CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting en planregels bestemmingsplan Dijkweg nabij 11 te Naaldwijk (21-0039951)

Gemeenteraad 16 februari 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan ‘Dijkweg nabij 11 te Naaldwijk’22.563 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Een nadere berekening van het GR wordt dan ook niet nodig geacht. Wel dient er een beschrijving gegeven te worden van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bestrijdb aarheid Bij het vrijkomen van een toxische wolk ligt de bron en het plangebied op een dermate grote afstand van elkaar dat de hulpdiensten niet bij machten zijn om hulp te verlenen aan het effectgebied, in plaats hiervan wordt ingezet op de zelfredzaamheid. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Bij een incident met een ammoniakinstallatie ontstaat een breuk in de vloeistofleiding, waardoor het gas in korte tijd uitstroomt. Een deel van deze toxische stof verdampt direct en wordt meegevoerd door de wind. Ammoniak heeft een herkenbare geur en kan daardoor in het benedenwindse effectgebied goed opgemerkt worden door aanwezigen. Bij het toxisch scenario speelt risicocommunicatie een belangrijke rol. Ten behoeve van deze zelfredzaamheid is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet.

In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen dient te worden gezorgd dat deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en dat het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden, waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden, zodat de aanwezigen hier enkele uren kunnen schuilen. Om de effectiviteit van de hierboven genoemde maatregelen te garanderen is het zinvol dat bewoners door middel van risicocommunicatie worden geïnformeerd en geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij zelf kunnen nemen. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Het is nog niet bekend of (een deel van) de gebouwen die in het plangebied gerealiseerd gaan worden specifiek bedoeld worden voor niet- of beperkt zelfredzame personen, zoals gevangenen, kinderen tot 4 jaar of senioren. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute.

Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een

28

plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken meteen hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon-of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan.

Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan '\00Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van routes waar vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen inwerking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan.

Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden meteen beperkte verantwoording: 1. Indien het bestemmingsplan betrekking heeftop het gebied tussen de 100*^ letaliteitszone en de 1 Vo letaliteitszone van de buisleiding, of 2. Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10(îí) toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van buisleidingen. Conclusie Het aspect'externe veiligheid'staafde vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

29

3.5

Water

3.5.1

Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen járen beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: a Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: * Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); a Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); a Waterwet; a Nationaal waterplan Provinciaal: a Provinciaal Waterplan; a Visie Ruimte en Mobiliteit; a Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Nationaal beleid

Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijfjaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan

Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: a Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; a Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; a Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; a Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; a Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid

Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert

30

de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; * aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; * het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is * tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; * tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016.

De onderdelen Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen.

De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voorde mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid

Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende járen beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: * de waterveiligheid; * het waterbeheer; « de waterkwaliteit; * het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uitten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te

31

sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclus benadering; 2. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem.

Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vastte houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voorde multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen totzoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet.

Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de ínhoud van de watertoets (waterpa rag raaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: * beleidskader omtrent water; « waterkeringen; * waterkwantiteit; * waterkwaliteit en ecologie; * afvalwateren riolering; * waterprojecten welke onderdeel zijn van ABC-Delfland. Gemeentelijk beleid

Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: "Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de

32

wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen õjaaris gevolgd. 3.5.2

Onderzoek

Veiligheid en waterkeringen

Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de keur beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. Het projectgebied blijkt niet gelegen in de kern- en beschermingszone van een waterkering te liggen.

'MhMü

O"

-lí1 va' ĩUitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen Waterkwantiteit

Hoogheemraadschap Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken bij de plaats waar het valt. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie inspanning moet doen om dit hemelwater vastte houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Het projectgebied ligt in het boezemgebied. Het maatgevende peil bedraagt NAP -0,43 m. De

33

maaiveldhoogte bedraagt momenteel circa +0.9 m NAP volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland. Zover bekend zijn er geen problemen bekend met betrekking tot de grondwaterstand in het projectgebied. In het verleden was een groot deel van het projectgebied verhard. Tevens is in de vigerende planologische situatie momenteel volledige verharding van het projectgebied mogelijk. In de toekomstige situatie is het projectgebied voor circa 1.000 m2 verhard. Aangezien dit in het verleden ook al het geval was en dit in het vigerende bestemmingsplan al mogelijk is, is watercompensatie niet noodzakelijk. Voorkomen van wateroverlast Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. Het projectgebied grenst niet aan het oppervlaktewater en heeft daardoor ook geen invloed op de kwaliteit. Onderhoud en bagger

De volgende watergangen grenzen aan het projectgebied en moeten onderhouden worden door verschillende partijen: * Primaire watergang ten noorden van het projectgebied, onderhoud door Delfland; « Primaire watergang ten westen van het projectgebied, onderhoud door Delfland; * Secundaire watergangen in het midden en oosten van het projectgebied, onderhoud door aanliggende eigenaar.

