CConstaterende datWestvoorne
Koppel je AI →
Document · PDF

21 04 03 brief college Projectplan IVH op Voorne-Putten-Goeree bijl 1

Gemeenteraad 28 april 2021, gemeente WestvoorneBij agendapunt: Ingekomen stukken34.360 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Eindrapport

Samenwerking in vrijwillig kader tussen gemeenten en gecertificeerde instelling (GI’s)

Management Samenvatting Dit rapport in opgesteld in opdracht van het Algemeen Bestuur (AB) van de Gemeenschappelijke Regeling Rotterdam-Rijnmond. Aanleiding voor het opstellen van dit rapport is het besluit van het AB in december 2019 om • De focus te leggen op volledige uitvoering van de wettelijke dwangtaken door Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR). Voor drang resterende beschikbare fte’s in te zetten (n.a.v. KPMG onderzoek in 2019 ‘Producten, kwaliteit en tarieven JBRR’). • In lijn met de transformatiegedachte, de samenwerking tussen lokale teams en de GI’s in drangzaken te herijken. Gemeenten vinden dat zij de regierol in vrijwillig kader moeten gaan invullen en zien de verschuiving van inzet in vrijwillig kader (drang) van de GI’s naar de lokale teams/veld als het wenselijke toekomstperspectief. • Dit proces op verzoek van het AB zorgvuldig te laten gebeuren en de impact op de lokale teams en de GI inzichtelijk te maken. Het AB GRJR heeft opdracht gegeven aan gemeenten, GI en UO GRJR om in gezamenlijkheid de gewenste samenwerking tussen de lokale teams en GI’s inzake drang zo snel mogelijk uit te werken. Het AB wil dat er een zorgvuldige overdracht en implementatie van het huidige drangproces naar het nieuwe gezamenlijke proces plaatsvindt.

Het AB wil ook dat bij de uitwerking van de werkwijze in het vrijwillige kader de lokale visie over de rollen en taken van de lokale teams één van de belangrijke uitgangspunten is en dat ook de actuele taakrijpheid van de lokale structuur betrokken wordt. Met het project ‘Samenwerking in vrijwillig kader tussen lokale teams en GI’s’ zijn de volgende resultaten beoogd: - Op basis van de transformatiegedachte en -doelen wordt een gedeelde visie opgeleverd, over de integrale inzet van hulp in de “drangfase” en de verantwoordelijkheidsverdeling tussen GI’s en gemeente(n). - Een beschrijving van het integrale (regionale) proces in de drangfase. - Vastgestelde gezamenlijke KPI’s voor gemeenten en JBRR ten aanzien van uitvoering van de drangfase. - Een beschrijving, op basis van de lokale visie, van de samenwerking tussen de lokale teams en GI’s in de drangfase per gemeente. - Een implementatie die recht doet aan de lokale taakrijpheid. - Een implementatiestrategie en -plan per subregio/gemeente. De resultaten van het project zijn uitgewerkt in een vijftal bouwstenen.

Deze bouwstenen werken stap voor stap van een algemene gezamenlijke visie, via een beschrijving van de rol van de lokale teams/het lokale veld en de gemeentelijke vraag aan de GI’s, toe naar een concrete beschrijving van de taken en activiteiten die medewerkers uitvoeren, de tijdsinzet die dit kost en uiteindelijk een doorrekening van benodigde personele inzet in lokale teams/het lokale veld en een overzicht van de taken die de GI in aansluiting op de lokale teams in het vrijwillig kader uitvoert. Gedurende het gehele proces is zorggedragen voor goede afstemming en uitwisseling op alle niveaus en met alle betrokkenen.

2

Het belang van de transformatie “Beweging naar voren” en overgang van de regierol naar het lokale veld Gemeenten, GI en UO hebben in het kader van het project allereerst een gezamenlijke visie uitgewerkt. Bij de uitwerking van deze visie is gebruikt gemaakt van de aanbevelingen van de RSJ en RVS uit het rapport “Heldere grenzen aan drang in de jeugdzorg” (november 2019) en de aanbevelingen van de gemeentelijke kinderombudsman (feb 2018). Vanuit deze aanbevelingen is een gezamenlijke visie opgesteld die helder markeert dat hulp en begeleiding vrijwillig is totdat de rechter een maatregel heeft opgelegd. Regievoering in deze vrijwillige fase wordt belegd in het lokale veld maar maatwerk hierop is mogelijk. Lokale teams/veld en GI’s trekken als partners op, versterken elkaar en benutten elkaars expertise. En bieden hiermee continuïteit in regie en hulp. Krachtige lokale teams staan er niet alleen voor, maar worden, daar waar nodig of gewenst, versterkt door de GI’s met specifieke kennis en expertise en daar waar behoefte of noodzaak is, met maatwerk in regievoering. De hulpvraag van het gezin en de kracht van de professional met daarin de wens voor andere expertise zijn leidend. In aansluiting op de aanbevelingen van de RSJ en RVS wordt de term drang niet meer gebruikt. We gebruiken de term Intensieve vrijwillige hulp (IVH).

Er is voor ouders, kinderen en professionals zo een helder onderscheid tussen vrijwillig en dwang kader. De opstellers van dit rapport stellen IVH voor als een proces van het verlenen van regie en hulp in vrijwillige kader, waarbij de jeugdprofessional stapsgewijs meer invloed uitoefent, meer verantwoordelijkheid neemt en daarmee steeds intensiever hulp en zorg verleent én tegelijkertijd de vrijwilligheid van de hulp garandeert. Belangrijk daarbij is dat het lokale veld goede aansluiting heeft met de GI’s, zowel in vrijwillig kader, alsook wanneer er toch besloten wordt tot een maatregel. In deze rapportage is een onderscheid gemaakt in basishulp en intensieve vrijwillige hulp (IVH) . IVH bestaat in 2 varianten: IVH en IVH met verzoek tot onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (VTO). Hierdoor ontstaat en wordt een steeds intensievere vorm van vrijwillige hulp geboden die past bij de toenemende complexiteit van de situatie: van basishulp, via intensieve vrijwillige hulp naar nog intensievere vrijwillige hulp met VTO. Wanneer besloten wordt om IVH in te zetten, dit besluit wordt genomen op basis van de uitgewerkte toetscriteria, dan is het doel om in een korte periode van rond de 13 weken te werken aan het herstellen van veiligheid en het realiseren van basisvoorwaarden.

De meeste gemeenten kiezen ervoor om bij de uitvoering van IVH zowel de regierol (voorheen GI) als de hulpverleningsrol gelijktijdig en in verbinding uit te voeren. De regisseur houdt zicht op het hele proces en op de veiligheid. De hulpverlener werkt met het gezin aan verbeteringen in het gezin en aan het herstellen van de veiligheid. De gedragswetenschapper bewaakt de kwaliteit van het proces en is betrokken bij besluitvorming. Wanneer de situatie verergert of wanneer IVH onvoldoende impact heeft, kan besloten worden om een verzoek tot onderzoek bij de RvdK te doen. De stellers van dit rapport zijn van mening dat dit besluit genomen moet worden in een Multidisciplinaire setting met betrokkenheid van brede expertise en samen met het gezin. Wanneer onderzoek wordt ingezet start de IVH met VTO. Ook voor IVH met VTO geldt in principe een duur van 13 weken, maar door de wachttijden bij de RvdK, duurt dit langer. De impact van het wachten is ook in beeld gebracht. 3

Van IVH en IVH met VTO zijn in het rapport aspecten beschreven als het werkproces, de afwegingskaders, de taken en verantwoordelijkheden van de professionals, de benodigde kennis en kunde en de benodigde tijdsinvestering. Ook is beschreven welke dienstverlening de GI kan bieden in aansluiting op de lokale teams/het lokale veld. Alle gemeenten hechten aan de inzet van Consultatie en Advies aan het lokale team. Ook wordt (mogelijk) ingezet op het diverse aanbod van deskundigheidsbevordering. Regievoering door de GI kan op verzoek van het lokale team ook wordt ingezet. Aan het eind van het rapport (bouwsteen 5) is van elke gemeente in beeld gebracht welke mix aan professionals in welke omvang nodig is om de taken in het lokale veld uit te voeren en welke kosten daarmee zijn gemoeid. Deze doorrekening betreft de kosten van uitvoering van IVH en IVH met VTO. Voor de meeste gemeenten maakt ook hulpverlening (naast regie) hier onderdeel van uit. Ook wordt per gemeente inzichtelijk gemaakt welke inzet men vraagt van de GI in het kader van de samenwerking. Ten aanzien van de gepresenteerde kosten is een aantal zaken van belang: GI’s voeren op dit moment regie uit. Wanneer gemeenten deze taken gaan uitvoeren, dan zal dit geen onderdeel meer zijn van de subsidie aan GI’s, wel zullen er kosten bijkomen voor de ondersteuning van de GI, bijvoorbeeld Consultatie en Advies.

