06 Voorontwerp Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma bijlage 1
Tekst van het document
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
Ontwikkelingen De Gezondheidsraad heeft op 18 april 2018 een advies uitgebracht over het voorzorgbeleid ten aanzien van blootstelling aan magnetische velden van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. De Gezondheidsraad ziet in de huidige stand van de wetenschap geen aanleiding de Staatssecretaris van IenW te adviseren het beleid met betrekking tot bovengrondse hoogspanningslijnen te heroverwegen. De Gezondheidsraad geeft vanuit gezondheidskundig oogpunt de Staatssecretaris van IenW in overweging om het beleid uit te breiden naar ondergrondse elektriciteitskabels en andere bronnen van langdurige blootstelling aan magnetische velden uit het elektriciteitsnetwerk, zoals converterstations en converterhuisjes. Ter opvolging van de brief van de Staatssecretaris van IenW in reactie op het advies van de Gezondheidsraad (2018, ministerie van IENW/BSK/-2018/75844) heeft het kabinet een evaluatie van de uitvoeringspraktijk van het huidige voorzorgbeleid uit laten voeren en de uitkomsten hiervan bij brief van 8 februari 2019 aan de Tweede Kamer22 laten weten. Op 12 juni 2019 heeft de heer Verdaas, in aansluiting op de evaluatie en op verzoek van de minister van EZK, een advies uitgebracht aan de minister van EZK over het ‘Voorzorgbeleid Hoogspanning en Gezondheid’.
Op basis van dit advies is het voornemen om het voorzorgbeleid te blijven voeren, maar de inconsistenties en disproportionaliteit van de huidige uitvoeringspraktijk op te heffen (brief van 1 oktober 2019 aan de Tweede Kamer23). De minister van EZK heeft opdracht gegeven om in een dialoog met alle betrokken stakeholders te komen tot een pakket van redelijkerwijs te nemen maatregelen. Eind 2020 is hieruit een advies gekomen om in het nieuwe voorzorgsbeleid de volgende onderdelen op te nemen (brief van 23 maart 2021 aan de Tweede Kamer24): • Bronmaatregelen door netbeheerders, gericht op het beperken van de sterkte van magneetvelden in zowel bestaande situaties als nieuwe ontwikkelingen; • Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen maakt het bevoegd gezag op het gebied van de ruimtelijke ordening een afweging om het zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, creëren van een bepaalde afstand tussen elektriciteitsvoorzieningen en nieuwe bestemmingen waarin kinderen onder de 15 jaar langdurig verblijven (woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches). Daarbij wordt geadviseerd met minimale en maximale (standaard) afstanden te werken, waarbij binnen de minimale afstand zo min mogelijk nieuwe bestemmingen mogelijk te maken waar kinderen langdurig verblijven.
Tussen de minimale en maximale afstand vindt in het kader van het ruimtelijk beleid een integrale afweging plaats of men het toelaatbaar vindt om hier nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches mogelijk te maken. Op basis van dit advies is in dezelfde kamerbrief van 23 maart 2021 aangegeven dat het kabinet van plan is om de volgende acties te ondernemen, ter voorbereiding op het vaststellen van een uitvoerbaar voorzorgbeleid: • Afspraken maken met Netbeheer Nederland over de bronmaatregelen die netbeheerders standaard zullen treffen om blootstelling aan magneetvelden te verminderen. Daarin wordt nader uitgewerkt welke concrete maatregelen bij welke netcomponenten en in welke situaties getroffen worden. • Uitvoerbaarheidstoets van de maatregelen en de afwegingsafstand. Naast een juridische toets van het voorgestelde beleid worden ook met gemeenten en netbeheerders praktijkproeven uitgevoerd om inzicht te krijgen in de 22 Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 29 023, nr. 243 23 Tweede Kamer, vergaderjaar 2019-2020, 29 023 nr. 250 24 Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 29 023 nr. 267 Pagina 38 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
•
•
•
•
uitvoerbaarheid en ruimtelijke consequenties van het voorgestelde beleid op het gebied van afstanden. Aanvullend onderzoek gericht op het verzamelen en/of berekenen van aanvullende data waarmee de afstanden bij opstijgpunten en hoogspanningsstations kunnen worden vastgesteld en onderbouwd. Juridische verankering in de Omgevingswet, waarbij een eventueel nieuw voorzorgbeleid vastgelegd gaat worden in het Besluit kwaliteit leefomgeving, behorende bij de Omgevingswet. Voor de informatievoorziening aan burgers en bevoegde gezagen wordt ook aangesloten bij de kaders van de toekomstige Omgevingswet en het omgevingsbeleid, via het Digitaal Stelsel van de Omgevingswet. Nader onderzoek naar de financiële verantwoordelijkheid van bronmaatregelen die getroffen (moeten) worden als het bevoegd gezag op het gebied van de ruimtelijke ordening nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven of crèches bouwt binnen de geadviseerde minimale en/of maximale afstand van de netcomponent.
Tot het moment dat er nieuw voorzorgbeleid van kracht wordt, blijft het huidige voorzorgbeleid van toepassing. In sommige gevallen maken omwonenden van ondergrondse hoogspanningskabels en hoogspanningsstations zich zorgen over wisselstroom magneetvelden omdat er voor bovengrondse hoogspanningslijnen die op wisselstroom worden bedreven een voorzorgsbeleid geldt. Voor het Net op zee IJmuiden Ver Gamma geldt dat het wisselstroomtracé (het tracé tussen het converterstation op land en het nieuwe 380kV-station Amaliahaven) volledig over eigen terrein loopt en niet voor publiek toegankelijk is. Bovendien liggen er in de nabijheid van het converterstation geen objecten die in het kader van het huidige beleidsadvies voor bovengrondse hoogspanningslijnen zouden kunnen worden aangemerkt als gevoelige bestemming. In paragraaf 5.10 wordt op dit aspect verder inhoudelijk ingegaan op basis van onderzoek voor het MER. 3.1.11
Klimaatakkoord Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het Klimaatakkoord gepresenteerd. Hierbij zijn per sector afspraken gemaakt, zo ook voor de sector Elektriciteit. In 2030 komt 70 procent van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Dat gebeurt met windturbines op zee, op land en met zonnepanelen op daken en in zonneparken. Windenergie op zee groeit naar tenminste 49 miljard kilowattuur per jaar in 2030, ofwel 11,5 miljard watt aan piekvermogen. De bouw van nieuwe grote parken op zee loopt gelijk op met de groeiende vraag naar groene stroom. Uitbreiding van de energie-infrastructuur (bijvoorbeeld hoogspanningsverbinding) vraagt om langjarige voorbereidingen. Het onderhavige project voorziet in een uitbreiding van de energieinfrastructuur om door een windpark op zee opgewekte energie te kunnen transporteren en te verbinden met het landelijke hoogspanningsnet.
3.1.12
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Met de NOVI wordt geanticipeerd op de Omgevingswet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes.
