Ruimtelijke onderbouwing december 2021 Verburchlaan nabij 23 te Naaldwijk
Tekst van het document
VERBURCHLAAN NABIJ 23 NAALDWIJK omgevingsvergunning NL.IMRO.1783.ABP00000011g01-ON01 ontwerp
T oelichting
3
4
Inhoudsopgave
T oelichting Hoofdstuk 1
3 Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Geldend bestemmingsplan
7
Hoofdstuk 2
Gebiedsvisie
11
2.1
Beleidskader
11
2.2
Ruimtelijke opbouw
19
Hoofdstuk 3
Onderzoek
24
3.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
24
3.2
Bedrijven en milieuzonering
25
3.3
Geluid
26
3.4
Luchtkwaliteit
26
3.5
Externe veiligheid
28
3.6
Water
32
3.7
Bodem
42
3.8
Ecologie
43
3.9
Cultuurhistorische aspecten
56
3.10
Bezonning
57
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
58
4.1
Economische uitvoerbaarheid
58
4.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
58
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Voor het realiseren van negen appartementen in- en aan de bestaande watertoren met bijbehorende parkeervoorzieningen aan de Verburchlaan nabij 23 (voorheen Verburchlaan 25) te Naaldwijk is op 29-04-2016 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. Het project bestaat uit het toevoegen van een verticaal element met een lagere bouwhoogte aan de bestaande 41 meter hoge watertoren. In het bestaande- en nieuw te bouwen gedeelte wordt per bouwlaag één appartement gerealiseerd. Het appartementengebouw beschikt over een lift en elk appartement heeft de beschikking over een eigen berging en parkeerplaats. Ten opzichte van het vorige ontwerp plan zijn de op het eigen terrein gelegen 8 parkeerplaatsen vervangen voor een op het eigen terrein gelegen half-verdiepte parkeerkelder bestaande uit 13 parkeerplaatsen. De met een mossedum dak uitgevoerde parkeerkelder heeft een hoogte van circa 1,20 meter +Mv en heeft een uitweg aan de Van Lijnschotenlaan. De omringende groenvoorziening is vergroot richting de Grote Woerdlaan/Verburchlaande en opnieuw ingericht. De aan de Verburchlaan gelegen openbare parkeerkoffer wordt heringericht waarvan een openbare parkeerplaats bestemd is voor bezoekersparkeren voor de watertoren.
Nieuwe terreininrichting met ligging parkeerkelder
6
1.2
Ligging plangebied
Het binnen de kern van Naaldwijk gelegen projectgebied grenst ten noordoosten aan de Grote Woerdlaan en ten zuidoosten aan de Verspycklaan. Het projectgebied is kadastraal bekend NWK01, sectie D nummer 7521 en 11156, sectie H nummers 460, 1825 en 1827 en sectie H nummer 460.
Fragment luchtfoto b estaande situatie watertoren en ligging percelen
1.3
Geldend bestemmingsplan
Het project is getoetst aan het bestemmingsplan 'Woonkern Naaldwijk', het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen' en het 'Paraplubestemmingsplan Wonen Westland' op de volgende aspecten. Bestemmingen Het aangevraagde project is voorgenomen op gronden met de enkelbestemmingen 'Groen' (artikel 10), 'Maatschappelijk' (artikel 12), 'Verkeer' (artikel 16) en 'Verkeer – Verblijfsgebied' (artikel 17) en de dubbelbestemmingen 'Leiding – Riool' (gedeeltelijk; artikel 21) en 'Waarde – Archeologie – 3' (artikel 25).
7
fragment bestemmingsplankaart Woonkern Naaldwijk met ligging project Gebruiksregels Ingevolge artikel 10, lid 10.1, onder a van het bestemmingsplan zijn de voor 'Groen' aangewezen gronden bestemd voor groen, water, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft mede betrekking op de realisatie van parkeervoorzieningen, alsmede een deel verblijfsgebied op voornoemde gronden. Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met bovenstaande gebruiksregel. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, onder a, e en f van het bestemmingsplan zijn de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden b estemd voor: a. bib liotheken, gezondheidszorg, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening en verenigingsleven, religieuze en levensb eschouwelijke activiteiten en bijeenkomsten; e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3': tevens voor een rijksmonument; f. bij deze b estemming b ehorende voorzieningen zoals groen, wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en water. De gronden waarop onderhavige aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft, zijn niet voorzien van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3'. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft mede betrekking op gebruik van voornoemde gronden ten behoeve van het wonen met daarbij bijbehorende voorzieningen en als rijksmonument.
Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met bovenstaande gebruiksregel. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, onder a en c van het bestemmingsplan zijn de voor 'Verkeer' aangewezen gronden bestemd voor: a. wegen met ten hoogste 2x1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden; c. bij deze b estemming b ehorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, reclame-uitingen en water. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft mede betrekking op gebruik van voornoemde gronden ten behoeve van het wonen met daarbij bijbehorende voorzieningen. Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met bovenstaande gebruiksregel. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning is overigens wel in overeenstemming met de gebruiksregels van artikel 17, 21, 25 en 30 van het bestemmingsplan.
8
Bouwregels Ingevolge artikel 12, lid 12.2, onder 12.2.1, onder a van het bestemmingsplan worden hoofdgebouwen binnen het b ouwvlak geb ouwd. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft mede betrekking op de realisatie van een deel van het hoofdgebouw dat grotendeels buiten het op de planverbeelding weergegeven bouwvlak is geprojecteerd. Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met bovenstaande bouwregel. Ingevolge artikel 12, lid 12.2, onder 12.2.1, onder f van het bestemmingsplan dient de afstand tot de erfgrens ten minste 1,5 m te b edragen, indien de hoofdgeb ouwen niet in de erfgrens worden gebouwd. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft mede betrekking op het bouwen van een deel van hoofdgebouw op kortere afstand dan 1,5 meter van de erfgrens, doch niet in de erfgrens. Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met bovenstaande bouwregel. Ingevolge artikel 12, lid 12.2, onder 12.2.2, onder b van het bestemmingsplan bedraagt, indien het zijen achtererf een grotere oppervlakte heeft dan 100 m 2, het gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, b ijgeb ouwen en overkappingen op het erf ten hoogste 50 % van het zij- en achtererf van de woning 50 m 2, waarb ij een percentage van 10% van het meerdere dan 100 m 2 mag worden opgeteld, tot een maximum van 75 m 2.
Krachtens voorgaande berekening resulteert dit bij onderhavige casus in ten hoogste 65,42 m 2 gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op het erf. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft mede betrekking op de bouw van circa 320,4 m 2 gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op het erf. Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met bovenstaande bouwregel. Ingevolge artikel 12, lid 12.2, onder 12.2.2, onder c van het bestemmingsplan bedraagt de afstand van aan- en uitb ouwen, b ijgeb ouwen en overkappingen tot de voorgevel van het hoofdgebouw ten minste 1 m. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft mede betrekking op de bouw van een bijgebouw (parkeerbak) vóór de voorgevel van het hoofdgebouw. Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met bovenstaande bouwregel. Ingevolge artikel 12, lid 12.2, onder 12.2.2, onder d van het bestemmingsplan bedraagt, indien niet in de erfscheiding wordt geb ouwd, de afstand tot de erfscheiding ten minste 1m. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft mede betrekking op het bouwen van een aanbouw op kortere afstand dan 1 meter van de erfgrens, doch niet in de erfgrens. Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met bovenstaande bouwregel.
Ingevolge artikel 16, lid 16.2, onder a van het bestemmingsplan mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen geb ouwen zijnde, worden gebouwd. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft mede betrekking op het bouwen van een deel van een bijgebouw (parkeerbak) op deze gronden. Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met bovenstaande bouwregel. Ingevolge artikel 29, lid 29.6, onder b van het bestemmingsplan mogen, in aanvulling op het bepaalde onder a, ondergrondse ruimten slechts worden gerealiseerd voor zover deze zijn gelegen tussen de buitenwerkse gevels van het b ovengronds gelegen hoofdgebouw. Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft mede betrekking op het realiseren van een ondergrondse ruimte (parkeerbak) welke buiten de buitenwerkse gevels van het bovengronds gelegen hoofdgebouw gelegen is. Gelet op het voorgaande is de aanvraag in strijd met bovenstaande bouwregel. Op gronden met de enkelbestemmingen 'Groen' en 'Verkeer – Verblijfsgebied' en de dubbelbestemming 'Leiding – Riool' zijn geen bouwwerkzaamheden voorgenomen. Een toetsing aan de bouwregels van artikel 10, 17 en 21 van het bestemmingsplan heeft daarom niet plaatsgevonden.