De meeste gemeenten kiezen voor een toekomstig model waarbij regievoering en hulp samen wordt geboden aan gezinnen. Deze kosten voor hulp worden momenteel bekostigd vanuit lokale inkoop of regio inkoop. Wanneer gemeenten uitvoering gaan geven aan IVH en IVH met VTO, dan zal een verschuiving van middelen of capaciteit nodig zijn. Welke impact de wachttijd/doorlooptijd bij de RvdK heeft, wordt in bouwsteen 5 uitgerekend. Belangrijk is om wel te blijven rekenen met de reële doorlooptijd! Belangrijk is daarom te blijven toetsen bij de RvdK in verband et het verbeterprogramma dat daar is gestart. Wanneer gemeenten met deze beweging aan de slag gaan, en bepaalde taken gaan toevoegen aan de lokale teams of het lokale veld, dan is het belangrijk voor alle betrokkenen zich te realiseren, dat dit weliswaar een logische en nuttige beweging is in de context van de transformatiedoelen, maar dat deze beweging veel zorgvuldigheid en aandacht vraagt. Daarom is ook een risicoparagraaf toegevoegd aan het rapport. Gezien de complexiteit van het proces en deze beweging is het van groot belang dat er zorgvuldige besluitvorming, organisatie en implementatie volgt, waarbij voldoende oog blijft voor de veiligheid van kinderen en er geïnvesteerd wordt in kwaliteit, deskundigheidsbevordering en reflectie van de professionals.

In de rapportage zijn vervolgstappen beschreven die na oplevering van het rapport nodig zijn.

4

INHOUDSOPGAVE Management samenvatting 1 Inleiding 1.1 Introductie 1.2 Aanleiding 1.3 Opdracht 1.4 Resultaten 1.5 Definitie en afbakening 1.6 Aanpak 1.7 Bouwstenen 1.8 Leeswijzer

7 7 7 7 8 8 9 9 10

2 Bouwsteen 1: Visie 2.1 Introductie 2.2 Visie op werken in vrijwillig kader

11 11 11

3 Bouwsteen 2: Inhoud van het werk 3.1 Introductie 3.2 Basishulpverlening 3.3 IVH 3.3.1 Afwegingskader voor inzet IVH 3.3.2 Wijze van toetsing inzet IVH 3.3.3 Fases in het werkproces van IVH 3.3.4. Verlenging van de inzet IVH 3.4 IVH met VTO 3.4.1 Afwegingskader voor inzet IVH met VTO 3.4.2 Wijze van toetsing inzet IVH met VTO 3.4.3 Fases in het werkproces van IVH met VTO 3.4.4 Verlenging van de inzet IVH met VTO 3.5 Samenwerking lokale teams en GI’s 3.5.1 Dienstverleningsvormen van de GI 3.6 Kritische prestatie indicatoren voor samenwerking

12 12 13 13 14 15 16 17 17 18 18 18 20 20 22 24

4 Bouwsteen 3: Competenties van de professionals 4.1 Introductie 4.2 Professionals in het lokale team 4.3 Rollen en werkzaamheden bij IVH (met VTO) 4.3.1 Regie en hulp tijdens IVH 4.3.2 Regie en hulp tijdens IVH met VTO 4.4 Kennis en vaardigheden van de professionals 4.4.1 Kennis en vaardigheden bij basishulpverlening 4.4.2 Kennis en vaardigheden bij IVH 4.4.3 Kennis en vaardigheden bij IVH (met VTO)

25 25 25 25 26 27 27 28 28 29 5

4.4.4 Kennis en vaardigheden gedragswetenschapper bij IVH (met VTO) 4.5 Basis -aanvullende kennis en kunde van de jeugd en gezinsprofessional 4.5.1 Geconsulteerde aanbieders (Enver & MEE) t.a.v. inzet medewerkers 4.6 Huidige inrichting lokale teams

30 31 32 33

5 Bouwsteen 4: Normen t.b.v. de berekening formatieve impact 5.1 Introductie 5.2 Taken, activiteiten en tijd 5.2.1 IVH inclusief hulp 5.2.2 IVH-regie 5.2.3 IVH met VTO inclusief hulp 5.2.4 IVH met VTO regie (excl. hulpverleningscomponent) 5.3 Huidige aantallen IVH-zaken 5.4 Tarieven inzet medewerkers 5.4.1 netto bruto uren 5.4.2 inschaling (salariëring) 5.5 Wachttijden bij de Raad voor de Kinderbescherming 5.6 Prijzen van de dienstverlening en de uren van de GI

34 34 35 35 35 35 35 36 37 37 37 38 38

6 Bouwsteen 5: Ontwikkelproces per gemeente

39

7 Kosten/baten, risicoparagraaf en vervolgstappen 7.1 Analyse van kosten en baten 7.2 Risico impact en aanbevelingen 7.3 Geadviseerde vervolgstappen na oplevering eindrapport

71 71 72 74

Bronnenlijst

Bijlagen - Afkortingenlijst/ begrippenlijst - Uitgangspunten en aanbevelingen van de gemeentelijke kinderombudsman d.d. 26 februari 2018 - Uitgangspunten & aanbevelingen van het RSJ en RVS d.d., november 2019 - Rapport ‘Basisfuncties voor lokale teams in kaart’ van 30 september 2019 & Kwaliteitskader Werken aan veiligheid voor lokale (wijk)teams en gemeenten 2020 - Geweld hoort Nergens Thuis regiovisie 2020-2023 en regionaal actieprogramma 20192021 regio Rotterdam Rijnmond - Methodische aanpak bij besluitvorming inzet IVH en IVH + VTO - Functieprofiel Jeugdbeschermer - Partnermodel - Huidige inrichting lokale teams - Structuur & organisatie, betrokkenen, procesplanning

6

1 Inleiding 1.1 Introductie

In dit eindrapport zijn de resultaten van het project ‘Samenwerking in vrijwillig kader tussen lokale teams en gecertificeerde instellingen (GI’s)’ uitgewerkt. Dit rapport is opgesteld in opdracht van het Algemeen Bestuur (AB) van de regio Rotterdam-Rijnmond. Het rapport is een gezamenlijk resultaat van gemeenten, GI/JBRR en UO/GRJR.

1.2 Aanleiding

In 2019 is het onderzoek ‘Producten, kwaliteit en tarieven JBRR’ uitgevoerd door KPMG. Dit onderzoek heeft geleid tot het advies om binnen de bestaande capaciteit en subsidie keuzes te maken voor de uitvoering van de dwang- en drangtaken van JBRR (incl. WSS). Het AB heeft in december 2019 het advies overgenomen om de focus te leggen op de volwaardige uitvoering van de (wettelijke) dwangtaken en om voor drang de resterende beschikbare fte’s in te zetten. Dit betekent voor JBRR een uitvoering van de drangtaak met 50% minder tijd. Het AB heeft verder ook ingestemd met het advies om, in lijn met de transformatiegedachte, de samenwerking tussen lokale teams en de GI’s1 in drangzaken te herijken. Gemeenten vinden dat zij de regierol in vrijwillig kader meer moeten gaan invullen en zien de verschuiving van inzet in vrijwillig kader (drang) van de GI’s naar de lokale teams als het wenselijke toekomstperspectief. Een aantal gemeenten in de regio had daartoe al concrete stappen gezet. Wel is het belangrijk, gaven de leden van het AB aan, dat dit zorgvuldig gebeurt en dat de impact op de lokale teams en de GI helder is. Het besluit van het AB van december 2019 had vrijwel direct een positieve impact. In november 2019 hadden de IGJ en de IJ&V (inspecties Gezondheidszorg en Jeugd en Justitie en Veiligheid) het rapport ‘Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd’ gepubliceerd.

