Ruimtelijke onderbouwing december 2021 Verburchlaan nabij 23 te Naaldwijk
Tekst van het document
2 in uitsnede risicokaart) Het projectgebied is gelegen op ca. 630 meter afstand van de inrichting Van den Bos Flowerbulbs. Binnen de inrichting is een ammoniak koelinstallatie aanwezig (inhoud 4.000 kg NH3, type 1 installatie). Op grond van de tabellen van het Revi is er voor deze installatie geen sprake van een wettelijk bepaald invloedsgebied. De aanwezigheid van de Bevi-inrichting vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het projectgebied. LPG-tankstations Binnen een straal van 1,5 km bevinden zich geen LPG-tankstations welke relevant zijn in het kader van het BEVI. Opslag van gevaarlijke stoffen Binnen een straal van 1,5 km bevinden zich geen opslagvoorzieningen voor gevaarlijke stoffen in emballage waarop het BEVI van toepassing is. Gasdrukregel- en meetstations (GOS) Binnen een straal van 1,5 km bevinden zich geen gasdrukregel- en meetstations welke relevant zijn in het kader van het BEVI. Overige inrichtingen Er bevinden zich geen windturbines in de omgeving van het projectgebied.
30
Vervoer gevaarlijke stoffen Het projectgebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Het plangebied bevindt zich op ca. 1,3 km afstand van de dichtstbijzijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg (provinciale weg N222, nummer 3 in uitsnede risicokaart). De omvang van het invloedsgebied bedraagt 355 meter en wordt bij de N222 bepaald door het transport van brandbare gassen (stofcategorie GF3). Het projectgebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de N222. De normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico in het Bevt vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen op de planlocatie. Buisleidingen Het projectgebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van buisleidingen. Het plangebied bevindt zich op ca. 870 meter afstand van de dichtstbijzijnde buisleiding (buisleiding NAM, nummer 4 in uitsnede risicokaart). Buisleiding MN-411041 van de NAM heeft een werkdruk van 44 bar en een diameter van 6 inch). De buisleiding heeft een 1% letaliteitscontour tussen de 70 en 90 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de buisleiding. De normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico in het Bevb vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen op de planlocatie.
Explosieven Uit de kaart conventionele explosieven van de gemeente Westland blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen locaties zijn die verdacht worden van aanwezigheid van conventionele explosieven.
Uitsnede Explosievenkaart Westland 3.5.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
31
3.6
Water
3.6.1
Wettelijk kader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Nationaal waterplan Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water.
Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015.
In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid:
32
de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit.
Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen.
De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven.
Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: de waterveiligheid;
33
het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1.
2.
3.
4.
In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden.
Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.
In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op
34
de volgende aspecten: Beleidskader omtrent water; Veiligheid en waterkeringen; Waterkwantiteit; Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwater en riolering; Klimaatadaptie. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven.
Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.
3.6.2
Onderzoek
Ten behoeve van het project is een watertoets uitgevoerd (Waterstudie Watertoren te Naaldwijk, Aqua Terra Nova, rapport nummer 20098/Aqua-Terra Nova 301d WT/AW, datum 17 december 2021). In de watertoets komen verschillende waterthema's aan de orde, zoals veiligheid en waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en ecologie, onderhoud en bagger en afvalwater en riolering. Nieuwe situatie
35
De aanvrager beoogt de bestaande watertoren te renoveren waarna er een gebouw wordt aangebouwd en garages worden gerealiseerd. De watertoren met bijgebouw zal dienst doen als woongebouw. Een overzicht van het projectgebied is gegeven met daarin de watertoren en de aanbouw in onderstaande figuur.
Ontwerp Het projectgebied zal gaan bestaan uit: Totaal projectgebied Verhardoppervlak Parkeerplaatsen met Mossedum dak (wordt als 50% verhard gerekend*) Wadi/Vijver
3.197 m2 1.195 m2 380 m2 190 m2 117 m2
*Het sedum dak heeft een sub straat laag van 24 cm. Deze heeft een waterbufferend vermogen van 24 liter per m2 (b ron: sempergreen). Dit komt overeen met 24 mm, dit is ca. de helft van een piekbui van 50mm. Veiligheid en waterkeringen Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor de veiligheid van haar beheergebied. Het bouwen en opslaan op waterkeringen mag niet zonder meer en hierop is de Keur Delfland toepassing. Met de Keurbepalingen wil Delfland voorkomen dat de stabiliteit of het functioneren van de waterkering wordt beïnvloed. Tevens moet de waterkering in de toekomst, indien nodig, opgehoogd of verbreed kunnen worden. Het plangebied is gelegen in het boezemgebied en maakt onderdeel uit van het hoofdpeilgebied. Het plangebied ligt niet in de buurt van een regionale waterkeringen (zie onderstaand figuur).
