21 09 21 brief Jeugdhulp Rijnmond inkoopstrategie bijlage
Tekst van het document
De bovenstaande figuur geeft de vier opties voor de SAS-inkoop zonder offerte schematisch weer. Iedere optie is gericht op een bepaalde, typische situatie van gemeenten waar zij mee te maken hebben bij de inkoop. a. SAS zonder offerte optie 1 (hierna: SAS 1) is het meest eenvoudige (basis-)proces. SAS 1 is vooral geschikt in een zorglandschap met weinig aanbieders en weinig noodzaak (of prioriteit) voor maatwerk en vernieuwing; b. SAS optie 2 (hierna: SAS 2) is een eenvoudig SAS-proces gericht op selectie. Dit is vooral aan de orde in een zorglandschap met veel aanbieders waar de gemeente noodzaak of wens heeft om het aantal zorgaanbieders te beperken door een selectie uit te voeren;
25
c. SAS optie 3 (hierna: SAS 3) is een eenvoudig SAS-proces waarin een dialoogfase wordt opgenomen. Dit is vooral aan de orde in een zorglandschap met veel aanbieders, waar de gemeente de noodzaak of wens heeft om in nadere dialoog met aanbieders tot contractafstemming te komen, en daarbij transitie en innovatie de ruimte te geven; d. SAS optie 4 (hierna: SAS 4) is een eenvoudig SAS-proces waarbij contracteren en nadere dialoog in verschillende fasen worden ondergebracht. In basis is dit proces vergelijkbaar met SAS 3, maar de afstemming met zorgaanbieders is onderdeel van een langlopend contract. Deze vier opties worden allemaal administratief luw ingevuld. Hierbij kan de gemeente meer aandacht besteden aan gesprekken met zorgaanbieders die over inhoud gaan dan over procedures. Ieder van de vier opties is gedefinieerd binnen de in de Aanbestedingswet 2012 opgenomen procedure voor SAS-diensten boven het drempelbedrag van € 750.000,- exclusief btw. Voor dergelijke diensten is de enige wettelijke verplichting om een (voor)aankondiging te doen aan het begin en een bekendmaking van gunning te doen aan het einde van de inkoopprocedure. De Europese wetgever heeft verder niet ingevuld hoe de SAS-procedure er tussen die twee publicatiemomenten concreet uit moet zien. De Aanbestedingswet 2012 bevat slechts een beperkt aantal voorschriften over de concrete invulling van de procedure.
Weinig voorgeschreven invulling betekent ook veel vrijheidsgraden voor de gemeente om zelf een SAS-inkoopprocedure te ‘bedenken’. Gekoppeld aan de A,B,C analyse is het voor de hand liggend dat er gekozen wordt voor een SAS 3 of 4 proces bij de inkoop van A systeemaanbieders; Bij de inkoop van B kan gedacht worden aan SAS 2 of 3. Bij de C aanbieders past de SAS 1 en/of 2 het best.
3.6 Het vervolg op de inkoopstrategie Op het moment van opstellen van deze notitie is de projectgroep inkoop nog doende informatie te verzamelen in verband met de knip in de specialistische ambulante hulp (huidige opdracht E). In april zal op basis van deze informatie een voorstel worden besproken in de stuurgroep. Verder wordt momenteel gewerkt aan een opzet voor de sturing en bekostiging, zoals al is beschreven in paragraaf 3.3. Het vervolgproces ziet er verder in grote lijnen als volgt uit: • • • • • • • • •
Schrijven bestekken: april tot en met oktober Uitvoeringstoets: mei Bouwstenen voor de tarieven: in juli in AB Start aanbesteding: 1 november 2021 Selectie aanbieders medio januari 2022 Ontwikkeltraject met aanbieders: medio januari – eind maart 2022 Eventuele kort gedingen: februari t/m april 2022 Verwerking ontwikkeltraject in contracten: april en mei 2022 Ondertekening contracten: uiterlijk 30 juni 2022
26
Hoofdstuk 4: de opbrengsten van de marktanalyse De huidige opdrachten zijn geanalyseerd en leiden per opdracht tot geleerde lessen, ontwikkelpotentieel en inkoopdoelstellingen. Omdat de opdrachten in de aanbesteding voor 2023 in een andere structuur terugkomen, worden de huidige opdrachten hieronder verder aangeduid als pakketten om verwarring met de nieuwe opdrachtstructuur te voorkomen. De opbrengsten van de marktanalyse voor deze pakketten zijn onverminderd relevant. In bijlage 4 kunt u een uitgebreide beschrijving vinden van de opbrengsten van de marktanalyse per opdracht.
4.1: Pakket alternatief thuis Beschrijving van het pakket De regiovisie “Nabij en Passend” spreekt uit dat de problemen zoveel mogelijk in de gewone leefomgeving en samen met jongeren en gezinnen moeten worden opgelost. Maar soms komt het voor dat de thuissituatie geen veilige of passende woonomgeving vormt voor een jeugdigen. Dan is het noodzakelijk dat hier een alternatief wordt toegepast. Dit kan zowel kortdurend als langdurend zijn. Dit betreft de inzet van pleegzorg, gezinshuizen en training zelfstandig wonen. Het streven is om het alternatief zoveel mogelijk in de oorspronkelijke woonomgeving van een jongere te realiseren. Belangrijkste ontwikkelingen en uitdagingen Het streven is om de hulp zo veel mogelijk de hulp in de eigen context van het kind te organiseren en uithuisplaatsingen te voorkomen. Wanneer uithuisplaatsingen toch noodzakelijk blijkt wordt de voorkeur gegeven aan het eerst verkennen van mogelijkheden van netwerk- en of deeltijdpleegzorg voordat wordt overgegaan op een gehele uithuisplaatsing (voltijdpleegzorg). Een laatste optie is gezinshuisaanbod. Bij de plaatsing en matching is het van belang dat jeugdigen instappen op het juiste niveau. Voor jeugdigen met zwaardere problematiek is reguliere pleegzorg bijvoorbeeld mogelijk minder passend en is een gezinshuis passender.
