CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Zwartendijk 73 - zonder bijlagen - versie 1 april 2021 (21-0085960)

Gemeenteraad 13 april 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling Ontwerp verklaring van geen bedenkingen uitbreiding agrarisch aanverwant bedrijf Zwartendijk 73 te Monster16.366 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig

Richtafstand tot onigevingstype gemengd gebied

_1

10 m

0 m

2 āľī

30 m 50 m

lū m 30 m

ITT 4ĨĪ 4Ĩ7 ITT

100 m

50 m

200 m 300 m

100 m 200 m

500 m

300 m

Hoe gevoelig een functie (zoals wonen) is voor bedrijfsactiviteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De in de lijst opgenomen richtafstanden zijn gericht op het omgevingstype ‘rustige woonwijk' of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype, zoals een ‘rustig buitengebied'. Een rustige woonwijk is volgens de VNG-handreiking ingericht volgens het principe functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Het is daarmee een van de gevoeligste omgevingstypen. Naast het omgevingstype ‘rustige woonwijk' Z ‘rustig buitengebied' wordt ook het omgevingstype ‘gemengd gebied' onderscheiden. Voor woningen in een ‘gemengd gebied' mag deze afstand worden gecorrigeerd en kan de indicatieve afstand met één trede worden verlaagd. (zie bijgaande tabel 1). Een correctie is overigens alleen mogelijk voor de aspecten geluid, geur en stof. Voor het aspect gevaar is verlaging van de indicatieve afstand niet mogelijk. Een ‘gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Volgens de geldende jurisprudentie moeten niet alleen gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden aangemerkt als een gemengd gebied, maar ook bijvoorbeeld ook een woongebied aan de rand van een

26

bedrijventerrein. In gemengde gebieden kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Dit betekent dat de eisen in gemengde gebieden minder streng zijn dan in rustige woonwijken. Zoals hiervoor al gemeld zijn de richtafstanden indicatief. Het gaat niet om individuele bedrijven maar bedrijfstypen waarbij is uitgegaan van bedrijven van een veel voorkomende omvang. In concrete gevallen kan dan ook van de richtafstanden worden afgeweken, maar daarvoor is dan wel een zorgvuldige motivering nodig. De omgeving aan de Zwartendijk moet als een gemengd gebied in de zin van de VNG-richtlijnen worden gekwalificeerd. De Zwartendijk is een relatief drukke doorgaande verbinding. De omgeving wordt gekenmerkt door de aanwezige kassenbedrijven met de bijbehorende transportbewegingen en incidenteel andere bedrijvigheid zoals Van der Valk, maar ook de bedrijvigheid aan de overzijde van de Gantel (scheepswerf, transportbedrijf, grondverzetbedrijf). Het bedrijf Van der Valk Systemen moet als een grote constructiewerkplaats worden aangemerkt, waar producten van metaal worden vervaardigd. Volgens de VNG-richtlijnen valt het bedrijf in categorie 3.2 waarvoor de volgende richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk: ^ Geluid: 100 meter ^ Geur: 30 meter ^ Stof: 30 meter ^ Gevaar: 30 meter ŝBUiwe

OMSCHRIJVING

AFSTANDS1 IN METERS

« "

25.31 251. 331 251, 331 251, 331

3

s

G

i O

» ÍĀ

VERVAARD. 31 REPARATIE VAN PROOUKTEN VAN METAAL (EXCL MACH/TRANS PORTI* DOT 'ū Construr.tgwertpaaĽs-an ' - geelden getouw ia - geelden getouw. p.o. ^ 200 rn2

-3E ■3C

3C 3C

d 0

ico

so

ä

h

Ui S

-,i

ïì ft

ě

0

30 1ū

1CO 5Ũ

3.2 3.1

Š

5

Vanwege de gemengde omgeving waarin Van der Valk is gesitueerd kan voor de aspecten geluid, geur en stof één afstandstap minder worden aangehouden. Voor Van der Valk gelden derhalve de volgende richtafstanden tot woningen: ^ Geluid: 50 meter ^ Geur: 10 meter ^ Stof: 10 meter ^ Gevaar: 30 meter In de omgeving van de nieuwe bedrijfshallen zijn de volgende woningen aanwezig op de volgende afstanden: Woningen