9
Voorwaardelijke verplichting parkeren Het gebruik van gronden en bouwwerken is op grond van artikel 3.1 van het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen' slechts toegestaan als op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom is het gevraagde project getoetst aan de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018'. Het beoogde project voldoet aan deze beleidsregel en is daarmee in overeenstemming met artikel 3.1 van voornoemd bestemmingsplan. Paraplubestemmingsplan Wonen Westland Het aangevraagde project is niet in strijd met de regels van het `Paraplubestemmingsplan Wonen Westland'.
10
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Beleidskader
De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit. 2.1.1
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland Op 8 december 2020 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. De Omgevingsvisie is breder dan alleen de fysieke leefomgeving; ook onderwerpen als gezondheid, veiligheid en duurzaamheid moeten onderdeel uitmaken van de visie. De Omgevingsvisie geeft weer waar we met Westland naartoe willen en bindt de gemeente aan haar eigen voornemens en ambities. De Omgevingsvisie werkt door in het (later nog op te stellen) omgevingsprogramma, waarin beleidsvoornemens en maatregelen staan die dienen om de doelen in de leefomgeving te bereiken. De Omgevingsvisie geeft ook richting aan het ontwikkelen van het omgevingsplan. Hierin worden de algemene regels en vergunningsplichten vastgelegd die bindend zijn voor burgers en bedrijven (bestemmingsplannen en verordeningen worden hiermee vervangen). De belangrijkste opgave is het verhogen van de leefkwaliteit in Westland, waarbij het sociaal-maatschappelijke en economische belang van het tuinbouwcluster niet uit het oog wordt verloren. De oorspronkelijke structuren in het landschap moeten behouden blijven, net als de gemeenschapszin in de dorpen. Westland wil een groenere, gezonde en aantrekkelijke gemeente zijn.
Met een people - planet - profit benadering, vindt vergroening plaats langs de belangrijke groene verbindingen en in de wijken, terwijl initiatiefnemers en ontwikkelaars worden gevraagd groeninclusief te ontwerpen en in te richten. Een klimaatbestendig beleid wordt doorgevoerd in ruimtelijke inrichting, nieuwbouw en verkeersmaatregelen. Bodemwarmte moet worden benut en er wordt aangesloten op warmtenetten in de regio. Betere bereikbaarheid en een toonaangevende rol op het gebied van kennis, innovatie en duurzaamheid in de Greenport blijven een belangrijke rol spelen. De autonome groei van inwoners wordt geaccommodeerd door het invullen van de zachte plannen voor woningbouw in combinatie met inbreiding door bv. hoger te bouwen. De kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd met een groen/blauwe inrichting (groene daken, beleefbaar groen en waterberging) om hittestress en wateroverlast tegen te gaan. Voor 2040 wordt één vierkante meter groen per huishouden extra gerealiseerd, voor nieuwbouwprojecten geldt een norm van 50 m2 verblijfsgroen per woning. Bij projectontwikkeling worden zoveel mogelijk de minimale eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen gehanteerd en is het uitgangspunt dat niet langer gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen. Het woningaanbod moet aansluiten uit bij de Westlandse behoeften en economisch verbondenen.
Westland wil meer dan 8000 woningen realiseren, waarvan een grote opgave betaalbaar wonen. Er ligt ook een opgave voor de huisvesting van (tijdelijke) arbeidsmigranten. Het duurzaam glastuinbouwgebied behoudt voldoende kritische massa om een innovatieve glastuinbouwgemeente te blijven, maar het toevoegen van beleefbaar groen mag ten koste gaan van glastuinbouw. De glastuinbouw produceert in de toekomst circulair, wordt energieneutraal en klimaatadaptief. Om de modernisering en herstructurering op gang te brengen moet er letterlijk ruimte worden gemaakt, bv. door het uitplaatsen van (bedrijfs)woningen naar de dorpen. Integrale
11
gebiedsplannen moeten betaalbaar en met voldoende draagvlak gerealiseerd kunnen worden. Langs de kust is een strand dat uitblinkt in rust en ruimte met een goede balans tussen natuur en recreatie. Daarnaast wil Westland sluitende recreatieve netwerken creëren voor verschillende gebruiksgroepen d.m.v. robuuste groen-blauwe aders. Er wordt ingezet op een hoogwaardige OV verbinding tussen Den Haag en de Hoekse Lijn richting Delft. Bepaalde bedrijventerreinen kunnen uitbreiden, in de kernen worden (compacte) kernwinkelgebieden aangewezen. Rond 2030 zijn grote ingrepen nodig om de infrastructuur op orde te houden (vrijliggend logistiek netwerk, ongelijkvloerse kruispunten), er komt een verkenning naar de mogelijkheden voor lightrail. Het fietsnetwerk binnen en van/naar Westland wordt verbeterd met o.a. metropolitane fietspaden. Vrachtverkeer krijgt wellicht hubs en goede doorstroming naar de A4/A20 blijft een belangrijk aandachtspunt. Natuurgebieden (Natura 2000 en het Natuur Netwerk Nederland) moeten robuust, veerkrachtig, aaneengesloten en beleefbaar worden gemaakt. Voor 2030 zijn ontbrekende zones en schakels in ecologische verbindingen ingevuld, zodat de biodiversiteit bevorderd wordt. De waterkwaliteit moet worden verbeterd en er komt meer ruimte voor het vasthouden van water.