34

Bodem en grondwater

Wanneer er ondergronds veel gebouwd wordt (denk bijvoorbeeld aan een parkeergarage) kan dit invloed hebben op de grondwaterstroming en op de drooglegging. Bij de beoogde ontwikkelingen komt er geen ondergrondse bebouwing. Afvalwater en riolering

Het plan dient te voldoen aan de Leidraad Riolering West Nederland en de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom Aan- en afkoppelen verharde oppervlakten (2003). Volgens de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Het huishoudelijk afvalwater zal middels een drukrioolstelsel aangesloten worden op het gemeentelijk rioolsysteem. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. 3.5.3

Conclusie

Het bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan het hoogheemraadschap van Delfland. Hieruit moet blijken dat het aspect water geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

3.6

Bodem

3.6.1

Wettelijk kader

Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. 3.6.2

Onderzoek

In het vigerende bestemmingsplan 'Centrum Naaldwijk'zijn de gronden waarop het complex is voorzien, bestemd als 'Maatschappelijk'. In de toekomstige situatie is op de begane grond ook een maatschappelijke functie voorzien. Op de begane grond wordt middels dit bestemmingsplan geen gevoeligere functie gerealiseerd. Op de andere bouwlagen zijn de appartementen voorzien. Door milieuadviesbureau BMAMilieu B.V. is een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest uitgevoerd. De volledige rapportage is in Bijlage 2 bij de toelichting te raadplegen. De belangrijkste conclusies uit dit onderzoek zijn dat er ter plaatse in de grond overschrijdingen van achtergrondwaarde zijn vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft echter geen nader onderzoek te worden verricht. Tevens blijkt uit het onderzoek dat er geen asbest is aangetoond boven de detectielimiet. De bodemkwaliteit is dus geschikt voor de toekomstige functie.

35

3.6.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

3.7

Ecologie

3.7.1

Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland

Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: * Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; * Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; * Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.

Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfjĵlaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb.

36

vogels vn

Vŭ'bods':!ep3 mg

Dienen HrU Planter Hrt/ BonrVBern

BonrťBsm

Dienen

Planten

fnafionaan jnaljonaai')

Lieren of planten:

3 10 t o

Doden of rongen

siûfHiiVetsiōíen

it.4 (tèrlĒiJ 3.1.Sl

3 iū.i.c

Piekken. verzamelen. afsnijden. ontwortelen

of vernielen OnderzicîifieĽ ben of vervoeren

Plaatsen: vernielen, best ha tīigen oř weg nemer nesten Beschadig er of vernielen

3.10 1 b

■■oo'ľť mu res;;pulsen

ivasìe vjľ

Beschadigen of vernielen lusíp'aatsen

3.10.1 .b

[vaste mi Eieten vermeien lof ■■-r iiescr-adueni

Onder zich hebben TaeäCfìOng Ocxfes verwiizen naar wetsariiKeien wet natourtjeschemiiing

Oranje

verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzei venxxfsbepaimg geld! in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is

Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de ļKŭÈ

Vrijstellingen

In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht

De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. Achterwege gelaten worden, of 2. Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.7.2

Onderzoek

Gebiedsbescherming Door KuiperCompagnons is stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 van de toelichting. In het onderzoek is voorde gebruiksfase beoordeeld of sprake is van een waarneembare stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De uitkomsten van dit onderzoek zijn hieronder in het kort beschreven. Op korte afstand van de projectlocatie zijn de Natura 2000-gebieden 'Solleveld 8c. Kapittelduinen' (op 2,8 km afstand), Westduinpark à Wapendaľ (8,1 km) en Voornesduin' (9,9 km) gelegen. Binnen deze