Pagina 39 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor dit inpassingsplan is vooral de eerste prioriteit van belang. Windenergie op zee wordt als een belangrijke vorm van duurzame energie gezien om de gestelde duurzame energiedoelstellingen te halen. In de NOVI wordt aandacht gevraagd voor de kwaliteit van de leefomgeving bij de inpassing van energie-infrastructuur. In hoofdstuk 5 van deze plantoelichting wordt ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met de kwaliteit van de leefomgeving. Bij de voorbereiding van dit inpassingsplan is gewerkt in de geest van de Omgevingswet. Door het opstellen van participatieplannen en een doorlopend participatieproces, het publiceren van de kennisgeving van het voornemen en de inrichting van het keuzeproces om tot een voorkeursalternatief te komen, wordt het gedachtengoed van de Omgevingswet hier toegepast. Omdat de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, is het juridische instrument voor het vastleggen van het planologisch juridische kader nog een inpassingsplan. 3.1.13
Verkenning Aanlanding Wind op zee (VAWOZ) 2030 Uit een technische voorverkenning van de VAWOZ is gebleken dat Net op zee IJmuiden Ver Gamma zeer kansrijk is om voor 2030 aan te leggen. Daarom is de ruimtelijke procedure voor deze 2 GW verbinding in april 2021 gestart. TenneT krijgt daarmee formeel opdracht voor het Net op zee IJmuiden Ver Gamma. Voor IJmuiden Ver Alpha kwam uit de verkenning naar voren dat de meest kansrijke tracéopties voor Net op zee IJmuiden Ver Alpha Geertruidenberg via het Haringvliet, Rilland door de Oosterschelde en Borssele via het Veerse Meer of via de Westerschelde zijn. Op basis van de nadere effectbepaling is door het ministerie van EZK voorgesteld om tracés naar Geertruidenberg en Rilland die over land gaan (dus niet de tracés die door ‘water’ gaan) verder buiten beschouwing te laten. Voor IJmuiden Ver Beta kwam uit de verkenning naar voren dat de meest kansrijke tracéopties voor Net op zee IJmuiden Ver Beta de Maasvlakte en Simonshaven via het Haringvliet zijn. Op basis van de nadere effectbepaling is door het ministerie van EZK voorgesteld om het tracé via de Botlek over land naar Simonshaven verder buiten beschouwing te laten. De verbinding wordt opgenomen in het Ontwikkelkader windenergie op zee.
3.1.14
Conclusie Het onderhavige project past binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie De provincie Zuid-Holland heeft het omgevingsbeleid vastgelegd in de kaderstellende instrumenten Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Deze documenten zijn op 1 april 2019 in werking getreden en brengen de provinciale sectorale visies en nota’s samen in één integraal beleid voor de fysieke leefomgeving. In het Omgevingsbeleid zijn de operationele doelstellingen van provincie Zuid-Holland opgenomen. Ten gevolge van de toenemende drukte in de ondergrond is bewust gekozen voor driedimensionale planvorming. De ondergrondse Pagina 40 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
infrastructuur heeft veelal een bovenlokaal belang (drinkwatervoorziening, bodemenergie, ondergrondse waterberging, aardkundige waarden en archeologische waarden). Belangen die binnen het beleid worden geborgd door hier nu en voor de toekomst ruimte voor te reserveren. De provincie Zuid-Holland streeft naar een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie in 2020, rekening houdende met de lokale kenmerken (relatief veel industrie, weinig onbebouwde ruimte en veel windvermogen). Daarnaast spant de provincie zich in om Europese en nationale energiedoelen in de breedte te bereiken, namelijk het realiseren van de reductie van energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen, met name CO2. Hierbij wordt vanuit een integrale benadering de energietransitie bevorderd. In het licht van de reductie van broeikasgassen is ook het tegengaan van bodemdaling een relevant onderwerp op provinciaal niveau. De ambities van de provincie streven naar een klimaatbestendige delta, een levendige metropool, een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving en een inzet op energievernieuwing. De inzet op de klimaat- en energiedoelstellingen, waaronder de beperking van de CO2-uitstoot, worden op provinciaal niveau binnen deze ambities onderschreven. 3.2.2
Omgevingsverordening De Omgevingsverordening Zuid-Holland is door Provinciale Staten vastgesteld om de regels ter uitvoering van het omgevingsbeleid door te laten werken in de vaststelling van ruimtelijke plannen. Naast algemene regels betreffende het opstellen van een bestemmingsplan of provinciaal inpassingsplan, worden provinciale belangen gedefinieerd.
3.2.3
Conclusie Het onderhavige project past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Gemeente Rotterdam Stadsvisie Rotterdam 2030 In juli 2006 stelde de gemeenteraad de beknopte stadsvisie ‘Rotterdam, gateway to Europe’ vast. Die schetst de hoofdlijn voor de ruimtelijke-economische ontwikkeling van de stad tot 2030. De twee hoofddoelen daaruit, een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad, worden in de Stadsvisie Rotterdam 2030 verder uitgewerkt. De Stadsvisie is op 29 november 2007 door de gemeenteraad vastgesteld en geldt als kader voor de ruimtelijke ontwikkeling van Rotterdam. Om een nog grotere rol van betekenis te spelen in de internationale concurrentiestrijd tussen stedelijke regio's, moet Rotterdam een strategie volgen die: • gericht is op de ontwikkeling van de kennis- en diensteneconomie én • die zorgt voor een aantrekkelijk woon- en leefklimaat voor hoogopgeleide en creatieve werkers. De missie van het gemeentebestuur luidt daarom: 'Bouw aan een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad'.
Pagina 41 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
Deze missie berust op twee pijlers: 1. sterke economie; 2. aantrekkelijke woonstad. Beide doelstellingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Eén van de kerndoelstellingen uit de Stadsvisie in het kader van een sterke economie is ervoor zorgen dat Rotterdam de schoonste havenstad ter wereld wordt. Om de sterke positie van de Rotterdamse haven te behouden zijn innovatie, ondernemerschap, ruimte en duurzaamheid nodig. Er wordt meer nadruk gelegd op het accommoderen van bedrijvigheid met een toegevoegde waarde en innovatieve mogelijkheden, zoals de energiesector, fijnchemie en recycling; bedrijven die minder belastend zijn voor het milieu en in meer werkgelegenheid voorzien. Energie is steeds vaker van doorslaggevend belang. Strategisch energiebeleid is dan ook nodig om de havengerelateerde economie te blijven accommoderen. Innovatieve oplossingen moeten, binnen de milieukaders, economische ontwikkeling mogelijk maken. Dit vraagt om specifieke, grootschalige investeringen. Het Rotterdam Climate Initiative, dat wordt gedragen door gemeente, Havenbedrijf Rotterdam, DCMR en Deltalinqs, gaat uit van een vermindering van de CO2-uitstoot van 50% in 2025 ten opzichte van 1990. Dit is in absolute termen een vermindering met circa 35 Mton CO2 ten opzichte van de autonoom te verwachten groei in 2025.