In de toegang wordt een goede inschatting gemaakt van wat het meest passende aanbod voor de jeugdige is. In de huidige situatie is een tekort aan pleegouders in de regio. Regionaal is een wervingscampagne gestart om het aantal pleegouders in de regio te vergroten. De grootste uitdaging voor de komende periode is voldoende en passend aanbod te creeeren om de ontwikkelingen en ambitie waar te maken. Belangrijkste knelpunten/lessons learned Voor het pakket alternatief thuis zijn een aantal knelpunten geconstateerd: • Er is een tekort aan pleegzorg en gezinshuishoudens (gekwalificeerd) in de regio; • Er is een tekort aan (kwalitatief goed) gezinshuisaanbod en huisvesting; • Vanwege het tekort wordt de match gemaakt op basis van beschikbaarheid. Hierdoor krijgt de jeugdige niet altijd een direct passende woonplek; • De ouders worden te weinig ondersteunend door de pleegzorgaanbieder. Hierdoor is eerder sprake van uitval uit het pleeggezin en opname in een verblijfsvoorziening; 27
• • • • •
De inzet van ambulante zorg voor de jeugdige is onvoldoende (tijdig) beschikbaar; Vanwege het tekort en wachtlijsten, waardoor overbruggingszorg niet altijd beschikbaar is; Niet altijd wordt integraal gekeken naar de problematiek in het gezin; De regievoering over de jeugdige in pleegzorg is onvoldoende scherp ; Wanneer een jeugdige 18 jaar wordt, is er niet altijd direct passende hulp vanuit de Wmo beschikbaar.
Inkoopdoelstellingen Voor het pakket alternatief thuis zijn de volgende inkoopdoelstellingen geformuleerd: • In de toegang wordt gestreefd naar 0-uithuisplaatsingen. Bij voorkeur wordt (meer) netwerkpleegzorg of pleegzorg ingezet om uithuisplaatsingen te voorkomen; • Er wordt gestreefd naar zo min mogelijk onnodige overplaatsingen en het voorkomen van mismatchen. Bij plaatsing wordt direct een passende en duurzame plek voor de jeugdige gevonden; • In de regio is het aantal pleegouders vergroot; • In de regio wordt het aantal gezinshuishoudens vergroot; • In de regio is sprake van meer gedifferentieerd kwalitatief goed aanbod van gezinshuisen kamertraining; • In de regio is sprake van meer gedifferentieerd passend aanbod voor pleegzorg (broertjes en zusjes samen en 12+); • Waar nodig kan snel passende ambulante hulp aan de jeugdige in pleegzorg worden geboden om escalatie en uitval te voorkomen; • De toegang maakt gebruik van integrale diagnostiek in het biologische gezin; • Het wijkteam voert de casusregie op de jeugdige. Het wijkteam maakt gebruik van het toekomstplan dat wordt opgesteld voor de jeugdige; • Ouders worden optimaal ondersteund in hun rol als pleegouder (ondersteuning in de brede zin van extra hulp, pedagogische hulp en huishoudelijke hulp); • Wanneer de jeugdige 18 jaar wordt, wordt indien nodig passend (woon)aanbod vanuit Wmo ingezet.
Inzet inkoopinstrumenten Leveranciersmanagement • Voor alternatief thuis aanbod (pleegzorg, gezinshuizen en kamertrainingen) wordt een beperkt aantal aanbieders gecontracteerd; • Deze aanbieders concurreren niet met elkaar en zorg voor genoeg verscheidenheid in het aanbod (passend aanbod voor zowel jeugdigen als pleegouders). De aanbieder pakt op eigen expertise een kind op; • Pleegzorgaanbieders werken met elkaar samen voor de werving van nieuwe pleegouders. De regio heeft een actieve regierol bij de werving van nieuwe pleegouders; • Van aanbieders wordt gevraagd inzet te leveren om te voorkomen dat een kind uit moet wordt geplaatst door bijvoorbeeld gezinstherapie al eerder in te zetten wanneer een kind in beeld is (bij ambulante partijen) • Van aanbieders wordt gevraagd ambulante hulp in te kunnen zetten indien nodig en passende ondersteuning aan ouders te bieden. Dit kunnen aanbieders zelf leveren of
28
•
hiervoor samenwerken met ambulante partijen. Hiervoor wordt samengewerkt met het lokale veld; Gestuurd wordt op vergroting en differentiatie van het pleegzorg aanbod (meer broertjes en zusjes samen, aanbod van 12 jaar en ouder) en vergroting en differentiatie van kwalitatief goed gezinsaanbod.