Feitelijke afstand in nieters

Zwartendijk 61 Zwartendijk 63 Zwartendijk 59 Zwartendijk 40 Rijnsburgerweq

30 Geen woonfunctie meer 35 meter ŕBD ^00

Gelet op deze afstanden vormen de aspecten geur en stof geen probleem. Daarvoor wordt voldoende afstand aangehouden. Voor het aspect gevaar mag niet worden afgeweken van de richtafstand van 30 meter. De woning Zwartendijk 63 is echter aangekocht en wordt verwijderd. De rest van de woningen ligt wat betreft het aspect gevaar op voldoende afstand. Wat betreft het aspect geluid kan alleen voor de woningen Zwartendijk 61 en 59 niet worden voldaan aan de richtafstand van 50 meter vanwege geluid. Van deze woningen is nr. 61 maatgevend omdat deze op de kortste afstand is gesitueerd. In het geval de richtafstanden niet kunnen worden gehaald geeft de VNG handreiking een stappenplan om de situatie te beoordelen.

27

Volgens dit stappenplan gelden voor het aspect geluid de volgende stappen: 1. Bij een omgevingstype “gemengd gebied” mag er één afstandstap verminderd worden. 2. Als stap 1 niet toereikend is een geluidonderzoek nodig en mag de geluidbelasting op woningen in een gemengd gebied maximaal bedragen: - 50 dB(A) langrijdgemiddeld beoordelingsniveau; - 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden); - 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking; 3. Als stap 2 niet toereikend is een motivering voor de concrete situatie nodig en mag de geluidbelasting op woningen in een gemengd gebied maximaal bedragen: - 55 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; - 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden) exclusief piekgeluiden door aan- en afrijdend verkeer; - 65 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking; Daarbij moet de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting worden betrokken (rijksweg/provinciale weg) en kan gebruik worden gemaakt van het gemeentelijke geluidbeleid met grenswaarden voor het gebied. 4. Bij hogere geluidbelastingen dan stap, is inpassing doorgaans niet mogelijk. Ten behoeve van de beoogde uitbreiding van Van der Valk is door het akoestisch bureau Alcedo een akoestisch onderzoek naar industrielawaai gedaan (Bijlage 1). Het integrale akoestische rapport is als bijlage achter deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen.

Hierna zijn de belangrijkste uitgangspunten en resultaten van het onderzoek weergegeven. Onderdeel van de beoogde uitbreiding is dat de zaagmachines in de bestaande bedrijfshal (hal 2) worden verplaatst naar hal 10 van de nieuw te bouwen bedrijfshallen 10, 11 en 12. Hal 10 is op 100 meter of meer van de woningen aan de Rijnsburgereweg gesitueerd en op 80 meter of meer van de woningen aan de Zwartendijk. Een deel van de nieuwe bedrijfshal zal worden ingericht als opslagruimte. Het betreffende deel van de bestaande hal 2 waar de zaagmachines worden weggehaald, wordt vervolgens ingericht als opslagruimte. Door deze nieuwe inrichting van het bedrijf zullen de rijroutes van de vrachtwagens op het buitenterrein en de aantallen voertuigbewegingen ten behoeve van de aan- en afvoer van goederen wijzigen. Door bedrijfshal 2 in te richten als opslagruimte zal de geluidsuitstraling van deze hal en de naastgelegen hallen naar de omgeving wijzigen. Doel van het onderzoek is het inzichtelijk maken en beoordelen van de geluidssituatie van Van der Valksystemen in de gewenste nieuwe situatie. In het onderzoek is derhalve gekeken naar directe hinder als gevolg van de bedrijfsactiviteiten in de bedrijfshallen (inclusief de verkeersbewegingen op het bedrijfsperceel), en naar indirecte hinder als gevolg van het verkeer op de openbare weg van en naar de inrichting.

