CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Honderdland Noord nabij 10 te Maasdijk (20-0342957)

Gemeenteraad 16 februari 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van de verklaring van geen bedenkingen aanvraag omgevingsvergunning Honderdland nabij 10 (Honderdland fase 2 kavel e/f) te Maasdijk17.004 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Uit het onderzoek blijkt dat het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van het logiesgebouw ter plaatse van posities op 50 m afstand en ter plaatse van omliggende woningen voldoet aan de standaard geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Voor het industrieterrein is op basis van een geluidverkavelingsplan per kavel een immissiebudget opgelegd. Het logiesgebouw wordt gesitueerd op kavels 50D en 50E. Uit het onderzoek blijkt dat ten gevolge van het logiesgebouw de immissiebudgetten van kavels 50D en 50E worden overschreden met ten hoogste 2 dB(A). Teneinde de overschrijding van de immissiebudgetten teniet te doen kan gedacht worden aan het plaatsen van een geluidscherm rondom de sportkooi en het dakterras. Het geluidscherm dient minimaal 1,8 meter hoog te zijn. Hiermee wordt er voldaan aan de immissiebudgetten. Voor de overige woningen in de omgeving wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden, zowel voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus, conform het 'Activiteitenbesluit milieubeheer'. Voor alle woningen in de omgeving wordt voldaan aan de 50 dB(A) etmaalwaarde en zijn de maximale geluidniveaus ten hoogste 50 dB(A). Aldus is in het kader van een goede ruimtelijke ordening sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 3.3.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat, met de voorgestelde maatregel, er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het logiesgebouw.

29

3.4

Externe veiligheid

3.4.1

Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt.

Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.4.2

Onderzoek

Inleiding Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en

30

de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Op 4 maart 2020 is ten behoeve van het logiesgebouw voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranden een onderzoek door Peutz BV opgeleverd zie hiervoor Bijlage 5 Onderzoek externe veiligheid. Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend.

Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations. Het voornemen omvat de realisatie van een logiesgebouw, wat conform wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid als kwetsbaar object kan worden gedefinieerd. Ter bescherming van kwetsbare objecten moet een bepaalde afstand aanwezig zijn ten opzichte van risicobronnen. Voor kwetsbare objecten geldt het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als grenswaarde. Gemeenten moeten hier rekening mee houden in hun ruimtelijk beleid.

Vanwege de realisatie van een kwetsbaar object dienen risicovolle activiteiten in de nabije omgeving van het plangebied te worden geïnventariseerd. In het kader van de externe veiligheid is in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen gesitueerd. Ammoniakkoelinstallatie aan Honderdland 611 Ter plaatse van Honderdland 611 bevindt zich een ammoniakkoelinstallatie van het bedrijf Nature's Pride. Dit is geen inrichting in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Deze ammoniakkoelinstallatie is bovendien op ruime afstand van het plangebied gelegen en vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

31

" ţ

Plangebied -

M

íŵ,-*.;

00'-:

r:feï. 'ìtÈM tem

.

-

.

5GŪ m

__ Windturbine aan de Leehove 61 Op circa 475 meter afstand van het plangebied, aan de Leehove 61, bevindt zich een windturbine. Conform het Activiteitenbesluit mag het plaatsgebonden risico voor een kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine, niet hoger dan 10-6 per jaar bedragen. De beoogde ontwikkeling bevindt zich niet binnen het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar. Bovendien wordt in het 'Handboek Risicozonering Windturbines' een afstandseis opgenomen voor kwetsbare objecten. Hierin wordt gesteld dat kwetsbare objecten niet zijn toegestaan binnen een afstand van de maximale werpafstand bij nominaal toerental. In voorliggende situatie bedraagt de maximale werpafstand bij overtoeren 457 m. Deze afstand is groter dan de werpafstand bij nominaal toerental. Aangezien de beoogde ontwikkeling zich op circa 475 meter afstand bevindt is sprake van een passende afstand. Deze windturbine vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute.

Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid

32

van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Transport van gevaarlijke stoffen over de N220 Op circa 120 meter afstand van het plangebied bevindt zich de N220Maasdijk, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Conform de risicokaart ligt het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar op 0 meter. Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan het zijn dat er beperkingen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen een zone van 200 meter aan weerszijden van een transportroute. Aangezien de beoogde ontwikkeling op minder dan 200 meter afstand van deze weg is gelegen, dienen de externe veiligheidsrisico's nader inzichtelijk gemaakt te worden. Over deze weg worden voornamelijk brandbare vloeistoffen en in mindere mate toxische vloeistoffen getransporteerd. Hierbij is sprake van zeer lage vervoersaantallen per jaar.

Opgemerkt wordt dat het Basisnet 2, waar deze weg echter niet tot behoort, enkel een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd dient te worden met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen uit categorie GF3 (brandbaar gas)3. Uit tellingen uit 2017, welke zijn verricht in opdracht van Omgevingsdienst Haaglanden, blijkt dat over de N220 sprake is van een beperkt aantal transporten van GF3. In totaal was tussen de Zijdijk en het Maasdijkplein sprake van 104 transporten per jaar ten behoeve van de bevoorrading van een aantal bovengrondse propaanreservoirs. Naar verwachting is thans nog steeds sprake van dergelijke transportaantallen per jaar. Ook hiervoor geldt dat indien het groepsrisico lager ligt dan 10Zo van de oriëntatiewaarde, of minder dan 100Zo toeneemt, mits de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden, conform het Bevt het groepsrisico niet berekend en (uitgebreid) verantwoord hoeft te worden. Op basis van de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport is bepaald of het groepsrisico onder 10Z van de oriëntatiewaarde blijft. De as van de weg bevindt zich op circa 125 meter afstand. Op een afstand van 125 meter met een dichtheid van 300 personen per hectare wordt uitgaande van tweezijdige bebouwing voldaan aan 10Z van de oriëntatiewaarde als het aantal GF3-transporten minder dan 240 per jaar bedraagt.

Gezien er slechts sprake is van 104 GF3-transporten is het groepsrisico ook in dit geval onder de 10Z van de oriëntatiewaarde gelegen. Transport van gevaarlijke stoffen over de N213 Op circa 415 meter afstand van het plangebied is de N213 gelegen. Over de N213 vindt het transport van gevaarlijke stoffen plaats. Aangezien deze weg op meer dan 200 meter afstand is gelegen is het uitvoeren van een kwantitatieve risicoanalyse echter niet aan de orde en vraag dit aspect niet om nadere aandacht. Transport gevaarlijke stoffen over de N223 Op circa 120 meter afstand bevindt zich de N223. Deze weg is vooralsnog niet opgenomen in de

33

risicokaart. Wel is, door enkele wijzigingen in de infrastructuur, thans sprake van het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg. Deze weg functioneert als verbindingsweg tussen de N213 en N220. In 2017 is voor het bestemmingsplan 'Honderdland fase 2' onderzoek3 is uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's ten gevolge van onder andere de N223. Uit dit onderzoek volgt dat het groepsrisico ten gevolge van deze weg lager ligt dan 10Zo van de oriëntatiewaarde. In dit onderzoek werd voor de N223 uitgegaan van 140 transporten van GF3 per jaar. Deze intensiteiten zijn bepaald op basis van de vergunde capaciteit van de LPG/LNG tankstations in de omgeving. Indien het groepsrisico lager ligt dan 10Zo van de oriëntatiewaarde, of minder dan 100Zo toeneemt, mits de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden, hoeft conform het Bevt het groepsrisico niet berekend en (uitgebreid) verantwoord te worden. Ten opzichte van het reeds uitgevoerde onderzoek is echter sprake van een verandering van de populatie ter plaatse van het plangebied. Ter plaatse van het plangebied werd in het uitgevoerde onderzoek uitgegaan van 80 personen per hectare. Ter plaatse van het plangebied zullen in de toekomstige situatieechter 250 arbeidsmigranten verblijven. Het plangebied kent een omvang van circa 0,4 hectare.

