CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

21 05 Inburgering op VP nota

Commissie IZ & Middelen 18 mei 2021, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Opgave Inburgering op Voorne-Putten9.415 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Opgave Inburgering Voorne Putten

Emel Erkci Danielle Mormon Henriette Meijer Tim Hoek Robin van der Horst Maart 2021

1

Inhoud 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Wijzigingen inburgeringsstelsel 1.3 Visie Voorne- Putten 1.4 Regionale samenwerking 1.5 Leeswijzer

3 3 3 5 5 5

2 Inburgeringsopgave Voorne- Putten 2.2 Inburgeringsplichtigen per doelgroepcategorie 2.2 Samenwerkingspartners 2.3 Kwaliteitsconvenant met taalaanbieders

6 6 7

3 Onderdelen veranderopgave Inburgering 3.1 Programmaonderdelen van het nieuwe inburgeringsstelsel a. Maatschappelijke begeleiding b. Financiële ontzorging van statushouders c. Brede intake en warme overdracht d. Persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP) e. Zelfredzaamheidsroute (Z-route) f. B1. Route g. Onderwijsroute h. Module Arbeidsmarkt & Participatie i. Participatieverklaring j. Totaal overzicht van de onderdelen inburgeringswet

8 8 8 9 10 11 12 13 14 15 15 16

3 Tijdspad en implementatie a. Tijdspad

17 17

5 Financiën a. Financiële uitwerking van de nieuwe Wet inburgering b. Risico’s

18 18 20

Bijlage 1 – Definities

21

7

2

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Op 1 januari 2022 gaat naar verwachting de nieuwe Wet inburgering in. Het inwerking treden van de Wet inburgering betekent zowel voor de inburgeraars als de gemeente een verandering. Gemeenten krijgen een belangrijke rol in het nieuwe stelsel: per 1 januari 2022 naar verwachting zijn wij als gemeenten verantwoordelijk voor de inburgering van onze inwoners met een inburgeringsplicht. Hiermee krijgen wij een nieuwe maatschappelijke opgave binnen het sociaal domein. In dit beleidsplan beschrijven we de uitgangspunten voor de invulling van deze nieuwe taak. De gemeenten Nissewaard, Westvoorne, Brielle en Hellevoetsluis (hierna Voorne-Putten) pakken de bijbehorende Veranderopgave Inburgering samen op. Dit doen wij niet alleen. Ook onze partners Voorne-Putten Werkt, Vluchtelingenwerk, het onderwijs, welzijnsorganisaties en taalaanbieders betrekken wij bij het opzetten van deze visie en de gewenste uitvoeringspraktijk. Nadat de visie op inburgering is vastgesteld, zal er vervolgens in mei worden gestart met de aanbestedingen of contractafspraken met partners op de inkoop van inburgeringtrajecten, taaltrajecten en maatschappelijke begeleiding. Allereerst zal in beeld worden gebracht hoe de inburgering momenteel op Voorne-Putten wordt uitgevoerd en hoe we de nieuwe wet inburgering op VoornePutten niveau willen uitvoeren.

Brielle heeft de participatie en uitvoeringstaken van de huidige inburgeringswet uitbesteed aan de gemeente Nissewaard. Hierdoor is de situatie van Brielle vrijwel gelijk aan Nissewaard. 1.2 Wijzigingen inburgeringsstelsel Met ingang van 1 januari 2013 werden statushouders, samen met gezinsmigranten, zelf verantwoordelijk voor de inkoop van hun inburgeringscursussen en het tijdig en succesvol afleggen van inburgeringsexamens. De financiering van deze cursussen werd via DUO geregeld. Deze systeemwijziging is recentelijk geëvalueerd. In zijn brief aan de Tweede kamer schrijft minister Koolmees hierover (de nu volgende tekst is een letterlijk citaat): “In de afgelopen jaren is gebleken dat we hiermee te veel vragen van de statushouders. Weinig inburgeraars halen het einddoel. Daarnaast belemmert de cursustijd de deelname aan opleiding of aan (een traject naar) werk. Ook bevat het systeem perverse prikkels naar inburgeraars en cursusaanbieders.” Zo kiezen veel inburgeraars ervoor om op het minimaal verplicht A2 niveau examen te doen, terwijl het B1 taalniveau betere kansen geeft in de samenleving. Zij kiezen voor dit lagere inburgerings- (taal)niveau om meer tijd over te hebben voor de overige examenonderdelen. Alle onderdelen moeten namelijk binnen drie jaar behaald worden. Lukt dit niet dan kan DUO boetes opleggen.

Tevens dreigt er een schuld van € 10.000, omdat de cursussen op basis van een prestatie gebonden lening betaald zijn. Verder heeft de huidige wijze van financieren via DUO geleid tot een voor de statushouder ondoorzichtige markt met vele cursusaanbieders, waarop prijsvechters en dure aanbieders actief zijn, waarbij de prijs niet per se gekoppeld is aan de kwaliteit die geleverd wordt. De uitkomsten van de evaluatie zijn voor de minister aanleiding om de Wet inburgering aan te passen. Op dit moment is de verwachte invoeringsdatum 1 januari 2022. In het nieuwe stelsel krijgt de gemeente de regie over de inburgering. Hierdoor gaat de gemeente de inburgeringscursussen inkopen. Inburgeringsplichtige statushouders hoeven dit niet langer zelf te doen, waardoor zij hier ook geen lening meer voor hoeven af te sluiten die tot schulden kan leiden 1. 1

Gezinsmigranten blijven ook in het nieuwe stelsel hun eigen inburgeringstraject bekostigen, eventueel met een lening bij DUO.

3

Het nieuwe inburgeringsstelsel kent drie leerroutes om de Nederlandse taal te leren: de Onderwijsroute voor jonge inburgeringsplichtigen en gericht op het behalen van een schooldiploma, de Zelfredzaamheidsroute voor mensen die onvoldoende leerbaar zijn en de B1-route voor alle overige inburgeraars. De inburgeringsplicht in het nieuwe wetsvoorstel bestaat naast een leerroute uit de onderdelen: Participatieverklaringstraject (PVT) en een Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP). Het PVT is een traject van ten minste 12 uur over de kernwaarden van de Nederlandse samenleving 2. De MAP is een leermodule gericht op het in beeld brengen en versterken van de competenties van statushouders en de kansen op de lokale arbeidsmarkt. Ten slotte is in de nieuwe Wet inburgering opgenomen dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de maatschappelijke begeleiding en financiële ontzorging van inburgeringsplichtige statushouders. De maatschappelijke begeleiding betreft begeleiding en ondersteuning bij praktische zaken en bij de kennismaking met de Nederlandse samenleving en specifieke lokale omgeving. Financiële ontzorging houdt in dat de gemeente de eerste zes maanden na binnenkomst in de gemeente een aantal vaste lasten voor statushouders betaalt (huur, energiekosten en verplichte verzekeringen). Het bedrag voor deze lasten verrekenen we met de bijstandsuitkering.

Op deze manier ontzorgen we statushouders en voorkomen we dat er schulden ontstaan in de beginperiode van hun verblijf in onze gemeente. Daarbij hoort ook de verantwoordelijkheid voor begeleiding van statushouders om financieel zelfredzaam te worden. Met de regie op de inburgering ontstaat voor de gemeente ook de kans om de inburgeringsverplichting te combineren met de verplichtingen vanuit de Participatiewet die voor de meeste inburgeringsplichtigen gelden. Door inburgering- en participatie-voorzieningen te combineren, zetten we onze gemeentelijke hulp en ondersteuning effectiever in. Daarnaast combineren we ook de monitoring van de ontwikkelingen en vorderingen op het gebied van inburgering en participatie. We hebben hiertoe periodiek contact met zowel de inburgeringsplichtigen als de aanbieders van hun inburgeringstrajecten en participatievoorzieningen. Wanneer nodig stellen we het persoonlijke Plan Inburgering en Participatie (PIP) bij. Wet inburgering 2013

Wet inburgering 2021

Volledige eigen verantwoordelijkheid inburgeringsplichtigen. Commerciële markt voor inburgeringstrajecten, te financieren met een lening bij DUO voor alle inburgeringsplichtigen. Geen verbinding met de verplichtingen vanuit de Participatiewet.