Dit vraagt ook inspanningen van de glastuinbouw om meer circulair te worden, minder grondwater te onttrekken en water te bergen. De toekomstkaart van Westland:
Relatie met het plangeb ied Volgens de structuurvisie is het projectgebied aangewezen voor verdichting. Binnen dit gebied dient een groot deel van de woningbouwproductie opgevangen te worden met verdichting van de dorpskern tot gevolg. Deze verdichting komt mede voort uit het vergroten van het draagvlak voor het voorzieningenniveau en het behouden van duurzaam glas in het buitengebied. De voorgestane ontwikkeling waarbij een binnen de kern van Naaldwijk gelegen, niet meer in gebruik zijnde watertoren verbouwd wordt tot woningen past hier binnen. Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland
12
Op 10 december 2019 is de Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland vastgesteld door de gemeenteraad. Het gemeentelijk mobiliteitsbeleid was tot de vaststelling van deze Mobiliteitsvisie gebaseerd op het Westlands Verkeer- en Vervoerplan 2005-2015 (WVVP) en de Structuurvisie Westland 2025. Veel van de in het WVVP opgenomen doelstellingen en uitvoeringsprogramma's zijn gerealiseerd, dan wel waren aan herziening toe. Na vaststelling van de Mobiliteitsvisie is het WVVP komen te vervallen. Er komt steeds meer verkeer in Westland. Om ervoor te zorgen dat we nu en in de toekomst nog vlot tussen dorpen en van dorp naar steden kunnen reizen, maken we plannen en nemen we maatregelen. De volgende mobiliteitsdoelen zijn opgenomen in de Mobiliteitsvisie 2040: Logistieke bereikbaarheid; De auto minder dominant; Volwaardige alternatieven voor de auto; Westland verkeersveilig; Duurzaam Bereikbaar Westland. Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018 In de vergadering van burgemeester en wethouders van 16 januari 2018 is de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018' vastgesteld. Hiermee vervalt de verwijzing naar het WVVP. In het beleid is de parkeernormering van de gemeente Westland geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de meest recente kerncijfers van het CROW (landelijke richtlijnen).
Beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met diepte werkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. In het projectgebied zijn geen mogelijke vindplaatsen van conventionele explosieven aanwezig. Integrale handhaving Wabo taken Op 17 november 2015 hebben burgemeester en wethouders van Westland de beleidsnota 'Handhavingsbeleid, integrale handhaving Wabo taken' vastgesteld. Hierin zijn de doelen en richting voor milieuhandhaving en bouw- en woningtoezicht beschreven. De naleving van wet- en regelgeving is daarbij een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, burgers en bedrijven. De wet- en regelgeving zijn bedoeld om kwaliteit, veiligheid en leefbaarheid binnen de leefomgeving te beschermen en bevorderen en dat is in ieders belang. Dit draagt bij aan een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor de burgers en ondernemers van de Gemeente Westland. De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders.
Het gaat daarmee vooral om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, zodat handhavend optreden hiertegen eenduidig mogelijk te maken. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit plan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid er van in stand te houden. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten. Binnen de gemeente heeft het team bouw- en woningtoezicht van de afdeling Ruimte, Omgeving en Veiligheid hierin een centrale taakstelling. Bij gebleken strijdigheid met het plan wordt, afhankelijk van de prioriteitsstelling, een handhavingstraject ingezet. Woonvisie 2020-2030 De Woonvisie 2020-2030 is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2030 die is opgesteld in 2016 en vastgesteld door de raad in 2020.