37

natuurgebieden zijn stikstofgevoelige habitats aanwezig. Het onderzoek heeft daarom betrekking op deze natuurgebieden. De andere stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand gelegen. De afstand tot deze natuurgebieden is minimaal 10 km of meer, zodat deze natuurgebieden in relatie tot de grote van het project niet relevant meer zijn. De planontwikkeling en de bijbehorende verkeersaantrekkende werking leidt niet tot bijvoorbeeld geluidhinder, trillinghinder, lichthinder, of emissies naar het oppervlaktewater zodat deze aspecten verder buiten beschouwing zijn gelaten. De voorgenomen ontwikkeling betreft de nieuwbouw 20 appartementen een maatschappelijke functie. De appartementen worden aardgasloos en volgens de huidige duurzaamheidsnormen gerealiseerd. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In het onderzoek is beoordeeld of de aanleg- en de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Voor de aanlegfase is uitgegaan van in totaal 2.836 lichte motorvoertuigen, 407 middelzware vrachtwagens en 476 zware vrachtwagens gedurende de gehele bouwperiode.

Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van stikstofgevoelige habitats in de beschouwde Natura 2000-gebieden geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie. De externe werking van de Wet natuurbescherming veroorzaakt daarom geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming Door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4 bij de toelichting. De conclusie van het onderzoek is dat de ontwikkelingen geen negatieve effecten op beschermde soorten of hun leefomgeving. Wel wordt aangeraden om verstorende werkzaamheden, zoals kap- en rooiwerkzaamheden, buiten het broedseizoen uítte voeren. 3.7.3

Conclusie

Uit onderzoek is gebleken dat er geen verbodsbepalingen met betrekking tot beschermde soorten worden overtreden. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen nadelig effect op het nabij gelegen Natura 2000-gebied 'Solleveld ã Kapittelduinen'. Het aspect ecologie vormt hiermee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikeling.

3.8

Cultuurhistorische aspecten

3.8.1

Wettelijk kader

Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voorde bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voorde periode 2016-2019.

Het gaat daarbij om de volgende zaken: * Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten * Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie * Bescherming van stads- en dorpsgezichten

38

3.8.2

Archeologie

Het plangebied is gelegen in een gebied met een archeologische verwachting, waarbij archeologisch onderzoek benodigd is bij bodemverstoringen die groter zijn dan 50 m2 en dieper reiken dan 50 cm onder maaiveld. Het bouwplan past niet binnen deze grenswaarden. Door Vestigia is bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is in Bijlage 8 van de toelichting te raadplegen. Uit dit inventariserende onderzoek is gebleken dat het plangebied verschillende archeologische verwachtingswaardes kent. De (mogelijke) aanwezige archeologische resten zijn op basis van het onderzoek zeer ondiep verwacht. Op basis van deze bevindingen is verder vervolgonderzoek, in de vorm van proefsleuven, uitgevoerd. Dit onderzoek is in Bijlage 9 van de toelichting opgenomen. Het proefisleuvenonderzoek heeft inzicht verschaft in het intacte karakter van het oorspronkelijke bodemprofiel en heeft een tweetal archeologische perioden aangetoond. Tijdens het proefisleuvenonderzoek is een Romeins bewoningsniveau gevonden, bestaande uit enkele paalsporen en relevant vondstmateriaal. Op basis van het aardewerk dateert de vindplaats uit de 1e-2eZbegin 3e eeuw na Chr. Op een hoger niveau zijn erf-ftuinstructuren aangetroffen in de vorm van onder andere een tweetal waterputten en enkele paalkuilen, waarschijnlijk behorende bij het 19e tot 20e-eeuwse Parochiehuis.

Op basis van de uitkomsten van het proefsleuvenonderzoek is geadviseerd om middels een kleinschalige opgraving de archeologische sporen en vondsten nader te onderzoeken. Dit onderzoek is in Bijlage 10 van de toelichting opgenomen. De kleinschalige opgraving richtte zich voornamelijk op de Romeinse cultuurlaag. In het noordwestelijk deel van de opgravingszone zijn meerdere bewoningssporen in de vorm van een aantal (paal-)kuilen en twee (erf-)greppels geconstateerd. Daarnaast is tijdens de opgraving een beter inzicht verkregen in de resten die toegeschreven kunnen worden aan de tuin van de voormalige parochiewoning en later De Harmonie geheten (het gebouw is in 2009 is afgebroken). Het doel van het onderzoek in de vorm van een kleinschalige opgraving is hiermee bereikt. De doelstelling betrof het ex situ veiligstellen van de resten uit de Romeinse tijd en waar aanwezig een nader inzicht verschaffen in de sporen uit de laatste fase van de Nieuwe tijd, zodat hiermee informatie behouden blijft die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. De hoofdvraagstelling van het onderzoek was welke archeologische resten er in het onderzoeksgebied aanwezig waren en welke bijdrage deze resten leveren aan de geschiedenis van Naaldwijk en de nabije omgeving.