Realisering van deze ambitie moet de aantrekkelijkheid en de economische kracht van de stad versterken. Rotterdam is lid van het Clinton Climate Initiative, een verband van circa 40 wereldsteden die als gezamenlijk doel de vermindering van de CO2-uitstoot hebben. Deze internationale samenwerking wil Rotterdam benutten om haar doelstellingen te behalen; omgekeerd kan het (haven)netwerk van Rotterdam voor andere steden een stimulans zijn. Beleidslijnen schone havenstad: • halveren van CO2-uitstoot in 2025; • uitbreiden van infrastructuur ten behoeve van transport en warmteopslag, CO 2 en chemicaliën; • realiseren van een kennis- en innovatiecluster in stadshavens: het RDM-terrein; • co-siting: industrieën die slim gebruik maken van elkaars nabijheid; • accommoderen van nieuwe, schonere energiecentrales. Rotterdam zet in op halvering van de CO2 -uitstoot per 2025. Rotterdam wil zich met deze doelstelling positioneren als wereldstad met CO2-arme energie. De verdere uitwerking van de Rotterdamse CO2- aanpak beschrijft zes thema’s: 1. nieuw gas, schoon fossiel: ontwikkeling van waterstoftechnologie, energiebesparing in gebouwde omgeving, groen gas uit biomassa, schoon fossiel/ CO2-opslag; 2. groene grondstoffen: in 2025 wordt een bepaald percentage van de energie uit groene grondstoffen gehaald; 3.
ketenefficiency: in 2025 heeft Rotterdam de meest energie-efficiënte economie ter wereld, door slimme organisatie van productketens van fabriek tot consument: Botlekloop, warmtebedrijf, etc.; 4. duurzame mobiliteit: in 2025 is de uitstoot van schadelijke stoffen gehalveerd, door gebruik van alternatieve motorbrandstoffen en ingrijpende optimalisatie van verkeersgedrag; 5. duurzame elektriciteit: in 2025 heeft Rotterdam CO2-arme elektriciteitsvoorziening door de inzet van windenergie, zonne-energie en
Pagina 42 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
biomassa, door elektriciteitsbesparing en door verduurzaming van de stroomproductie; 6. infrastructuur; gebouwde omgeving: de ambitie is een energieneutrale gebouwde omgeving. Daarin hebben woningen en gebouwen met elkaar per saldo voldoende aan duurzame energie. Dat komt door drastische vermindering van het energiegebruik voor verwarming, koeling en apparatuur. Klimaatakkoord Rotterdam Op 22 november 2019 is het Rotterdamse Klimaatakkoord getekend. Het akkoord is opgesteld door vijf verschillende klimaattafels. Bij elk van deze tafels zijn verschillende Rotterdamse bedrijven en (maatschappelijke) organisaties aangesloten. Zij zijn met elkaar in gesprek gegaan over een concreet maatregelenpakket dat ervoor gaat zorgen dat Rotterdam energiezuinig, duurzaam en gezond wordt. De tafels worden geleid door een onafhankelijke voorzitter. De tafels zijn: • haven en industrie; • schone energie; • mobiliteit; • gebouwde omgeving; • consumptie. Het doel is van Rotterdam de duurzaamste haven van de wereld te maken. De energietransitie van de haven vraagt om investeringen, ook in de benodigde infrastructuur. Daarnaast wordt ingezet op waterstof import, productie en gebruik op zeer grote schaal. Aardgas wordt zo veel mogelijk vervangen door elektriciteit, waarmee industriële elektrificatie plaatsvindt.
Omgevingsvisie Rotterdam De gemeente Rotterdam omarmt de internationale en nationale klimaatambities en werkt op gemeentelijke schaal aan de Parijse klimaatdoelstellingen. Dit komt tot uitdrukking in het gemeentelijke beleid gericht op een toekomstbestendige stad zonder aardgas, waarbij niet alleen op de eigen gemeentelijke gebouwen, maar ook op de Rotterdamse woningen en bedrijvigheid wordt gefocust. In de havens wordt gestreefd naar een reductie van het energieverbruik en vermindering van de CO 2uitstoot. Deze doelstellingen en ambities zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Rotterdam. De gemeente Rotterdam streeft naar een circulaire stad, met ruimte voor een schone en toekomstbestendige energievoorziening door onder andere de realisatie van windenergie, op basis van de gemeentelijke Leidraad Windenergie (december 2016). Naast het voorzien in de lokale energievraag, het minder afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen betekent dit een reductie van de CO2-uitstoot. Onder de noemer ‘De zon als bron’ zet gemeente Rotterdam verder in op de toepassing van zonne-energie. Ook worden de compacte en gezonde stad als element van de fysieke leefomgeving benoemd: binnen deze perspectieven voor de stad Rotterdam vormt het beperken van CO2 de ambitie van de toekomst. Herijkte Havenvisie 2030 De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 28 november 2019 de herijkte Havenvisie vastgesteld.
De Havenvisie geeft de ambitie aan voor de toekomst van de Rotterdamse haven en fungeert als kompas: de ambities staan als een stip op de horizon, ook als de omstandigheden veranderen. Het creëren van economische en maatschappelijke waarde en het realiseren van duurzame groei is de kern van de herijkte Havenvisie. Rotterdam streeft ernaar om koploper te zijn op het gebied van duurzame en efficiënte ketens. De herijkte Havenvisie neemt de ambitieuze Pagina 43 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
doelstellingen zoals opgenomen in de Rotterdamse bijdrage aan het klimaatakkoord (Rotterdam-Moerdijk) één op één over. Het Nederlandse Klimaatakkoord wordt het bepalende kader voor de CO2-reductie taakstelling van het Rotterdamse haven- en industriecomplex. Het akkoord bevat afspraken over 49% CO2-reductie in 2030 (ten opzichte van 1990) voor de vijf sectoren Industrie, Elektriciteit, Mobiliteit, Gebouwde Omgeving en Landbouw. Uitbreiden van energie-infrastructuur voor warmte, stoom, CO2 en elektriciteit is een noodzakelijke eerste stap en een belangrijke voorwaarde voor de transitie naar een CO2-neutraal haven- en industriecomplex. Infrastructuur voor aanlanding en transport van waterstof zal in een volgende fase hierbij komen. 3.3.2
Gemeente Westvoorne Omgevingsvisie 2030 In de omgevingsvisie van de gemeente Westvoorne, vastgesteld op 5 juni 2016, worden de verschillende ruimtelijke belangen vanuit landschap, de kernen, recreatie en toerisme, de agrarische sector en de gemeenschap samengesmolten tot een integrale ontwikkelingsrichting voor de periode tot 2030. Het credo is hierbij 'behoud door ontwikkeling': de eigen identiteiten worden benoemd en er wordt ingezet op behoud en versterking daarvan. Het zijn er vijf: de landschappelijke diversiteit, de veelzijdige en hoogwaardige natuur, een recreatieve kustgemeente, krachtige kernen en veel werkgelegenheid in de omgeving. Samen vormen ze de 'kracht van Westvoorne'.
Hierbij sluiten de volgende ambities aan die betrekking hebben op het landelijk gebied: • het behouden en versterken van het contrast van de rustige, landelijke en groene gemeente Westvoorne met het dynamische industriegebied van de Rotterdamse haven; • het behouden en versterken van de eigen identiteiten en daarbij niet landschap ‘op slot’ te zetten, maar gebruiken als onderlegger voor toekomstige ontwikkelingen (behoud door ontwikkeling); • het koesteren van de natuurwaarden; • het versterken van de positie op het gebied van recreatie en toerisme, onder meer door het verder opwaarderen van de toeristische omgeving; • het creëren van een leefomgeving waarin eenieder veilig en gezond kan opgroeien en ouder kan worden; • het beperken van milieuhinder en andere negatieve gevolgen voor de leefomgeving vanuit het industrie- en havengebied; • inzetten op duurzaamheid en vooral op de transitie naar een circulair economisch handelen en de transitie naar duurzame vormen van energieopwekking en energiebesparing. De ontwikkelkoers van Westvoorne is concreter uitgewerkt in het formuleren van identiteiten en koersen per deelgebied. De deelgebieden die worden onderscheiden zijn de natuurlijke kust (strand, duinen, heveringen en binnenduinrand), de actieve noordrand en het veelzijdig landelijk gebied (zanderijen, glastuinbouwgebied en de oude en jonge zeekleipolders).