De inspecties stelden vast dat de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering in het hele land op dat moment onvoldoende in staat waren om hun wettelijke taken uit te voeren. De lastigheid om de wettelijke taken goed uit te voeren werd onder meer geweten aan de bekostiging van de GI’s. Naar aanleiding van dit rapport van de inspecties zijn voor alle GI’s in het land verbeterplannen opgesteld. Het verbeterplan van de regio Rijnmond werd als een van de eersten goedgekeurd. Het besluit van het AB GRJR van december 2019 lag aan de basis van deze goedkeuring.

1.3 Opdracht Op 12 december 2019 heeft het AB de regiogemeenten, JBRR en uitvoeringorganisatie (GRJR) opdracht gegeven om de gewenste samenwerking tussen de lokale teams en GI’s inzake drang zo snel mogelijk op te pakken. De gemeenten willen dat er een zorgvuldige overdracht en implementatie van het huidige drangproces naar het nieuwe gezamenlijke proces plaatsvindt.

1 In de regio Rotterdam-Rijnmond zijn Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR), (incl.

William Schrikker Groep) en het Leger des Heils (LJ&R) de GI’s waarmee wordt samengewerkt.

7

Het AB wil dat bij de uitwerking van de werkwijze in het vrijwillige kader de lokale visie over de rollen en taken van de lokale teams één van de belangrijke uitgangspunten is en dat ook de actuele taakrijpheid van de lokale structuur betrokken wordt. De stuurgroep heeft in februari 2020 de projectbrief goedgekeurd.

1.4 Resultaten

Met het project ‘Samenwerking in vrijwillig kader tussen lokale teams en GI’s’ zijn de volgende resultaten beoogd: - Op basis van de transformatiegedachte en -doelen wordt een gedeelde visie opgeleverd, over de integrale inzet van hulp in de “drangfase” en de verantwoordelijkheidsverdeling tussen GI’s en gemeente(n). - Een beschrijving van het integrale (regionale) proces in de drangfase. - Vastgestelde gezamenlijke KPI’s voor gemeenten en GI’s ten aanzien van uitvoering van de drangfase. - Een beschrijving, op basis van de lokale visie, van de samenwerking tussen de lokale teams en GI’s in de drangfase per gemeente. - Een implementatie die recht doet aan de lokale taakrijpheid. - Een implementatiestrategie en -plan per subregio/gemeente.

1.5 Definitie en afbakening

Er is voor gekozen om in het rapport niet langer de term drang te gebruiken, maar te werken met de termen ‘basishulp’ en ‘intensieve vrijwillige hulp’ (IVH). Intensieve Vrijwillige Hulp wordt gebruikt in plaats van de term “drang”, die nog bij de opdrachtverlening werd gebruikt en ook aansluit bij de naam van de dienstverlening door de GI’s. Aanleiding voor de naamsverandering is het advies van de RSJ en RVS2 in hun rapport ‘Intensieve vrijwillige hulp: heldere grenzen aan drang in de jeugdzorg’ van 19 november 2019. In dit rapport signaleren de RSJ/RVS dat de uitvoering van drang, zoals nu in de praktijk veel gebeurt, te veel weg heeft van dwang, terwijl het nog hulp in het vrijwillige kader betreft. Zij adviseren daarom om in het vervolg de term intensieve vrijwillige hulp (IVH) te hanteren. Ook adviseren zij om in de methodische werkwijze en bejegening van ouders/opvoeders (hierna: ouders) en jeugdigen de vrijwilligheid duidelijker te benadrukken. Met IVH-inzet worden in dit rapport alleen de trajecten bedoeld waarin een veiligheidsrisico en/of ontwikkelingsbedreiging aan de orde is en niet alle andere intensieve trajecten die door gemeenten geboden worden. IVH bestaat uit de regierol, die door de GI’s wordt/werd uitgevoerd en kan, afhankelijk van de gemeentelijke keuze, aangevuld worden met hulpverlening.

IVH komt in deze eindrapportage terug in twee varianten: IVH zonder en IVH met verzoek tot onderzoek (VTO) door de Raad van de Kinderbescherming (RvdK). In het laatste geval wordt IVH uitgevoerd gelijktijdig met een onderzoek door de RvdK. In het rapport wordt de term “lokale teams” gebruikt in relatie tot de toekomstige uitvoering van IVH en IVH met VTO.

2 Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) & Raad voor Volksgezondheid en

Samenleving (RVS).

8

We bedoelen hier nadrukkelijk niet alleen de lokale teams mee, maar het heeft meer de betekenis van “lokaal veld”. We zien in de regio verschillen in de wijze waarop gemeenten nadenken over het organiseren en uitvoeren van IVH en IVH met VTO. Sommige gemeenten denken er over het onderdeel te maken van het lokale team, andere gemeenten denken aan een lokaal specialistenteam dat samenwerkt met de lokale teams. Gemeenschappelijk hebben alle gemeenten dat de uitvoering lokaal wordt belegd. Lokaal team kan daarom ook gelezen worden als lokaal veld.

1.6 Projectaanpak

De stuurgroep, bestaande uit de portefeuillehouder GI’s van de GRJR, bestuurder van JBRR en secretaris van de GRJR is opdrachtgever van het project. De regie op het proces en de projectmatige aanpak is belegd bij de projectgroep, die bestaat uit een vertegenwoordiging van de subregio’s, GI/JBRR en Uitvoeringsorganisatie GRJR. In de projectgroep heeft de afstemming plaatsgevonden over de noodzakelijke processtappen, de kwaliteit van de afstemming en verzameling van reflectie en input en de kwaliteit van het eindproduct. Een kleine vertegenwoordiging van de projectgroep, met vertegenwoordiging uit alle geledingen, heeft de projectleider ondersteund bij planning, inhoud en voorbereiding van (digitale) bijeenkomsten. Gedurende het gehele proces is zorggedragen voor zorgvuldige afstemming en uitwisseling op alle niveaus en met alle betrokkenen. Een belangrijke rol was daarbij weggelegd voor de subregionale vertegenwoordigers in de projectgroep. Zij stemden af met hun lokale achterban en legden verbinding met de lokale teams. Naast de maandelijkse bijeenkomsten van de projectgroep en tweewekelijkse bijeenkomsten van de voorbereidingsgroep hebben verschillende interviews en sessies plaatsgevonden.

Hierbij gaat het om interviews met de verschillende ambtelijke vertegenwoordigers en sessies met medewerkers van de lokale teams en de GI, vertegenwoordigers van de keten en vertegenwoordigers van de moederorganisaties die medewerkers aan de lokale teams leveren. Ook is er een interview geweest met staffunctionarissen van de GI. Tot slot zijn er bilaterale overleggen geweest met vertegenwoordigers van de subregio’s.

1.7 Bouwstenen

De resultaten van het project worden uitgewerkt in een aantal bouwstenen. Deze bouwstenen werken stap voor stap van een algemene gezamenlijke visie, via een specifieke uitwerking van de rol van lokale teams en de gemeentelijke vraag aan de GI’s, toe naar een concrete beschrijving van de taken en activiteiten die medewerkers uitvoeren, de tijdsinzet en uiteindelijk een doorrekening van benodigde personele inzet in lokale teams en voor de taken die de GI in aansluiting op de lokale teams in het vrijwillig kader uitvoert. Bouwsteen 1. Visie 2. Inhoud van het werk

Inhoud/ontwikkeling Een gemeenschappelijke visie t.a.v. werken in vrijwillig kader Een beschrijving van de taken die elke gemeente bij de lokale teams wil beleggen en wat dit betekent voor de invulling van de samenwerking van gemeenten en de GI’s op de vrijwillige taken, criteria voor opschaling naar intensievere vrijwillige hulp (drang) en hoe gemeenten en de GI’s de samenwerking willen vormgeven. 9

3. Competenties van de professionals

4. Formatieve impact

5. Ontwikkelproces per gemeente

Een algemene beschrijving van het werk van de professionals in het lokale team, de rollen die er zijn binnen IVH en de werkzaamheden die zij uitvoeren en over welke kennis en vaardigheden medewerkers die IVH uitvoeren dienen te beschikken. Daarbij wordt ook specifiek gekeken naar het onderscheid van werken zonder en met VTO. Een berekening van wat de formatieve impact van de keuzes per gemeente over de taak/rol t.a.v. IVH en IVH met VTO is, voor zowel de gemeenten als de GI’s. De taken zijn vertaald naar uren en capaciteit. De berekening is gebaseerd op productie drang in 2019 en begin 2020 door de GI’s. Een uitwerking per gemeente van wat er nodig is om de gewenste taken in het vrijwillige kader conform de gemaakte keuzes te kunnen uitvoeren. Ook is per gemeente inzichtelijk gemaakt op wat voor wijze de samenwerking tussen de gemeente en de GI’s wordt vormgegeven en wat dit betekent voor de inzet van beide partners.