Regie en aanbodplicht voor gemeenten, naast eigen verantwoordelijkheid inburgeringsplichtigen. Inkoop en financiering van inburgeringstrajecten voor statushouders door gemeenten.

Geen verplichte financiële ontzorging en training financiële zelfredzaamheid.

Verwacht resultaat inburgeringstraject: Taalniveau A1 (of ontheffing). Geen onderscheid in leerroutes.

Verbinding met Participatiewet, waardoor combinatie van de inburgerings- en Participatiewetverplichtingen mogelijk is. Verplichte financiële ontzorging en training financiële zelfredzaamheid voor bijstandsgerechtigde statushouders gedurende ten minste de eerste zes maanden van hun verblijf in de gemeente. Verwacht resultaat inburgeringstraject: Taalniveau B1, tenzij iemand onvoldoende leerbaar is. Drie verschillende leerroutes: keuze voor leerroute komt in PIP naar aanleiding van een brede intake

2

Het traject sluit af met het afleggen van de participatieverklaring: “Ik verklaar dat ik kennis heb genomen van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving en dat ik deze respecteer. Ik verklaar dat ik actief een bijdrage wil leveren aan de Nederlandse samenleving en reken erop dat ik daarvoor ook de ruimte krijg van mijn medeburgers.”

4

gericht op alle leefgebieden.

De volgende veranderingen zijn van toepassing: Er moet een warme overdracht komen van het asielzoekerscentrum (hierna AZC naar de gemeente om de doorlopende lijn van ontwikkelmogelijkheden te volgen en eventuele problemen binnen een inburgeringstraject te voorkomen. Elke inburgeraar werkt via een Persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP) aan zijn inburgering en krijgt hierbij de juiste begeleiding. Verhoging van de taal-eis van A2 naar B1 niveau. Hervorming van de markt voor inburgeringscursussen; inkoop weer door gemeenten. Herziening van het examenstelsel inburgering: combinatie van centrale toetsing en behalen van resultaten in de (lokale) praktijk. Activering en (financiële) ontzorging van statushouders, zolang dit nodig is, met als doel dat zorgen over (inkomens-)situatie en/ of schuldproblemen worden voorkomen dan wel afnemen. 1.3 Visie Voorne-Putten Inburgeringsplichtigen doen snel en volwaardig mee aan de Nederlandse maatschappij: Elke nieuwe inburgeraar doet binnen 3 jaar naar hoogst mogelijke draagkracht mee in de samenleving door middel van betaald werk, vrijwilligerswerk of een andere vorm van dagbesteding. Inburgeraars spreken de Nederlandse taal en het voor hen hoogst haalbare taalniveau (liefst niveau B1). Ook zijn inburgeraars (financieel) zelfredzaam en hebben een (lokaal) netwerk opgebouwd in Voorne-Putten.

1.4 Regionale samenwerking De wetgever vindt regionale samenwerking bij uitvoering van deze taak zeer belangrijk, vanwege het bieden van maatwerk en flexibiliteit van de leerroutes. De verwachting is dat de komende jaren het aantal statushouders van een dermate (geringe) omvang is, dat regionale samenwerking noodzakelijk is. Samenwerking komt de effectiviteit en efficiency ten goede, daarbij kunnen aanzienlijke regionale verschillen zijn die verband houden met de spreiding van statushouders in Nederland. Met name gemeenten van beperkte omvang en een relatief hoog aantal statushouders zijn eerder geneigd de samenwerking te zoeken. Wij voorzien dat een aantal onderdelen zich goed leent voor regionale samenwerking met de arbeidsmarktregio Rotterdam-Rijnmond. Op andere onderdelen zien wij meer samenwerkingsmogelijkheden op Voorne-Putten. Regionale samenwerking ligt minder voor de hand daar waar het gaat om de Z-route, het uitvoeren van de brede intake en het opstellen van een Persoonlijk plan inburgering en participatie; dit is immers een individuele gemeentelijke taak. 1.5 Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt de inburgeringsopgave, de verschillende doelgroepen en programmaonderdelen beschreven.

In hoofdstuk 3 beschrijven we hoe de huidige inburgering op Voorne-Putten niveau wordt uitgevoerd, wat de verschillen zijn in Voorne-Putten betreffende de uitvoering van de huidige inburgeringswet en op welke wijze we de nieuwe inburgeringsopgave willen uitvoeren. Deze implementatiethema’s werken we in hoofdstuk 4 uit in een implementatieplan en sluiten in het volgende hoofdstuk het beleidsplan af door de financiën te beschrijven.

5

2. Inburgeringsopgave Voorne-Putten 2.1 Aantal inburgeringsplichtigen per doelgroepcategorie Met de invoering van de nieuwe inburgeringswet krijgt de gemeente de regie op de inburgering en wordt de groep nieuwkomers waarvoor de gemeente verantwoordelijk is vergroot. Waar vanuit de huidige aanpak statushouders de focus ligt op inburgeringsplichtige nieuwkomers mét een Participatiewet-uitkering, vallen na invoering van de nieuwe inburgeringswet ook overige inburgeringsplichtigen binnen de doelgroep. Voor de exacte afbakening van de doelgroep geldt dat dit mede afhankelijk is van de nadere uitwerking van de plannen van het Rijk. Over het algemeen kan een onderscheid worden gemaakt tussen drie subgroepen inburgeringsplichtigen: 1. Statushouders: Asielzoekers die als vluchteling worden erkend, krijgen de vluchtelingenstatus. Zij worden ook wel vergunning- of statushouders genoemd. Nieuwe statushouders worden door het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) gekoppeld aan een gemeente. Het aantal gekoppelde statushouders hangt af van de jaarlijkse taakstelling die een gemeente krijgt opgelegd van de Rijksoverheid. Eenmaal aan de gemeente gekoppeld krijgen statushouders binnen de gemeente een woonruimte toegewezen en mogen een opleiding volgen en werken in Nederland.

Nagenoeg alle statushouders maken in eerste instantie gebruik van een Participatiewet-uitkering om in hun levensonderhoud te voorzien. 2. Gezinsmigranten en overige migranten: Personen die naar Nederland komen om te trouwen met een in Nederland gevestigde partner, worden ook wel ‘huwelijksmigranten’ genoemd. Personen die van buiten de EU naar Nederland komen, in de meeste gevallen om een huwelijk of partnerschap aan te gaan met een in Nederland gevestigde persoon (de referent). Binnen de groep gezinsmigranten is de diversiteit groot; zij komen uit veel verschillende landen. Daarnaast is er een kleine groep ‘overige migranten’: dit zijn geestelijk bedienaren en familieleden van kinderen die onder het kinderpardon vallen. Dit zijn geen asielstatushouders en vallen onder gezinsmigranten. Inburgering voor deze groep begint al buiten Nederland, doordat zij in het land van herkomst het basisexamen inburgering buitenland moeten afleggen. Eenmaal in Nederland dienen zij vervolgens het inburgeringsexamen te halen. Vanaf 1 juli 2021 geldt de inburgeringsplicht ook voor Turkse gezinsmigranten. Het is nog niet duidelijk hoe groot die groep is, maar er wordt rekening gehouden met een toename van 20 procent. De Wet inburgering heeft betrekking op inwoners die een verblijfsvergunning hebben gekregen waarmee zij in Nederland mogen wonen.

Het gaat heel specifiek om personen met een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk doel. Deze doelgroep is ongewijzigd ten opzichte van de vorige wet. De doelgroep is onder te verdelen in twee categorieën: Statushouders: personen met een asiel-verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en hun familie- en gezinsleden.3 Gezinsmigranten (en overige migranten): personen met een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.4 Bijvoorbeeld migranten die naar Voorne-Putten komen omdat zij een Nederlandse partner hebben.