Toegang • Alle betrokken partijen streven naar voorkomen van uithuisplaatsingen. De toegang, inclussief de GI’s, verkennen eerst alle andere denkbare mogelijkheden in eigen context van de jeugdige; • De regio maakt afspraken met de GI’s over de afweging wanneer een kind wel of niet uit huis wordt geplaatst en over op- en afschalen van hulp die wordt ingezet; • Indien een uithuisplaatsing toch noodzakelijk is, krijgt de jeugdige direct een duurzame passende woonplek, en stroomt direct in op het juiste niveau (netwerkdeeltijdpleegzorg, voltijdpleegzorg of gezinshuis) • Namens de pleegzorgaanbieders maakt 1 aanbieder de match en blijft verantwoordelijk voor het kind tot dat deze is geplaatst; • Vanuit de toegang wordt actief case management gevoerd waar wordt gekeken wanneer de thuissituatie van de jeugdige weer veilig is en deze eventueel weer naar huis kan. Voor jeugdigen vanaf 16,5 jaar werkt de toegang met een toekomstplan voor een goede uitstroom richting Wmo of eigen huis. Bekostiging • Het arrangementenmodel wordt doorontwikkeld met de invoering van tredes voor alternatief thuis.
Hierbij is de laagste trede netwerk-deeltijdpleegzorg en de hoogste trede gezinshuis; • De wens is binnen het pakket in het arrangementenmodel een trede toe te voegen voor de inzet van ambulante ondersteuning aan de jeugdige; • In de bekostiging wordt het aantrekkelijk gemaakt om pleegzorg in te zetten voordat duurdere vormen van hulp worden ingezet. • Mogelijk toewerken naar een aparte bekostiging voor de werving van pleegouders waarbij de regio regie voert over het budget en de voortgang. Contract • Meerjarig contract (3-5 jaar met kans op verlening) met strakke kwaliteits- en toetredingseisen; • In de pleegzorgcontracten wordt vastgelegd dat aanbieders niet concurreren op de markt en wordt samengewerkt bij het voeren van campagne voor de werving van pleegouders Belangrijkste wijzigingen Er wordt gestreefd om de hulp zo veel mogelijk in de eigen context van de jeugdige te organiseren. Wanneer het echt noodzakelijk blijkt te zijn, wordt nadrukkelijk meer ingezet op de mogelijkheden van netwerk- en of deeltijdpleegzorg dan voorheen. Daarnaast is, ten opzichte van voorgaande periode, meer aandacht voor de juiste matching om uitval te voorkomen. De toegang speelt hier een essentiële rol en vanuit de wijkteams wordt de casusregie gevoerd. Tot slot wordt middels dit pakket gezocht naar gedifferentieerd aanbod. 29
4.2: Pakket behandeling met verblijf Korte beschrijving van het pakket De regiovisie “Nabij en Passend” spreekt uit dat van alle vormen van verblijf (pleegzorg, residentieel en langdurig verblijf) pleegzorg de beste optie is. Nog steeds geldt daar dat alleen pleegzorg aan de orde is, als ambulante inspanningen in het oorspronkelijke gezin niet het gewenste resultaat hebben. Pleegzorg is de ‘second best’ optie. Het is ons streven om bij de inzet van pleegzorg rekening te houden met de identiteit van het kind. Bij de inzet van pleegzorg is een aantal noties van belang. Pleegzorg is echter niet in alle gevallen haalbaar en toereikend voor de specifieke zorgvraag. Residentiele zorg inclusief behandeling zijn soms noodzakelijk. Residentiële zorg Residentiële zorg is altijd gekoppeld aan ondersteuning, dat is ons nieuwe uitgangspunt voor verblijf. We draaien het om: het gaat niet om een bed, maar het is behandeling met de mogelijkheid om iemand tijdelijk op te nemen. Die behandeling moet altijd beschikbaar zijn. Ook buiten kantooruren. Gezien de tijdelijkheid en gegeven dat jeugdigen maar kort worden opgenomen is de casusregisseur van het lokaal team intensief betrokken. Belangrijk daarbij is de band met de school waar mogelijk te behouden. Het streven is om de residentiële zorg geografisch zoveel mogelijk in de oorspronkelijke buurt te realiseren.
De mate waarin dat haalbaar is, is afhankelijk van de afweging tussen volume en kwaliteit & kosten. Om residentiële zorg zo kort mogelijk te laten duren is het van belang dat er in de capaciteit voldoende mogelijkheden zijn om door te stromen (af te schalen) en dat de financiering gericht is op een kortdurende opname. Hiervoor is nodig dat zo snel mogelijk na start van de residentiële zorg een perspectiefbepaling plaatsvindt: is het perspectief terugkeer in de gewone thuissituatie of moet een nieuwe thuissituatie worden gevonden? Langdurig verblijf Langdurig verblijf is voor jongeren voor wie een gezinscontext niet meer passend is. Langdurig verblijf is gericht op de toekomst van een jongere en op diens zelfstandigheid. De inspanning is gericht op het voorbereiden van de jongere op de volwassen toekomst. Waar nodig moet behandeling ingezet kunnen worden in langdurig verblijf. We voorkomen daarmee dat jongeren uitvallen uit langdurig verblijf en terugvallen in een residentiële opname doordat behandeling niet beschikbaar is. Belangrijkste knelpunten/lessons learned Bij behandeling en verblijf worden de volgende knelpunten geconstateerd: • Aanbieders hebben het pakket om integraal zorg te leveren, maar dit komt onvoldoende van de grond en gezamenlijke verantwoordelijkheid mist. Hierdoor krijgen jeugdigen niet altijd de meest passende zorg.