Met name de Romeinse resten bieden een toevoeging op het bekende intensieve nederzettingssysteem binnen de Cananefaatse regio en sluit goed aan bij het huidige beeld. De intensieve bewoning concentreerde zich langs de oeverwallen van de kreken en op de vele inversieruggen binnen het Gantelsysteem. De indruk gaat uit dat de rurale nederzettingen tot ontwikkeling en bloei kwamen onder invloed van het Romeinse militaire gezag (met een bewoningsintensiteit vanaf het derde/vierde kwart van de 1e eeuw tot in de 3e eeuw n. Chr.). 3.8.3

Cultuurhistorie

Naast een archeologische dubbelbestemming kent het plangebied ook de dubbelbestemming Waarde Karakteristiek'. De gronden waarop deze bestemming rust, zijn behalve de andere aldaar voorkomende bestemming mede bestemd voor het behoud van de karakteristieke ruimtelijke kwaliteit. Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de zone van het plangebied die is gelegen aan de Dijkweg. Volgens de vigerende regeling dienen bij herbouw van gebouwen of herinrichting de beeldkwaliteitseisen uit het 'beeldkwaliteitsplan Karakteristieke gebieden Naaldwijk Centrum' gehanteerd te worden. De locatie is sinds 2009 onbebouwd, en vanaf dat moment ligt het perceel braak. Uit raadpleging van het beeldkwaliteitsplan blijkt dat de aangegeven zone onderdeel uitmaakt van het lint Molenstraat - Dijkweg. De bebouwing van het nieuwe complex wordt in de rooilijn van de omliggende bebouwing gebouwd of krijgt een kleine inspringing zodat aangesloten wordt bij het bestaande straatbeeld. De oriëntatie van de bebouwing is gericht op zowel de Dijkweg als de Verdilaan en zorgen zo voor een continuering van gevels en bedrijvigheid. Ook de plint met een maatschappelijk invulling sluit aan bij het karakter van de omgeving. Een nadere motivering naar de gemaakte keuzes om tot het voorliggende ontwerp te komen zijn hieronder beschreven. De straat van toen

39

In 'De straat van toen - Naaldwijk Dijkweg, deel 1, tot de Grote Woerdlaan' (Historisch Archief Westland) (Bijlage 5) wordt de geschiedenis beschreven van het gedeelte van de Dijkweg waar ook de locatie Dijkweg nabij nr. 11 is gelegen. In 1871 werd een Rooms-Katholieke Kerk aan de Dijkweg in gebruik genomen. Deze kerk is in 1931 gesloten. In 1935 is de kerk gesloopt. Naast de kerk stond de Pastorie, dit gebouw is in 2009 gesloopt. De begraafplaats, achter de kerk, is nog wel aanwezig. Cultuurhistorische Effect Rapportage (CHER) Het dijklint heeft in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbstemming 'Waarde - karakteristiek'. Mede om die reden is door Vestigia een Cultuurhistorische Effect Rapportage (CHER) opgesteld (Bijlage 6). De CHER is een belangrijk instrument in de uitwisseling van cultuurhistorische kennis met ontwerpers en ontwikkelaars van een gebied. Een CHER is tevens een hulpmiddel om een goed onderbouwd oordeel te kunnen geven over de (cultuurhistorische) kwaliteit van ruimtelijke plannen. Het doel van de CHER is het beschrijven van de effecten van geplande bouwplannen op de aanwezige cultuurhistorische waarden, en het geven van een aanbeveling over hoe bij de geplande werkzaamheden de cultuurhistorische waarden het beste kunnen worden ingepast en gerespecteerd.