3 4

Volgens artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 Volgens artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000

6

Vanaf 2021 verwachten we in Voorne-Putten de in onderstaande tabel genoemde aantallen inburgeringsplichtigen (statushouders). Deze cijfers zijn ingeschat op basis van landelijke prognoses van de Rijksoverheid en de taakstellingen. 2021 2022** 2023** Brielle 28 20 20 Westvoorne 24 17 17 Hellevoetsluis 62 27 27 Nissewaard 132 95 95 Totaal 246 177 177 inburgeringsplichtigen* * circa 60% is hiervan 18 plus en daarmee inburgeringsplichtig. **Taakstelling 2022 e.v. zijn nog niet bekend/prognoses o.b.v. de gemiddelde van 2020 en 2021.

2.2 Samenwerkingspartners Bij de uitvoering van onze nieuwe inburgeringstaak zijn ook diverse andere partijen betrokken. We kunnen deze taak namelijk niet alleen uitvoeren en zijn voor het succes van de inburgeringsopgave afhankelijk van andere partijen. Waar we op dit moment mee samenwerken zijn de gebiedsteams, jeugdondersteuningsteams, combinatiefunctionarissen, welzijnsorganisaties, Vluchtelingenwerk, het Digitaalhuis, de bibliotheek, de Taalschool de Kameleon, Internationale Schakelklas voortgezet onderwijs, commerciële aanbieders (voor het creëren van stage- en werkplekken) en met het werkleerbedrijf Voorne-Putten Werkt. 2.3 Kwaliteitsconvenant met taalaanbieders In de regio Rijnmond zijn op dit moment 41 taalaanbieders 5 die inburgeringsprogramma’s aanbieden aan statushouders en/of gezinsmigranten. Dit aantal fluctueert continu. Het is een competitieve en fraudegevoelige markt, waarin de kwaliteit per aanbieder sterk kan verschillen, ondanks landelijke toetsing door het kwaliteitsinstituut Blik op Werk. Zowel landelijk als lokaal is bekend dat het voor inburgeraars bijzonder lastig – zo niet onmogelijk – is om uit dit grote aanbod aan taalaanbieders de juiste keuzes te maken voor een geschikt taaltraject. Met de invoering van de nieuwe Wet inburgering heeft de gemeente regie over de inburgering van de statushouders en gezinsmigranten.

Voorsorterend op de nieuwe Wet kiest Rotterdam en omgeving er nu al voor om inzicht te krijgen in de kwaliteit van het taalaanbod in de regio, zodat we de inburgeraar actiever over een op maat gesneden taalaanbod kunnen adviseren. Er worden hierover kwaliteitsafspraken gemaakt met de taalaanbieders in een Kwaliteitsconvenant vastgelegd. De kwaliteitsafspraken blijven ook van kracht na de invoering van de Wet inburgering. De kwaliteitsafspraken dienen meerdere doelen: 1. De inburgeraar centraal stellen en kwalitatief goed lesaanbod door taalaanbieders stimuleren. 2. De relatie opbouwen en verbeteren tussen de taalaanbieders inburgering en de gemeente. 3. Invulling geven aan een actieve adviesrol voor inburgeraars over geschikte taalaanbieders. Kwaliteitsafspraken leveren de gemeente relevante informatie op voor de aanbestedingsprocedures voor de taaltrajecten in 2021. 4. Met behulp van Blik op Werk, gerichter stappen nemen om twijfels over kwaliteit of potentieel malafide praktijken tijdig te signaleren.

5

Dit zijn taalaanbieders met een Blik op Werk (BoW) keurmerk.

7

3. Onderdelen Veranderopgave Inburgering 3.1 Programmaonderdelen van het nieuwe inburgeringsstelsel Het nieuwe stelsel zet in op een doorlopende lijn vanuit de opvang. Met taalles vanaf dag één en het programma ‘Voorbereiding op de inburgering’ wordt hier in het AZC mee begonnen. De regierol van gemeenten in deze doorlopende lijn begint met een brede intake. De taal leren en participeren gaan hand in hand en beide aspecten worden in een persoonlijk inburgeringsplan opgenomen (Plan Inburgering en Participatie). Gemeenten krijgen de taak om alle (bijstandsgerechtigde) asielstatushouders verplicht te ontzorgen gedurende zes maanden. Dit helpt deze inburgeringsplichtigen om bij aanvang van de inburgeringstermijn de focus op inburgering en participatie te leggen. Er komen drie leerroutes in het nieuwe stelsel: 1. B1-route: om het mogelijk te maken dat de meeste inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen drie jaar, taalniveau B1 behalen en hun perspectief op de arbeidsmarkt vergroten, is het van belang dat het leren van de taal gecombineerd wordt met (vrijwilligers)werk. 2. Onderwijsroute: gericht op het behalen van een erkend diploma binnen Nederland. Onderwijs zorgt voor een goede startpositie op de arbeidsmarkt. Na een taalschakeltraject worden jonge inburgeringsplichtigen daarom zo snel mogelijk doorgeleid naar een Nederlandse opleiding. 3.

Zelfredzaamheidsroute (Z-route): voor mensen voor wie de onderwijs- of B1-route buiten bereik ligt, komt er een leerroute waarbij iedereen leert zich in de maatschappij te redden. Er worden geen ontheffingen op basis van aantoonbaar geleverde inspanningen meer verleend. Als gemeente zijn wij verantwoordelijk om een sluitend inburgeringsaanbod te doen. Dit aanbod omvat, naast een van de drie leerroutes, in ieder geval kennis van de Nederlandse maatschappij (KNM), Module Arbeidsmarkt & Participatie (voorheen Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt) en het participatieverklaringstraject (PVT). Deze inburgeringstrajecten moeten door gemeenten aanbesteed worden. Hierbij heeft het ministerie van Sociale Zaken & Werkgelegenheid gemeenten opgeroepen de samenwerking op te zoeken. Dit met name vanwege de schaalgrootte: des te meer gemeenten samenwerken, des te makkelijker kunnen er klasjes met statushouders gevormd worden. Zodoende zijn wij als gemeenten op Voorne-Putten aangesloten bij werkgroepen van de arbeidsmarktregio Rotterdam-Rijnmond, om te kijken naar gezamenlijke aanbesteding van inburgeringstrajecten. Dit heeft ertoe geleid dat de voorkeur is uitgesproken om voor de B1-route en de Onderwijsroute gezamenlijk met Rotterdam en andere gemeenten binnen het gebied RotterdamRijnmond op te trekken richting een gezamenlijke aanbesteding. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4. a.

Maatschappelijke begeleiding Sinds 1 oktober 2017 is de maatschappelijke begeleiding van statushouders een onderdeel van de Wet inburgering geworden. Dit onderdeel wordt ook in de nieuwe wet doorgezet. Net als in het huidige inburgeringsstelsel worden statushouders gedurende de eerste fase van de inburgering begeleid en ondersteund door de gemeente waar zij gehuisvest worden. De maatschappelijke begeleiding is gericht op het regelen van praktische zaken en het vergroten van de kennis van de Nederlandse samenleving. Met als doel: het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van statushouders. De statushouders worden vanaf de start direct bijgestaan door maatschappelijke begeleiders die de statushouders ondersteunen bij alle praktische regelzaken. Denk bijvoorbeeld aan

8

het afsluiten van verzekeringen, het zoeken van een huisarts en een school voor de kinderen. Daarnaast worden de statushouders in algemene zin voorgelicht over de basisvoorzieningen aan de hand van thema’s als wonen, zorg, werk, inkomen, financiën, onderwijs en opvoeding. Onder begeleiding van de maatschappelijk begeleider vindt de statushouder steeds meer zijn of haar weg binnen de eigen gemeente, bouwt een sociaal netwerk op en wordt steeds zelfredzamer. Maatschappelijke begeleiding Voorne-Putten De maatschappelijke begeleiding wordt op dit moment al uitgevoerd door de gemeenten op VoornePutten. Brielle, Hellevoetsluis en Nissewaard doen dit middels Vluchtelingenwerk via een subsidie, Westvoorne heeft het in eigen hand. De duur van de maatschappelijke begeleidingstrajecten verschilt tussen gemeenten en fluctueert tussen de 1 en 2 jaar. In alle gevallen wordt de maatschappelijke begeleiding uitgevoerd door vrijwilligers die onder begeleiding van professionals staan. Dit vanwege het intensieve karakter van de begeleiding. De vrijwilligers komen tevens uit de eigen gemeente en kennen daardoor goed de weg en het netwerk, iets wat de integratie kan bevorderen. Voor nu willen we de huidige vorm van maatschappelijke begeleiding als gemeenten doorzetten. De lokale afspraken zullen waar nodig worden aangepast en voortgezet.