• Instroom lijkt niet beïnvloedbaar en is hoog. • In de toegang wordt nog niet altijd naar het gehele gezin gekeken. • Verblijf in pakket B neemt toe. De doorstroom en uitstroom komt onvoldoende op gang. Mede doordat uitstroommogelijkheden voor woonplekken, ambulante ondersteuning of aanbod 18-/18+ niet (tijdig) beschikbaar is. • 40% van de jeugdigen in dit pakket is ouder dan 18 jaar en maakt gebruik van de verlengde jeugdwet. Door tekort aan huisvesting en tekort aan passend aanbod vanuit Wmo en WLZ stromen deze jeugdigen niet uit.
30
• • •
Ontbreken van regie op het hulpverleningsproces aan de jeugdige: hierdoor komt uitstroom komt onvoldoende op gang (onderwijs, ambulant) Geen beschikbare plekken in de pakketten A en C, en lange wachttijden in E. Dit bemoeilijkt de uitstroom uit B. Aanbod voor LVB mist.
Belangrijkste ontwikkelingen en uitdagingen Bij de huidige uitvoering van dit segment zien we nog teveel intramurale plaatsingen en zijn er te weinig bewegingen en innovatieve oplossingen die de zorg via een extramurale wijze kunnen bieden. Om intramurale oplossingen slechts in te hoeven zetten als het echt niet anders kan moeten alternatieve voldoende voorhanden zijn. Daarna dient er vanuit de toegang ook actief te worden gestuurd op de inzet van deze alternatieven. Gezamenlijk met aanbieders zal deze beweging gecreëerd moeten worden. Hierbij is het noodzakelijk om een balans te vinden in het: a. Normeren van beschikbare intramurale verblijf en behandelplaatsen; b. Het inkopen van alternatieven voor extramurale zorg; c. Creëren van blijvende innovatie tijdens de contractperiode.
Inkoopdoelstellingen • In de regio wordt toegewerkt naar minder kinderen in behandeling met verblijf (beweging naar 0). Hiervoor worden concrete afspraken gemaakt met aanbieders over de afbouw van bedden. • Gezamenlijkheid van aanbieders om tot maatwerk te komen voor de jeugdige en het gezin. • De toegang maakt gebruik van een integrale diagnostiek bij het inzetten van zorg voor de jeugdige (en gezin). • Er is voldoende passend aanbod en capaciteit. • Er wordt gestuurd op snelle doorstroom en afschaling door middel van het voeren van (meer) regie op de jongere gedurende de behandeling. • Het aanbod van intensieve ambulante alternatieven wordt vergroot. • De jeugdigen worden op tijd voorbereid op hun toekomst en mogelijkheden van ondersteuning na hun 18e jaar vanuit de Wmo of de WLZ of indien mogelijk toewerken richting zelfstandigheid. Inzet inkoopinstrumenten Leveranciersmanagement Voor behandeling met verblijf wordt een beperkt aantal aanbieders met voldoende dekkend aanbod (waaronder voldoende LVB) geselecteerd in januari 2022: • De aanbieders nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid om maatwerk voor jeugdigen met multicomplexe problematiek te leveren, de bestaande opnameverplichting wordt gehandhaafd. • De regio maakt afspraken met deze aanbieders over de afbouw van bedden en de ontwikkeling van meer ambulante alternatieven.
Hiervoor voert de regio een analyse uit voor het minimaal aantal benodigde bedden in de regio. Daarnaast worden vanaf 31
•
• • • • •
januari 2022 gesprekken met de geselecteerde aanbieders gevoerd over hoe deze doelstelling te bereiken. Aan de geselecteerde aanbieders wordt gevraagd gezamenlijk een concreet plan te schrijven voor de afbouw van bedden en de doorontwikkeling van ambulante trajecten, per aanbieder worden maatwerkafspraken gemaakt. Vanuit leveranciersmanagement wordt gestuurd op de afbouw van bedden en afname van gemiddeld verblijfsduur. Belangrijkste KPI’s voor dit segment zijn een afname van de gemiddelde ligduur en de verhouding ambulant/ bed (steeds meer ambulant ten opzichte van bed in het aanbod). De regio maakt afspraken met aanbieders hoe dit te realiseren. Dit wordt ook meetbaar vastgelegd (in aantallen en met een tijdsindicatie). Wanneer een jeugdige 16,5 jaar of ouder is, wordt er een toekomstplan opgesteld. De regio verkent met Wmo, woningbouwcorporaties wat er nodig is voor het beschikbaar stellen van aanvullend aanbod wanneer een jeugdige 18 jaar wordt.
Toegang • De toegang (lokale teams en GI’s) zijn verantwoordelijk voor de plaatsing van een jeugdige in behandeling met verblijf. In de toegang wordt eerst gekeken naar alternatieve (en/of hybride) ambulante trajecten voordat behandeling met verblijf wordt ingezet. Hierover worden ook afspraken gemaakt met de lokale teams en GI’s. • Indien behandeling met verblijf noodzakelijk is voor een jeugdige wordt deze besproken in het Zorg Bemiddelings Team (ZBT). Binnen het ZBT vindt casuïstiekbespreking plaats en wordt gekeken welke aanbieder het best de casus kan oppakken. • Momenteel is het ZBT onderdeel van de GI. Het ZBT wordt doorontwikkeld naar een volwaardig expertteam. Het vormt daarmee hét routeringspunt naar de regionaal ingekochte zorg. Wanneer er een vermoeden is dat behandeling met verblijf noodzakelijk is, wordt dit eerst besproken in het (onafhankelijke) expertteam. Daar wordt gekeken wat voor hulp er moet worden ingezet. Dit team bestaat uit onafhankelijke experts van aanbieders. De wijkteammedewerker sluit gezamenlijk met het gezin aan in het expertteam en gezamenlijk wordt een plan voor het gezin gemaakt. Het lokale team kan aanvullend nog lokale hulp inzetten • Het expertteam heeft drie rollen: leidt toe naar regionale hulp, heeft een monitor- en regiefunctie en kijkt waar afschaling in het pakket mogelijk is.