Voor het historisch lint gelden specifieke beeldkwaliteitseisen, opgenomen in de Welstandsnota van de gemeente Westland. Uit de CHER blijkt dat de voorgenomen planontwikkeling grotendeels voldoet aan de gestelde beeldkwaliteitseisen. Twee eisen verdienen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling een nadere motivatie: 1. De historische bebouwingstructuur is kleinschalig, aaneengesloten en bestaat uit individuele panden van gemiddeld 2 lagen met kap. 2. Bij karakteristieke linten (zoals de Dijkweg) is de kwaliteit van de hoekpanden extra belangrijk: daar kan men afstand nemen van de gevelwand en het geheel overzien. Voor deze plekken is het aan te bevelen extra - beeldkwaliteit - aandacht te besteden aan de nu nog lege plekken, die in, aan en nabij de karakteristieke gebieden liggen. De nieuwbouw heeft een grote massa. Dit feit krijgt extra nadruk omdat het hier een hoekpand betreft. Dit pand zal een entree vormen voor het centrum, gelegen aan het als karakteristiek beschreven historische lint Dijkweg - Molenstraat. In die zin is het complex vergelijkbaar met de oude situatie van de katholieke kerk met pastorie. Bij een hoekpand op deze historische locatie is de beeldkwaliteit wel van groot belang.

De omvang en gevelhoogte van de nieuwbouw overtreffen die van de omliggende panden, al is gezien het naastliggende pand op de hoek van de Havenstraat ook al sprake van meer dan twee lagen. Het wijkt echter wel af van het streefbeeld in het bestemmingsplan voor de historische Dijkweg. Aan de andere kant kan een markant pand op een hoek de kleinschaligheid van de rest van het lint extra accentueren. Het staat overigens met zijn grootste gevelbreedte aan de Verdilaan, waar dit minder contrasteert (zie afbeelding 14). Die kleinschaligheid is in de directe omgeving overigens ook al flink verstoord door andere kantoor- en winkelpanden, het Westlandtheater (Stokdijkkade 3, zie afbeelding 14),en het gebouw aan de havenstraat dat naast het plangebied gelegen is (Dijkweg 2, zie afbeelding 15). Verder zal de massa van de nieuwbouw het zicht op de als karakteristiek aangewezen historisch katholieke begraafjĵlaats natuurlijk wel beïnvloeden, maar de vraag is of deze aantasting onevenredig is. Effect nieuwbouw in relatie tot de doelstellingen van de Welstandsnota De nieuwbouw voldoet in algemene zin aan de welstandscriteria. Alleen wat betreft materiaal en kleur wijkt de nieuwbouw af van het overwegend gebruiken van traditionele materiaal en kleuren, en het in hoofdzaak uitvoeren in baksteen of vergelijkbare steenachtige materiaal.

Het is verdedigbaar dat de architect hiermee wil aansluiten bij die van de oude Harmonie. Deze criteria over materiaal en kleur zijn overwegend breed om schreven die daardoor als aanbeveling gelden (door het gebruik van de woorden “overwegend” en “in hoofdzaak”), waardoor deze in dit specifieke geval lastig te toetsen zijn. Daarbij komt dat het kleurgebruik in de directe omgeving ook zeer verschillend, en in veel gevallen ook niet meer traditioneel genoemd kan worden. Effect nieuwbouw in relatie tot de bouwhistorische context Het architectenbureau zoekt vanuit bouwhistorisch perspectief de aansluiting met de voormalige pastorie i De Harmonie. “Het gebouw is groot en daardoor dominant en oriënterend, staat op dezelfde plek en heeft hetzelfde witte karakter met horizontale belijning.” De oude Harmonie was inderdaad een groot pand, maar minder dominant dan de geplande nieuwbouw. Het nieuwe pand domineert niet alleen de Dijkweg, maar meer nog de Verdilaan. Het volume is echter niet allesbepalend, gezien ook de appartementengebouwen verderop aan de Dijkweg. Het zal met name gaan om de uitvoering van de