36
Weergave waterkeringen in en om het plangebied (Bron: Leggerkaart Delfland) Waterkwantiteit Het plan dient te voldoen aan de provinciale normen voor bergings- en afvoercapaciteit. De planlocatie is gelegen in de boezem (peilgebied GPG2007BZM I-d). Voor dit peilgebied geldt een waterpeil van -0,43 m NAP. Conform de Handreiking Watertoets en de beleidsnota Beperken en voorkomen wateroverlast van Delfland (https://www.hhdelfland.nl/) mag de waterhuishoudkundige situatie niet verslechteren als gevolg van de ontwikkeling, het zgn. stand-still beginsel. Voor dit project is toetsing aan de bergings- en afvoernormen het belangrijkste uitgangspunt. Bij planologische omzetting geldt de maximale inspanning voor de norm van de waterberging (zie bijlage 4) met toepassing van een effectgerichte, gebiedsgerichte en marktgerichte aanpak. Het stand-still beginsel betekent dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ontwikkeling. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast. Versnelde afvoer door meer verharding voldoet daarmee niet aan het stand-still beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd.
37
Uitsnede hoogtekaart projectgebied Delfland heeft de Watersleutel ontwikkeld, een rekentool waarbij op basis van een aantal relevante kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem wordt bepaald hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd. Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren, kan ook een modelstudie worden uitgevoerd. Voor veel ontwikkelingen kan worden volstaan met deze methode om inzicht te krijgen in de benodigde watercompensatie. In bijlage 5 van de watertoets staat op basis van de gegevens in deze rapportage de uitgangspunten voor de berekening van de watercompensatie van het project: De huidige en toekomstige verharding van zowel terrein verharding als bebouwing; huidige en toekomstig maaiveldhoogte; maatgevend peil en gemiddelde drooglegging; toelaatbare peilstijging.
Oppervlakten plangeb ied In bijlage 5 van de watertoets staat de analyse op basis van de Watersleutel van Delfland weergegeven. De toename aan verharding zorgt ervoor dat er een wateropgave komt uit de watersleutel. De opgave voor de ontwikkeling is 11,5 m3, dit staat gelijk aan 39 m2 aan wateroppervlak. In de nieuwe watersleutel wordt ook de situatie 2050 doorberekend en in deze berekening is de te verwachten klimaatverandering meegenomen. Uit deze berekening komt dat voor het oppervlak van het plangebied een extra berging gerealiseerd dient te worden van 30,6 m3. Dit zou een totale opgave geven van (30,6 + 11,5 m3) 42,1 m3, dit staat gelijk aan 142 m2. Op 24 april 2016 en op 4 mei 2017 is de Watertoets reeds getoetst door het hoogheemraadschap en is de eerste wateropgave aangehouden. Door externe omstandigheden is het project aangehouden. Aangezien de procedure voor dit project al loopt voordat de nieuwe watersleutel in gebruik is genomen en het creëren van meer opvang bijna onmogelijk is de extra waterberging voor 2050 niet worden meegenomen. De wateropgave zal worden ingevuld met vasthoudmaatregelen, zijnde:
38
Wadi/Vijver De wadi/vijver opslag is vergroot naar 117 m2; hierop zal met regenwaterleidingen de daken van de appartementen en groengebied op uitstromen (zie Bijlage 2, figuur B2.5 en B2.6). Hierin en onder wordt al het water gebufferd en over 48 uur volgens de norm van Delfland geloosd (en voor een klein deel geïnfiltreerd in de bodem), waarna de buffer weer volledig beschikbaar zal zijn (zie figuur 3.4).
De vijver(s) worden technisch en landschappelijk zo ontworpen dat deze een peilstijging van 30 cm ten alle tijden beschikbaar hebben. Dat betekent dat er voor de te compenseren 11,5 m3 water minimaal 38 m2 dient te worden aangelegd. Op de vijver kan onder andere het sedum dak en het dak van de Watertoren worden aangesloten. Daarna zal dit overstorten naar het (HWA) riool aangezien er geen oppervlaktewater aanwezig is. De vijver/wadi van 117 m2 met een diepte van ,1 – 0,5 m wordt technisch en landschappelijk zo ontworpen dat deze een peilstijging van tot 40 cm ten alle tijden beschikbaar heeft. Dat betekent dat er op basis van dit oppervlak max. ca. 47 m3 kan wordt opgevangen voor de te compenseren 42,1 m3 waterberging. Sedumdak; Het hemelwater dat op het sedum dak van 380 m2 valt wordt ook gebufferd en vertraagd afgevoerd naar het (HWA) riool aangezien er geen oppervlaktewater aanwezig is. Onderstaand wordt het principe van de technische uitvoering hiervan weergegeven.