Ter plaatse van de omliggende percelen werd in de reeds uitgevoerde risicoberekeningen alsmede uitgegaan van een personendichtheid van 80 personen per hectare. Hiermee bedraagt de personendichtheid ten gevolge van de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied circa 298 personen per hectare. In de bijlagen bij de Handleiding Risicoanalyse Transport (versie 1.2 d.d. 11 januari 2017) zijn vuistregels opgenomen om onder andere te kunnen bepalen of het groepsrisico onder 10Z van de oriëntatiewaarde blijft. Op een afstand van 125-150 meter met een dichtheid van 300 personen per hectare wordt uitgaande van tweezijdige bebouwing voldaan aan 10Z van de oriëntatiewaarde als het aantal GF3-transporten minder dan 150-240 per jaar bedraagt. Gezien er slechts sprake is van 140 GF3-transporten is het groepsrisico ook in dit geval onder de 10Z van de oriëntatiewaarde gelegen. Ook na realisatie van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico nog onder de 10Z van de oriëntatiewaarde liggen. Een verdere berekening van het groepsrisico is dan ook niet benodigd. Er is sprake van een aantal risicobronnen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid in de omgeving van de beoogde ontwikkeling. Enkel het transport van gevaarlijke stoffen over de N220 en N223 vraagt hierbij om extra aandacht.

Het aantal transporten over deze wegen is echter dusdanig laag dat geen sprake zal zijn van een overschrijding van het groepsrisico. Het groepsrisico blijft voor deze wegen onder 10Z van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100Z letaliteitszone en de 1Z letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10Z toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

Aardgasbuisleiding

34

In de omgeving van het plangebied bevindt zich de aardgasbuisleiding met kenmerk NM-411041. Voor deze aardgasbuisleiding geldt een inventarisatieafstand tussen de 70 en 95 meter. Deze aardgasbuisleiding is op circa 400 meter afstand gelegen, waardoor een verdere beschouwing van de externe veiligheidsrisico's niet aan de orde is. Beperkte verantwoording groepsrisico De omgevingsvergunning maakt de realisatie van een logiesgebouw voor 250 arbeidsmigranten mogelijk. Dit object en gebruik valt onder de definitie van een kwetsbaar object. Door deze ontwikkeling en de toename van het aantal aanwezige personen nemen de risico's toe. Gebleken is dat het groepsrisico onder de 100Zo van oriëntatiewaarde ligt, uitgaande van de vuistregels uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) op basis van aantal transporten en aantal personen per hectare. Een verdere uitwerking van het groepsrisico is dan ook niet nodig. Conform artikel 7 van het Bevt dienen de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen die zich bevinden binnen het invloedsgebied beschouwd te worden. Om de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, worden door de Veiligheidsregio Haaglandende volgende maatregelen geadviseerd: A. Afschakelbare ventilatie (effectbeperking) B.

Vluchtweg van risicobron af (verhogen zelfredzaamheid) C. Voorbereiding interne organisatie (verhogen zelfredzaamheid) D. Risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid) E. Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen (maatregelen t.b.v. de hulpverlening) De adviezen ten aanzien van A, B en E worden meegenomen in de fase 2 vergunning, waarbij de activiteit bouwen wordt aangevraagd. Voor wat betreft C en D het volgende. 1) Het vaste personeel dat belast is met toezicht op de huisvesting en het begeleiden van de gasten wordt voor hun taak opgeleid alvorens zij te werk wordt gesteld. De inhoud van het Beheerplan (zie verder) en het aspect Veiligheid zijn daarbij belangrijke aandachtspunten, in het bijzonder het houden en begeleiden van veiligheidsoefeningen, het evalueren daarvan en het inzetten van verbeteringen. Het vaste personeel krijgt dus onderricht op de specifieke veiligheidsrisico's van het object waarvan zij beheerder zijn. Bijzondere onderwerpen zoals bijvoorbeeld windmolens en het transport van gevaarlijke stoffen kunnen en zullen daarbij dus de bij het betreffende huisvestingsobject horende passende aandacht krijgen. 2) Nieuwe uitzendkrachten die bij NL Jobs komen werken doorlopen een ontvangstprocedure. Zij krijgen hierin informatie over hun werk, hun vervoer en hun huisvesting.