Ook bevat de omgevingsvisie thematische uitgangspunten en ontwikkelrichtingen. Het gebied waar het Net op zee IJmuiden Ver Gamma op het grondgebied van Westvoorne ligt, is in de omgevingsvisie aangemerkt als ‘Zee, platen en strand’. De weidse openheid, begrensd door de duinen, is kenmerkend voor het gebied. Het contrast van het natuurlijke strand en de slikken van de Westplaat met de industrie van de Maasvlakte is karakteristiek. Omdat de hoogspanningsverbinding op / nabij Pagina 44 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
dit industriegebied aangelegd wordt en bovendien ondergronds, zal deze karakteristiek niet wijzigen als gevolg van het Net op zee IJmuiden Ver Gamma. De gemeente zet daarnaast in op schone energie en energiebesparing. Het gebied waar het Net op zee IJmuiden Ver Gamma is geprojecteerd, is aangewezen voor nieuwe windturbines. Bij de uitwerking van het Net op zee IJmuiden Ver Gamma is rekening gehouden met deze ambitie. 3.3.3
Conclusie Het gemeentelijk beleid bevat geen specifiek beleid ten aanzien van ondergrondse infrastructuur. Wel wordt in bijna elk gemeentelijk beleid duurzaamheid en klimaatneutraal zijn nadrukkelijk als kans benoemd. Het onderhavige project is in lijn met het gemeentelijk beleid, met doelstellingen ten aanzien van duurzame energie.
3.4
Beleid waterschap De waterbeheerder in en in de directe omgeving van het plangebied is het Waterschap Hollandse Delta. Het beleid van het waterschap is in hoofdzaak verwoord in het Waterbeheerprogramma. Bij besluit van 10 november 2021 zijn de doelstellingen voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem en waterketen voor de periode 2022 – 2027 vastgesteld. De doelen voor de periode 2022 – 2027 zijn afgeleid van de ambities van het waterschap voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar het waterschap samen met haar partners voor staat. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening: de Keur. In deze Keur staan de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Verwezen wordt naar paragraaf 5.6 van deze toelichting voor de watertoets. Conclusie Zoals uit paragraaf 5.6 blijkt, is het project uitgewerkt in lijn met het beleid van het waterschap.
Pagina 45 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
Pagina 46 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
4
M.e.r.-procedure
4.1
Inleiding De aanleg en het in gebruik hebben van een hoogspanningsverbinding met bijbehorende infrastructuur hebben in potentie effecten op de mens (leefomgeving, ruimtegebruik en gebruiksfuncties) en de omgeving (bodem, water, natuur, archeologie, landschap en cultuurhistorie). Bij het bepalen van het tracé voor een nieuwe hoogspanningsverbinding en de locatie voor een converterstation (voorgenomen activiteit) is het van belang om te onderzoeken welke effecten (kunnen) optreden. In de voorbereiding op dit inpassingsplan is een m.e.r-procedure doorlopen. Het resultaat van de m.e.r.-procedure is het milieueffectrapport (MER) waarin de effecten staan beschreven van het voorkeurstracé Net op zee IJmuiden Ver Gamma op het milieu. Het doel van het opstellen van een MER is om het milieubelang een volwaardige rol te geven in de besluitvorming over de voorgenomen activiteiten. Op grond van categorie D24.2 van het Besluit m.e.r. is de vaststelling van het inpassingsplan voor het Net op zee IJmuiden Ver Gamma m.e.r.-beoordelingsplichtig omdat het tracé over een lengte van 5 km of meer (tot 3 nautische mijl uit de kust) door gevoelig gebied loopt en het spanningsniveau van de hoogspanningsverbinding 150kV of meer is. Ook is het project mogelijk m.e.r.-beoordelingsplichtig op grond van categorie D 15.2 in verband met de grondwateronttrekking voor de aanleg.
Bovendien is een Passende Beoordeling noodzakelijk omdat significante effecten op Natura 2000-gebieden bij het realiseren van het project niet op voorhand uit te sluiten zijn. Omdat een Passende Beoordeling nodig is, dient op grond van art. 7.2a Wet milieubeheer verplicht een MER te worden opgesteld. Voor het Net op zee IJmuiden Ver Gamma is een voorkeurstracé bepaald en in het MER op (milieu)gevolgen onderzocht.
4.2
M.e.r.-procedure Voor het project wordt zowel een planMER als een projectMER opgesteld. Voor Net op zee IJmuiden Ver Gamma wordt daarom één gecombineerd plan- en projectMER opgesteld. In het navolgende wordt beschreven hoe de m.e.r.-procedure is doorlopen. Stappen m.e.r.-procedure Net op zee IJmuiden Ver Gamma De volgende stappen van milieueffectrapportage en participatie voor Net op zee IJmuiden Ver Gamma worden doorlopen: 1. Op 8 april 2021 is de kennisgeving van het voornemen en het voorstel voor participatie gepubliceerd25. Vanaf 8 april 2021 tot en met 21 mei 2021 hebben beide ter inzage gelegen. 2. Op 17 september 2021 is de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) gepubliceerd samen met het geactualiseerde participatieplan. Ze hebben tot en met 29 oktober 2021 ter inzage gelegen. In deze periode was de mogelijkheid van inspraak op de concept NRD.
25 Zie voor de kennisgeving: https://www.rvo.nl/sites/default/files/2019/03/stcrt-2019-15452.pdf Pagina 47 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
3. Op 16 november 2021 heeft de Commissie m.e.r. een advies26 uitgebracht op verzoek van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat over de concept NRD. 4. Op 16 december 2021 is de definitieve NRD door de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie vastgesteld. Hiermee is ook de keuze voor het voorkeurstracé, de locatie van het converterstation en het platform gemaakt. 5. Het uitvoeren en opstellen van onderzoek naar de milieueffecten van het voorkeurstracé, de platformlocatie en de converterstationslocatie en het opstellen van de Passende Beoordeling. Eventuele tracéoptimalisaties die zijn doorgevoerd na het vaststellen van het voorkeurstracé worden hierin meegenomen. Tegelijkertijd worden het ontwerp inpassingsplan en de vergunningaanvragen opgesteld waarbij de informatie uit het MER wordt gebruikt. 6. Publicatie van het ontwerp inpassingsplan, de ontwerp uitvoeringsbesluiten en bijbehorende vergunningaanvragen met als bijlage het MER en de Passende Beoordeling. Dit is voorzien in het laatste kwartaal van 2022. 7. Inwinnen van adviezen (o.a. bij de Commissie m.e.r.) en zienswijzen op ontwerp inpassingsplan, ontwerp uitvoeringsbesluiten en inhoud van het MER gedurende de periode van ter inzagelegging van de ontwerpbesluiten. 8.
Besluit vaststellen definitief inpassingsplan en uitvoeringsbesluiten met als bijlage het MER en de publicatie daarvan. Dit is voorzien medio 2023. 9. Mogelijkheid van beroep tegen het inpassingsplan en uitvoeringsbesluiten gedurende ter inzagelegging van de definitieve besluiten. 10. Monitoring en evaluatie van de milieueffecten. In de volgende figuur is de aanloop naar de start van de m.e.r.-procedure van Net op zee IJmuiden Ver Gamma en het te doorlopen proces samengevat.