Van belang is dat de maatschappelijke begeleiding als het ware de lijm en verbindende schakel is tussen alle onderdelen binnen de uitvoering van de nieuwe wet. Per 1 januari 2023 zien we kansen om de maatschappelijke begeleiding opnieuw tegen het licht te houden om zodoende te kijken of we hierin gezamenlijk afspraken kunnen maken op Voorne-Putten. Opgedane kennis tijdens het eerste jaar na de ingang van de nieuwe wet biedt dan inhoudelijke input. Tevens vormt de bestuurlijke fusie van de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne hier een natuurlijk moment voor. b. Financiële ontzorging van statushouders In de nieuwe Wet inburgering is de gemeente verantwoordelijk voor het financieel ontzorgen van statushouders. Financieel ontzorgen houdt in dat vier vaste lasten (huur, energie/gas, water en zorgverzekering) gedurende zes maanden verplicht worden ingehouden van de uitkering, zodat de statushouder zich kan focussen op zijn inburgering. Het ontzorgen heeft als doel te voorkomen dat er schulden ontstaan op de vaste lasten. Immers, inburgeraars zijn extra kwetsbaar door factoren als taal, cultuurverschillen, trauma’s en het beschikken over een beperkt sociaal netwerk. Een beperkte periode van financieel ontzorgen helpt, wanneer deze gecombineerd wordt met adequate begeleiding naar financiële zelfredzaamheid.

In de periode van het ontzorgen moet de statushouder leren om de terugkerende betaling van vaste lasten zelf te regelen en daarbij steeds maandelijks te kunnen budgetteren. Het financieel ontzorgen is alleen van toepassing op statushouders. De startsituatie van gezinsmigranten verschilt van statushouders doordat gezinsmigranten vaak niet uitkeringsgerechtigd zijn en zich voegen bij een al in Nederland wonende partner die de taal spreekt en aan de inkomenseis voldoet.  Financiële ontzorging Voorne-Putten Het financieel ontzorgen van onze statushouders gebeurt in de huidige situatie ook al. Zo worden de huurkosten en de kosten van de zorgverzekering ingehouden op de uitkering. Hier gaan we de lasten voor de energie- en waterkosten aan toevoegen. Dit vergt nieuwe afspraken. Waar het wettelijk verplicht wordt om de ontzorging zes maanden in te zetten, zal er per statushouder bezien moeten worden of deze ontzorging na die zes maanden verlengd wordt. In de huidige situatie passen we ook al maatwerk toe sommige statushouders minder snel financieel zelfredzaam worden. Hiermee willen we ook na die zes maanden voorkomen dat er schulden ontstaan. Uiteraard streven we wel naar snelle financiële zelfredzaamheid. 9

We willen lokaal inzetten op het duurzaam financieel zelfredzaam worden. De schuldhulpverlening wordt momenteel bij elke Voorne Putten gemeenten namelijk anders uitgevoerd. Dit door financiële zelfredzaamheid in de maatschappelijke begeleiding te borgen en daar direct in het eerste halfjaar mee aan de slag gaan. Tevens gaan we de verbinding zoeken met ons reguliere aanbod op financiële ondersteuning. c. Brede intake en warme overdracht Om een snelle start van participatie en inburgering te bevorderen, wil het Rijk dat gemeenten zo vroeg mogelijk starten met de begeleiding van inburgeraars die zich in hun gemeente gaan vestigen. Er moet sprake zijn van een doorgaande lijn vanuit de asielopvang naar de woongemeente, waarbij de tijd in de opvang optimaal wordt benut. Het programma ‘Voorbereiding op de inburgering’ van het COA wordt in dit kader gecontinueerd, waarbij gemeenten de opdracht krijgen dit zo optimaal mogelijk te verbinden met het inburgeringstraject. Vanaf het moment dat een statushouder is gekoppeld aan een gemeente krijgt de gemeente de regie op de inburgering. Ambitie is dat gemeenten al in het azc een brede intake afnemen op basis waarvan gemeenten inzicht krijgen in de startpositie en ontwikkelingsmogelijkheden van een inburgeraar en zij afspraken kunnen maken over het gewenste vervolgtraject.

 Startklas Voorne Putten Werkt In het nieuwe inburgeringsstelsel dat in 2022 van start gaat neemt de brede intake een belangrijke plaats in. De intake geeft op individueel klantniveau inzicht in de startpositie en ontwikkelmogelijkheden van een inburgeringsplichtige. Ook wordt tijdens de brede intake vastgesteld wat een passende leerroute is. De Startklas van Voorne-Putten Werkt kan een belangrijk onderdeel van deze brede intake bieden. De Startklas is een intensief taaltraject, niet zijnde een leerroute volgens de nieuwe Wet inburgering, en observatie-instrument. Dit wordt uitgevoerd door een externe taalaanbieder met ervaring op het gebied van taal en inburgering. Deze taalaanbieder beschikt over het ‘Blik op Werk’ keurmerk en het ‘NRTO keurmerk’. Met de Startklas krijgen docenten een goed beeld van de leerbaarheid, de competenties, het taalniveau en de motivatie van elke deelnemer. Het voordeel van de Startklas is dat leerbaarheid niet op slechts één moment wordt getoetst, maar over een langere periode. Hierdoor krijgen we een beter beeld van de nieuwkomer en kunnen we komen tot een keuze voor de juiste inburgeringsroute. De eindrapportage van de Startklas en de participatiegesprekken vormen input voor het Persoonlijk plan inburgering en participatie. De Startklas is opgebouwd uit twee hoofdcomponenten: taal en participatie.

De lesuren van de Startklas tellen mee voor de inburgering. Het doel van de Startklas is drieledig: 1. De deelnemer krijgt een ‘taalboost’ met de nadruk op spreken, verstaan en zich presenteren. Door de focus te leggen op praktijkgerichte taalverwerving, gekoppeld aan thema’s uit de dagelijkse praktijk van de deelnemer wordt in een korte periode een grote stap gezet in de taalverwerving. 2. Inzicht te krijgen in de leerbaarheid, (werk)competenties en het taalniveau van een statushouder. In de Startklas krijgen statushouders een korte, maar intensieve taalcursus aangeboden en worden per statushouder o.a. studievaardigheid, digitale vaardigheden, motivatie en concentratievermogen gemonitord. Daarnaast het leren presenteren van zichzelf in formele relaties richting werk, onderwijs en/of participatietrajecten (speeddates met werkgevers, matching bijeenkomsten). 3. De statushouder leert zijn/haar weg vinden en bouwt een eerste netwerk op, waardoor hij/zij zich snel thuis voelt in Nissewaard.

10

Op dit moment houden de gemeenten Brielle en Nissewaard een pilot met de huidige groep inburgeraars (die net in de gemeenten woonachtig zijn). Deze pilot wordt uitgevoerd door het regionale werk-, leerbedrijf Voorne Putten Werkt. Met de kennis en resultaten die uit de pilot voortvloeien kunnen de gemeenten Nissewaard, Brielle en Voorne-Putten Werkt beoordelen of de Startklas een waardevol instrument is binnen de brede intake en of de vorm aansluit bij de doelgroep. d. Persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP) Na afronding van de brede intake stelt de gemeente het PIP op, zoveel mogelijk samen met de inburgeraar. Het PIP is maatwerk: de uitkomsten van de brede intake worden in het PIP vertaald naar persoonlijke einddoelen van de inburgering. In het PIP staat welke leerroute voor de inburgeraar is vastgesteld en op welke manier de inburgeraar aan zijn inburgeringsplicht zal voldoen (incl. Participatieverklaringstraject (PVT), Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) en de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP)). In het PIP staat ook hoe de gemeente begeleiding en ondersteuning biedt aan de inburgeraar bij het inburgeringstraject. Wanneer de inburgeraar bijstandsgerechtigd is, zijn relevante onderdelen van de Participatiewet erin opgenomen. Op basis van de brede intake en de leerbaarheidstoets stelt de individuele gemeente samen met de inburgeraar een PIP op.