• De casusregisseur voert regie en stelt een toekomstplan op in samenwerking met jeugdige en aanbieder zodat een jeugdige een passende vervolgplek in de Wmo of WLZ krijgt wanneer de jeugdige 18 is of wanneer mogelijk wordt toegewerkt naar zelfstandigheid. • Indien de situatie van de jeugdige wijzigt en vraagt om een verandering van verblijf wordt de casus opnieuw besproken in het expertteam en wordt bekeken wat de best passende hulp op dat moment is. Bekostiging • Met aanbieders worden afspraken gemaakt over mogelijkheden van de ombouw van bedden naar ambulante alternatieven. Bijvoorbeeld dat het budget achter de afbouw van bedden wordt omgezet in een budget voor ambulante alternatieven. • In de regio wordt een 0-meting uitgevoerd van het aantal bedden in de regio. Hierbij wordt inzicht verkregen in het minimaal aantal benodigde bedden in de regio. • Van aanbieders wordt gevraagd dat zij gezamenlijk een plan te schrijven hoe zij de ontwikkeling van de afbouw van bedden naar ontwikkelen van ambulante alternatieven 32
•
kunnen realiseren. Op basis van de 0-meting en het plan worden bindende afspraken gemaakt over het volume en de capaciteit en afbouw in de regio. Mogelijke denkrichtingen zijn; trajectbekostiging voor ambulante alternatieven en afrekening op basis van realisatie voor de bedden.
Contract • Er worden meerjarige contracten afgesloten (5-7 jaar). • Er wordt aan gedacht om zowel verblijfsaanbieders als aanbieders met ambulante alternatieven gezamenlijk in een contract op te nemen (maken een gezamenlijk plan voor afbouw bedden richting ambulante alternatieven). • In het contract wordt als voorwaarde opgenomen dat bedden worden afgebouwd. In 2025 dient er een afname van 30 procent van de kortdurende residentiele jeugdhulp te zijn gerealiseerd. • In de contracten wordt opgenomen dat aanbieders deelnemen aan het expertteam. • In contracten wordt opgenomen dat een aanbieder verplicht is de cliënt op te nemen. Belangrijkste uitdagingen/kritische succesfactoren De belangrijkste uitdagingen voor de inkoopstrategie is een balans te vinden tussen de drie elementen: a. Normeren van beschikbare intramurale verblijf en behandelplaatsen; b. Het inkopen van alternatieven voor intramurale zorg; c. Creëren van blijvende innovatie tijdens de contractperiode. Alleen het creëren van een aanbod is echter niet voldoende voor succes. Ook vanuit de GRJR en de deelnemende gemeenten worden randvoorwaarden gesteld om dit succesvol te laten verlopen. Kritische succesfactoren zijn hierbij: a. Actief toezien op nakomen contractuele afspraken b. Actieve en intensieve dialoog met aanbieders om innovatie te creëren in het aanbod c.
De toegang dient actief te sturen op alternatieve inzet van extramurale zorg. Hierbij speelt het (doorontwikkelde) ZBT naar een expertteam een cruciale rol. d. Grootste deel van de verwijzingen vindt plaats vanuit de GI. De GI dient zich te conformeren aan de regiovisie en de overeengekomen inkoopdoelen en dit te vertalen naar de eigen uitvoeringspraktijk.
33
4.3: Pakket dagbehandeling en -besteding Korte beschrijving van het pakket De regiovisie “Nabij en Passend” spreekt uit dat de jeugdigen meer dan voorheen de hulp in de eigen omgeving gaan ontvangen. Om dit doel te bereiken willen gemeenten en aanbieders de lokale infrastructuur gaan ontwikkelen. Dit met de ambitie om vanaf 2023 daardoor meer vraagstukken met lokale voorzieningen en inzet van consultatie en advies te kunnen oplossen. Dit vraagt een inspanning om de verbinding met de (aan)sluitende regionale infrastructuur te versterken. Het resultaat daarvan is: meer kinderen groeien kansrijk, gezond en veilig op door passender hulp, en beheersing van kosten. Soms lukt het een jeugdige niet om mee te komen in het gewone of bijzondere onderwijssysteem. Voor deze jeugdigen zijn specialistische voorzieningen waar zij overdag of tijdens dagdelen worden opgevangen. Daarnaast zijn er ook dagbehandelingsprogramma’s beschikbaar voor jonge kinderen met gedragsproblematiek waarvan nog niet bekend is wat er met hen aan de hand is. Daarnaast wordt ook (verpleegkundige) zorg geleverd voor kinderen met een medisch probleem. Belangrijkste ontwikkelingen Het aanbod waar bij dit pakket gebruik van wordt gemaakt is: verpleegkundig kinderdagverblijf, dagbehandeling observatiediagnostiek en dagbehandeling specifieke doelgroepen.
