekening te worden gehouden met de 50 meter afstand tot agrarisch grondgebruik. Met de inpassing van de woning is het waarschijnlijk mogelijk om deze afstand aan te houden. Camping Circa 55 meter ten westen van het plangebied ligt Midicamping van der Burgh. Voor een kampeerterrein geldt volgens de VNG‐publicatie een richtafstand van 50 m ten opzichte van een rustig buitengebied. Aan de richtafstand wordt in het geval van de toekomstige woning voldaan.

Verder zijn in de omgeving geen bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor de milieusituatie ter plaatse van het plangebied, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde woning sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet in de eigen bedrijfsvoering worden beperkt. Om dit te garanderen dient wel nog in de verdere uitwerking van de extra woning rekening te worden gehouden met de richtafstand van 50 meter tot agrarische gronden.

4.7

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³

jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24‐uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Tabel 4.1 ‐ Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

25

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek Met dit bestemmingsplan wordt een extra woning mogelijk gemaakt.

Deze woning valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de beoogde woning niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2020 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Schapengorsedijk. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Water

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

26

Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan  Provinciale Structuurvisie  Provinciale Omgevingsverordening Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016‐2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld.

Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Huidige situatie Algemeen Op de locatie bevinden zich momenteel groen en enkele opstallen. Bodem en grondwater De bodem van de locatie bestaat met name uit klei op fijn zand. Er is sprake van grondwatertrap V. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand varieert onder 0,4 m beneden het maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden het maaiveld ligt. Waterkwantiteit Overeenkomstig de Legger van het waterschap wordt de locatie omgeven door diverse watergangen, zie figuur 4.2. De rode watergangen in het figuur betreffen overige wateren met een beschermingszone van 2 meter en de blauwe watergangen in het figuur betreffen wegsloten of hoofdwatergangen met een beschermingszone van 5 meter. Binnen deze beschermingszones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

27

Figuur 4.2 ‐ Uitsnede legger wateren en kunstwerken Veiligheid en waterkeringen De locatie is niet gelegen binnen de kern‐ en beschermingszone van een regionale/primaire waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen In de toekomstige situatie worden de opstallen gesloopt en wordt een woning toegevoegd. Er is geen toename van het verhard oppervlak binnen het plangebied. Watercompenserende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Waterkwantiteit De herziening van het bestemmingsplan brengt geen wijzigingen aan in het bestaande watersysteem. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in‐) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191879

28

Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie De herziening van het bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Bij realisatie van de ontwikkeling wordt rekening gehouden met de beschermingszones van de nabijgelegen watergangen. Alvorens het definitief indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning zal overleg plaatsvinden met het waterschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10778474/1