In dit persoonlijke plan wordt een op maat gemaakte route naar inburgering en participatie vastgelegd in een beschikking (B&W-besluit) die de gemeente conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan handhaven. De bepalingen over handhaving zijn vastgelegd in de Participatiewet (PW) of in de nieuwe Wet inburgering. De nieuwe wet schrijft voor dat de gemeente het PIP binnen tien weken moet vaststellen. Vanaf het moment waarop het PIP is vastgesteld gaat ook de driejarige inburgeringstermijn lopen. De gemeente monitort de voortgang van de in het PIP vastgelegde afspraken. Het PIP is een groeidocument gedurende het inburgeringstraject. Indien nodig kan de gemeente afspraken bijstellen, bijvoorbeeld als het taalniveau te hoog of te laag is ingeschat en een andere leerroute meer passend blijkt. Statushouders mogen wettelijk gezien één keer van leerroute veranderen en dat mag alleen binnen de eerste 1,5 jaar. Afspraken uit het PIP voor statushouders hebben betrekking op: - De leerroutes – inclusief de instrumenten die worden ingezet op het gebied van participatie (PW). - Financieel ontzorgen. - Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP). - Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM). - Participatieverklaringstraject (PVT). - Maatschappelijke ondersteuning en begeleiding. - Gebruik Voor- en Vroegschoolse educatie (VVE) door peuters van inburgeraars.

- Ook wijst de consulent op de verplichting aanwezig te zijn bij de voortgangs- en/of eindgesprekken, en de verplichtingen die voortvloeien uit de PW, wanneer de inburgeraar een uitkering ontvangt. Er zijn bij de verschillende subgroepen wat accentverschillen in bovenstaande opsomming. Zo is er bij gezinsmigranten meestal geen sprake van financieel ontzorgen. Deze beschikking kent de gemeente niet onder de huidige en vorige wetgeving over inburgering. We onderzoeken verder hoe we kunnen aansluiten op de Participatiewet en op de Wet taaleis, omdat binnen deze wetten nu ook een plan van aanpak wordt gemaakt. Ook de manier van handhaving is nog een uitzoekpunt, omdat we hierbij ook wachten op lagere regelgeving. 11

In de nieuwe wet krijgt de gemeente in vergelijking met statushouders een beperktere rol voor gezinsmigranten rondom taaltrajecten en handhaving. Wel stelt de gemeente voor gezinsmigranten een PIP op. In het PIP geeft de gemeente n.a.v. de leerbaarheidstoets een advies voor de leerroute. Op deze manier kan de gemeente hen ook stimuleren, motiveren om tijdig te voldoen aan de inburgeringsplicht, te participeren in de stad en het leren spreken van de taal. Maatschappelijk gezien is het wenselijk dat ook zij zo goed en snel mogelijk hun weg weten te vinden in Nederland en de Nederlandse taal op een zo hoog mogelijk niveau beheersen. Zij voeden immers in Nederland hun kinderen op, bezoeken de dokter, willen zich wellicht onafhankelijk van hun partner oriënteren op een plek op de Nederlandse arbeidsmarkt etc. De resultaatsverplichting die nu ook al voor hen geldt, blijft in stand gehouden: zij worden, net als alle andere inburgeringsplichtigen, geacht binnen de daarvoor geldende termijn één van de drie leerroutes succesvol af te ronden en het onderdeel MAP en het PVT te volgen. Evenals nu het geval is, moeten zij zelf het inburgeringsonderwijs voor taal en KNM bekostigen, waarbij het mogelijk is om op basis van een inkomenstoets gebruik te maken van een lening bij DUO. e.

Zelfredzaamheidsroute (Z-route) Voor mensen voor wie de onderwijs- of B1-route buiten bereik ligt, komt er een leerroute waarbij iedereen leert zich in de maatschappij te redden. De Zelfredzaamheidsroute – ook wel Z-route – is een intensief traject gericht op taal, activering en participatie. De Z-route is voor inburgeraars met een lage leerbaarheid die moeite hebben met het leren van een nieuwe taal en die in beperkte mate zelfredzaam zijn. Het gaat veelal om mensen die ook in hun land van herkomst weinig of geen scholing hebben gehad of om een andere reden een zeer lage leerbaarheid hebben. In het nieuwe stelsel is de Z-route bestemd voor inburgeraars van wie wordt verwacht – op basis van de brede intake en leerbaarheidstoets – dat zij het niveau A2 niet binnen 3 jaar kunnen halen. In het oude stelsel zou het grootste deel van deze groep (na aantoonbaar geleverde inspanning) van de inburgeringsplicht worden ontheven. Die optie voor ontheffing bestaat in het nieuwe stelsel niet. Het doel is deze doelgroep zoveel mogelijk te ondersteunen op een niveau dat past bij hun leervermogen, zodat niemand aan de kant staat en iedereen naar eigen vermogen kan meedoen in de samenleving. Deze leerroute heeft daarmee een andere insteek dan die in de B1-route en sluit aan bij de lagere leerbaarheid van de inburgeraars en heeft als doel de inburgeraar zelfredzaam te maken in de maatschappij.

Er gaat bijvoorbeeld extra aandacht uit naar mobiliteit, omgaan met geld, digitale vaardigheden, het onderwijs en de praktische toepassing van taal. Deze route wordt, gezien de beperkte leerbaarheid van de doelgroep, niet afgesloten met centrale inburgeringsexamens. In plaats daarvan is er een inspanningsverplichting. Hierdoor is er veel tijd voor taal, activering en participatie, waarbij de aandacht specifiek uitgaat naar praktische (taal)vaardigheden om de inburgeraar te helpen zo zelfstandig mogelijk te participeren. Uitstroom naar betaald werk blijft wenselijk, maar zelfredzaamheid is het belangrijkste doel. Na een intensief inburgeringstraject volgt een eindgesprek met de gemeente. Na het eindgesprek rapporteert de gemeente aan DUO. Om aan de inburgeringsplicht te voldoen, moet de inburgeraar: - De inburgeringscursus doorlopen (taal en KNM) voor 800 uur; - Het verrichten van participatieactiviteiten voor 800 uur, zoals vrijwilligerswerk, fietslessen, taalstages bij een bedrijf, bedrijfsbezoeken, het behalen van de programmaonderdelen Participatieverklaring en MAP. In een eindgesprek met de gemeente wordt geconcludeerd of de afspraken die in het PIP zijn vastgelegd, zijn nagekomen en daarmee het inburgeringstraject is behaald.

12

Passende methode voor taalonderwijs De Z-route is bedoeld voor mensen voor wie het leren van het Nederlands aantoonbaar (zeer) moeilijk is, omdat zij analfabeet en/of slecht leerbaar zijn. Daarom willen we op Voorne-Putten een passende methodiek van de taalaanbieder die binnen de Z-route dit type onderwijs kan vormgeven en organiseren. Taal verweven aan participatie De koppeling tussen taalonderwijs en participatieactiviteiten is hierbij van belang. Samenwerking met lokale partners is hiervoor onontbeerlijk. Op Voorne-Putten wordt er nu nauw samengewerkt met Vluchtelingenwerk voor de maatschappelijke begeleiding. Daarnaast werken we samen met lokale vrijwilligersorganisaties en sportverenigingen. Integrale samenwerking tussen lokale partners Binnen de Z-route willen we op Voorne-Putten een integrale samenwerking tussen lokale partners waarbij er verschillende componenten terugkomen zoals: - Taalontwikkeling. Hierbij vinden we het belangrijk dat de taallessen op school worden toegepast en verdiept in het wekelijks contact met een taalcoach. Het is heel belangrijk om het geleerde in praktijk te brengen en te oefenen. Het contact met de taalcoach is bovendien goed voor het sociaal netwerk. - Financiële zelfredzaamheid. Door een budgetcoach worden de inburgeraars financieel redzaam gemaakt.