39
Voorb eeld weergave van vertraagde afvoervoorziening Het sedum dak heeft een substraat laag van 24 cm. Deze heeft een waterbufferend vermogen van 24 liter per m2 (bron: Sempergreen). Dit komt overeen met 24 mm, dit is ca. de helft van een piekbui van 50mm. Dit is als zodanig mee genomen in de watersleutel. In zijn algemeenheid zullen de voorzieningen als volgt worden zeker gesteld: De initiatiefnemer zorgt dat het beheer en onderhoud van de voorziening na oplevering is geregeld, ook op lange termijn, en dat dit is vastgelegd in een beheerplan. Er worden afspraken gemaakt over de levensduur van de voorziening en het vernieuwen ervan. De voorziening is te allen tijde beschikbaar (met uitzondering van de ledigingstijd van ca 2 dagen na eerder gebruik, of indien er bij een gestuurde afvoer specifieke afspraken zijn gemaakt over lediging). Het vullen en het legen van de voorziening gebeurt automatisch. Menselijk handelen is niet nodig. Om er voor te zorgen dat deze voorziening ook in de toekomst blijft functioneren in de Omgevingsvergunning zal een voorschrift worden opgenomen. Dat zal in de waterparagraaf van de Ruimtelijke Onderbouwing worden vermeld. De gemeente moet het voorschrift vervolgens aan de vergunning hangen. Naast de specifieke werking zal hierin ook het beheer en onderhoud worden vastgelegd.
Ten aanzien van het stand-still beginsel wordt met name naar 3 onderdelen gekeken: Kans op wateroverlast mag niet toenemen; door het aanleggen van een waterberging (in de vorm van een vijver) neem de kans op wateroverlast niet toe; structuur van het watersysteem mag niet verslechteren; er zijn geen watergangen in het plangebied. Het watersysteem zal niet veranderen. beheerbaarheid van het watersysteem mag niet achteruit gaan; het plangebied heeft geen watergangen, de watergang aan de zuidzijde maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Waterkwaliteit en ecologie Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke
40
mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. Het afstromend hemelwater vanaf het plangebied kan een gering positief effect op de waterkwaliteit hebben. Door de infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater. Het sedumdak zal met een de groene bedekking ook een positieve invloed hebben op de flora en fauna. Onderhoud en b agger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies.
Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken. Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. Er zijn geen watergangen rondom het plangebied.
De vijver met overstort voorziening zal volgens de vergunningsvoorwaarden worden onderhouden teneinde altijd beschikbaar te zijn als waterberging. Bodem en grondwater Bij het bouwen van de nieuwe woning moet rekening gehouden worden met voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. In een waterhuishoudingsplan voor Westland wordt standaard uitgegaan van minimaal 1 m. Overigens helpt een voldoende hoog bouwpeil niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. De parkeerplaatsen aan de noordzijde van het perceel zijn half verdiept. Verwacht wordt dat dit geen negatieve effecten heeft op grondwaterstroming dan wel wateroverlast gaat veroorzaken. De maaiveld hoogte bedraagt momenteel ca. 0,76 m NAP volgens hoogtekaart.nl (zie figuur 3.3). Het maatgevend peil zit op -0,43 m voor het hoofdpeilgebied van de boezem. Hiermee is de drooglegging ca. 1,19 m en voldoet daarmee aan de standaard van Delfland. De parkeervoorziening wordt boven het grondwaterniveau gezet. Afvalwater en riolering De woningen worden volgens het Verbreed GRP 2011 – 2015 van gemeente Westland aangesloten op het gescheiden gemeentelijke rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering.
Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen
41
van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. De nieuwe woningen zullen het hemelwater op oppervlaktewater lozen. Het plan dient te voldoen aan de Leidraad Riolering West Nederland en de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom Aan- en afkoppelen verharde oppervlakten (2003). Het projectgebied is aangesloten op een gescheiden rioolsysteem. Het hemelwater van het nieuwe wooncomplex en groen lozen op de wadi/vijver welke dit vertraagd op het HWA riool loosd. Dit geldt ook voor het sedumdak. Het afvalwater van het wooncomplex wordt via het rioleringsstelsel geloosd op AWZI Nieuwe Waterweg te Hoek van Holland. 3.6.3
Conclusie
De vijver/wadi van 117 m2 wordt technisch en landschappelijk zo ontworpen dat deze een peilstijging van tot 40 cm ten alle tijden beschikbaar heeft. Dat betekent dat er op basis van dit oppervlak max. ca. 47 m3 kan wordt opgevangen voor de te compenseren 42,1 m3 waterberging. Hiermee wordt voldaan aan de wateropgave. Tevens zal met de aanleg van een sedumdak van 380 m2 nog een klimaat adaptieve maatregel worden genomen.