1.8 Leeswijzer

De hiervoor omschreven bouwstenen zijn in de navolgende hoofdstukken verder uitgewerkt. Ieder hoofdstuk beslaat één bouwsteen. Per hoofdstuk wordt telkens eerst een introductie gegeven van wat de bouwsteen inhoudt en van wat er verder in het hoofdstuk aan de orde komt. In hoofdstuk 2 wordt ‘Bouwsteen 1: Visie’ beschreven. In hoofdstuk 3 komt ‘Bouwsteen 2: Inhoud van het werk’ aan de orde. Hierin wordt ingegaan op: basishulpverlening door de lokale teams; de inzet van IVH en IVH met VTO, de toetsing daarvan en de fases in het werkproces van IVH; de visie en ontwikkelrichting van de regiogemeenten en de GI’s over de samenwerking tussen de lokale teams en GI; en hoe de gemeenten individueel aankijken tegen de uitvoering van basishulp, IVH, IVH met VTO en de samenwerking met de GI in het vrijwillige kader. Tot slot zijn kritische prestatie indicatoren voor samenwerking beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ‘Bouwsteen 3: Competenties van de professionals’ besproken. Hierin wordt aandacht besteed aan de diversiteit van de rollen en werkzaamheden binnen de IVHwerkwijze (zonder en met VTO) en hulp en regie daarbij; de benodigde kennis en vaardigheden van de jeugdprofessionals en de gedragswetenschapper bij IVH en IVH met VTO; de basisbenodigdheden qua opleiding en bij- en nascholing voor de medewerkers van de lokale teams bij IVH en IVH met VTO.

In hoofdstuk 5 wordt Bouwsteen 4: Formatieve impact uitgewerkt. In deze bouwsteen wordt aandacht besteed aan de uitgangspunten en normen op basis waarvan de formatieve en financiële doorrekening plaatsvinden. Verschillende aspecten zijn hierin meegenomen; urenberekening per dienstverleningsvorm, aantallen productie drang GI 2019 en eerste 5 maanden 2020. Normen ten aanzien van netto en bruto uren en inschaling van de medewerkers. Ook wordt een uitgangspunt benoemd ten aanzien van wachttijden bij de Raad voor de Kinderbescherming. Tot slot worden de kostprijzen voor de inzet van de GI in vrijwillig kader gepresenteerd. 10

In hoofdstuk 6 wordt ‘Bouwsteen 5: Ontwikkelproces per gemeente’ weergegeven. Per gemeente wordt het eindplaatje in beeld gebracht. Er is per gemeente uitgewerkt wat er aan functionarissen, formatie en middelen nodig zijn om de gewenste uitvoering in het vrijwillig kader zelf te kunnen gaan doen. Deze doorrekening betreft alleen de kosten van uitvoering van IVH en IVH met VTO door het lokale team. Het kan zijn dat het lokale team andere hulp wil inzetten tijdens IVH of IVH met VTO maar dan betreft dit lokale inkoop of regionale inkoop. Dit is conform de huidige werkwijze en derhalve niet apart berekend. Ook wordt per gemeente inzichtelijk gemaakt welke inzet men vraagt van de GI in het kader van samenwerking in het vrijwillig kader. In hoofdstuk 7 is een analyse van de kosten/baten opgenomen en een paragraaf opgenomen met de risico impact voor kinderen/ gezinnen, het lokale team en de professional en de GI’s en de professional. Tot slot wordt een voorstel gedaan voor vervolgstappen na oplevering van de eindrapportage.

2. Bouwsteen 1: Visie 2.1 Introductie

Bouwsteen 1 betreft de gezamenlijke visie ten aanzien van het werken in het vrijwillige kader. Op basis van de transformatiegedachte en -doelen hebben gemeenten, GI’s en uitvoeringsorganisatie (GRJR) een gedeelde visie opgeleverd over de integrale inzet van hulp in het vrijwillige kader en de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeenten en de GI’s hierin. Hierbij is gebruik gemaakt van een aantal recente publicaties en aanbevelingen. Deze zijn in de bijlagen opgenomen.

2.2. Visie op werken in vrijwillig kader

‘Lokale teams bieden zelf, of via een zorgaanbieder, vrijwillige hulp op alle leefgebieden aan gezinnen en kinderen die ondersteuning nodig hebben. Stagneert het reguliere hulpverleningsproces en blijven er zorgen over de veiligheid en/of ontwikkeling(sbedreigingen) bestaan, dan overweegt het lokale team om de (casus)regie te intensiveren, waarbij zij de mogelijkheid heeft om intensieve vrijwillige hulp trajecten in te zetten. Het lokale team wil op tijd passende hulp inzetten om zo zwaardere problematiek te voorkomen. Voor het gezin is helder waar de scheiding ligt tussen het vrijwillige en gedwongen kader. Tot aan de uitspraak van de kinderrechter is er sprake van een vrijwillig kader, waarbinnen met de GI’s (en/ of andere ketenpartners) kan worden samengewerkt. Zowel de basishulp als IVH met en zonder VTO vallen binnen het vrijwillig kader, wat maakt dat het lokale team/veld in beginsel de verantwoordelijkheid heeft voor regievoering. Krachtige lokale teams staan er niet alleen voor, maar worden daar waar nodig of gewenst, versterkt door de GI’s met specifieke kennis en expertise en daar waar behoefte of noodzaak is, is maatwerk op regievoering mogelijk. De hulpvraag van het gezin en de kracht van de professional met daarin de wens voor andere expertise zijn leidend.

Kortom, lokale teams en GI’s trekken als partners van elkaar op, versterken elkaar en benutten elkaars expertise. Het partnermodel is leidraad om dit te bereiken en hiermee de veiligheid te borgen en continuïteit in zorg te bieden. Lokale teams en GI’s zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de kinderen die niet veilig opgroeien. 11

De visie leidt tot de volgende uitgangspunten in de uitvoer van IVH en samenwerking met de GI’s: • De nadruk ligt op het bieden van goede en passende zorg voor gezinnen en kinderen waarbij sprake is van dreigende onveiligheid en bedreigde ontwikkeling. • Het gezin ervaart een soepele overgang tussen het vrijwillig en gedwongen kader, daar waar het raadsonderzoek leidt tot een dwangmaatregel. • De professional van het lokale team ervaart, daar waar gewenst, laagdrempelige en vrij toegankelijke ondersteuning bij de uitvoer van IVH door de GI’s • Kennis/expertise van de GI’s kan flexibel worden ingezet wanneer dit nodig is. • Er is ruimte en flexibiliteit om dit te organiseren en daarbij maatwerk te leveren. • De noodzakelijke competenties zijn beschikbaar om het gezin te helpen. • De nadruk ligt op het aansluiten met de juiste kennis en expertise bij de leefwereld van de gezinnen en kinderen én niet op aansluiting op de systeemwereld en organisaties. • We leveren maatwerk waarbij sprake is van een heldere taak en rolverdeling, met expliciet aandacht voor regiefunctie. De visie en uitgangspunten zijn leidraad geweest voor de uitwerking van de overige bouwstenen.

3. Bouwsteen 2: Inhoud van het werk 3.1 Introductie Bouwsteen 2 betreft de inhoud van het werk. Hierbij wordt de vrijwillige inzet, voorafgaand aan de overgang naar het gedwongen kader, beschreven. Het vrijwillige kader heeft een duidelijke begrenzing: wanneer de rechter een uitspraak doet dat er een kinderbeschermingsmaatregel ingezet gaat worden, gaat het vrijwillige kader over in het gedwongen kader. Dat betekent niet dat er in het vrijwillige kader sprake is van één uniforme werkwijze. Het vrijwillige kader begint bij basishulp en kan uitgebreid worden met, of overgaan naar Intensieve Vrijwillige hulp (IVH) en Intensieve Vrijwillige Hulp met Verzoek tot Onderzoek (IVH met VTO)3. Er is sprake van een continuüm van steeds Intensieve Vrijwillige Hulp. Bij het opstellen van uitwerking IVH is een aantal methodische werkwijzen gebruikt die al in de regio uitgevoerd worden. Bij de uitwerking van IVH met VTO is uitgegaan van de werkwijze en ureninzet zoals KPMG die heeft beschreven t.a.v. JBRR. In de bronnenlijst staat opgenomen van welke methodische uitwerkingen gebruik is gemaakt. Leeswijzer In paragraaf 3.2 komt de basishulpverlening van de lokale teams aan de orde.