Ten behoeve van het onderzoek is een akoestisch rekenmodel opgesteld conform de geldende wet- en regelgeving. In het rapport zijn de uitgangspunten en bedrijfssituatie uitgebreid verantwoord. Zo is onder meer beoordeeld of met de uitbreiding nog steeds kan worden voldaan aan de geldende maatwerkvoorschriften voor geluid die in het besluit van de Gemeente Westland van 27 april 2010 zijn vastgelegd ter bescherming van het woon- en leefklimaat van de woningen Zwartendijk 40, de woningen aan de Rijnsburgerweg en Zwartendijk 63. Voor de woning Zwartendijk 61 gelden geen maatwerkvoorschriften. Voor deze woning gelden de standaard geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de richtwaarden voor een gemengd gebied. Ten behoeve van de beoogde uitbreiding zal verzocht worden om de maatwerkvoorschriften voor de woningen aan de Rijnsburgerweg en de Woning Zwartendijk 40 opnieuw voor te schrijven. Voor de overige woningen worden geen maatwerkvoorschriften gevraagd zodat deze bescherming genieten door de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

28

Uit het onderzoek komt naar voren dat bij een uitbreiding met 3 nieuwe bedrijfshallen en een verplaatsing van de grote lawaaimakers naar de nieuwe hal 10 zoals in het onderzoek omschreven, op geen van de woningen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidniveaus worden overschreden. Om te borgen dat de zaagmachines ook in hal 10 blijven wordt een maatwerkvoorschrift in de omgevingsvergunning opgenomen dat de machines om de metaalconstructies te zagen uitsluitend in hal 10 zijn toegestaan. In het onderzoek is de aangekochte en te verwijderen woning Zwartendijk 63 niet meegenomen. Op basis van het akoestisch rapport kan met stap 2 van de VNG-handreiking worden voldaan. Voor de (nieuwe) woningen langs de Rijnsburgerweg en de woning Zwartendijk 40 bij de toegang wordt voldaan aan de geldende maatwerkvoorschriften ter bescherming van deze woningen. Deze maatwerkvoorschriften zullen opnieuw worden voorgeschreven zodat ze ook voor de nieuwe situatie weer gaan gelden. Voor de woning Zwartendijk 61 wordt voldaan aan de standaard geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer die gelijk zijn aan de richtwaarde voor een gemengd gebied. Dat betekent dat er geen reden is om voor deze woningen specifieke maatwerkvoorschriften voor te schrijven.

Wel zal in de maatwerkvoorschriften voor het bedrijf expliciet worden aangegeven dat voor deze woningen de standaardvoorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden. 3.1.3

Conclusie

Planologisch betekent dit dat er vanuit milieu oogpunt geen belemmeringen liggen voor de uitbreiding met 3 bedrijfshallen en dat het bouwplan daarvoor kan worden vergund. De maatwerkvoorschriften voor geluid bieden voldoende bescherming voor het woon- en leefklimaat in de relevante woningen en zullen opnieuw worden voorgeschreven. Via het milieuspoor en de maatwerkvoorschriften kan een en ander worden gestuurd en geborgd zodat het zo nodig ook kan worden afgedwongen.

3.2

Geluid

3.2.1

Wettelijk kader

Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat. De bedrijfsfunctie is echter niet geluidgevoelig, zodat er geen toetsing aan het wegverkeers lawaai nodig is.