Voor deze vormen van dagbehandeling is de ontwikkelopgave tweeledig: •
•
Samenhang organiseren tussen regionale dagbehandeling en dagprogramma’s in het lokale veld en het onderwijs. Met samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs in gesprek over de verbinding tussen onderwijs en jeugdhulp. Met extra aandacht voor beschikbaarheid van plekken in het (speciaal) onderwijs, waarbij ambulantisering van dagbehandeling richting onderwijs onderzocht wordt. Dagprogramma’s inzetten ter voorkoming van en als afschaling voor behandeling met verblijf.
Dit moet uiteindelijk leiden tot een dekkend aanbod van specialistische vormen van dagbehandeling. De regionale aanbieder wordt gevraagd om goed, tijdig en flexibel in te spelen op de lokale ondersteuningsvraag van jeugdige en gezin en aan te sluiten op de lokaal verstrekte ondersteuning. Ook het leggen van een goede verbinding met de casusregie is onderdeel van het regionale pakket. Tegelijkertijd dient de regionale hulp op zichzelf wel samenhangend te zijn en is continuïteit van plaats en behandelaar van groot belang. Belangrijkste knelpunten/lessons learned Bij dagbehandeling worden de volgende knelpunten geconstateerd: • • •
Uitstroom vanuit dagbehandeling richting speciaal onderwijs komt moeizaam op gang Gemiddelde kosten per cliënt zijn de afgelopen jaren sterk gestegen Er is een exponentiele groei in het aantal jeugdigen dat gebruik maakt van lokale jeugdhulp in een KDC.
34
Inzet inkoopinstrumenten Om onze ontwikkelopgave vorm te geven, zetten we de volgende instrumenten in: •
•
•
Er worden kaders en richtlijnen voor de inzet van alle vormen van dagbehandeling opgesteld. Dit op basis van een regionale doelgroep definitie. Die doelgroep definitie vormt het uitgangspunt voor de lokale toegang bij de inzet van dagbehandeling, ook voor het deel dat lokaal is ingekocht. Er worden afspraken gemaakt met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs over de uitstroom vanuit dagbehandeling naar onderwijs of voorveld. Dit wordt regionaal afgestemd, maar lokaal uitgevoerd. Het expertteam ontwikkelt door naar expertisenetwerk inclusief onderwijsexpertise, waardoor een breed advies ontstaat met brede uitstroommogelijkheden inclusief het onderwijs 5. (Hoog)specialistische vormen van dagbehandeling blijven beschikbaar in de regio, zonder wachttijd. Hiervoor wordt een duidelijke afbakening gemaakt tussen vormen van dagbehandeling die lokaal worden georganiseerd en ingekocht en de vormen die regionaal worden georganiseerd en ingekocht. Ook het verpleegkundig kinderdagverblijf blijft regionaal ingekocht.
Belangrijkste wijzigingen De regiovisie spreekt de ambitie uit om vanuit de lokale infrastructuur de sturing te pakken op passende en samenhangende jeugdhulp door de casusregie stevig in te vullen met meer inzet van lokale hulp. De lokale infrastructuur stuurt op de schakeling en verbinding tussen generalistische basiszorg en specialistische jeugdhulp. De rol van de regionale jeugdhulp krijgt dus meer een aanvullend karakter, meer het beschikbaar houden van specialistische functies. Een substantieel deel van de dag- en ambulante jeugdhulp verschuift dus van het regionale naar het lokale niveau. Dit heeft niet alleen consequenties voor de onderlinge afspraken over casusregie, maar ook voor de definitieve van integrale hulp. Integraliteit van jeugdhulp (GGZ, LVB en J&O-hulp) is van belang voor cliënten met meervoudige problematiek zoals multiprobleemgezinnen, cliënten in Jeugdzorg Plus en cliënten met forensische problematiek. De integraliteit in het brede sociale domein wordt geborgd bij de lokale toegang, die verwijst naar aanbod en verantwoordelijk is voor de inzet van maatwerk. Specialistische jeugdhulp is verantwoordelijk voor integraliteit in geval van dubbele diagnose.