Paragrafen 3.3 en 3.4 gaan respectievelijk over IVH en IVH met VTO, hoe dit kan worden ingezet, welke afwegingscriteria daarvoor gelden en hoe de toetsing (van de criteria) om IVH of IVH met VTO in te zetten idealiter plaatsvindt worden. Vervolgens worden de duur en de fases in het werkproces van IVH en IVH met VTO beschreven.

3 We hanteren hier de termen basishulp, IVH en IVH met VTO ter ondersteuning van

eenduidigheid in de uitwerking en omdat de ordening landelijk ook wordt gehanteerd. Lokaal kunnen deze fases en bijbehorende activiteiten een andere naam dragen. 12

In paragraaf 3.5 wordt de visie en ontwikkelrichting van de regiogemeenten met betrekking tot de samenwerking tussen de lokale teams en de GI’s in het vrijwillige kader beschreven aan de hand van het partnermodel en het gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor veiligheid. In paragraaf 3.6 is een aanzet gedaan voor Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) voor samenwerking tussen lokale teams en GI’s. De KPI’s vragen nog nadere uitwerking in het vervolgproces.

3.2 Basishulpverlening

Het lokale team biedt basishulp en ondersteuning op basis van de Jeugdwet, de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo 2015) en de Participatiewet. Basishulp dient zo laagdrempelig, dichtbij en zo intensief als nodig en licht als mogelijk te zijn. Het gaat om individueel maatwerk en een integrale aanpak bij enkelvoudige of meervoudige problematiek. In gemeenten zijn lokale teams of wijkteams ingericht, die samen met andere voorzieningen (sociale basisvoorzieningen als vrijwilligerswerk, mantelzorg, welzijn, algemene voorzieningen, buurthuizen, wijkverpleging) een belangrijke rol hebben in deze manier van werken. Wijk- of gebiedsgerichte teams zijn er bovendien voor vele doelgroepen. Zo hebben de lokale teams een cruciale rol gekregen in het realiseren van de transformatiedoelstellingen.4 Basishulp is specifiek gericht op jeugdigen vanaf -9 maanden tot 18 jaar5 met als belangrijkste doel hen kansrijk en veilig te laten opgroeien. Lokale teams hebben bij basishulp de casusregie en kunnen ook zelf hulp bieden of dit inzetten via een andere instelling. Ten behoeve van volwassenen met complexe problematiek of multi-problematiek dragen de lokale teams tevens zorg voor het inzetten en regisseren van de benodigde hulp en/of dienstverlening. Het is van belang dat dit op elkaar aansluit en elkaar aanvult. Het doel is ervoor te zorgen dat er een stabiele situatie ontstaat.

Uitgangspunt is dat ouders (volwassenen) de regie hebben over de in te zetten hulp. Waarbij het van belang is rekening te houden met de specifieke doelgroep van ouders met LVB problematiek en hun mogelijkheden hierin. Zo nodig kan door een medewerker van het lokale team, zonder dat de inzet van IVH noodzakelijk is, ook al specialistische (regionale) hulp worden ingezet op het moment dat er nog basishulp wordt geboden. Het gaat dan om casuïstiek waar geen veiligheidsrisico en/of ontwikkelingsbedreiging is geconstateerd. Is dat wel het geval dan is de inzet van IVH wenselijk. Naast regievoering kan intensieve ondersteuning en hulp worden geboden. Dit kan intensieve vrijwillige hulp zijn, maar ook een arrangement behoort tot de mogelijkheden. Het gaat om maatwerk.

3.3 Intensieve Vrijwillige Hulp (IVH) IVH is een specifieke werkwijze voor casuïstiek waar sturing nodig is om de veiligheid te herstellen en/of om een ontwikkelingsbedreiging af te wenden. Bij toenemende zorgen over de veiligheid, mogelijke ontwikkelings(bedreiging) en ontoereikendheid van hulp, past een geleidelijke toename van de intensiteit, de sturing en het invloed uitoefenen en het verantwoordelijkheid nemen door het lokale team, d.m.v. regie en hulp.

4 Werken aan Veiligheid voor lokale (wijk)teams en gemeenten.

5 Gemeenten hebben tevens de mogelijkheid verlengde jeugdhulp in te zetten.

13

Net als bij de basishulp houden ouders, zelf de regie over de te nemen stappen. Met de inzet van IVH wordt conform het Kinderrechtenverdrag (IVRK) enerzijds gestreefd naar het ten volle benutten en respecteren van de rol en verantwoordelijkheid van ouders en anderzijds naar het bieden van veiligheid en stimuleren van een optimale ontwikkeling van kinderen. Wanneer er besloten is om IVH in te zetten gaat er vanuit het lokale team steviger ingezet worden op (casus) regie en hulpverlening (met eventuele inzet van de expertise en kennis van de GI’s). Dit om de risico’s op onveiligheid weg te nemen en stabiliteit te vergroten. Belangrijk is dan ook dat de inzet van IVH voor gezinnen niet onverwachts volgt, maar dat er een aangekondigde en bekende overgang is vanuit basishulp. De hulpvraag van het gezin en de kracht van de professional met daarin de wens voor andere expertise zijn leidend. Hierbij is het van belang om ook oog te hebben voor de specifieke doelgroep van ouders en kinderen met LVB problematiek. Uitgangspunt is dat de inzet dertien weken beslaat, opdat er in deze korte periode een verandering teweeggebracht wordt.

3.3.1 Afwegingskader voor inzet IVH IVH sluit aan op het verloop van de basishulpverlening van het lokale team en/of andere hulp uit het lokale veld tot dan toe. Gezinnen komen in aanmerking voor IVH als de volgende drie zaken aan de orde zijn: 1. Er zijn serieuze zorgen over de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen. De problematiek is ernstiger dan aanvankelijk gedacht; er is nieuwe informatie en/of er zijn ontwikkelingen, waaruit blijkt dat er sprake is van onveiligheid en/of bedreiging van de ontwikkeling van het kind. 2. Opvoeders zijn terughoudend in, dan wel onvoldoende in staat tot: a. Het realiseren van voldoende veiligheid. b. Het voldoende tegemoet komen aan de opvoedings- en ontwikkelingsbehoeftes van hun kind(eren), waardoor de ontwikkeling stagneert c. Het hebben van inzicht in de ernst van de situatie en/of inzet voor het bereiken van de hulpverleningsdoelen; ouders (blijven) andere prioriteiten stellen dan voor de ontwikkeling van het kind noodzakelijk is. d. Het boeken van resultaat; de huidige hulpverlening leidt niet binnen een aanvaardbare termijn tot een ‘goed genoeg’ situatie. 3. Het is de verwachting dat ouders/verzorgers met intensieve casusregie en hulpverlening binnen een aanvaardbare termijn: a. De veiligheid op het niveau van ‘goed genoeg’ kunnen brengen. b.

In staat zijn om beter aan te sluiten op de opvoedings- en of ontwikkelingsbehoeftes om de ontwikkeling van hun kind(eren) ten goede te keren.

Methodisch instrumentarium Methodische instrumenten die gebruikt kunnen worden bij de taxatie van de ernst van de problematiek zijn o.a.; • Signaleringslijsten (0-4, 4-12, 12-18 jaar) voor het herkennen van signalen van kindermishandeling. • Risicotaxatie instrumenten zoals Lirik of Arij 14

• • • •

Richtlijnen Jeugdhulp & Jeugdbescherming o Framework werkkaart 1 Samen beslissen) o Richtlijn Gezinnen met meervoudige -en complexe problemen (werkkaart 3) Veilig Thuis kaart Zelfredzaamheidsmatrix Ernstcriteria van Rutter (1971)

In bijlage 6 zijn de verwijzingen naar de bijbehorende documenten opgenomen.