3.7
Bodem
3.7.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. b. c.
het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.7.2
Onderzoek
De volgende bodemonderzoeken zijn aangeleverd (zie bijlage) door de aanvrager: Verkennend bodemonderzoek Grote Woerdlaan ong. te Naaldwijk' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol, kenmerk A2715, d.d. 17 juli 2017); 'Verkennend asbestbodemonderzoek Grote Woerdlaan ong. te Naaldwijk' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol, kenmerk A6300, d.d. 25 augustus 2020); 'Rapportage aanvullend bodemonderzoek PFAS Grote Woerdlaan ong. te Naaldwijk' (opgesteld door Ingenieursbureau Mol, kenmerk A6300, d.d. 3 september 2020).
42
De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de NEN 5740 en NEN 5707 en geven voldoende inzicht in de bodemkwaliteit. 3.7.3
Conclusie
Op basis van de onderzoeken wordt geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming. Er zijn geen gronden om de opschortingsregeling van artikel 6.2c Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toe te passen. Opgemerkt wordt dat in de grond de achtergrondwaarde (AW2000) wordt overschreden. Hierdoor gelden er bij afvoer van de grond beperkingen ten aanzien van het hergebruik van deze grond.
3.8
Ecologie
3.8.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.
De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.
43
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 5. 6. 7.
Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
44
3.8.2
Onderzoek
In het kader van de Flora- en faunawet zijn de effecten van het project beoordeeld (Eco-effectscan watertoren te Naaldwijk, Aqua Terra Nova, rapportnummer 20098/AQT301 FF/LT, datum 31 augustus 2020). De voornoemde eco-effectscan heeft als doel de ecologische waarden van de projectlocatie te bepalen aan de hand van inventarisatie en verkregen informatie. Met de scan wordt nagegaan of er op de projectlocatie planten en / of dieren voorkomen of verwacht worden die: - bedreigd zijn; - op een zogenaamde "Rode lijst" voorkomen; - anderszins beschermd zijn in het kader van de Flora- en faunawet.
3.8.2.1 Geb iedsb escherming Natura 2000-gebieden Het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' bevindt zich op circa 3,1 km ten zuidwesten en 4,4 km ten noordwesten van het plangebied, zie onderstaand figuur. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand.
Positie van het plangeb ied ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' bestaat uit oude duinen, duinbossen, struwelen, ruigten en plassen. Het natuurgebied is van grote waarde vanwege de kalkarme duinen en heideterreinen die in het gebied voorkomen. Aan de binnenduinrand bevinden zich een aantal oude landgoedbossen die rijk zijn aan stinzenflora. Directe negatieve effecten door de geplande ontwikkeling kunnen niet uitgesloten worden, waardoor een stikstofberekening is uitgevoerd. Stikstofdepositie Stikstofdepositie is de hoeveelheid stikstof, die in de vorm van NOX (stikstofoxiden) of NH3 (ammoniak), neerdaalt op de bodem. Verschillende bronnen, zoals bouwwerktuigen, verkeer en mest, hebben een
45
stikstofuitstoot In Nederland is in 118 van de 161 Natura 2000-gebieden, de stikstofdepositie hoger bevonden dan ten minste één habitat of soort kan verdragen. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning. Een stikstofdepositie berekening ten behoeve van de beoogde werkzaamheden is door Aqua-Terra Nova uitgevoerd. De volgende bijlagen zijn aan het bestemmingsplan toegevoegd: Stikstofdepositie berekening Watertoren / Verburchlaan te Naaldwijk (20098/AQT302a/RS); Aerius berekening bouwfase; Aerius berekening gebruiksfase. Aanlegfase Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Met deze Wet worden, conform artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming, de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden van bepaalde bouwactiviteiten buiten beschouwing gelaten voor de Wnb-vergunningplicht. De realisatiefase als onderdeel van dit project is hiertoe vrijgesteld van de Wnb-vergunningplicht voor het onderdeel stikstofdepositie en is daartoe buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling. Conclusie Uit de stikstofdepositieberekening volgt dat de beoogde activiteit niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Op basis van dit stikstofdepositieberekeningsrapport en bijgeleverde AERIUS-calculatie is het aannemelijk dat de beoogde activiteit niet vergunningsplichtig is op grond van de Wnb. Ecologische verbindingszones Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie onderstaand figuur. Het plangebied bevindt zich op circa 1,7 km ten oosten van een ecologische verbindingszone en 2 km van een natuurgebied dat deel uitmaakt van het NNN. Het gebied betreft hier 'de Oostwaterring' ten zuidoosten van het plangebied. Het NNN kent geen externe werking. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nadere toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk.