3.3

Luchtkwaliteit

3.3.1

Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De

29

grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

60 ìg/m3

jaargemiddelde concentratie

40 ìgAr|3

2010 t/m 2014 vanaf 2015

jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

48 ìgAr|3 40 ìgAr|3

24-uurgemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m^ max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m^

fijn stof (PM10)1)

vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: * * *

* *

de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: *

een project heeft een effect van minder dan 10 van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; * een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en de bouw van kantoren van 100.000 m2 bij maximaal één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.3.2

Onderzoek

Het voorliggende plan maakt de bouw van slechts 7.120 m2 bedrijfsgebouwen mogelijk. Naar analogie van de oppervlakte kantoorgebouwen die nodig is voor een betekenende bijdrage, mag worden aangenomen dat het onderhavige bouwplan 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 3.3.3

Conclusie

Dit betekent dat er geen nader onderzoek en toetsing aan de in de Wet luchtkwaliteit gestelde grenswaarden hoeft plaats te vinden. Met andere woorden, de beoogde ontwikkeling voldoet aan het wettelijk kader.

30

3.4

Externe veiligheid

3.4.1

Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt.

Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.4.2

Onderzoek

Inleiding Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en

31

de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten.

De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations. Binnen of in de omgeving van het plangebied is geen sprake van enige voor de externe veiligheid relevante inrichtingen. Het plangebied is evenmin gelegen in de PR 10-6 contour of het effectgebied van enige buiten het plangebied gelegen inrichting. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute.

Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan.

Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en

32

beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Binnen of in de omgeving van het plangebied is geen sprake van voor de externe veiligheid relevante transportroute. Het plangebied is evenmin gelegen binnen de PR 10-6 contour of het effectgebied van enige buiten het plangebied gelegen gevaarlijke transportroute. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten.

De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100Zo letaliteitszone en de 1Zo letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

Onder het fietspad langs de Zwartendijk ligt een aardgascondensaatleiding van de NAM en verderop langs de Zwartendijk (ca. 300 meter) ligt een hogedruk aardgasleiding van de Gasunie NV (zie groen). U ï

Figuur 16: buisleiding van de NAM (rood) en een aardgasleiding van de Gasunie (groen) nabij Zwartendijk

1Z letaliteit is bepaald op 16 meter en 100 Z letaliteit ligt op 10 meter van de leiding. De gele contour (1 Z letaliteit) is afkomstig van een hogedruk aardgasleiding van de Nederlandse Gasunie NV. Beide leidingen hebben geen invloed op de uitbreidingsplannen van Van der Valk Systems.

33

Omdat de ontwikkeling van het plangebied geen effect heeft op het groepsrisico kan uitvoering van het bestemmingsplan, uit het oogpunt van externe veiligheid, op een verantwoorde wijze plaatsvinden. Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Explosieven In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met dieptewerkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van dieptewerkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. Op basis van de explosievenkaart van gemeente Westland wordt onderhavige onderzoekslocatie als niet verdacht beschouwd voor niet gesprongen explosieven.

Figuur 17: uitsnede Explosievenkaart Westland

3.4.3

Conclusie

Het plan voldoet aan de regelgeving ten aanzien van externe veiligheid.

3.5

Water

3.5.1

Onderzoek

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een waterstudie uitgevoerd door Aqua-Terra Nova (Bijlage 2). De belangrijkste conclusies van het rapport worden hierna beschreven. Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de

34

waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. Het plangebied is gelegen in het boezemgebied en ligt niet in de directe omgeving van binnenwaterkeringen of regionale wateringen.

'Xĩ

Figuur 18: uitsnede LeggerkaartHoogheeirraadschapL elfland Legger Regionale Waterkeringen

Wa terkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme) regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moeten doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Voor het onderzoek is in overleg met het Hoogheemraadschap bepaald wat de watercompensatie moet zijn. Door de toename aan verharding dient er 209 m3 aan waterberging gerealiseerd te worden. Met een peilstijging van 0,25 m komt dit overeen met 826 m2 aan wateroppervlak. De wateropgave zal worden ingevuld met vasthoudmaatregelen, zijnde opslag op het dak, uit te voeren.