Aan het einde van de intensieve periode volgt een toetsing om te zien of de deelnemer werkelijk zelfredzaam is. - Jobcoaching als de inburgeraar in staat is aan de slag te gaan met het participatiecomponent. - Maatschappelijke begeleiding. Dit zal verder in dit hoofdstuk nader worden beschreven. De statushouders die de Z-route zullen gaan volgen zijn minder zelfredzaam waardoor het reizen buiten Voorne-Putten minder wenselijk is. De kwetsbaarheid van deze groept maakt dat wij de Zroute zo lokaal mogelijk willen organiseren, in samenwerking met onze lokale maatschappelijke partners. Hierin trekken we dus verder als Voorne-Putten zijnde op in plaats van met de arbeidsmarktregio Rotterdam-Rijnmond. Maatwerk en voorzien in behoeften Zaak is dat de deelnemers in deze leerroute het geleerde in de praktijk kunnen brengen en dat zij het gevoel hebben dat het geleerde voor hen nuttig en toepasbaar is. Daarom is het van belang dat zo veel als mogelijk aangesloten wordt bij het dagelijkse leven en essentiële onderwerpen zoals financiën, participatie en zorg. Deze focus moet er ook voor zorgen dat de lessen en activiteiten voldoende concreet zijn voor de deelnemers en ze het daardoor beter begrijpen en er meer mee kunnen doen.

Voor het vergroten van de zelfredzaamheid van deelnemers zijn de maatschappelijke thema’s en de aandacht voor participatie net zo belangrijk als het taalonderwijs zelf. Naast groepsactiviteiten moet er ook ruimte zijn voor maatwerk. Ook willen we dat de taallessen en activiteiten aansluiten bij de behoeften van de deelnemers. Dit vraagt om maatwerkoplossingen, zowel in het wegnemen van belemmeringen als in de focus van het programma. f.

B1-route

De B1-route wordt binnen de nieuwe wet Inburgering als de reguliere route gezien. De verwachting is dat de meeste statushouders deze route volgen. B1 staat hierbij voor het gewenste taalniveau dat statushouders na afronding van de route hebben. Dit is een wezenlijk verschil ten opzichte van de huidige situatie waarbij met A2 een lager taalniveau wordt nagestreefd. De doelgroep bestaat voor de route bestaat uit alle volwassen statushouders die taalniveauniveau B1 of B2 kunnen halen. Hiervan wordt in een inschatting gemaakt op basis van de brede intake. De doelgroep voor de B113

route is breed en de leeftijd, leerbaarheid en het opleidingsniveau van deelnemers kan uiteenlopen. Het doel van de B1-route is dat de statushouder na afronding van de inburgering zelfstandig kan participeren in de Nederlandse maatschappij. Het gewenste resultaat is het behalen van de examens op niveau B1. Om het perspectief op de arbeidsmarkt zoveel mogelijk te vergroten is het van belang dat statushouders het leren van de taal combineren met (vrijwilligers)werk. Indien de statushouder die de B1-route volgt, na ‘aanzienlijke inspanningen’ van 600 uur taal-inburgeringslessen, toch niet in staat blijkt om binnen de inburgeringstermijn alle taalonderdelen van het inburgeringsexamen op niveau B1 te behalen, kan worden bepaald dat (bepaalde) examenonderdelen op niveau A2 worden afgelegd.

 Geïntegreerd traject taal en participatie op Voorne-Putten Belangrijk verandering ten opzichte van de huidige situatie is naast het beoogde taalniveau, ook het uitgangspunt om taal en participatie te combineren. Op dit moment volgen statushouders een inburgeringstraject bij een taalaanbieder waarbij er voornamelijk op taal wordt gefocust. Het stukje participatie komt veelal in een laat stadium het inburgeringstraject. Uitgangspunt van de nieuwe wet is dat taal en participatie gecombineerd worden en het geen aparte op zichzelf staande trajecten zijn. Een belangrijk doel van de B1-route is namelijk een hogere uitstroom naar werk. Door taal met participatieactiviteiten te combineren leren de statushouders niet alleen taal in de klas, maar ook op werkvloer. Ze bouwen hiermee een netwerk op, leren de taal sneller en leren ook taal gerelateerd aan het werk. Dit alles vergroot de kans op snellere uitstroom naar werk.  Samenwerking met de (lokale) partners op Voorne-Putten Een geïntegreerd traject taal en participatie vraagt wat van een aanbieder van de B1-route. Het draait niet alleen meer om taal. Waar participatieactiviteiten bijdragen aan de taalontwikkeling wordt er van de aanbieder verwacht dat zij dit organiseert. Hierbij valt te denken aan aansluiting van de statushouders bij sportverenigingen, hobbygroepen en activiteiten tot aan (snuffel)stage- en vrijwilligersplekken.

Dit betekent dat de aanbieder actief samenwerking zoekt met sociaal ondernemers, welzijnspartijen, (sport)verenigingen, activiteiten met betrekking tot ouderbetrokkenheid en eventuele werk georiënteerde cursussen die aansluiten bij de leerdoelen van de statushouder. Zodra de statushouder klaar is om richting de arbeidsmarkt geholpen te worden dan is de gemeente aan zet. Ook dit vergt nauwe samenwerking met de aanbieder. Jongeren met een onderwijsambitie waarbij de verwachting is dat zij het taalniveau B1 niet halen en naar MBO Entree onderwijs willen, zullen via de B1-route een taalschakeltraject volgen. MBO 1 valt niet onder de onderwijsroute, maar maakt wel onderdeel uit van de opdracht voor de MBO-route, waarin ook de MBO-routes uit de Onderwijsroute onder vallen. g. Onderwijsroute De onderwijsroute is gericht op het behalen van een Nederlands diploma. Het doel van deze route is om inburgeringsplichtingen die de motivatie en potentie hebben om een MBO (2,3,4), HBO- of WOopleiding te volgen, via een taalschakeltraject te laten inburgeren. In een taalschakeltraject leert de inburgeraar niet alleen de Nederlandse taal op minimaal B1-niveau, maar wordt hij/zij tegelijkertijd zo goed mogelijk voorbereid op het Nederlands middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs.

Met het succesvol afronden van het taalschakeltraject en het Participatieverklaringstraject hebben inburgeraars die deze route volgen, voldaan aan de inburgerplicht en beschikken zij niet alleen over voldoende kennis van de Nederlandse taal, samenleving en arbeidsmarkt, maar ook over voldoende overige (studie)vaardigheden om met succes een Nederlandse opleiding te gaan volgen. Het taalschakeltraject is een voltijds traject dat naar verwachting gemiddeld 1,5 jaar duurt en bestaat uit ca. 1000 uur taallessen Nederlands en ca 500 uur overige vakken en vaardigheden.

14

Taalschakeltraject binnen Rotterdam-Rijnmond Uitgangspunt voor de nieuwe wet is dat er taalschakelvoorzieningen komen die toeleiden naar verschillende niveaus van onderwijs. Toegang tot het taalschakeltraject is op het gebied van beheersing van de Nederlandse taal drempelloos. De invulling van het taalschakeltraject wordt mede bepaald door de eindtermen die het Rijk opstelt. Samenwerking met andere gemeenten van Rotterdam-Rijnmond is een voorwaarde om trajecten efficiënt vorm te kunnen geven omdat de verwachte aantallen beperkt zullen zijn op Voorne Putten. Om deel te nemen aan het traject, geldt geen maximale leeftijd. Deelnemers die bij aanvang 28 jaar of ouder zijn, zullen naar verwachting niet voor hun 30ste verjaardag instromen in een opleiding en dus geen recht hebben op studiefinanciering. Gezinsmigranten die onderwijs willen volgen kunnen de onderwijsroute volgen. Zij kunnen de route, afhankelijk van hun inkomen, financieren met een DUO-lening. h. Module Arbeidsmarkt & Participatie Naast het PVT krijgen gemeenten bij ingang van het nieuwe stelsel krijgen ook de verantwoordelijkheid om inburgeraars te begeleiden bij het oriënteren en participeren op de Nederlandse arbeidsmarkt. Om de inburgering te voltooien dienen inburgeraars namelijk ook de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) te voltooien.