46
Positie van het plangeb ied ten opzichte van het NNN.
3.8.2.2 Soortenb escherming In dit hoofdstuk worden eventuele effecten van de geplande werkzaamheden op aanwezige natuurwaarden uitgewerkt. Daarnaast wordt antwoord gegeven op de vraag of, en zo ja, in welke mate beschermde plant- en diersoorten, beschermd door de Wet natuurbescherming, door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is/zijn. Vaatplanten Het plangebied is tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn wel algemene soorten aangetroffen zoals klaver, duizendblad, distel, hondsdraf en fluitenkruid. Zowel op basis van verspreidingsgegevens als de stedelijke ligging in het plangebied, worden beschermde vaatplanten niet verwacht5. Overbegrazing door het varken en het aanwezige puin maken het ook onwaarschijnlijk dat beschermde soorten zich hier vestigen. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Vogels Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd. Daarnaast zijn rust- en verblijfplaatsen én de functionele omgeving van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd.
In het plangebied worden geen broedende vogels verwacht. Vogels met jaarrond b eschermde verblijfplaats Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van de Watertoren de gierzwaluw en huismus behorend tot de categorie 1-4 (jaarrond beschermde vaste verblijfplaats) voorkomen6. Er zijn echter geen geschikte invliegopeningen voor gierzwaluwen aangetroffen, en ook ontbreekt een pannendak en een goot ten behoeve van huismussen. Daarnaast is de toren erg hoog voor huismussen
47
om bij de koepel te verblijven. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor gierzwaluwen en huismussen kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek is naar de aanwezigheid van deze soort is niet noodzakelijk. Een aantal roofvogels en uilen hebben ook een jaarrond beschermde verblijfplaats. Binnen het plangebied zijn de aanwezige bomen niet van voldoende grootte en hoogte om te dienen als nestplaatsen voor jaarrond beschermde vogels als roofvogels of uilen. Op basis van de afwezigheid van geschikte habitat wordt het voorkomen van jaarrond beschermde boombewonende vogels uitgesloten. Slechtvalken nestelen doorgaans op hoge gebouwen of in hoogspanningsmasten in of nabij stedelijk gebied. Ze bouwen geen nesten maar gebruiken voor de soort gemaakte nestkasten, oude nesten van kraaien of nissen op/in gebouwen. Tijdens een controle in mei 2017 zijn aan de westelijke voet van de watertoren prooiresten aangetroffen welke duiden op de aanwezigheid van een slechtvalk. Op basis van de aanwezige sporen werd het waarschijnlijk geacht dat de watertoren sporadisch door een slechtvalk gebruikt wordt als locatie om gevangen prooi op te eten en als rustplaats. Er zijn geen recentere waarnemingen van slechtvalken rondom de watertoren geweest. De aanwezigheid van een nest werd uitgesloten.
Vervolgstappen in het kader van de Wet Natuurbescherming zijn niet noodzakelijk. Vogels uit categorie 5 Van de vogelsoorten met een verblijfplaats uit de categorie 5 zijn verschillende vogels binnen het plangebied te verwachten: ekster, blauwe reiger, koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Nesten van categorie 5-soorten zijn jaarrond beschermd wanneer specifieke ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Er zijn tijdens het veldbezoek echter geen nesten waargenomen, en er staan geen grote bomen binnen het plangebied. Hierdoor kunnen negatieve effecten op mogelijk aanwezig essentieel leefgebied worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Algemene (b roed)vogels In en rondom het plangebied zijn algemene vogelsoorten te verwachten zoals houtduif, merel, kauw en gaai. Het groen in het plangebied is geschikt als broedlocatie voor algemene vogels. De halsbandparkiet en kauw maken gebruik van holen in bomen om hun nest in te bouwen. De kauw, gaai en houtduif maken hun nesten in bomen. De merel maakt gebuikt van lage bomen en struweel om een nest in te bouwen. Er zijn geen nesten van algemene vogelsoorten zijn niet aangetroffen. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
Grondgebonden zoogdieren Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van het plangebied geen strikt beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen. Het voorkomen van strikt beschermde zoogdiersoorten in het plangebied kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Het oriënterend onderzoek wijst uit dat het plangebied geschikt is voor nationaal beschermde zoogdiersoorten zoals muizen, egel, en mol. Ook kunnen er binnen het plangebied algemeen voorkomende zoogdiersoorten voorkomen als bruine rat. Voor een groot deel van de nationaal beschermde zoogdiersoorten geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming1. De zorgplicht blijft echter wel van kracht. Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming1. Vleermuizen maken binnen hun netwerk gebruik van vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze vaste rust- en verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd, ook als de dieren op dat moment niet aanwezig zijn. Daarnaast is de functionele leefomgeving van vleermuizen beschermd. Dit zijn de vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden, die nodig zijn om een verblijfplaats te laten functioneren.