40

gevellijn aan de Dijkwegzijde die bepalend is voorde beeldkwaliteit. Een witte uitstraling is vergelijkbaar met een aantal bestaande en voormalige monumentenpanden in de omgeving, maar de uitvoering luistert bij die kleurkeuze wel nauw. Motivatie Door HET architectenbureau (2018) is een motivatie opgesteld voor het ontwerp van de voorgenomen ontwikkeling (Bijlage 7). De motivatie plaatst de nieuwbouw in de historische context en stelt om drie redenen dat het gebouw passend is. Ten eerste komt de naam van de voormalige Harmonie terug in het nieuwe ontwerp; de nieuwbouw krijgt dezelfde naam. Daarnaast voldoet het programma aan de bestaande woningvraag in de gemeente Westland; van groot, middel tot klein en qua prijsstelling vanaf de categorie goedkoop en bereikbaar. Tot slot legt het gebouw qua maat en schaal, maar ook qua materialisatie een duidelijke verbinding en associatie met de voormalige Harmonie. Het gebouw is groot en daardoor dominant en oriënterend, staat op dezelfde plek een heeft hetzelfde witte karakter met horizontale belijning. Het is een vertaling van het verleden naar de toekomst. Het is een sprankelend, wit en eigentijds gebouw dat geheel in harmonie is met zijn omgeving.

Het past op zijn plek, waarvan de architect overtuigd is dat de Westlander het gebouw in zijn hart zal opnemen alsof het er altijd gestaan heeft, als een onwrikbaar onderdeel van de Westlandse geschiedenis. 3.8.4

Beeldkwaliteit

Naaldwijk centrum is van groot belang voor het Westland. Hier zijn winkels en centrale voorzieningen te vinden, maar ook het cultuurhistorische belang is niet te onderschatten. Het is dan ook een gebied waar behoud en ontwikkeling op elkaar moeten worden afgestemd. De recente bebouwing bepaalt met zijn grotere schaal steeds meer de sfeer van het centrum. In de afgelopen járen zijn op verschillende plaatsen appartementengebouwen verschenen met veelal winkels, voorzieningen of bedrijven op de begane grond. Het centrum is aangemerkt als bijzonder welstandsgebied. Het welstandsbeleid is gericht op een harmonieus samengaan van sferen en functies meteen combinatie van oude en nieuwe bebouwing. In de beeldkwaliteit moet onder meer aandacht geschonken worden aan de afstemming van de maat en schaal van de gebouwen onderling en aan een zorgvuldige architectonische uitwerking met inbegrip van het gebruik van materiaal en kleur. Traditie en vernieuwing moeten hand in hand blijven gaan.

Bij de beoordeling van de beeldkwaliteit voor de voorliggende ontwikkeling zal worden getoetst aan de hand van de volgende criteria: Ligging « gebouwen staan aan de straat en maken op enkele uitzondering na deel uit van de straatwand; * gebouwen zijn gericht op de belangrijkste openbare ruimte en hebben zo nodig een meerzijdige oriëntatie; * rooilijnen van hoofdmassa's volgen de weg en verspringen ten opzichte van elkaar; * nieuwbouw afstemmen op centrumfunctie van het gebied, waarbij met name de beleving op straatniveau aandacht krijgt. Massa * gebouwen en ensembles zijn overwegend individueel en afwisselend; * de bouwmassa's zijn gevarieerd van opbouw; * gebouwen bestaan uit een onderbouw van meerdere lagen met een traditionele kap of plat dak; * entreepartijen vormgeven als accenten of als zelfstandige massa's; * zo min mogelijk dichte gevels aan de straat. Architectonische uitwerking * de architectonische uitwerking is zorgvuldig en gevarieerd met aandacht voor vormgeving van details; * in de architectuur de geleding van de hoofdmassa's tonen als onderdeel van een straatwand met een doorlopende gevelritmiek; * gevels in geleding, ritmiek en stijl afstemmen op het klein stedelijke straatbeeld, waarin bijzondere aandacht is voor entreepartijen; * wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op de hoofdmassa.

Materiaal en kleur « materiaal- en kleurgebruik is overwegend traditioneel zoals baksteen, hout of terughoudend eigentijds zoals glas en metaal; * gevels in hoofdzaak uitvoeren in baksteen of vergelijkbare steenachtige materialen en bij

41

uitzondering voorzien van pleisterwerk of schilderen in lichte tint, hellende daken dekken met matte keramische pannen; * de verfijning van traditioneel Hollands houten kozijnen en profileringen vormt het uitgangspunt. De voorgenomen ontwikkeling wordt met inachtneming van deze criteria ontworpen. Een impressie van het gebouw is in onderstaande afbeeldingen weergegeven.