Het hele dakoppervlak wordt op de daken van de 2 lager gelegen daken van de bijgebouwen opgevangen. Hier wordt al het water gebufferd en over 48 uur volgens de norm van Delfland geloosd, waarna de buffer weer volledig beschikbaar zal zijn. Voorwaardelijke verplichting: Om deze innovatieve vorm van waterberging te borgen, wordt er een voorwaardelijke verplichting aan de omgevingsvergunning gesteld, luidend als volgt: Strijdig met de omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingplan Glastuinbouwgebied is het gebruik ten behoeve van bedrijfsdoeleinden ('agrarisch aanverwant bedrijf) zonder de realisatie en instandhouding van een waterberging van tenminste 209 m3, hetgeen overeen komt met 826 m2 aan wateroppervlak in het boezemgebied. In de waterberging wordt het water tenminste 48 uur vastgehouden alvorens het wordt geloosd.

35

Watersysteemkwaliteit en ecologie Het afstromend hemelwater vanaf het plangebied kan een gering positief effect op de waterkwaliteit hebben. Door de infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater. Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: *

als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). * voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. * voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. Wanneer onderhoudsstroken niet of moeilijk realiseerbaar of te behouden zijn, overleg dan met Delfland over alternatieven of maatregelen. Het dagelijkse onderhoud van de watergangen is in handen van de grondeigenaren. Het bijzonder onderhoud zoals baggerwerkzaamheden, wordt uitgevoerd door het Hoogheemraadschap van Delfland. Er zijn in het projectgebied geen watergangen welke moeten onderhouden worden door partijen.

Bodem en grondwater Bij nieuwe ontwikkelingen/initiatieven is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met een minimum van 1,0 m. Het maaiveldhoogte bedraagt momenteel ca. 0,66 mNAP volgens de hoogtekaart. De drooglegging zit daarmee op 1,09 m. Delfland adviseert een minimale drooglegging van 1.0 m, hieraan wordt voldaan. Ondergrondse bouwwerken worden niet gerealiseerd en zijn geen onderdeel van deze aanvraag. Afvalwater en riolering Onderstaand figuur geeft de huidige situatie weer waaruit blijkt dat het in een gebied ligt van een vrijvervalriolering, hierop kan aangesloten worden. Het hemelwater zal, via de opvangvoorziening op het oppervlaktewater worden afgevoerd.

36

| Filtřrvoorziering

Figuur 19: uitsnede vrijvervalriolering

3.5.2

Conclusie

Op basis van het onderzoek dient er door de toename aan verharding totaal 209 m3 aan waterberging gerealiseerd te worden. Met een peilstijging van 0,25 m komt dit overeen met 826 m2 aan wateroppervlak. De wateropgave zal worden ingevuld met vasthoudmaatregelen, zijnde opslag op het dak. Het hele dakoppervlak wordt op de daken van de 2 lager gelegen daken van de bijgebouwen opgevangen. Hier wordt al het water gebufferd en over 48 uur volgens de norm van Delfland geloosd, waarna de buffer weer volledig beschikbaar zal zijn. Om er voor te zorgen dat deze voorziening ook in de toekomst blijft functioneren zal in de Omgevingsvergunning een voorschrift worden opgenomen.

3.6

Bodem

3.6.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. b. c.

het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.

37

3.6.2

Onderzoek

De bodemkwaliteit ter plaatste van een nieuwe ontwikkeling moet geschikt zijn voor de beoogde nieuwe functie. Ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen is daartoe een onderzoek naar de bodemkwaliteit uitgevoerd door BMA Milieu (Bijlage 3). Het integrale rapport is als bijlage bij deze ruimtelijke motivering opgenomen. Hierna zijn de belangrijkste uitgangspunten en conclusies weergegeven. Volgens het onderzoeksrapport heeft een vooronderzoek plaatsgevonden, zijn veldwerkzaamheden uitgevoerd (boringen) en zijn de resultaten geanalyseerd en geëvalueerd. Vanwege het historische gebruik van de bodem voor glastuinbouw is in het onderzoek uitgegaan van de hypothese ‘verdacht'. Daarbij is ook gekeken naar asbest en bestrijdingsmiddelen. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese ‘verdacht' formeel juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft echter geen nader onderzoek te worden aanbevolen. Voor asbest wordt het criterium voor nader onderzoek asbest niet overschreden. De mogelijk bij bouwactiviteiten vrijkomende of aan te voeren grond is voor hergebruik onderhevig aan wettelijke bepalingen (Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk handelingskader PFAS).