Verblijfplaatsen De bomen in het plangebied zijn van onvoldoende grootte voor de aanwezigheid van geschikte verblijfplaatsen. De aanwezigheid van boombewonende vleermuizen zoals de watervleermuis, ruige
48
dwergvleermuis en rosse vleermuis kunnen hierdoor worden uitgesloten. De randen en kieren bij de overgang van stenen muur naar de koepel zijn geschikte ruimtes voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger, om achter weg te kruipen en te verblijven. Aqua-Terra Nova heeft in september 2015 een bezoek gebracht aan de watertoren om te onderzoeken of vleermuizen gebruik maken van de watertoren als verblijfplaats. Er zijn destijds geen waarnemingen gedaan van vleermuizen in het plangebied en in de directe omgeving. Echter, aangezien er vijf jaar verstreken zijn sinds dit onderzoek kan de aanwezigheid van vaste rust en/of verblijfplaatsen niet uitgesloten worden. Bovendien is er geen onderhoud meer gedaan aan de watertoren, waardoor meer mogelijkheden voor vleermuizen kunnen zijn ontstaan. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is noodzakelijk. Foerageergebied en vliegroute Het plangebied en de omgeving van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Wegens de beperkte grootte van de tuin, de ligging en geschikte alternatieven in de omgeving betreft het geen essentieel foerageergebied. Door de werkzaamheden zal geen essentieel foerageergebied verloren gaan. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
De zorgplicht tijdens de werkzaamheden, om verstoring voor foeragerende vleermuizen te minimaliseren, blijft wel van kracht. Amfibieën Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen strikt beschermde amfibieën voorkomen9. Vanwege het ontbreken van watergangen en de ligging in stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van strikt beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. Reptielen Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde reptielen voorkomen9. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging in stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van (strikt) beschermde reptielen kan worden uitgesloten. Vissen In het plangebied zijn geen watergangen of ander open water aanwezig. Negatieve effecten op vissen zijn uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Overige beschermde soorten Van de ongewervelden zijn naast vlinders en libellen, enkele kevers (vliegend hert, brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, vermiljoenkever), weekdieren (platte schijfhoren, Bataafse stroommossel) en een kreeftachtige (rivierkreeft), beschermd door de Wet natuurbescherming.
Het plangebied en directe omgeving voorzien voor geen van deze soorten in geschikt habitat. Het voorkomen van beschermde ongewervelden kan hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming. Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen.
49
3.8.2.3 Aanvullend onderzoek vleermuizen en slechtvalken Uit de uitgevoerde Eco-effectscan, welke is uitgevoerd door Aqua-Terra Nova BV (kenmerk: 20098/AQT301FF/LT d.d. 31 augustus 2020), is gebleken dat de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen of (functionele) leefomgeving van vleermuizen en slechtvalken niet uitgesloten kon worden, waardoor er een aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd is door Aqua-Terra Nova BV (kenmerk: 20098/AQT304FF/LVS d.d. 29 september 2021). Hieronder worden de belangrijkste resultaten van het vleermuis- en slechtvalkonderzoek nader toegelicht en er wordt aangegeven waar in het plangebied voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen of (functionele) leefomgeving aanwezig zijn. Vleermuizen Tijdens het onderzoek is de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis in en in de omgeving van het plangebied waargenomen. Andere vleermuissoorten zijn binnen het plangebied niet waargenomen. Zomerverblijfplaatsen Tijdens het voorjaar betrekken vleermuizen een zomerverblijfplaats. Zomerverblijfplaatsen zijn doorgaans van april tot half augustus in gebruik door solitaire mannetjes of kleine groepjes mannetjes. Bij een ochtendbezoek wordt er gelet op het zwermen/aantikken van vleermuizen voordat deze hun verblijfplaats in gaan.
Bij een avondbezoek wordt gelet op het uitvliegen van vleermuizen uit hun verblijfplaats. Er zijn tijdens het voorjaarsonderzoek geen uitvliegende óf invliegende vleermuizen waargenomen. De aanwezigheid van een zomerverblijfplaats van vleermuizen binnen het plangebied is uitgesloten. Kraamverblijfplaatsen In het voorjaar en de zomer bezetten vleermuisvrouwtjes hun kraamverblijfplaats. De vrouwtjes maken in de kraamperiode gebruik van een netwerk aan kraamverblijfplaatsen. Ze keren jaarlijks terug naar hetzelfde gebied. Binnen dit netwerk kunnen ze regelmatig van verblijfplaats wisselen. Zeer geschikte verblijfplaatsen zijn de hele kraamperiode in gebruik. Er zijn tijdens het voorjaarsonderzoek geen uitvliegende óf invliegende vleermuizen waargenomen. De aanwezigheid van een kraamverblijfplaats van vleermuizen binnen het plangebied is uitgesloten.