Bij het deel over huisvesting wordt onder meer aandacht besteed aan onze huisregels, de wijze waarop men met diverse functionarissen in contact kan komen en ons alarmnummer voor acute assistentie. Op de voor hen geldende huisvestingslocatie ontvangen zij informatie over het veiligheidsplan, het ontruimingsplan, de ontruimingsplattegronden en de vluchtroutes. Deze informatie is beschikbaar in het Nederlands, Engels, Pools, Roemeens, Lets en het Russisch. Daarnaast wordt gewerkt met pictogrammen, waardoor de benodigde informatie altijd duidelijk is. 3) In de grotere logiescentra worden maandelijkse veiligheidsoefeningen gehouden. In het Westland vallen in ieder geval Hotel Westland en het toekomstige Logiesgebouw Honderdland daaronder. Tijdens de oefeningen wordt er op toegezien, dat alle gasten actief meedoen. Dit wordt gecontroleerd op de formele verzamelplaatsen en gecontroleerd aan de hand van het nachtregister. Daarnaast houden de gebouwbeheerders toezicht op het gebruik van de juiste vluchtroutes en of men zich niet bedient van de liften. 4)

Voor ieder logiescentrum wordt een beheerplan opgesteld en onderhouden. In het beheerplan

35

is alle relevante informatie opgenomen betreffende de locatie. Hierin zijn ook nadere afspraken vastgelegd met de gemeente omtrent diverse procedures, de periodieke evaluatie met de omgeving, het veiligheidsplan en de formele klachtenprocedure. De inhoud van het beheersplan is dus gericht op de specifieke verblijfslocatie. 5) Als onderdeel van het gebouwonderhoud wordt er op toegezien, dat alle ruimten vluchtplattegronden hebben en dat de daarop aanwezige informatie goed en bijgewerkt is. Daarnaast wordt toezicht gehouden op het correct functioneren en onderhouden van alle met veiligheid gerelateerde technische installaties, zoals de Brandmeldinstallatie incl. rookdetectie en waar van toepassing signalerings- en ontruimingsinstallatie. Waar bedienend personeel erkenningen nodig heeft, wordt daar in voorzien door middel van opleiding en certificering. In voorliggende situatie zijn de aanwezige personen binnen het plangebied hoofdzakelijk volwassenen zonder of in zeer beperkte mate personen met een lichamelijke of geestelijke beperking. Zodoende zal er geen sprake zijn van een hoge concentratie van “verminderd zelfredzame” personen. Dit betekent dat de personen die aanwezig zijn zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. Bovendien is in het ontwerp rekening gehouden met de situering van vluchtroutes.

Hiermee wordt er zorg gedragen dat er van de risicobronnen af kan worden gevlucht. Tevens is de beoogde ontwikkeling makkelijk te bereiken via meerdere toegangswegen voor hulpdiensten. 3.4.3

Conclusie

Er is sprake van een aantal risicobronnen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid in de omgeving van de beoogde ontwikkeling. Enkel het transport van gevaarlijke stoffen over de N220 en N223 vraagt hierbij om extra aandacht. Het aantal transporten over deze wegen is echter dusdanig laag dat geen sprake zal zijn van een overschrijding van het groepsrisico. Het groepsrisico blijft voor deze wegen onder 100Zo van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Resumerend zal het aspect externe veiligheid naar verwachting geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

3.5

Water

3.5.1

Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Nationaal waterplan Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels

36

uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan.

Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: *

* « *

de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving.

De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat

37

nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis).

Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: « de waterveiligheid; * het waterbeheer; * de waterkwaliteit; * het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen.

Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1.

2.

In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen;

38

3.

4.

Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.

In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: *

*

Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst

De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: * Beleidskader omtrent water; « Veiligheid en waterkeringen; * Waterkwantiteit; * Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; * Onderhoud en bagger; * Watersysteemkwaliteit en ecologie; * Afvalwater en riolering; * Klimaatadaptie. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd.

Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

39

WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER, NU EN LATER

ijl'-5

3vfëbruarī 2 3.5.2

Onderzoek

Het wijzigen van het gebruik naar een logiesgebouw voor tijdelijke arbeidsmigranten heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding van het plangebied, anders dan gesteld in bestemmingsplan Honderdland fase 2 en de 1e herziening Honderdland fase 2. 3.5.3

Conclusie

In het kader van het bestemmingsplan Honderdland fase 2 en het onderliggende masterplan Water Honderdland fase 2 heeft afstemming plaats gevonden met het Hoogheemraadschap van Delfland. De wijzigingen van het gebruik van het perceel naar logies gebouw voor tijdelijke arbeidsmigranten heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding en past binnen de geldende eisen en randvoorwaarden.

3.6

Luchtkwaliteit

3.6.1

Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

60 ìg/m3

2010 t/m 2014

jaargemiddelde concentratie

40 ìg/m3

vanaf2015

jaargemiddelde concentratie

48 ìgZm3

jaargemiddelde concentratie

40 ìgZm3

fijn stof (PM10)1)

vanaf 11 juni 2011

40

24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m3 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m3

vanaf 11 juni 2011

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: * * *

« *

de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: *

een project heeft een effect van minder dan 10Zo van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; * een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.6.2

Onderzoek

Bedrijfsemissies Uit de emissiekentallen die ten grondslag liggen aan het onderzoek luchtkwaliteit in het bestemmingsplan Honderdland fase 2 blijkt dat voor de bestemming Gemengd dezelfde emissies zijn gemodelleerd als voor een categorie 3.2-bedrijf, namelijk een NOx-emissie van 200 kg per hectare jaar en een PM10-emissie van 50 kg per hectare per jaar. De wijziging van van het gebruik van het perceel naar een logiesgebouw voor tijdelijk arbeidsmigrangen heeft op dit punt geen relevante gevolgen voor de uitkomsten van het onderzoek. Verkeersemissies In het MER is voor kavel 50 D en E uitgegaan van een verkeersgeneratie van 4747 mvt/etmaal. Op basis van het vervoersprofiel, zoals beschreven in 2.2.3 Verkeer, zal de wijziging van gebruik van het perceel naar logiesgebouw voor tijdelijke arbeidsmigranten leiden tot een lagere verkeersintensiteit. De wijziging van het gebruik zal in geen geval zal leiden tot een overschrijding van grenswaarden. 3.6.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging.

41

3.7

Bodem

3.7.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. b. c.

het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.7.2

Onderzoek

Kavel 50 D en E is niet gelegen in een drinkwaterbeschermingsgebied. Volgens de bodembeheernota van de gemeente Westland heeft het perceel de bodemfunctieklasse Industrie. In het kader van het bestemmingsplan Honderland fase 2 is een vooronderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van kavel 50 D en E verschillende verontreinigingsspots aanwezig zijn. Een gebruikswijziging naar een logiesgebouw voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten heeft geen gevolgen voor de noodzakelijke vervolgstappen. In het kader van de omgevingsvergunning tweede fase zal een actueel bodemonderzoek moeten worden overlegd. Zo nodig dient de bodem voorafgaand aan de functiewijziging te worden gesaneerd zodat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. 3.7.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.8