De gemeente waar de grond wordt toegepast is in dergelijke gevallen het bevoegd gezag. 3.6.3

Conclusie

De resultaten van dit onderzoek vormen volgens het onderzoeksrapport milieuhygiënisch gezien geen belemmering voor het afgeven van een omgevingsvergunning voor de bouw van een bedrijfshal.

3.7

Ecologie

3.7.1

Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld 'Natuur' richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.

De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag

38

voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: * * *

Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.

Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb. Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet m eegenomen in deze toets ing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. Achterwege gelaten worden, of 2. Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

3.7.2

Onderzoek

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora en fauna Wet natuurbescherming uitgevoerd door ecologisch adviesbureau EcoTierra (Bijlage 4). Soortenb escherming Volgens de onderzoeksrapportage van EcoTierra worden er in het kader van de voorgenomen ingrepen enkele kleine bomen gekapt en wat struiken gerooid. Het onderdeel ‘houtopstanden' van de Wet natuurbescherming is echter niet van toepassing in onderhavige situatie, daar er geen houtopstand wordt gekapt (houtopstand is onder andere gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat). Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde planten, jaarrond beschermde nesten van vogels of beschermde verblijfplaatsen/ exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of niet vrijgestelde soorten waargenomen. Het plangebied betreft geen significant foerageergebied voor roofvogels, uilen en vleermuizen. E wordt door vogelsoorten zonder een jaarrond beschermd nest gebroed binnen en nabij het plangebied. Gebiedsbescherming

39

Volgens de onderzoeksrapportage ligt het plangebied buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie hanteert geen externe werking als het gaat om het NNN, de Nee-tenzij toets is derhalve niet aan de orde. Er worden in het Natuurbeheerplan 2020 geen Natuurbeheertypen aangegeven voor het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen een straal van 2 kilometer van een Natura2000 gebied. Er zal derhalve geen rechtstreekse aantasting (veroorzaakt door bijvoorbeeld licht, trillingen, geluid of menselijke aanwezigheid) of indirecte aantasting door bijvoorbeeld verdroging plaatsvinden op soorten die voor omliggende Natura2000-gebieden zijn aangewezen. Stikstof Het Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen' met stikstofgevoelige plantensoorten is op bijna 3 km afstand van het projectgebied gesitueerd.

Figuur 20: situering plangebiedt.o.v. Natura 2000gebied

Door bureau mRO is een stikstofberekening uitgevoerd op basis van de AERIUS Calculator. Op basis van deze berekening blijkt dat de ontwikkeling van drie nieuwe bedrijfshallen voor Van der Valk Systems op het perceel Zwartendijk 73 te Monster niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000gebieden (0,00 mol stikstof ha/jaar). Dit geldt zowel voor de gebruiksfase (de beoogde situatie) als de realisatiefase (bouw bedrijfshallen). Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie (Bijlage 5). Het plan is daarmee uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Er geldt ook geen vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming ten aanzien van het aspect stikstof. 3.7.3

Conclusie

Het plan is in overeenstemming met ecologische- en natuurwaarden.

3.8

Cultuurhistorische aspecten

3.8.1

Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet.

40

De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan.

Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. 3.8.2

Onderzoek

Het projectgebied heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde en is ook voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie-3' op grond waarvan eerste archeologisch onderzoek nodig is alvorens grondbewerkingen met een oppervlakte van meer dan 50 m2 kunnen worden gedaan. Daartoe is een verkennend archeologisch onderzoek gedaan door bureau ArcheoPro (Bijlage 6). Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel kunnen in de diepere ondergrond archeologische resten vanaf het Neolithicum worden verwacht in duin- en strandafzettingen. Resten in de top van een na het neolithicum ontstaan veenpakket uit de Ijzertijd en de Romeinse tijd hoeven niet te worden verwacht doordat dit veenpakket hier is geërodeerd. Wel kunnen resten van nederzettingen uit deze periode aanwezig zijn op oeverwalafzettingen van de ten zuiden van het plangebied gelegen (middeleeuwse) Gantel. Ook kunnen resten uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd aanwezig zijn die vermoedelijk zijn afgedekt door een ten behoeve van de tuinbouw opgebrachte humusrijke toplaag. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied negen gutsboringen gezet in een dichtheid van twintig boringen per hectare.