Figuur 4.1 Proces en werkwijze m.e.r. Net op zee IJmuiden Ver Gamma
26 Het betreft hier een vrijwillig advies. Pagina 48 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
5
Onderzoek Milieu en Waarden
5.1
Inleiding In het kader van het MER is uitgebreid onderzoek uitgevoerd gericht op het in beeld brengen van de milieugevolgen voor het Net op zee IJmuiden Ver Gamma en meer specifiek voor het gekozen voorkeursalternatief. Dit MER en onderzoek is voor het volledige project uitgevoerd. In dit inpassingsplan wordt alleen ingegaan op de effecten van de projectonderdelen zoals opgenomen in dit inpassingsplan en dus alleen het gedeelte van het project dat in gemeentelijk ingedeeld gebied ligt. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de effecten van deze projectonderdelen. Deze projectonderdelen worden getoetst aan de sectorale weten regelgeving tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase. Per milieuaspect wordt een beschrijving gegeven van het toetsingskader, de effecten van het project op basis van de resultaten van de diverse onderzoeken en de conclusie. Per aspect wordt beschreven of en op welke wijze een vertaling naar de bestemmingsregeling heeft plaatsgevonden. Voor een gedetailleerde beschrijving van het onderzoek naar de effecten van het Net op zee IJmuiden Ver Gamma wordt verwezen naar het MER.
5.2
Natura 2000
5.2.1
Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een inpassingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat ingevolge artikel 2.7, eerste lid, jo. artikel 2.8 van de Wnb significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een Passende Beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.
de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Pagina 49 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
Projecten en activiteiten die mogelijk een significant effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb vergunningplichtig. De provincie is in principe het bevoegd gezag voor de toetsing van activiteiten met mogelijke significante effecten voor Natura 2000-gebieden. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid (op grond van artikel 1.3, eerste lid, onderdeel a, sub 6, van het Besluit natuurbescherming) blijft het Rijk bevoegd gezag. Dat is in het onderhavige project het geval. In de op 1 juli 2021 in werking getreden Wet stikstofreductie en natuurverbetering en het bijbehorende Besluit stikstofreductie en natuurverbetering is middels een partiële vrijstelling geregeld dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. De vrijstelling is ook van toepassing op de uitvoering van het project Net op zee IJmuiden Ver Gamma dat daarmee partieel namelijk alleen voor het aspect tijdelijke stikstofdepositie - is vrijgesteld van vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Voor dit inpassingsplan is een Passende Beoordeling opgesteld met daarin een ecologische beoordeling stikstof. Dit betreft de plantoets op grond van artikel 2.7 lid 1 Wnb.
Voor de Wnb-vergunning is ook een Passende Beoordeling opgesteld waarin deze ecologische beoordeling stikstof niet is opgenomen om de hiervoor genoemde reden (van toepassing zijn partiële vrijstelling). De twee passende beoordelingen zijn, op het aspect stikstofdepositie na, voor de overige ecologische aspecten hetzelfde. 5.2.2
Effecten In het MER en de Passende Beoordeling zijn de effecten van het project op Natura 2000-gebieden onderzocht. In het navolgende wordt - voor zover in dit inpassingsplan opgenomen - per onderdeel van het project ingegaan op de effecten die optreden. In de natuuronderzoeken is uitgebreider ingegaan op de beoordeling van de effecten in het licht van de instandhoudingsdoelen / gunstige staat van instandhouding.
Pagina 50 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
Figuur 5.1: Ligging project ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Hoogspanningstracé op zee Effecten op Natura 2000 door het tracé op zee van Net op zee IJmuiden Ver Gamma kunnen bestaan uit habitataantasting, verstoring (boven- en onderwater), vertroebeling, sedimentatie en elektromagnetische velden. Dit is hierna per deelaspect beschreven. Habitataantasting Het hoogspanningstracé loopt door Natura 2000-gebied de Voordelta waardoor in dit gebied sprake is van een tijdelijke habitataantasting. Hier wordt in verband met de aanleg van de hoogspanningsverbinding tijdelijk een beperkt deel (0,1%) van habitattype H1110B (“permanent overstroomde zandbanken”) van het totale areaal van dit habitattype in de Voordelta aangetast. Het tracé loopt binnen de Voordelta deels door bodembeschermingsgebied waar zware bodem beroerende visserij (boomkor >260 pk) niet is toegestaan. Habitataantasting door het Net op zee IJmuiden Ver Gamma is minder intensief dan bodem beroerende visserij, vooral omdat het eenmalig is waarna de bodem zich kan herstellen. Bij de aanleg van de kabel wordt de zeebodem ter plaatse beroerd. Hierdoor kunnen habitattypen verstoord en aangetast worden. Het effect van habitataantasting is echter tijdelijk. Vanwege het beperkte aangetaste areaal en het feit dat de bodem en bodemfauna zich herstelt zijn blijvende effecten van habitataantasting uit te sluiten.
Hiermee is een (indirecte) negatieve beïnvloeding van de instandhoudingsdoelen, die alleen optreedt tijdens de aanlegfase, van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en nietbroedvogels ook uitgesloten.
Pagina 51 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
Verstoring bovenwater In de Voordelta liggen ten zuiden van het aanlandingspunt bij de Maasvlakte de Hinderplaat en de Slikken van Voorne, beide rustgebieden voor zeehonden en foeragerende vogels. Deze platen worden door de verstoringscontouren van de werkzaamheden voor het voorkeurstracé op land als op zee geraakt. Met name de zogende zeehonden en ruiende bergeenden zijn gevoelig voor verstoring. In het open water van de Voordelta resulteren de werkzaamheden voor minder gevoelige vogels in tijdelijke verstoring van circa 1,5% van het beschikbare areaal. In de omgeving van het tracé komen seizoensgebonden een laag aantal roodkeelduikers en zwarte zee-eenden voor. Deze twee soorten zijn gevoeliger voor verstoring, met verstoringafstanden van respectievelijk 1.500 en 1.600 meter. Aanleg zou voor deze soorten resulteren in een verstoring van ongeveer 5% van het totale areaal aan open water in de Voordelta. In dit gebied in de Voordelta waar verstoring zal plaatsvinden vindt echter al verstoring plaats door reeds aanwezige hoge scheepvaartintensiteit. Individuen zijn hierdoor al in enige mate gewend aan verstoring door scheepsvaart in dit gebied. Voor de verstoring die door de werkzaamheden optreedt buiten de vaarroutes geldt dat aanwezige vogels tijdelijk uit zullen wijken naar alternatief leefgebied.
Er zijn gedurende de periode van aanleg voldoende uitwijkmogelijkheden voor de verstoorde vogels gezien 95% van het oppervlak in de Voordelta buiten de verstoringscontour valt. De verstoring treedt bovendien niet over het gehele tracé tegelijk op. Er is alleen sprake van verstoring ter plaatse van de werkzaamheden, die langzaam en voorspelbaar langs het tracé bewegen. De tijdelijke aard van de werkzaamheden en het beperkte additioneel verstoorde areaal ten opzichte van de huidige situatie in het gebied zorgen ervoor dat de roodkeelduiker en zwarte zee-eend op populatieniveau geen negatieve effecten zullen ondervinden. De instandhoudingsdoelstellingen voor deze soorten in Natura 2000-gebied Voordelta worden zodoende niet negatief beïnvloed. De Slikken van Voorne en de Hinderplaat zijn aangewezen rustgebieden en onder andere van belang voor steltlopers. Hier foeragerende en rustende vogels worden niet verstoord door werkzaamheden op zee, de slikken en platen liggen op grotere afstand. De instandhoudingsdoelstellingen voor steltlopersoorten in Natura 2000gebied Voordelta worden zodoende niet negatief beïnvloed. De Hinderplaat wordt door de gewone en grijze zeehond gebruikt als rustplaats, ook het noordelijke deel van de plaat.