5
Het onderwijs wordt alleen bij het ZBT betrokken, als er sprake is van plaatsing op scholen met een regionale functie. Focus van lokale casusregisseur ligt dan op verbinding met scholen in lokale netwerk. 35
4.4: Pakket specialistische ambulante hulp Korte beschrijving van het pakket De regiovisie “Nabij en Passend” spreekt uit dat de jeugdigen meer dan voorheen de hulp in de eigen omgeving gaan ontvangen. Om dit doel te bereiken willen gemeenten en aanbieders de lokale infrastructuur gaan ontwikkelen. Dit met de ambitie om vanaf 2023 daardoor meer vraagstukken met lokale voorzieningen en inzet van consultatie en advies te kunnen oplossen. Dit vraagt een inspanning om de verbinding met de (aan)sluitende regionale infrastructuur te versterken. Het resultaat daarvan is: meer kinderen groeien kansrijk, gezond en veilig op door passender hulp en beheersing van kosten. Uitgangspunt is dat specialistische ambulante hulp dichter bij de jeugdige en het gezin georganiseerd gaat worden. Voor sommige jeugdigen is de problematiek dermate specialistisch dat deze vormen van ambulante hulp door de schaarste en benodigde expertise niet lokaal kunnen worden geboden. Die laatstgenoemde hoog-complexe jeugdhulp is onderdeel van dit pakket. Belangrijkste ontwikkelingen Op het moment van schrijven van deze notitie, wordt nog gesproken met aanbieders om feiten boven tafel te krijgen voor de afweging welk deel van dit pakket op het lokale niveau zal worden ingekocht. Voor deze hoog-specialistische ambulante hulp is de volgende ontwikkelopgave omschreven: • • •
• •
Meer grip op volume van hulpvragen bij de lokale toegang door inzet praktijkondersteuners voor huisartsen Sturen op de-medicalisatie door onder andere preventieve inzet van schoolmaatschappelijk werk Samenhang organiseren tussen specialistische ambulante inzet in het regionale en het lokale veld. Waarbij de specialistische regionale zorg zoveel mogelijk lokaal georganiseerd wordt. Hiertoe wordt eveneens het organiseren van consultatie en advies voor de lokale teams gerekend. Schaarse inzet van multidisciplinaire ambulante teams (zoals FACT, MST, MDFT) blijft regionaal PM aanvullen
Doel is de gemiddelde behandelduur verkorten en opvoeding normaliseren, zodat vooral de zwaardere hulpvragen bij de specialistische jeugdhulp terecht komen. Belangrijkste knelpunten/lessons learned Bij hoog-specialistische ambulante hulp worden de volgende knelpunten geconstateerd: • Voor specialistische GGZ zijn wachtlijsten. Er lijkt onderbesteding in basis-GGZ te bestaan en overbesteding en stijging in specialistische GGZ. • De kosten van specialistische GGZ-aanbod stijgen onevenredig hard ten opzichte van het volume. • In veel gemeenten worden de indicaties standaard voor een jaar afgegeven. • Integrale casusregie is niet voor alle casussen relevant. • Geen grip op inzet van kinderartsen als het gaat om controle van medicatie
36
•
Onvoldoende beschikbare data en managementinformatie, niet genoeg zicht op doelgroepen en verbruik van zorg
Inzet inkoopinstrumenten Om onze ontwikkelopgave vorm te geven, zetten we de volgende instrumenten in: • •
Er wordt regionaal een afbakening beschreven tussen de (hoog)specialistische ambulante hulp, die lokaal of regionaal ingekocht gaat worden. Op basis van een regionaal informatiemanagement-plan realiseren we een beter cijfermatig inzicht in de verschillende doelgroepen en inzet van zorg. Hiervoor worden ook afspraken gemaakt met aanbieders.
Belangrijkste wijzigingen De regiovisie spreekt de ambitie uit om vanuit de lokale infrastructuur de sturing te pakken op passende en samenhangende jeugdhulp door de casusregie stevig in te vullen met meer inzet van lokale hulp. De lokale infrastructuur stuurt op de schakeling en verbinding tussen generalistische basiszorg en specialistische jeugdhulp. De rol van de regionale jeugdhulp krijgt dus meer een aanvullend karakter, meer het beschikbaar houden van specialistische functies naast consultatie en advies. Een substantieel deel van de dag- en ambulante jeugdhulp verschuift dus van het regionale naar het lokale niveau. Dit heeft niet alleen consequenties voor de onderlinge afspraken over casusregie, maar ook voor de definitieve van integrale hulp. Integraliteit van jeugdhulp (GGZ, LVB en J&O-hulp) is van belang voor cliënten met meervoudige problematiek zoals multiprobleemgezinnen, cliënten in Jeugdzorg Plus en cliënten met forensische problematiek. De integraliteit in het brede sociale domein wordt geborgd bij de lokale toegang, die verwijst naar aanbod en verantwoordelijk is voor de inzet van maatwerk. Specialistische jeugdhulp is verantwoordelijk voor integraliteit in geval van dubbele diagnose.
37
4.5: Pakket Crisis Beschrijving van het pakket Het pakket Crisis betreft de inkoop van ongeplande hulp aan alle jeugdigen die te maken krijgen met een urgente crisissituatie en die binnen 24 uur hulp nodig hebben. Eén integrale toegang voor snelle en passende verwijzingen voor de crisishulpverlening is van cruciaal belang binnen dit pakket. De crisishulpverlening is per definitie kortdurend en kan bestaan uit intensieve begeleiding in de thuissituatie, tijdelijk verblijf in het eigen netwerk of pleeggezin (crisispleegzorg) of crisisopvang/opname in een instelling. Belangrijkste doelstellingen voor het pakket crisis zijn een snelle inzet van hulp, korte duur van de crisishulp en een uitstroom richting, bij voorkeur, ambulante vormen van hulpverlening. Belangrijkste ontwikkelingen Momenteel is het pakket voor het leveren van de regionale crisishulpverlening belegd in perceel F waar Enver voor is gegund. De voorwaarde voor het inzetten van crisishulp is een beoordeling en verwijzing van een crisismelding. In de huidige situatie wordt dit voor jeugdzorgvragen uitgevoerd door het CrisisInterventieTeam (CIT) via JBRR óf in geval van GGZ-vragen door de Acute Dienst (AD) van GGZ Delfland, Parnassia Groep of Yulius. De beoordeling van crisismeldingen door de Acute Diensten GGZ valt buiten de aanbesteding en wordt middels subsidie gefinancierd.