50
Resultaten voorjaarsonderzoek vleermuizen. Paarverblijfplaatsen Mannelijke gewone dwergvleermuizen vliegen in het najaar baltsend (roepend) rond in een territorium om vrouwelijke vleermuizen te lokken en andere geslachtsrijpe mannen duidelijk te maken van hun territorium. Paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis bevinden zich doorgaans in een netwerk rondom kraamverblijfplaatsen. Als ze een vrouw gelokt hebben, vindt paring plaats in de paarverblijfplaats van de man. De gewone dwergvleermuis heeft een sterke voorkeur voor paarverblijfplaatsen in gebouwen, maar wordt een enkele keer in een boom aangetroffen. Ruige dwergvleermuizen baltsen vaker dan gewone dwergvleermuis direct vanuit hun verblijfplaats. De verblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis bevinden zich in zowel bebouwing als bomen. Mannetjes betrekken in de periode augustus t/m eind september een paarterritorium. Er zijn geen paarverblijfplaatsen in de bebouwing in het plangebied aangetroffen. Er zijn op 9 september en 30 september wel baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen in de nabije omgeving van het plangebied. De baltsende vleermuis is nadrukkelijk met een warmtebeeldcamera gevolgd. Met de warmtebeeldcamera kon duidelijk een vast vliegpatroon worden waargenomen.
De baltsende gewone dwergvleermuis kwam diffuus in de tuin van het plangebied, maar had duidelijk een binding met de woningen aan Van Lijnschootenlaan 43 t/m 49. Het mannetje gewone dwergvleermuis vloog hier frequent strak langs de gevels. De baltsende gewone dwergvleermuis had geen binding met de watertoren. In de omgeving van het plangebied zijn er diverse baltsende vleermuizen waargenomen. Naast het plangebied is een ruige dwergvleermuis invliegend waargenomen. Vervolgens maakte dit mannetje ruige dwergvleermuis baltsroepjes vanuit de spouwmuur. Verspreid in de omgeving zijn baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Op twee locaties kon het paarterritorium worden vastgesteld omdat deze een duidelijke binding hadden met de desbetreffende bebouwing. Op de volgende locaties zijn beschermde functies vastgesteld: Van Lijnschootenlaan 43 t/m 49: paarterritorium gewone dwergvleermuis (exacte locatie niet vast te stelen) Van Lijnschootenlaan 1 t/m 10: Paarterritorium gewone dwergvleermuis (exacte locatie niet vast te stelen); Grote Woerdlaan 6 t/m 8: paarverblijfplaats ruige dwergvleermuis (in open stootvoeg derde
51
verdieping). Winterverblijfplaatsen Winterverblijfplaatsen worden als rustplek (winterslaapplek) gebruikt van september tot en met april. Winterverblijfplaatsen bevinden zich in de regel op vorstvrije plaatsen. Watervleermuizen prefereren plekken als grotten, bunkers en kelders, met een constante temperatuur en vochtigheidsgraad als hun winterverblijfplaats. Voor gewone dwergvleermuis kan er doorgaans vanuit gegaan worden dat een zomer- of paarverblijfplaats ook als winterverblijfplaats gebruikt wordt, indien deze vorstvrij is. Er zijn geen zomerverblijfplaatsen en geen paarverblijfplaatsen aangetroffen. Het voorkomen van winterverblijfplaatsen is uitgesloten. Vanaf augustus zwermen gewone dwergvleermuizen bij winterverblijven om deze te inspecteren op geschiktheid voor grote groepen (20 - 120 dieren). Dit wordt ook wel een massawinterverblijfplaats genoemd. Doorgaans bevinden massawinterverblijfplaatsen zich in grote hoge gebouwen met een hoge thermische massa, als ziekenhuizen, torenflats of bejaardentehuizen. Gezien de afwezigheid van waarnemingen van grote groepen zwermende vleermuizen en de kenmerken van het gebouw kan het voorkomen van massawinterverblijfplaatsen uitgesloten worden.