Voor volwassen zeehonden blijft ruim voldoende onverstoord areaal beschikbaar wat uitwijkmogelijkheden biedt, mochten individuele volwassen zeehonden toch verstoord raken. De mate van verstoring is bij de bron het meest intens, en neemt vervolgens af met de afstand. Om echter het risico op verstoring van zogende zeehonden te ondervangen wordt als mitigerende maatregel een professionele zeehondenwaarnemer ingezet, die tijdens de zoogtijd waarneemt of er zogende zeehonden aanwezig zijn en indien aanwezig, de werkzaamheden stopt. Ook voor de ruiende bergeend geldt dat, hoewel de kans op significante effecten minimaal is, het niet uit te sluiten is dat er verstoring van ruiende bergeenden plaatsvindt. Als mitigerende maatregel wordt een professionele vogelwaarnemer ingezet, die tijdens de ruiperiode (juni t/m september) waarneemt of er ruiende bergeenden aanwezig zijn binnen de verstoringscontour en indien aanwezig, de werkzaamheden stopt. Met toepassing van de hiervoor genoemde mitigerende maatregelen worden negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen tijdens de aanlegfase uitgesloten. De mitigerende maatregelen zijn in de Wnb vergunning geborgd.
Pagina 52 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
Verstoring onderwater Het hoogspanningstracé doorkruist Natura 2000-gebied de Voordelta. Continu onderwatergeluid kan optreden tijdens de werkzaamheden en reikt tot maximaal 5 km. Het geluid verplaatst zich met de schepen mee en zal dus niet in het hele areaal gelijktijdig optreden. Er zal zowel door continu als impuls-onderwatergeluid geen ononderbroken geluidsbarrière aanwezig zijn die migratie van zeezoogdieren of trekvissen kan blokkeren. Tijdelijke verstoring van zeehonden of trekvissen in dit gebied zal daarom niet leiden tot significante effecten op instandhoudingsdoelen. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet nodig. Vertroebeling en sedimentatie Onderzocht is of er sprake is van effecten van vertroebeling en sedimentatie afkomstig van de aanleg van de hoogspanningsverbinding in de Voordelta. Primaire productie is alleen in de wintermaanden licht gelimiteerd, in dit jaargetij is primaire productieactiviteit überhaupt zeer laag. Daarbij komt dat de beïnvloede arealen beperkt zijn en de beïnvloeding tijdelijke van aard is zodat effecten op primaire productie door vertroebeling aan het wateroppervlak als verwaarloosbaar kunnen worden beschouwd. Op zowel bodemgebonden vissen als trekvissen zijn de effecten van vertroebeling verwaarloosbaar klein.
De effecten van vertroebeling voor kustgebonden, zichtjagende broedvogels zijn tijdelijk van aard en er is voldoende areaal over om te foerageren. Hierdoor zal geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van aangewezen benthos-etende vogels, zoals de zwarte zee-eend, in Natura 2000-gebied Voordelta optreden. Tijdens de aanleg zullen geen significant negatieve effecten optreden als gevolg van sedimentatie. In de gebruiksfase treedt er geen sedimentatie op. Eventuele doorwerkende effecten op instandhoudingsdoelen van aangewezen benthos-etende vogels, zoals de zwarte zee-eend, in Natura 2000-gebied Voordelta zijn hiermee uitgesloten. Elektromagnetische velden In de gebruiksfase wordt de kabel onder spanning gezet. Door de aanwezigheid van elektrische lading ontstaat een elektrisch veld. Door de mantel om de kabel heen zal dit veld buiten de kabel niet waarneembaar zijn en geen effect hebben op organismen. Door het stromen van elektrische lading ontstaat ook een magnetisch veld. Dit veld is buiten de kabel wel waarneembaar. De veldsterktes zijn onder andere afhankelijk van de hoeveelheid stroom die door de kabel wordt getransporteerd. Het magnetisch veld vermindert niet door het ingraven van de kabel. Wel zorgt ingraven voor een grotere afstand tussen de kabel en organismen, waardoor deze aan lagere magnetische veldsterktes worden blootgesteld.
Binnen het plangebied zijn uitsluitend in de Voordelta zeezoogdieren aanwezig die invloed van elektromagnetische velden kunnen ondervinden. Bruinvissen en trekvissen die elektromagnetische velden kunnen waarnemen in het ondiepere gebied van de Voordelta nabij de kust ondervinden geen barrière. Alleen tot minder dan een meter boven de hoogspanningsverbinding treedt mogelijk een effect in de vorm van barrièrewerking op. De Noordzee is echter zo diep dat organismen ook in de kustzone (<10 km van de kust) (m.u.v. de branding maar hier bevinden de meeste organismen zich niet of zeer sporadisch) kunnen passeren. Er is geen reden om aan te nemen dat tijdens de gebruiksfase een negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van de bruinvis voor Natura 2000-gebied Voordelta plaatsvindt. Ook negatieve effecten op andere soorten zijn onwaarschijnlijk. De meeste laboratoriumstudies gebruikten veldsterktes boven de 1.000 µT. Deze waardes Pagina 53 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
worden niet behaald in de modelgegevens, waar op basis van een kabeldikte van 185mm een sterkte van 0,152 μT is berekend. Daarnaast zal de kabel veelal dieper begraven zijn dan de worst-case aanname, waardoor de afstand tot organismen toeneemt en de magnetisch veldsterkte nog lager is. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet nodig. Cumulatie Habitataantasting. Bij zowel het kabeltracé van Net op zee IJmuiden Ver Gamma, Net op zee IJmuiden Ver Beta als Net op zee IJmuiden Ver Alpha vindt habitataantasting plaats. De habitataantasting heeft een maximale reikwijdte van 65 meter. Gezien de afstand tussen de kabels overlapt de habitataantasting niet. Het habitat zal zich op alle drie de tracés herstellen. Gezien de beperkte omvang en areaal van de impact zijn effecten niet merkbaar op ecosysteemniveau, ook niet als de aanleg in hetzelfde seizoen plaatsvindt. Verstoring onderwater. Bij het varen kan onderwaterverstoring optreden in de vorm van onderwatergeluid. Dit onderwatergeluid is continu, en tijdelijk van aard. De kans dat een migratieroute van zeezoogdieren of trekvissen geblokkeerd wordt is niet aanwezig aangezien dit deel van de tracés midden op zee ligt en parallel aan de kust. Daarom hebben vissen en zeezoogdieren voldoende uitwijkmogelijkheden. Er zal dus geen effect zijn van cumulatie. Verstoring bovenwater.
Grote delen van het parallel liggende gedeelte van de tracés worden in de praktijk door reguliere scheepvaartroutes al verstoord. Er zal dus geen effect zijn van cumulatie. Vertroebeling en sedimentatie. De effecten van vertroebeling bij de aanleg van Net op zee IJmuiden Ver Alpha, Beta en Gamma zijn gemodelleerd. Hieruit volgt dat er ook bij gelijktijdige aanleg geen significant negatieve effecten optreden. EMV-velden. Voor de kabels van Net op zee IJmuiden Ver Alpha, Beta en Gamma zal er geen cumulatie zijn, aangezien deEMV- velden niet overlappen. Hoogspanningstracé op land Effecten op Natura 2000 door het tracé van IJmuiden Ver Gamma kunnen bestaan uit externe werking van verstoring en/of eutrofiëring. Effecten kunnen optreden door habitataantasting, verstoring, mechanische effecten (zoals graafwerkzaamheden), verdroging (door bemaling) en vermesting en verzuring door stikstofdepositie. Habitataantasting Het voorkeurstracé ligt parallel aan de Slikken van Voorne wat onderdeel is van het Natura 2000-gebied Voordelta. Op de grens van het Natura 2000-gebied gaat de zeekabel over op de landkabel. De landkabel op het Maasvlakte-strand zal via open ontgraving worden aangelegd, waardoor lokaal mechanische effecten en grondwateronttrekking op het strand aan de orde zijn. Dit is buiten het Natura 2000-gebied. Er kunnen incidenteel wel H2110 Embryonale duinen aanwezig zijn.