Bovenin de boringen is een humusrijke toplaag van ongeveer tachtig centimeter dikte aangetroffen die in eerste instantie waarschijnlijk is ontstaan door intensieve tuinbouw en die vervolgens is vergraven tijdens de bouw- sloop- en inrichtingswerkzaamheden die binnen het plangebied hebben plaatsgevonden. Hieronder is een gelaagd zand- en kleipakket aangetroffen dat deel uitmaakt van het laagpakket van Walcheren van de formatie van Naaldwijk zoals deze ook in eerder nabij het plangebied gezette boringen zijn aangetroffen. Hieronder is waterverzadigd, ongeoxideerde zand aangetroffen dat hier eveneens toe behoort. De overgang van zand via door kleilaagjes onderbroken zand naar door zandlaagjes onderbroken klei, getuigt van de nabijheid van een door de tijd heen steeds minder actief wordende geul. Gedurende deze afzettingsgeschiedenis lijken de omstandigheden nooit geschikt geweest te zijn geweest voor bewoning. Mogelijk zijn in de laatste actieve fase van deze geul oeverafzettingen gevormd die wel geschikt waren voor bewoning. Indien dit het geval is, zijn deze opgenomen in de tachtig centimeter dikke toplaag van recent vergraven humusrijk zand en klei. Ook hierin aanwezige archeologische sporen zullen hierbij verloren zijn gegaan. De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te

41

adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. 3.8.3

Conclusie

Het plan is niet in strijd met beleid en regelgeving op het gebied van cultuurhistorie en archeologie.

42

Hoofdstuk 4 4.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) voorziet in een verplichting tot het verhaal van gemeentelijke kosten. Dat kan op publiekrechtelijke grondslag via een exploitatieplan, maar kan ook privaatrechtelijk geregeld worden via een zogenoemde anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer/ontwikkelaar als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 Wet ruimtelijke ordening. Voor deze omgevingsvergunning is een anterieure overeenkomst gesloten wat betreft de compensatie voor het verlies aan glastuinbouwgronden en een planschaderegeling. De kosten worden verhaald via de tarieventabel behorende bij de Legesverordening Westland 2020.

4.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

4.2.1

Overleg

In de periode van PM t/m PM heeft over het ontwerp van deze ruimtelijke onderbouwing bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: * Ministerie van VROM « Provincie Zuid-Holland * Hoogheemraadschap van Delfland * Gasunie De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage 7 van deze toelichting. 4.2.2

Zienswijzen

Van PM tot PM heeft het ontwerp van deze ruimtelijke onderbouwing ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn PM AANTAL zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 7 van deze toelichting.

43

l Li,LULL]-. IIIEL1LLL

....

Postadres: Postbus 150, 3670 AD Naaldwijk Bfřřŕekadres: Vťjrdliaan 7, 2671 Vw Naaldwijk T 14 0174 F (0174) 673 6Û0

E ļŞflöOgsnnMntewesţlsnd-nl I www.gemGentewestland.iil

WESTLAND , V'. V;:,;-' ,

f í--.

ui

/JTS

i/fe'

'ľ-

r

* \ s.

ŗ4Ç

'J

■'ļi' ^ 7

7**4.

1

-K

:W

y™

,.íļ

' JļĮ

üįf

ŠMPŴ 4

^3-M 1LJL rf‘^ \ nri

o

Ai

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=71ef362f-ab86-40af-93d2-cbb7c9a5b32c