3.3.2 Wijze van toetsing inzet IVH Wanneer er wordt overgegaan van basishulp naar IVH dient dit zorgvuldig te worden getoetst en met betrokkenheid van de ouders te gebeuren. Onderstaande is opgesteld op basis van werkwijzen die gehanteerd worden door een aantal regiogemeenten (zie bronnenlijst). Om zeker te zijn dat IVH weloverwogen wordt ingezet, is het belangrijk dat een aantal algemene aandachtspunten en handelingen voor effectieve en kwalitatief goede hulpverlening optimaal is verankerd in het reguliere werkproces. Essentiële methodische aspecten van het werken met de doelgroep voor goede doorschakeling naar IVH, zijn: - Analyseren van de samenhang van beïnvloedende factoren, zowel risico- als beschermende factoren. - De ernst van de ontwikkelingsbedreiging wordt gewogen evenals de mate van onveiligheid (middels het in kaart brengen van actuele (on)veiligheid, taxeren van veiligheidsrisico’s en actief gebruik van de vernieuwde meldcode). - Transparant bespreken van zorgpunten en (vermoedelijke) invloed op de ontwikkeling van het kind wordt aan ouders uitgelegd. - Doelgericht werken en regelmatig evalueren of beoogde doelen worden bereikt. Zo nodig bijstellen van het plan van aanpak en de hulpinzet. - Hanteren van een ‘aanvaardbare’ termijn voor het behalen van doelen aangaande de veiligheid.

Het lokale team neemt het (voorgenomen) besluit om IVH (zonder VTO) in te zetten met een gedragswetenschapper of kwaliteitsmedewerker. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van de expertise en kennis van de GI’s. Ouders en jeugdigen worden actief betrokken bij de afweging en het opstellen van kaders. Momenteel bestaan de volgende aanpakken van toetsing in de regiogemeenten; o De inzet van IVH betreft een interne afweging; o De inzet van IVH verloopt via een experttafel; o Het besluit om IVH in te zetten wordt genomen via het Jeugdbeschermingsplein. Gemeenten maken hierin verschillende afwegingen op basis van beschikbare kennis in het lokale team en hun voorkeuren m.b.t. het werkproces. Voor een verdere beschrijving zie paragraaf 3.4.2 op blz. 18.

15

3.3.3. Fases in het werkproces van IVH

Het werkproces van IVH bestaat uit vier fases. In de voorbereidingsfase vindt de afweging plaats wie de casus oppakt/oppakken en met welke rolverdeling. Dit wordt verder uitgewerkt in bouwsteen 3. Elke fase (na voorbereiding) wordt afgesloten met een teamtafel, na ongeveer twee, zes en dertien weken. De teamtafels zijn belangrijke evaluatiemomenten. De totale inzet beslaat een periode van dertien weken. Gelet op het doel van IVH om de veiligheid te borgen en ontwikkelings-bedreigingen te voorkomen, is het volgende tijdens de inzet van IVH belangrijk: - Herstellen van de directe veiligheid. Het maken van een veiligheidscheck en veiligheidsplan, bestaande uit: het stellen van basisvoorwaarden die vanuit het lokale team (eventueel in samenspraak met de GI) worden gesteld aan het gezin t.a.v. de veiligheid en ontwikkeling. Het gaat hierbij om maatwerk. - Het gebruik van risicotaxatie-instrumenten. - Het betrekken van het handelingsprotocol/de meldcode Veilig Thuis. Fase 0 voorbereidingsfase Stap 1: Taxatie: wat is er aan de hand – wat is nodig a. Analyse van de beschermende en risicofactoren b.

Bepalen en formuleren basisvoorwaarden Stap 2: Afspraken maken over taak- en rolverdeling tussen lokaal team en GI’s Stap 3: Startgesprek plannen en voorbereiden Fase 1: Startfase (circa 2 weken) Stap 1: Startgesprek Stap 2: Gezinsgesprek gericht op actuele veiligheid (risico taxatie instrument Lirik of ARIJ is ingevuld) Stap 3: Vertaalslag van basisvoorwaarden (WAT) naar doelen (HOE) Stap 4: Voorbereiden teamtafel Stap 5: Eerste teamtafel Fase 2: Plan- en uitvoeringsfase (circa 4 weken) Stap 1: Uitwerken veiligheidsplan met gebruik van netwerk Stap 2: Omzetten van basisvoorwaarden in concrete (werk)doelen Stap 3: Opstellen ondersteuningsplan Stap 4: Uitvoering plan /realiseren van de werkdoelen Stap 5: Tweede teamtafel Fase 3: Evaluatiefase en uitstroomfase (circa 6 weken) Stap 1: Aanpassingen in werkdoelen doornemen n.a.v. teamtafel Stap 2: Verfijnen veiligheidsplan met gebruik van netwerk Stap 3: Bijstellen van het ondersteuningsplan Stap 4: Realiseren van werkdoelen Stap 5: Derde teamtafel; ‘Goed genoeg’ (bepalen af of opschaling)

16

Wanneer IVH wordt ingezet door het lokale team als vervolg op basishulp van het lokale team, dan zullen de stappen meer natuurlijk in elkaar overlopen. Dat is goed, maar belangrijk is tegelijkertijd om de methodiek te bewaken. In de evaluatiefase van het IVH-traject wordt bezien of er kan worden afgeschaald binnen het lokale team, of dat inzet van vervolghulp (zorgaanbieder) of een melding bij het Jeugdbeschermingsplein aan de orde is. Wanneer een melding bij het JB-plein wordt gedaan voor onderzoek van de RvdK dan volgt inzet van IVH met VTO6. Bij bouwsteen 4 wordt een berekening gemaakt van de formatieve impact ten aanzien van eventuele verlengingen.

3.3.4. Verlenging van de inzet IVH

De duur van IVH is gesteld op gemiddeld 13 weken. Doel van de werkwijze is om in een korte maar intensieve periode doelen te realiseren en verbeteringen in de situatie zichtbaar te krijgen. Daarom wordt verlenging van IVH na 13 weken, in principe niet gedaan. Het kan echter voorkomen dat er casus-specifieke redenen zijn om af te wijken van de 13 weken en toch te verlengen. Om toch enige formatieve flexibiliteit te hebben in de uitvoering is de aanname gedaan dat voor mogelijke verlengingen 10% extra capaciteit nodig is.

3.4 IVH met VTO

Lukt het binnen het IVH-traject niet om de veiligheid te waarborgen en/of werkt het gezin onvoldoende mee aan de gestelde basisvoorwaarden dan kan worden overwogen om de RvdK te verzoeken een onderzoek in te zetten (VTO). Wanneer dit gebeurt dan zal er IVH worden uitgevoerd in afwachting of gelijktijdig met het raadsonderzoek (IVH met VTO). Het belangrijkste verschil met de voorgaande inzet is dat de regierol verandert (en toeneemt) omdat er ernstige zorgen blijven bestaan over de veiligheid van de minderjarig(n). Vanuit de regierol zal zicht moeten komen en worden behouden op de gestelde basisvoorwaarden en de veiligheid. De afweging of de situatie voldoende veilig is zal voortdurend moeten worden gemaakt. Ook de dimensie van het juridische traject is een belangrijke factor die meeweegt. Vanuit de regierol worden ouders voorbereid op het mogelijke juridische traject dat kan volgen na onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Gedurende het raadsonderzoek is het van belang dat de casusregisseur met ouders en de kinderen werkt aan de basisvoorwaarden en zicht houdt op de veiligheid van de minderjarige(n).

Indien sprake is van acute onveiligheid, is het van belang dat de casusregisseur regie voert op de doelen, zich positioneert ten opzichte van het gezin en indien nodig gebruik maakt van de expertise en kennis van de GI (consultatie en advies of betrokkenheid in een crisis) of opschaalt naar de Raad voor de Kinderbescherming als sprake is van een acute dreiging (veiligheidsrisico) die ingrijpen dringend en direct noodzakelijk maakt. In deze fase wordt tevens bezien of en zo ja welke inzet van hulpverlening naast de regierol noodzakelijk is en door welke partij dit kan worden uitgevoerd.

6 In de praktijk kan het ook voorkomen dat wordt terugverwezen naar het lokale veld indien niet aan de

criteria voor een raadsonderzoek wordt voldaan. 17

Dit is mede afhankelijk van de bereidheid van ouders om mee te werken aan deze hulp. Of de regie in het lokale team/veld wordt belegd of dat gemeenten de regie elders beleggen en op welke wijze de samenwerking met de GI wordt vormgegeven, vraagt maatwerk. Dit wordt nader uitgewerkt in paragraaf 3.5.