Deze duintjes zijn niet stationair, maar ontstaan en verdwijnen voortdurend, alleen bij langdurige groei kunnen ze door ontwikkelen tot witte duinen en verder. Op deze Pagina 54 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
locatie zorgt natuurlijke dynamiek (storm, getij) voor een meer cyclisch proces van aangroei en afslag. Daardoor zorgt de open ontgraving wel mogelijk voor plaatselijke aantasting van dit habitattype (mits op dat moment aanwezig), maar gaat dat op in het natuurlijke proces op deze locatie. De natuurwaarde is hier relatief laag door de hoge gebruiksdruk: het gebied voor de open ontgraving ligt tussen strandtenten, strandopgangen en parkeerplaatsen aan de ene zijde en de kitesurflocatie aan de andere zijde. Vanaf het strand gaat een boring onder de duinhelling door naar het kabeltracé dat langs de Noordzeeboulevard loopt. Na de boring loopt het tracé in een smalle strook parallel aan de Noordzeeboulevard richting het oosten. Hier wordt over circa 200 m door Natura 2000-gebied gegaan waar geen kwalificerend habitattype aanwezig is. Deze strook bestaat uit de wegberm en een sterke verruiging van duindoorn. Het heeft daarmee op termijn ook geen potentie voor een van de aangewezen habitattypen. Leefgebied voor vogels met een instandhoudingsdoelstelling is hier niet aanwezig. Deze zijn met name aanwezig op de nabijgelegen Slikken van Voorne (Rijkswaterstaat, 2016) (Arts, et al., 2019). De effecten van habitataantasting zijn tijdelijk en treden alleen op tijdens de aanlegfase.
Er zijn geen kwalificerende natuurwaarden van de Voordelta aanwezig op het strand en in de wegberm langs de Noordzeeboulevard. Eventuele ontwikkelingen van kwalificerende natuurwaarden komen op termijn ook niet in het geding. Effecten als gevolg van de aanlegfase op de instandhouding van habitattypen zijn uitgesloten. Verstoring Verstoring door geluid, licht en visuele effecten (de verstoringsfactoren) is alleen van toepassing op habitatrichtlijnsoorten en (niet-)broedvogelsoorten, significante effecten op habitattypen treden niet op. De drie verstoringsfactoren treden vaak gelijktijdig op, waardoor de individuele effecten niet goed te onderscheiden zijn. De drie verstoringsfactoren worden daarom gezamenlijk beoordeeld, waarbij uitgegaan wordt van de maximale verstoringsafstand, namelijk geluid. De verstoringscontouren hebben over een smalle strook overlap met de Slikken van Voorne in Natura 2000-gebied Voordelta en een kleine hoek van het Natura 2000gebied Voornes Duin. De Slikken van Voorne zijn aangewezen rustgebied voor steltlopers en eenden, naast rusten wordt hier ook gefoerageerd. Het oppervlak dat verstoord wordt betreft een klein deel van het beschikbare foerageer- en rustgebied in het Natura 2000-gebied.
Omdat de werkzaamheden uitgevoerd worden achter een verhoging tussen de slikken en de Noordzeeboulevard, vormt deze verhoging en begroeiing een barrière wat een deel van de mogelijke verstoring door licht en bewegingen zal wegnemen. Door deze natuurlijke barrière zal de verstoring minder groot zijn dan de veronderstelde verstoringscontouren van 500 meter. De hoogste zone overstroomt bij hoog water tevens het minst vaak en maar kort, waardoor het bodemleven daar beperkter is dan in de lagere, frequenter geïnundeerde slikken, en dus minder interessant is als foerageergebied. Ook de bestaande verstoring van de industrie en bedrijvigheid op de Tweede Maasvlakte, de dijk met verkeer, recreatie en de windturbines draagt bij aan de lagere bestaande waarde. Over de gehele lengte bevindt zich hier een (tweebaans)weg voor auto’s, met parallel daar aan een (tweebaans)weg voor fietsverkeer. Bij het slufterstrand in de bocht van de Noordzeeboulevard is tevens een groot aantal parkeerplaatsen aanwezig. Hier is parkeergelegenheid voor ruim 300 auto’s, indicatief voor de populariteit van de plek als recreatiegebied. De daadwerkelijke, effectieve waarde van het gebied binnen de verstoorde zone is daarom naar verwachting lager dan gemiddeld als foerageer- en rustgebied voor niet-broedvogels. Tevens blijft binnen het Natura 2000-gebied Pagina 55 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
oppervlak ruim voldoende onverstoord areaal beschikbaar, aangezien er slechts een kleine hoek van het gebied overlapt met de verstoringscontouren van de werkzaamheden. Het Voornes Duin heeft instandhoudingsdoelen voor vier broedvogels, alle vier (min of meer) koloniebroeders in de duinvennen. Deze broedlocaties bevinden zich buiten het verstoorde gebied, waardoor geen effecten optreden op de draagkracht van het Natura 2000-gebied als broedgebied en foerageergebied en negatieve effecten op broedvogels niet optreden. Bij de aanleg van de hoogspanningsverbinding zijn negatieve effecten als gevolg van verstoring van diverse niet-broedvogelsoorten van het Natura 2000-gebied Voordelta niet uitgesloten, met name op de soorten die een ongunstige staat van instandhouding of negatieve trend hebben. Het gaat daarbij met name om individuen die foerageren of rusten op de hogere slikken en oevers. Doordat er al verstoring optreedt in een groot deel van het studiegebied, én de verstoring tijdelijk is blijft de kwaliteit van het beïnvloede habitat gelijk, conform de doelstelling. Eventuele vogels die toch worden verstoord hebben ruim voldoende uitwijkmogelijkheid naar alternatief verblijf- en rustgebied tot hun beschikking. Dit geldt echter niet voor bergeenden omdat ruiende bergeenden niet weg kunnen vliegen van eventuele verstoringen.
Daarom zal voor de bergeend een mitigerende maatregel in de Wnb-vergunning worden opgenomen. Zo kan een professionele vogelwaarnemer ingehuurd worden, die tijdens de ruiperiode (juni t/m september) waarneemt of er ruiende bergeenden aanwezig zijn en indien aanwezig, de werkzaamheden stopt. Mechanische effecten Tijdens de aanlegfase vindt er habitataantasting op land plaats door mechanische effecten. Onder mechanische effecten vallen de gevolgen van betreding, vergraving en insporing van de bodem door zwaar verkeer en andere (aanleg)activiteiten. Het gaat in alle gevallen om een fysieke aantasting van de bodem of vegetaties en dergelijke. Dit kan leiden tot directe aantasting of het verdwijnen van groeiplaatsen of leefgebied, wat er weer toe kan leiden dat planten verdwijnen of dieren het leefgebied voor kortere of langere tijd verlaten, dat de reproductie te ver achterblijft om een goede populatie in stand te houden of dat er een toename van sterfte plaatsvindt. Habitataantasting heeft een relatie met oppervlakteverlies. Het verschil is dat oppervlakteverlies een (blijvende) ruimtelijke afname betreft en het bij mechanische effecten gaat om een fysieke aantasting van (bodem)structuur of kwaliteit. Het uitgangspunt is dat de boring en andere aanlegactiviteit tijdelijk zijn en dat na afronding de lokale situatie herstelt. Hierdoor is geen sprake van oppervlakteverlies.