Gebiedsbescherming

3.8.1

Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de

42

natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. 3.8.2

Onderzoek

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de invloedssferen van een beschermd natuurgebied. De kleinschalige werkzaamheden brengen geen veranderingen teweeg brengen in een zgn. Natura 2000-gebied. Uit de Stikstofberekening (Bijlage 6 stikstofberekening) blijkt dat de planontwikkeling een resultaat heeft van 0,00 mol/ha/jaar aan stikstof. Er is geen stikstofdepositie aanwezig in het dichtbij zijnde Natura-2000 gebied. Zodoende is er geen nadere toetsing aan Wet Natuurbescherming en/of Natuurnetwerk Nederland nodig. Beschermde en bijzondere soorten In het kader van het bestemmingsplan Honderdland fase 2 zijn verschillende ecologisch onderzoeken uitgevoerd. In het gebied dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten waaronder vogels en vleermuizen. De wijziging van het gebruik naar een logiesgebouw voor de tijdelijke huisvesting voor arbeidsmigranten heeft geen gevolgen voor de conclusies uit die onderzoeken. 3.8.3

Conclusie

Er is geen sprake van een belemmering in de zin van een goede ruimtelijke ordening.

3.9

Cultuurhistorische aspecten

3.9.1

Wettelijk kader

Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2. De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden.

Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de

43

belangenafweging op grond daarvan. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 3.9.2

Onderzoek

In het bestemmingsplan Honderdland fase 2 is de locatie waarop het logiesgebouw wordt gesitueerd vrijgegeven voor ontwikkeling. Er zijn geen archeologische waarden aanwezig.

7^1ĎO

7J Vk:

744ŪŪ

■Jżūl

De wijziging van het gebruik naar een logiesgebouw voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten leidt niet tot wijzigingen op dit punt. 3.9.3

Conclusie

Er is geen sprake van een belemmering in de zin van een goede ruimtelijke ordening.

44

Hoofdstuk 4 4.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht bij vaststelling van een bestemmingsplan of projectbesluit waarin bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.2.1. Bro, een exploitatieplan vast te stellen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld doordat de gemeente hierover overeenkomsten heeft gesloten met de eigenaren van de binnen het exploitatiegebied gelegen gronden, of doordat de gemeente zelf eigenaar is van bedoelde gronden. Voor het bestemmingsplan Honderdland fase 2 is met Honderdland Ontwikkelings Combinatie (HOC) een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt omtrent de integrale gebiedsontwikkeling van Honderdland fase 2. Kern van de afspraken is dat HOC voor eigen rekening en risico verantwoordelijk is voor een ten minste sluitende gebiedsexploitatie en de uitvoering van de gebiedsontwikkeling binnen het exploitatiegebied. HOC heeft de onderhavige grond verkocht aan NL Jobs. Met NL Jobs is voor deze ontwikkeling een planschade overeenkomst gesloten.

4.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

4.2.1

Overleg

In de periode van 13 juli 2020 t/m 10 augustus 2020 heeft over de omgevingsvergunningaanvraag bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: * * * *

Provincie Zuid-Holland Hoogheemraadschap van Delfland Omgevingsdienst Haaglanden Veiligheidsregio

De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage 7 Nota van beantwoording wettelijk vooroverleg van deze toelichting. 4.2.2

Zienswijzen

Van 18 september 2020 tot en met 29 oktober 2020 heeft het ontwerp van deze omgevingsvergunning ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn 3 zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 8 Nota beantwoording zienswijzen.

45

l Li,LULL]-. IIIEL1LLL

....

Postadres: Postbus 150, 3670 AD Naaldwijk Bfřřŕekadres: Vťjrdliaan 7, 2671 Vw Naaldwijk T 14 0174 F (0174) 673 6Û0

E ļŞflöOgsnnMntewesţlsnd-nl I www.gemGentewestland.iil

WESTLAND , V'. V;:,;-' ,

f í--. ui

/JTS

i/fe'

'ľ-

r

* \ s.

-

ŗ4Ç

'J

■'ļi' ^ 7

7**4.

1 ^3-M 1LJL

-K

:W

y™

,.íļ

üįf

ŠMPŴ 4 rf‘^

\ nri

' JļĮ

o

Ai

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=d343a65a-c1e1-4de7-b65b-f63511cd733a