3.4.1 Afwegingskader voor inzet IVH met VTO Voor de inzet van IVH met VTO gelden, in de basis dezelfde elementen als bij de overgang van basishulp naar IVH. Echter, wat nu zwaarder gaat meewegen is in hoeverre er sprake blijft van (acute) onveiligheid en de bereidheid van ouders mee te werken aan de hulpverlening. 1. De ernst van de problematiek (mogelijke bedreigde ontwikkeling van het kind). 2. In hoeverre passende hulp reeds is ingezet en (on)voldoende toereikend is. 3. De bereidheid van ouders om mee te werken en of de basisvoorwaarden voldoende zijn behaald. De methodische instrumenten die beschreven zijn bij paragraaf 3.3.1 op blz. 14 zijn eveneens toepasbaar bij de afweging om IVH met VTO. Zie bijlage 6 voor de verwijzing naar de bijbehorende documenten.

3.4.2 Wijze van toetsing inzet IVH met VTO

In het lokale team vindt eventueel in overleg met de GI of de RvdK de afweging plaats om een verzoek tot raadsonderzoek (IVH met VTO) te verzoeken. Hierbij geldt bovenstaand afwegingskader voor de beoordeling hiervan. Van belang is dat ouders worden geïnformeerd over het besluit en de te nemen stappen. Daar waar overgegaan wordt van IVH naar IVH met VTO, vindt de toetsing in deze fase van het proces in alle regiogemeenten via een multidisciplinair overleg plaats ”expertisetafel”. In de regio wordt dit het Jeugdbeschermingsplein, de experttafel of Multidisciplinair Overleg (MDO) genoemd. De expertise van de ketenpartners (Veilig Thuis, GI’s en RvdK) wordt nadrukkelijk meegewogen. Bij dit beslismoment worden ouders en jeugdigen vanaf 16 jaar betrokken (en vanaf 12 jaar gesproken). Doel van het betrekken van experts bij een gezamenlijke bespreking is volgens gemeenten; dat er met behulp van de experts aan de tafel in samenwerking met ouders vervolgstappen worden afgesproken. Ouders zijn direct en actief betrokken bij het opstellen van kaders voor deze vervolgaanpak. Dit helpt om de juiste afweging te maken en om te bezien welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om de veiligheid te vergroten en de eventuele ontwikkelingsbedreiging af te wenden.

3.4.3 Fases in het werkproces van IVH met VTO

De totale inzet van IVH met VTO bestaat eveneens uit vier fases7 met een totale duur van 13 weken. Daar waar het lokale team reeds betrokken was en er reeds een IVH-traject is geweest, zal er een vloeiende overgang zijn volgend op hetgeen al was ingezet. De regievoering zal echter wel verder toenemen.

7

De werkinstructie drangteam Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond 18

Indien er nog geen IVH-traject voorafgaand is ingezet, maar direct wordt verzocht om IVH met VTO, dan wordt gestart met de voorbereidingsfase waarin een verdiepende analyse wordt gemaakt en een inschatting wordt gemaakt van de veiligheid. In de startfase wordt dan naar aanleiding van de uitkomst van het risicotaxatie instrument een start gemaakt met het opstellen van de basisvoorwaarden. Dit wordt met ouders besproken. In deze fase vindt tevens afstemming plaats met de betrokken ketenpartners. Gedurende het hele traject dient er zicht te zijn op de veiligheid. In de plan- en uitvoeringsfase (circa 4 weken) wordt naast het opstellen van een veiligheidsplan afspraken gemaakt over eventuele juridische consequenties indien de onveiligheid blijft bestaan. Het verschil met het voorgaande werkproces is dat in deze fase de regie verder toeneemt. In deze plan en uitvoeringsfase (circa 4 weken) wordt tevens bezien welke hulpverlening kan worden ingezet (vanuit lokale team of via arrangement) om te werken aan het herstellen van de directe veiligheid. Mogelijk was er al hulp aanwezig in het IVH-traject. Indien dit nog passend is, kan dit ook gecontinueerd worden. Deze hulp kan dan doorlopen tot en met de evaluatie- uitstroomfase. De laatste fase betreft deze evaluatie- uitstroomfase (circa 6 weken) waarin de veiligheidsafspraken worden geëvalueerd en indien nodig bijgesteld.

Ook kan worden besloten dat een juridisch kader noodzakelijk is. Dit zal dan worden voorgelegd aan de Raad voor de Kinderbescherming ter toetsing. Fase 0 voorbereidingsfase Alleen indien er geen periode van IVH voorafgaand is geweest en de casus nieuw is Stap 1: Taxatie: wat is er aan de hand – wat is nodig a. Analyse van de beschermende en risicofactoren (inschatting maken van de veiligheid) b. Bepalen en formuleren basisvoorwaarden Stap 2: Afspraken maken over taak- en rolverdeling tussen lokaal team en GI’s Stap 3: Startgesprek plannen en voorbereiden Fase 1 Startfase (circa 2 weken) Stap 1: Gezinsgesprek gericht op actuele veiligheid (risico taxatie instrument Lirik of ARIJ is reeds ingevuld) Stap 2: Basisvoorwaarden stellen en beleid vaststellen a.d.h.v. vier venstermodel8 Stap 3: Teamtafel (inventariseren zorgen en krachten) Fase 2: Plan en uitvoeringsfase (circa 6 weken) Stap 1: Vaststellen veiligheidsplan (concrete afspraken t.b.v. veiligheid /betrekken GI, RvdK of VT meldcode) Stap 2: Vaststellen of de situatie voldoende veilig is Stap 3: Vervolg teamtafel Stap 4: Gezin voorbereiden op mogelijk juridisch kader, informeren juridische procedures en risico/ veiligheidstaxatie. Stap 5: Afstemming keten (indien nodig RvdK / VT meldcode)

8 Van Montfoort vier venstermodel

19

Hulpverlening Indien er gelijktijdig met de toenemende regierol (vervolg) hulp wordt ingezet Stap 1: Bespreken besluit (aanvraag zorg) met het gezin Stap 2: Omzetten van basisvoorwaarden in concrete (werk)doelen Stap 3: Opstellen ondersteuningsplan (of indien beschikbaar bijstellen) Stap 4: Aanvraag (vervolg)hulpverlening9 Stap 5: Uitvoering plan /realiseren van de werkdoelen Stap 6: Vervolggesprek gezin en hulp organiseren Fase 4: Evaluatie en uitstroomfase (circa 4 weken) Stap 1: Vaststellen of de situatie voldoende veilig is (evaluatie veiligheidsplan) Stap 2: Afstemming keten (indien nodig RvdK / VT meldcode) Stap 3: Gezin voorbereiden op mogelijk juridisch kader, informeren juridische procedures en risico/ veiligheidstaxatie. Stap 4: Vervolg teamtafel; de teamtafel vormt de basis voor het overdrachtsmoment; -IVH met VTO als er een kinderbeschermingsmaatregel wordt verzocht: het lokale team en GI gaan bij voorkeur samen naar de zitting en dragen zorg voor warme overdracht van de casusregie. Het lokale team blijft betrokken wanneer een gedwongen maatregel wordt uitgesproken. -IVH met VTO als er geen kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken: afsluitende teamtafel, overdrachtsmoment aan nieuwe casusregisseur of om de signaalfunctie te beleggen. Hulpverlening Indien er gelijktijdig met de toenemende regierol hulp wordt (vervolg) ingezet Stap 1: Aanpassen werkdoelen, evt.

bijstellen ondersteuningsplan Stap 2: Realiseren van werkdoelen

3.4.4. Verlenging van de inzet IVH met VTO Voor de inzet van IVH met VTO is een periode van 13 weken een gangbare termijn. Ook in relatie met de duur van het raadsonderzoek. Daarom wordt in dit eindrapport gerekend met een formatie op basis van 13 weken (3 maanden). Om toch enige flexibiliteit te hebben in de uitvoering is de aanname gedaan dat voor mogelijke verlengingen 10% extra capaciteit nodig is, conform de insteek bij IVH. Omdat de Raad voor de Kinderbescherming op dit moment kampt met wachttijden is het niet realistisch om aan te nemen dat 3 maanden voldoende zal zijn. Daarom wordt in bouwsteen 4 of 5 ook aangegeven wat de formatieve impact is voor de lokale teams bij de uitvoering van IVH met VTO op basis van de wachttijden bij de RvdK.

3.5 Samenwerking lokale teams en GI’s

In het proces van het uitwerken van de rapportage is gesproken wanneer de regierol van het lokale team idealiter eindigt en wanneer de betrokkenheid van de GI’s gewenst is.