Deze module is erop gericht om de competenties en arbeidskansen van de inburgeringsplichtige op de (lokale) arbeidsmarkt in beeld te brengen en vaardigheden te leren over hoe men een baan vindt. Gemeenten zijn verplicht hier een praktische invulling aan te geven door middel van een praktijkelement van 40 uur. De MAP is een nieuw onderdeel van de inburgering en vervangt het examenonderdeel Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA). MAP in uitvoering voor statushouders en gezinsmigranten De MAP moet worden aangeboden inburgeringsplichtigen. Dit betekent dus niet alleen gekoppelde statushouders maar bijvoorbeeld ook gezinsmigranten. Deelnemers aan de onderwijsroute zijn uitgesloten van de MAP. Net zoal het PVT moet de MAP binnen drie jaar afgerond zijn. Afronding vindt plaats aan de hand van een gesprek tussen inburgeringsplichtige en de gemeente. Om het te behalen moeten inburgeringsplichtigen naast het voltooien van het praktijkelement, in ieder geval kennis van de volgende thema’s hebben: beroepsoriëntatie, werknemerscompetenties, realistisch beroepsbeeld, beroepskansen, beroepscompetenties verwerven, netwerk opbouwen, werk vinden en werkcultuur. Er wordt van gemeenten verwacht dat zij de MAP laten uitvoeren door een organisatie die kennis heeft van de lokale arbeidsmarkt en ervaring heeft met de arbeidsmarkttoeleiding van inburgeringsplichtigen.

Het heeft daarnaast onze voorkeur om de MAP, net zoals de PVT, zoveel mogelijk te integreren in de inburgeringstrajecten van inburgeringsplichtigen. Voor de deelnemers aan de B1 route zal de MAP worden meegenomen in de aanbesteding van het inburgeringstraject. Voor de overige inburgeringsplichtigen willen we dit ook zoveel mogelijk integreren en heeft onze voorkeur zo min mogelijk verschillende aanbieders te hebben voor de onderdelen binnen de inburgering. We willen de MAP daarom net zoals bij de B1 ook meenemen in de Z-route. Ook onze gezinsmigranten zullen bij die MAP aansluiten. i.

Participatieverklaring (aangepaste taak)

Het Participatieverklaringstraject (PVT) is sinds 1 oktober 2017 een verplicht onderdeel van het inburgeringsexamen. De gemeente dient het participatieverklaringstraject aan te bieden aan statushouders en gezinsmigranten. Door middel van het traject maken inburgeraars kennis met de Nederlandse kernwaarden vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en participatie. Denk hierbij aan gelijke rechten voor mannen en vrouwen, het recht om jezelf te ontplooien door onderwijs, het mogen kiezen van je partner en het recht om je eigen mening te uiten. Het traject wordt afgesloten met het ondertekenen van de participatieverklaring. 15

PVT op Voorne-Putten Het PVT zal net zoals in de huidige situatie bestaan uit twee verplichte onderdelen. Zo moet het bestaan uit een workshop inleiding in de kernwaarden van de Nederlandse samenleving en het ondertekenen van de participatieverklaring. Belangrijke toegevoegde eis is dat de invulling van de inleiding kernwaarden van de Nederlandse samenleving, tevens een excursie of activiteit moet omvatten. In deze excursie of activiteit wordt aandacht besteed aan een kernwaarde en wordt deze waarde praktisch vertaald. Daarnaast wordt het een intensiever traject dan de wet nu voorschrijft. Het gehele programma van het PVT (inclusief ondertekenmoment) moet bestaan uit minimaal 12 uur. Hiertegenover staat dat het PVT niet meer binnen één jaar, maar binnen drie jaar behaald moet worden. Hiermee wordt het gelijk getrokken met de andere inburgeringsonderdelen. Hierbij wordt ook geadviseerd om he PVT niet te vroeg te doorlopen maar later in het inburgeringstraject zodat inburgeraars de taal machtiger zijn en meer beeld hebben bij de kernwaarden die worden voorgelegd. Waar de gezinsmigranten het PVT op dit moment zelf moeten bekostigen, zal dit met de nieuwe wet bekostigd worden door de gemeenten. Zij krijgen hier een vergoeding voor. De wijziging die de nieuwe wet met zich meebrengt, zorgen ervoor dat we opnieuw moeten kijken naar onze invulling van het PVT.

Op dit moment wordt het PVT op afroep uitgevoerd door Vluchtelingenwerk of door de gemeente zelf. Bestaande afspraken en inzet zullen geactualiseerd worden. J.

Totaal overzicht van de onderdelen inburgeringswet

Maatschappelijk begeleiding Financieel Ontzorgen Brede intake PIP Z-Route B1 - Route Onderwijsroute MAP (gezinsmigranten) MAP (statushouders) Participatieverklaring (gezinsmigranten) Participatieverklaring (statushouders)

Lokaal X

Sub regionaal X

X X X

X

Regionaal

X X X X X X X

X

X

16

4. Tijdspad en implementatie a. Tijdspad

 Aanbesteding Onderwijsroute en B1 Route met arbeidsmarktregio Rotterdam-Rijnmond Sinds begin 2020 zijn er intensieve gesprekken geweest tussen alle gemeenten binnen de regio Rotterdam-Rijnmond, om zodoende te kijken waar we raakvlakken hebben en samen willen optrekken. Daaruit is gebleken dat we een aantal onderdelen lokaal of subregionaal willen opzetten en een aantal onderdelen dat we graag in groter verband willen oppakken. Op de onderdelen B1route en de Onderwijsroute willen we aansluiten bij de aanbesteding van Rotterdam. Hierin participeren meerdere gemeenten. Onder andere de volgende argumenten liggen hieraan ten grondslag: -

-

-

Snelle instroom: met het volume statushouders van meerdere gemeenten kunnen klassen goed gevuld worden en kunnen statushouders na huisvesting sneller instromen in plaats te moeten wachten totdat er genoeg statushouders zijn om een klas te vullen. Lagere kosten in verband met schaalgrootte: door het volume statushouders en het kunnen vullen van klassen zorgt er tevens voor dat de kosten gedrukt worden ten opzichte van lokale of subregionale aanbesteding. Aansluitende visie: onze ideeën van de combinatie taal leren en participeren komen overeen met de visie van Rotterdam en de andere deelnemende gemeenten. Onderwijsroute Voorne-Putten overstijgend: bij de Onderwijsroute worden de minste statushouders verwacht. Omdat jongeren binnen dit traject ook kunnen kiezen voor HBO en WO is dit Voorne-Putten overstijgend. Vrijwel alle gemeenten binnen Rotterdam-Rijnmond trekken samen op zodat er gezamenlijke afspraken kunnen worden gemaakt met HBO en WO instellingen.

 Aanbesteding Z-route met subregio Voorne-Putten Waar we ervoor kiezen om op de B1-route en Onderwijsroute mee te doen aan de aanbesteding met Rotterdam-Rijnmond, hebben we ervoor gekozen dit niet te doen als het gaat om de Z-route. Bij de Z-route worden lagere aantallen statushouders verwacht dan bij de B1-route. Vanwege de schaalgrootte is er in de aanbesteding van Rotterdam minder ruimte voor een spreiding van locaties. Dit zou betekenen dat er voor onze statushouders geen locatie zou zijn op Voorne-Putten. Juist de statushouders die de Z-route zullen gaan volgen zijn minder zelfredzaam waardoor het reizen naar Rotterdam minder wenselijk is. De kwetsbaarheid van deze groept maakt dat wij de Z-route zo lokaal mogelijk willen organiseren, in samenwerking met onze lokale maatschappelijke partners. Hierin trekken we dus verder als Voorne-Putten zijnde op. Binnen de aanbesteding van de B1 route worden de lokale partners en aanbieders meegenomen. Er zal in de aanbesteding prestatieafspraken worden gemaakt voor het betrekken van lokale partners zoals taalvrijwilligers, taalhuis enzovoort. Het aanbod van de onderwijsroute is van het niveau MBO en hoger onderwijs. Dit wordt regionaal aanbesteed waar het maken van prestatieafspraken met lokale partners minder van toepassing is.