De betrokken partners hebben een gezamenlijk advies opgesteld voor de doorontwikkeling van de crisishulp na 2020. Het verbeterplan richt zich met name op één integrale toegang waarin pedagogische hulp en GGZ-hulp wordt gebundeld. Het verbeterplan sluit aan op de richting voor crisis zoals beschreven in de regiovisie paragraaf 3.4.4. Dit vormt dan ook de basis voor de inkoopstrategie van het pakket crisis. Belangrijkste knelpunten/lessons learned Vanuit de analyse van de huidige situatie van crisishulp worden een aantal knelpunten geconstateerd waaruit ontwikkelopgaven voortkomen voor het nieuwe pakket. Ten eerste wordt geconstateerd dat bij het behandelen van een crisismelding een multidisciplinaire beoordeling mist. De intake is nu gescheiden georganiseerd, waarbij er verschillen bestaan tussen het perspectief van het CIT en de Acute GGZ – er ontbreekt momenteel een integraal team dat de triage uitvoert. Het is van belang dat er een gezamenlijke triage aan de voorkant plaats gaat vinden met een multidisciplinaire beoordeling (voorbeeld: CIT Haaglanden). Daarbij heeft men voor ogen dat de opdrachtnemer(s) van crisis een ‘eerste hulp’ functie in de regio gaat vervullen.
Momenteel kost de organisatie van een crisisplaatsing veel tijd (er moet veel worden rondgebeld) en een eenduidig proces ontbreekt (er bestaan veel verschillende ‘routes’ die nu kunnen worden bewandeld na een crisismelding). Echter het uitgangspunt is dat de crisishulp snel beschikbaar is. Het ontwikkelen van richtlijnen/protocol (voorbeeld GGZ) voor het inzetten van crisishulp na een crisismelding kan een goede bijdrage leveren aan het stroomlijnen van het proces. Daarnaast verloopt de samenwerking tussen het CIT en de aanbieders bij crisisplaatsingen nog niet altijd soepel (er is bijvoorbeeld discussie over inzet van passende zorg). Om die reden is het van belang dat de samenwerking tussen het CIT en de aanbieders wordt bevorderd, bijvoorbeeld door participatie van aanbieders bij de triage.
38
Een laatste knelpunt is de uitstroom naar vervolghulp. Het uitgangspunt is dat crisishulp van korte duur is. Als gevolg van de wachtlijsten bij de overige pakketten (perceel B en E) verloopt de uitstroom moeizaam; dit verhoogt de druk op de capaciteit van de crisis bedden. Er is een daling van het aantal jeugdigen in crisishulp waar te nemen, maar de duur van de plaatsingen neemt toe, mogelijk is dit een gevolg van de wachtlijsten bij de overige pakketten. Het realiseren van voldoende uitstroom uit perceel B en E om uitstroom uit Crisis te kunnen opvangen is dan ook een ontwikkelopgave die in pakket B en E meegenomen zal moeten worden. Inzet inkoopinstrumenten Leveranciersmanagement In de regio wordt één aanbieder of consortium verantwoordelijk voor het leveren van crisishulp. Die aanbieder of dat consortium levert brede expertise op het gebied van GGZ, J&O en LVB. Spoedhulp vervalt binnen dit pakket, voor (alle) vormen van ambulante hulpverlening waaronder het leveren van crisishulp aan de eigen cliënten in crisissituaties worden aanvullende afspraken gemaakt met de gecontracteerde aanbieders van het perceel voor ambulante hulpverlening. Vanuit leveranciersmanagement zal gestuurd worden op het snel inzetten van (ambulante) crisishulp, afschaling en uitstroom Toegang In de regio komt één integrale toegang c.q.
meldpunt met één telefoonnummer voor het melden van crisissituaties. Het huidige CIT vormt zowel de toegang voor crisissen in de GGZ, J&O en LVB. Het verbeterplan van betrokken partijen vormt het vertrekpunt voor de afspraken in de regio over deze integrale toegang. Momenteel is het CIT georganiseerd bij het JBRR. Er wordt verkend in hoeverre het CIT hiervan onderdeel blijft uitmaken of zelfstandig wrodt gepositioneerd in de regio. Het CIT voert de triage uit: indien een cliënt nog niet in behandeling is wordt binnen 24 uur een geschikte plek bij een van de crisishulpaanbieders in de regio gezocht. Indien een cliënt al in behandeling is neemt het CIT contact op met de aanbieder waar de desbetreffende jongere in zorg is en kijkt samen met deze aanbieder wat de best passende hulp voor de cliënt is. Bekostiging Voor de bekostiging van het minimaal aantal beschikbare crisisbedden wordt gekozen voor beschikbaarheidsfinanciering. Voor de ambulante crisishulp wordt de huidige manier van financiering voortgezet (P*Q financiering naar aanleiding van gebruik). Voor het CIT wordt verkend wat de best passende bekostiging is. Een logische optie lijkt beschikbaarheidsfinanciering.
Contract Er wordt een langdurig contact afgesloten waarbij er twee opties mogelijk zijn; • 1 contract waarbij het CIT wordt geïntegreerd in het pakket van de crisishulp • 2 contracten waarbij het CIT en de crisishulp apart worden gecontracteerd. Belangrijkste wijzigingen Er wordt toegewerkt naar één integrale toegang voor crisis waar zowel pedagogische hulp als GGZ-hulp is gebundeld. De crisishulpverlening wordt geleverd door één aanbieder of consortium waarbij brede expertise is vertegenwoordigd. De spoedhulp voor cliënten die al in
39
behandeling zijn maakt geen onderdeel meer uit van dit pakket, maar is onderdeel van het pakket voor ambulante hulpverlening.
40