ŝSKIs

1

ij

■į. - :

- î’ -

IPŞf--äS'Z i-

~ -

42

-J

hJ Ŵ'

■ŗ * ,*1

Usi

ŕ,V.;.'.-

..',

,i '*ŵ» * V&■říŵĮŵ y^apíp rs--\ -

y. ':.*

: - .

.

i

»äå

•ľ ^ ^■.: n *

Uit de historische beschrijving, de CHER en de motivatie, opgesteld door HET architectenbureau, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de (cultuur)historische context en voldoet aan gestelde beeldkwaliteitseisen. Het gebouw is weliswaar groter in schaal dan gemiddeld, maar hier heeft in het verleden een kerk gestaan. Daarnaast zal de bovenste verdieping van het gebouw - bestaande uit vijf bouwlagen - terugliggend zijn. Verder ligt het gebouw op de kruising met de Verdilaan. Deze weg is in de járen 80 aangelegd. Historisch gezien is de locatie dus ook niet aan te wijzen als hoekbebouwing. De Verdilaan kenmerkt zich door grotere bouwvolumes. In het ontwerp van het gebouw komt dit ook terug, waar de gevel aan de Verdilaan een meer horizontaal gebouw is, en waar door de balkons aan de Dijkweg het gebouw een meer verticale uitstraling krijgt, waardoor het gebouw past bij de korrelgrootte van de historische bebouwing aan de Dijkweg.

43

3.8.5

Conclusie

Archeologie Middels een kleinschalige opgraving zijn de archeologische sporen en vondsten binnen het plangebied nader onderzocht. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan geconcludeerd worden dat het aspect 'archeologie' geen belemmering meer vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Cultuurhistorie Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de dubbelbestemming 'Waarde - karakteristiek'. Om die reden is de historische context geanalyseerd en is een Cultuur Historische Effectrapportage (CHER) opgesteld. Daarnaast dient voldaan te worden aan de beeldkwaliteitseisen die zijn opgesteld in de Welstandsnota. Uit de analyse blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de gestelde eisen, en recht doet aan de cultuurhistorische kenmerken van het gebied. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt hiermee wel/geen (afhankelijk van nog uit te voeren proefsleuvenonderzoek) belemmering voorde voorgenomen ontwikkeling.

3.9

Bezonning

Voor de ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd en toegevoegd als Bijlage 11 bij de toelichting van het bestemmingsplan. In dit onderzoek is de situatie uit 2007 vergeleken met de toekomstige situatie. Uit de bezonningstudie volgt dat de norm van twee uur bezonning in de voor de lichte TNO-norm relevante periode van 19 februari tot en met 21 oktober bij omliggende woningen wordt gehaald. Daarnaast wordt met de ontwikkeling de bouw van 20 appartementen mogelijk gemaakt in of aan de rand van het centrum van Naaldwijk. Dit aspect zwaarder dan behoud van zonlicht op de gevel. Het aspect bezonning vormt hiermee geen belemmering voorde voorgenomen ontwikkeling.

44

Hoofdstuk 4

Juridische planbeschrijving

4.1

Planvorm

4.1.1

Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen vooralle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010. 4.1.2

Systematiek van de planregels

Opbouw planregels

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: « * * *

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

Inleidende regels

Begrippen (Artikel 1) Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Bestemmingsregels

De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: * doeleindenomschrijving (gebruiksregels); * bouwregels; * nadere eisen; « afwij kings regels. Gebruiksregels De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen. Afwijkingsregels In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwij kings bevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat

45

bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels". Aanleggen of slopen De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling: * *

hetaanlegverbod of sloopverbod zelf; de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies; * de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen. Algemene gebruiksregels In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken. Overgangs- en slotregels

In het hoofdstuk "Overgangs- en slotregels" zijn het overgangsrecht en slotregel opgenomen. 4.1.3

Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de ínhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen: NL.IMR0.1783.NWKDIJKWGnb11obp-VA01 De dataset bestaat uit: * het GML-bestand van de planverbeelding; * hetXML-geleideformulier; * de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; * de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels. Leeswijzer verbeelding

Wegwijzer via internet Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimteliikeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan. Analoge verbeelding Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=b70b4358-f854-499f-8d22-d3b46e623ada