17

5. Financiën a. Financiële uitwerking van de nieuwe Wet inburgering Het structurele inburgeringsbudget kent twee typen kosten. Dit zijn de uitvoeringskosten en de kosten voor inburgeringsvoorzieningen. De uitvoeringskosten zijn kosten voor de brede intake, het PIP, de voortgangsgesprekken, het ontzorgen en overige uitvoeringskosten. De middelen worden verstrekt via een integratie-uitkering binnen het gemeentefonds en worden verdeeld onder gemeenten op basis van het aantal inwoners en het aantal personen met een niet-westerse migratieachtergrond. In de decembercirculaire 2020 zijn de bedragen per gemeente opgenomen ten aanzien van de uitvoeringskosten. In onderstaande tabel is een begroting opgenomen van de totale uitvoeringskosten in 1 overzicht 2020 2021 2022 2023 Brielle 34.206 22.887 50.867 55.960 Nissewaard 168.812 136.608 303.615 334.013 Westvoorne 29.117 18.958 42.134 46.352 Hellevoetsluis 79.729 57.904 128.694 141.579 Totaal kosten 311.864 236.357 525.310 577.904 Gemiddeld ontvangen we ca. € 4.100 per statushouder en ca. € 2.700 per gezins- of overige migrant. Verschil wordt verklaard door: meer gesprekken voor statushouders, financieel ontzorgen alleen voor (bijstandsgerechtigde) statushouders, kosten zijn uitgesmeerd over twee jaar.

Wat kan bekostigd worden uit het budget uitvoeringskosten? • Brede intake en PIP • Voortgangsgesprekken en handhaving • Financieel ontzorgen, incl. begeleiding richting financiële zelfredzaamheid (alleen statushouder) • Inkoopkosten van trajecten • Beleid en ondersteunende processen Dit betreft voor 2020 en 2021 incidentele middelen voor de veranderopgave. Vanaf 2022 en verder zijn de structurele middelen voor de uitvoering van de nieuwe wet. Het budget voor de financiering van de inburgeringsvoorzieningen wordt aan gemeenten verstrekt door middel van een specifieke uitkering (SPUK). Het budget moet worden besteed aan voorzieningen die bijdragen aan het voldoen van de inburgeringsplicht. Deze middelen moeten we achteraf verantwoorden. Gemiddeld ontvangen we hiervoor € 12.712 per statushouder en € 589 per gezinsmigrant. Verschil wordt verklaard door: leerroutes en maatschappelijke begeleiding alleen voor asielmigranten, minder uren tolkvoorziening voor gezins- en overige migranten, kosten voor leerroutes zijn uitgesmeerd over drie jaar. In 2021 (in april/mei) wordt het voorlopige budget hiervoor bekend gemaakt. Let wel: de uitvoeringskosten en de kosten voor inburgeringsvoorzieningen bewegen mee met volumes. Voorlopige vaststelling bedrag is op basis van volumeprognose. De definitieve verstelling vindt na afloop van het jaar (mei) plaats op basis van realisatiecijfers.

18

Wat kan bekostigd worden uit het budget inburgeringsvoorzieningen? • Leerroutes • Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) • Maatschappelijke begeleiding • Participatieverklaringstraject • Tolkvoorziening Het Rijk adviseert de volgende bedragen te hanteren voor: Product Beschikbaar budget Leerroutes 10.000 MAP 136 Maatschappelijke 1.944 begeleiding PVT 216 Tolkenvoorziening 417 Totaal 12.713 Meeneemregeling Gemeenten mogen de niet-bestede middelen tot 100% van de uitkering jaarlijks meenemen naar het volgende jaar. Voor het mee te nemen budget gelden dezelfde bestedingseisen. Meegenomen middelen uit vorige jaren mogen opnieuw worden meegenomen (tot een maximum van 100% van het budget). Doorschuiven van de lasten Als een gemeente in een jaar meer uitgeeft dan er aan budget beschikbaar is dan zal het meerdere ten laste worden gebracht van het budget in het jaar erna. Dit biedt gemeenten samen met de meeneemregeling flexibiliteit bij de besteding van de middelen. Belangrijke aandachtspunten: - Bij invoering van de nieuwe wet zal straks moeten worden gemonitord op de ontwikkeling van de instroom en uitstroom van statushouders en gezinsmigranten, zodat tijdig bijgestuurd kan worden. - Dit is op basis van ervaringscijfers uit het verleden. Dit is een onzekerheid voor de komende jaren.

- Uitgangspunt is dat zowel statushouders als gezinsmigranten na 3 jaar het inburgeringstraject beëindigen. -Er zal een separaat besluit moeten worden genomen over welk bedrag vanuit de budgetten de nieuwe Wet inburgering jaarlijks bijgedragen aan de uitvoering van de nieuwe inburgeringswet voor zowel uitvoerings- als trajectkosten. - De ICT kosten zijn hierin nog niet meegenomen. - Een risico bij de invulling van de nieuwe taken is de rijksbijdrage voor gezinsmigranten. Deze is aanzienlijk lager dan de rijksbijdrage voor asielstatushouders, voor een deel omdat de taken verschillen. Maar voor de taken die hetzelfde zijn, worden de kosten even hoog ingeschat en is de dekking lager. Wij zullen in het derde kwartaal van 2021 de raad informeren over de stand van zaken van de implementatie van de wet inburgering en een financieel voorstel doen hoe de nieuwe wet Inburgering wordt ingepast in de programmabegroting 2022 en verder.

19

b. Risico’s De uitvoering van een nieuwe taak brengt voor onze gemeente een aantal risico’s mee. Hieronder benoemen we deze risico’s en de wijze waarop we hiermee omgaan. 1. We zijn afhankelijk van externe stakeholders Het aanbieden van startplekken en de doorstroom naar passende banen zijn belangrijke onderdelen van ons inburgeringsbeleid. Hiervoor zijn we afhankelijk van externe partijen zoals het Voorne Putten werkt en lokale ondernemers. Hierbij is het ook nog niet duidelijk wat de corona voor impact heeft op de werkgelegenheid op langer termijn. 2. Nieuwe wettelijke taken gemeenten Veel in te kopen elementen van het nieuwe inburgeringsprogramma zijn nieuw, zoals bijvoorbeeld de Z-leerroute en de Module Arbeidsmarkt en Participatie. Het is de vraag in hoeverre de markt in staat is hierin te voorzien en welke reacties wij krijgen op een aanbesteding. 3. De planning van het wetgevingsproces, inclusief lagere wetten, en de beschikbare financiële middelen voor de uitvoering van de opgave. Dit betekent dat de gemeente rekening moet houden met de onzekerheden in de wetgeving bij de voorbereiding en uitbesteding van de nieuwe wettelijke taken.

Ondanks onze planning om voor de zomer dit jaar de verschillende aanbestedingen te publiceren kunnen we de definitieve keuzes (gunning) pas maken na publicatie van de wet, vaststelling van de lagere wetten en het besluit van de gemeenteraad. Dit geheel vraagt capaciteit en flexibiliteit van de gemeente en haar uitvoerende partners. 4. De landelijke en lokale politiek spelen bij de opgave een cruciale rol. Het wachten op de wettelijke vaststelling is hiervoor genoemd. Politiek-bestuurlijke keuzes kunnen invloed hebben op (processen in) de opgave Inburgering. Risico’s zijn bijvoorbeeld de krapte op de woningmarkt, de jaarlijkse nieuwe instroom van statushouders/gezinsmigranten en de beschikbare financiële middelen. Een nieuwe bijkomstigheid is corona en daarmee de onvoorspelbaarheid van maatregelen die invloed kunnen hebben op de implementatie en de uitvoering. Een en ander kan leiden tot niet-afgeronde inburgeringstrajecten en daarmee dat inburgeraars langer in een uitkering zitten, marginaliseren en meer risico lopen schulden op te bouwen. Investeren in inburgeringstrajecten is een investering in de sociale- en economische positie van inburgeraars en uiteindelijk de samenleving. 5. Informatievoorziening en ICT-systemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10097297/2