Resultaten najaarsonderzoek vleermuizen. Foerageergebied De gewone dwergvleermuis maakt gebruik van het zuidwestelijke gedeelte van het plangebied als foerageergebied, zie figuur 4.3. Hierbij wordt voornamelijk gefoerageerd langs de kleine bomen op de groenstrook langs de watertoren. Ook ten noordwesten van het plangebied zijn foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen op verschillende groenstroken in de buurt. Door de aanwezigheid van meerdere groenstroken en watergangen betreft het plangebied geen essentieel foerageergebied.
52
Waarnemingen foeragerende vleermuizen Watertoren te Naaldwijk. Vliegroutes De meeste vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis, maken gebruik van lijnvormige structuren als vliegroute. Ze vliegen hierbij in de luwte van lijnvormige structuren zoals allerlei soorten watergangen, hagen, houtwallen en bebouwing. Gewone dwergvleermuis en watervleermuis gebruiken vaste vliegroutes om hun foerageergebieden te bereiken, terwijl de ruige dwergvleermuis geen vaste routes volgt om zijn foerageergebieden te bereiken. Andere vleermuizen, zoals de rosse vleermuis en de laatvlieger zijn minder afhankelijk van lijnvormige structuren. Men spreekt van een vaste vliegroute als vleermuizen structureel langs bepaalde elementen in het landschap vliegen. Aan de westkant van het plangebied langs de Van Lijnschootenlaan is er een passerende gewone dwergvleermuis waargenomen, zie figuur 4.4. Door de aanwezigheid van slechts een enkele vleermuis en de afwezigheid van verschillende watergangen, lijnvormige structuren en groenstroken, is er geen essentiële vliegroute aanwezig binnen het plangebied.
53
Waarnemingen overvliegende/foeragerende vleermuizen Watertoren te Naaldwijk. Conclusie Er zijn geen verblijfplaatsen of functioneel leefgebied van vleermuizen in de Watertoren te Naaldwijk geconstateerd. Er zijn wel paarverblijfplaatsen en foeragerende vleermuizen aanwezig in de nabijheid van het plangebied. De beoogde werkzaamheden zullen deze verblijfplaatsen en foerageergebieden niet aantasten. Wel kan er verstoring optreden op overliggende vleermuizen. Vleermuizen zijn gevoelig voor verstoring van kunstlicht. Slechtvalken De waarneming, gedaan door een omwonende in 2020 (geen exacte datum meer te achterhalen), van een juveniele nog niet vliegvlugge slechtvalk die door een zilvermeeuw uit het nest werd gehaald zorgde voor onzekerheid of de watertoren als broedplaats wordt gebruikt. De juveniele vogel werd na uit de lucht te zijn gevallen dood aangetroffen op de Grote Woerdlaan. Uit de literatuur is lastig op te maken of de watertoren te dicht bij de Sint Adrianus kerk ligt om een nestplaats uit te sluiten. Slechtvalken zijn territoriaal in de buurt van hun nest, bij een afstand van ruim 400 meter van een al bestaand nest was een tweede nest niet uit te sluiten. Er is daardoor extra inzet geweest met drones om uit te sluiten dat er een nest aanwezig zou zijn in de dakrand of boven op de steunberen van de watertoren, zie onderstaand figuur.
Er is daarbij geen bewijs gevonden dat er sprake is van een nestplaats op de watertoren. Tijdens de veldbezoeken zijn er ook geen waarnemingen gedaan van slechtvalken. Wel is er tijdens een vleermuisbezoek op 30 september 2020 een slechtvalk rustend waargenomen met de warmtebeeldcamera aan de oostkant van de watertoren tussen de twee pilaren. Tevens zijn daar ook enkele witte poepstrepen waargenomen. De watertoren wordt incidenteel als rust- en overnachtingsplaats gebruikt.
54
Voorb eeld weergaven van de gemaakte dronebeelden. Foto links: 28 april 2021; foto rechts: 3 augustus 2021; Conclusie De watertoren wordt incidenteel als rust en overnachtingsplaats gebruikt door de slechtvalk. Het betreft echter geen essentieel leefgebied. Er zijn binnen het plangebied geen andere (beschermde) diersoorten waargenomen. Vervolgstappen Nesten van slechtvalken en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond strikt beschermd, conform artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming en de Europese Habitatrichtlijn. De functionele leefomgeving van vleermuizen is echter ook beschermd conform artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Op basis van het soortgericht onderzoek naar vleermuizen en slechtvalken kan gesteld worden dat het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is, mits voldaan wordt aan de volgende punten: Wanneer in de actieve periode van vleermuizen wordt gewerkt, welke grofweg duurt van maart t/m oktober, dient rekening gehouden te worden met activiteit van vleermuizen om het gebied. Het wordt aanbevolen om alle werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren en kunstmatige verlichting tussen deze tijden te voorkomen.