Ook is het uitgangspunt dat een boring niet leidt tot aantastingen van de bodemopbouw, structuur of grondwaterpeilen of -stromingen. Mechanische effecten kunnen korte- en langetermijneffecten hebben. Korte termijneffecten treden op bij de daadwerkelijke vergraving of de aantasting van de bodem of vegetatie door andere activiteiten (betreding, berijden etc.). De vegetatie en de bovenste bodemlaag worden aangetast waardoor de oorspronkelijke vegetatie en functie als leefgebied tijdelijk niet beschikbaar is. Afhankelijk van de kwetsbaarheid van de vegetatie of het leefgebied kunnen ook langetermijneffecten optreden. Vegetaties, leefgebieden of ecosystemen met een lange hersteltijd zijn vaak afhankelijk van specifieke bodem- of groeiplaatsomstandigheden die door vergraving en dergelijke gewijzigd zijn. Pagina 56 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
Strandvlaktes zijn zeer dynamisch (nat strand, droog strand en (embryonale) duinen groeien aan en kalven af onder invloed van water en wind) en kennen eveneens nauwelijks een bodemopbouw. De hierin voorkomende soorten zijn aangepast aan de dynamiek en hier soms zelfs afhankelijk van. Het vergraven van dergelijke strandvlaktes is vergelijkbaar met deze dynamiek en na afronding is nauwelijks hersteltijd nodig. De wegbermen die begroeid zijn met duindoorn bestaan momenteel uit soortenarme vegetatie. Door de werkzaamheden gaat de successie terug naar een pionierssituatie. Hierdoor ontstaat een soortrijkere vegetatie. Deze wegbermen zullen zich na verloop van tijd weer ontwikkelen tot duindoornstruweel. Na 4 jaar is het struweel zich aan het ontwikkelen en na 20 jaar heeft het struweel zich weer tot een dichte begroeiing ontwikkeld (A. V. de Groot et al., 2016). Tijdelijke aantasting is relevant voor het grootste deel van het voorkeurstracé, voor zover het middels een open ontgraving gerealiseerd wordt. De kabelgeul bij de open ontgraving is maximaal 6 meter breed, inclusief werkstrook is een breedte nodig van maximaal 29 meter. Verdroging Habitattypen en leefgebieden op en langs het tracé zijn niet gevoelig voor verdroging. Het betreft alleen habitattypen van de Noordzee die, indien bemaling nodig is, door de omvang niet beïnvloed worden door de bemaling.
Significante effecten van verdroging zijn uitgesloten. Vermesting en verzuring door stikstofdepositie In de gebruikfase treedt geen depositie op bij stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden in Natura 2000-gebieden. Tijdens de aanlegfase vindt uitstoot van stikstof plaats. Uit de Aerius-berekening blijkt dat depositie plaatsvindt op alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De hoogste depositie treedt op in het Natura 2000-gebied Voornes Duin en bedraagt in totaal 0,77 mol N/ha gedurende de aanlegfase van drie tot vier jaar. Op andere Natura 2000-gebieden is de depositie lager. In de Natura 2000-gebieden is op één of meer stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden een tijdelijke toename van stikstofdepositie berekend. Op 1 juli 2021 zijn de Wet stikstofreductie en natuurverbetering ("Wsn") en het bijbehorend Besluit stikstofreductie en natuurverbetering ("Bsn") in werking getreden. De Wsn introduceert, in de Wet natuurbescherming ("Wnb"), een partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten in de bouwsector. De partiële vrijstelling geldt ook voor de bouw- en aanlegactiviteiten van IJmuiden Ver Gamma. In de gebruiksfase van IJmuiden Ver Gamma vindt er geen stikstofdepositie plaats op de betrokken Natura 2000-gebieden (zie AERIUS-berekening, bijlage A en B bij de passende beoordeling).
Voor de besluitvorming over de natuurvergunning (artikel 2.7 lid 2 Wnb) betekent de vrijstelling dat de stikstofeffecten van de bouw- en aanlegactiviteiten van IJmuiden Ver Gamma niet betrokken hoeven te worden bij het besluit over de natuurvergunning. Voor de besluitvorming over het inpassingsplan (artikel 2.7 lid 1 Wnb) dat de bouwen aanlegactiviteiten van IJmuiden Ver Gamma mogelijk maakt, wordt voor het onderdeel stikstof verwezen naar de onderbouwing die door de wetgever ten Pagina 57 van 96
| Voorontwerp | Inpassingsplan Net op zee IJmuiden Ver Gamma |
grondslag is gelegd aan de partiële vrijstelling. In de toelichting op de Wsn en het Bsn is hierover het volgende opgemerkt: "Zoals ook in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Wsn is opgemerkt, acht het kabinet het uitgesloten, gezien de robuustheid en effectiviteit van de structurele aanpak inclusief de additionele maatregelen in de bouw, de aanvullende reservering voor bronmaatregelen om de partiële vrijstelling mogelijk te maken en de doelgerichte monitorings- en bijsturingssystematiek alsmede het geringe aandeel van de bouwsector in de totale stikstofdepositie door binnenlandse bronnen, het specifieke karakter van deze depositie en het feit dat de aanpak van het kabinet op meer pijlers rust dan uitsluitend depositiereductie, dat het toelaten van tijdelijke emissies van activiteiten van de bouwsector met een partiële vrijstelling, het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in de weg kan staan. De bijdrage van de tijdelijke activiteiten in de bouwsector aan de totale stikstofdepositie is zeer gering (circa 1,3 procent), zeker op grotere afstanden, en wordt vooral veroorzaakt door inzet van mobiele werktuigen op de bouwplaats en vervoersbewegingen.
Kenmerkend voor de activiteiten van de bouwsector is dat het gaat om tijdelijke activiteiten die op steeds wisselende locaties plaatsvinden met een beperkte en tijdelijke stikstofemissie veroorzaakt door verbrandingsmotoren. Deze emissies doen zich uitsluitend voor tijdens de bouwfase en zodra de bouwactiviteit is afgerond, zal er ook geen sprake meer zijn van de betreffende stikstofemissie. Er is daardoor geen sprake van een structurele belasting op een specifieke locatie. Dit leidt ertoe dat het geheel aan deze activiteiten, in combinatie met het verspreidingseffect van NOx, per jaar een bepaalde NOx-emissie met zich meebrengt die onderdeel wordt van de landelijke achtergronddepositie. Op een hoger schaalniveau geldt daarmee dat er sprake is van een min of meer gelijkblijvend bouwvolume met een zelfs dalend emissievolume als gevolg van reeds vastgesteld beleid. Hierbij is meer in het algemeen ook van belang dat de bouw een continu proces is waarbij het bouwvolume landelijk en over het geheel genomen min of meer gelijk blijft. Doordat de stikstofemissies in de bouwfase in hoofdzaak NOx-emissies betreffen die voor een belangrijk deel leiden tot een diffuus gelijkmatige deken over Nederland, is het naar de mening van het kabinet verdedigbaar om deze emissies en de reductie daarvan te bezien op «dekenniveau».