9 De aanvraag van zorg kan in het lokale team zijn belegd of middels het arrangementenmodel.

20

Gemeenten en de GI’s geven aan dat er een fluïde overgang en samenwerking tussen lokale teams en GI’s in het vrijwillige kader moet zijn en dat er vooral geen harde knip moet zijn. Tegelijkertijd is wel van belang dat er vanuit vrijwilligheid met ouders gewerkt wordt. Gemeenten geven aan dat de taken (basishulp, IVH en IVH met VTO) in het vrijwillig kader in beginsel onderdeel zijn van het lokale team/veld, waarbij met de GI’s (en/ of andere ketenpartners) kan worden samengewerkt. Gemeenten kiezen om de inzet van de GI in het kader van consultatie & advies (C&A) maatwerk en flexibel te laten zijn vanaf basishulp tot aan IVH met VTO. Daarbij hebben gemeenten aangegeven zich te kunnen voorstellen dat de GI , in samenwerking met het lokale team, de regierol uitvoert bij IVH met VTO, wanneer dit vanwege specifieke omstandigheden vereist is. Dit vraagt nadere lokale concretisering. Daarnaast kan een vorm van ondersteuning van de GI zijn, om de GI bij een teamtafel uit te nodigen (indien ouders daarmee instemmen). Het onderscheid tussen IVH (met VTO) en het zogenoemde dwangkader wordt geborgd, doordat de juridische maatregel onderscheidend is.

Een gegeven is dat de regie na de uitspraak van de kinderrechter overgaat naar de GI en dat het lokale team betrokken blijft, zodat zij indien gewenst hulpverlening kan bieden en ook beschikbaar is wanneer de maatregel weer kan worden afgesloten. Gelet op de continuïteit van hulpverlening is het van belang om te werken vanuit partnerschap. De gemeenten en de GI’s geven de voorkeur aan het partnerschapsmodel en gezamenlijke verantwoordelijkheid voor veiligheid in de keten, waarbij de kracht van de professional en de hulpvraag van het gezin leidend zijn. Dit biedt continuïteit in zorg en werkt daarom het beste voor complexe situaties. Er is sprake van gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de zicht op veiligheid, de eindverantwoordelijkheid voor zicht op veiligheid, ligt bij de partner die regie voert, dit kan zowel het lokale team als de GI zijn.

Een aantal kenmerken van het model zijn: - Gezamenlijk optrekken in de begeleiding aan het gezin - Maximale inzet op stabiliteit/continuïteit in begeleiding voor de cliënt - Inzet op voorkomen zware zorg - Inzet op zo kort mogelijke inzet gedwongen maatregel - Inzet op maximaal vroegtijdig signaleren onveiligheid - Inzet op vraaggericht organiseren van hulp; hulpverlening zo kort als mogelijk en zo lang als nodig - Inzet op minimale overdrachten - Inzet op versterking van lokaal veld met kennis/expertise GI De GI’s en de lokale teams werken in het vrijwillige kader conform het partnerschapsmodel samen, waarbij maatwerk het uitgangspunt is. Het partnerschap richt zich op het nemen van gezamenlijke verantwoordelijkheid, benutten van elkaars expertise en specifieke kennis (t.a.v. inzet lokale hulp, kennis lokale sociale kaart, complexe problematiek, het inschatten van veiligheidsrisico’s en kennis van jeugd en familierecht).

21

In het kader van de transformatie-agenda wordt daar op dit moment ervaring mee opgedaan. Hierbij wordt (parallel) gewerkt tussen de GI’s en de lokale teams. Er zijn verschillende mogelijkheden voor het betrekken van de GI in de fase vóór een wettelijke maatregel bestaat, zodat waar het voor de casus noodzakelijk is of de professional van het lokale team dit nodig heeft, er maatwerk geboden kan worden. Zie ook paragraaf 2.2 en bijlage 8.

3.5.1 Dienstverleningsvormen van de GI

In onderstaand overzicht is beschreven welke dienstverleningsvormen de GI op dit moment beschikbaar heeft. De GI ziet hierin mogelijkheden om aan te sluiten bij de behoeften die er zijn of gaan ontstaan in de nabije toekomst. Consultatie & Advies door GI aan gemeenten; ▪ Consultatie en advies jeugdbeschermer Aanwezigheid van een jeugdbeschermer op locatie van een lokaal team, bijvoorbeeld een dagdeel per week, versterkt de onderlinge samenwerking en verbinding. Het biedt de mogelijkheid om kennis en expertise tussen professionals uit te wisselen. De jeugdbeschermer kan door zijn aanwezigheid ondersteuning bieden aan de professional van het lokale team. Dit kan gaan om beantwoorden van vragen, geven van advies en tips. De ondersteuning is laagdrempelig en toegankelijk door de directe aanwezigheid. ▪ Consultatie in casuïstiek JBRR levert consult (tips en adviezen) aan professionals van lokale teams over opvoedsituaties waarin sprake is van onveiligheid, een bedreigde ontwikkeling van kinderen, een (dreigende) criminele ontwikkeling van kinderen of bij vermoedens daarvan. Een consult helpt de consultvrager (verder) zelfstandig te handelen. ▪ Participerend consult JBRR heeft samen met de professional van het lokale team, op diens verzoek en onder zijn regie, contact met de ouders/verzorgers en/of de jeugdige op basis van de vraag van de professional.

Dit kan gaan om directe ondersteuning van de professional, inschatting van noodzakelijke hulp of bijvoorbeeld een risicotaxatie. Bijvoorbeeld om zwaardere hulp te voorkomen. • Casusregie Indien het wenselijk is vanuit de belangen van de cliënt, de effectiviteit van het traject en de mogelijkheden vanuit de professional, kan de GI regie voeren. Deskundigheidsbevordering op het gebied van jeugdbescherming; ▪ Juridische helpdesk regio breed (maandag tot en met vrijdag 9-17u.) Alle jeugdprofessionals hebben zich te houden aan juridische richtlijnen (ook in het vrijwillig kader). Voor vragen met betrekking tot de toepassing van het familie- en jeugdrecht geven de juristen van JBRR-antwoord. Thema’s in praktijksituaties die leiden tot veel vragen zijn o.a. privacy, gezag en voogdij en kinderbeschermingsmaatregelen.

22

▪ Methodische casusbespreking (MCB) (tijdsduur: 3 uur) Een MCB is een geschikte manier om samen met collega’s een casus grondig te analyseren om op basis daarvan een afgewogen en onderbouwd besluit te nemen vanuit een gezamenlijke bepaling van goed genoeg. JBRR verzorgt een MCB onder voorzitterschap van een gedragswetenschapper en deelname van een jeugdbeschermer. Een collega van het lokale team brengt een casus in, samen met zijn gedragswetenschapper en eventueel andere betrokkenen. ▪ Ethische commissie (max. aantal deelnemers: 2 á 3/ tijdsduur: 4 uur) In het werk worden jeugdprofessionals dagelijks geconfronteerd met ethische dilemma’s – waarbij het onduidelijk is hoe je soms moet handelen. Elke jeugdprofessional kan daarvoor een casus inbrengen bij de ethische commissie. Onder leiding van een ethicus en samen met andere jeugdprofessionals (gedragswetenschappers en jeugdbeschermers) en een jurist analyseert hij het dilemma en krijgt hij ondersteuning in het komen tot een zorgvuldig overwogen besluit. Basiscursus juridische kwesties familie en jeugdrecht (max. aantal cursisten: 20 / tijdsduur: 4 uur) In deze basiscursus leveren juristen noodzakelijke juridische kennis aan professionals werkzaam in de jeugdzorg, waarbij expliciet ruimte is voor de behandeling van praktijksituaties en specifieke thema’s die spelen. (3 SKJ-registratiepunten). ▪

Training voorzitterschap methodische casusbespreking (MCB) (max. aantal cursisten: 4 / tijdsduur: 6 uur) De MCB is een geschikte manier om samen met collega’s een casus grondig te analyseren om op basis daarvan een afgewogen en onderbouwd besluit te nemen. K&I leert met de training een voorzitter (vaak gedragswetenschapper) een MCB voor te zitten. ▪

Training methodische casusbespreking (MCB) (max. aantal cursisten: 15 / tijdsduur: 6 uur) De MCB is een geschikte manier om samen met collega’s een casus grondig te analyseren om op basis daarvan een afgewogen en onderbouwd besluit te nemen. K&I leert met de training de jeugdprofessionals de systematische bespreking eigen te maken. ▪

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10017942/1