Met de actualisatie krijgt de gemeente de gelegenheid om integraal de afweging te maken voor welke doelgroep er gebouwd moet worden in Westland op basis van actuele gegevens. De visie vormt de basis voor nieuwe woningmarktafspraken met de regio Haaglanden,
13
afspraken voor de huisvesting van arbeidsmigranten, zorginstellingen en de prestatieafspraken met de woningcorporaties. Conclusies Woonvisie De conclusies die uit de "Woonvisie 2020-2030" getrokken kunnen worden zijn: de behoefte aan sociale huurwoningen blijft onverminderd groot en krijgt een belangrijke plaats in het (ambitieuze) bouwprogramma; blijvende aandacht voor de groep middeninkomens is gerechtvaardigd; het aantal 70-plussers verdubbelt, zodat wonen met zorg verder moet worden ontwikkeld; de huisvestingsopgave voor arbeidsmigranten is substantieel; flexwonen krijgt een plaats in het bouwprogramma. Voor nieuwe bouwplannen geldt in beginsel de volgende verdeling in prijssegmenten: 45% dure/extra dure koop, 20% middeldure koop/huur, 5% goedkope koop, 30% sociale huur. Daarbij geldt een ambitie voor zorg- en ouderenwoningen en de huisvesting van arbeidsmigranten. Vanwege het unieke karakter en de cultuurhistorische waarde van de watertoren, alsmede het geringe aantal woningen dat hierin wordt gerealiseerd kan vanuit gemeentelijk beleid voor dit specifieke geval ingestemd worden met een duurder programma. Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland (2018) Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering.
Deze ambitie is vastgelegd in het convenant (overeenkomst) klimaatadaptief Bouwen. Dit is ondertekend door onder meer bouwbedrijven, gemeenten -waaronder Westland-, de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Klimaatverandering heeft grote impact op de leefomgeving en het aantal weersextremen neemt toe. Zuid-Holland staat voor een grote bouwopgave, tot 2025 zijn er in de provincie 100.000 nieuwe woningen nodig. Deze ontwikkelingen maken het van belang dat klimaatadaptief bouwen zo snel mogelijk de nieuwe norm wordt. Dit is concreet vertaald in het convenant klimaatadpatief bouwen in Zuid-Holland. Hierin zijn procesafspraken gemaakt gericht op het verminderen van de wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Het convenant is op 4 oktober 2018 van start gegaan.
In de eerste fase van dit convenant is toegewerkt naar een minimaal programma van eisen voor nieuwbouw in relatie tot: Hevige neerslag: Hevige neerslag leidt niet tot grote schade aan infrastructuur, gebouwen, eigendommen of groen in of buiten het plangebied; Droogte: Langdurige droogte leidt niet tot verdroging of schade aan de gebouwde omgeving; Hitte: Tijdens hitte biedt de bebouwd omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving; Bodemdaling: Bodemdaling in bebouwd gebied blijft beperkt en betaalbaar; Overstromingen: Bebouwde omgeving is bestand tegen overstromingen; Biodiversiteit: Groenblauwe structuur en biodiversiteit worden versterkt op de planlocatie en in de directe stedelijke omgeving. De gemeente Westland zal minimaal aan deze eisen voldoen en gebruikt daarmee het programma van minimale eisen uit het Convenant als uitgangspunt voor het realiseren van een klimaatadaptieve nieuwbouwwijk in PM.
2.1.2
Regionaal beleid
Metropoolregio Den Haag-Rotterdam In de metropoolregio Rotterdam Den Haag werken 23 gemeenten samen aan het verbeteren van de bereikbaarheid en het vernieuwen van de economie. Daarmee versterken ze onder meer de (internationale) concurrentiepositie van de regio. Met elkaar vormen deze 23 gemeenten het bestuur van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). Voor het overleg tussen de 23 gemeenten en het nemen van besluiten kent de MRDH de volgende
14
besturen en commissies: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de bestuurscommissie Vervoersautoriteit (Va), de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat (EV) en de voorzitter. Met 23 gemeenten, 2,3 miljoen mensen, 1,2 miljoen banen met werk voor 13,5% van de Nederlanders en een bijdrage van 15% aan het BNP is de metropoolregio een regio die er toe doet. Voor een grootstedelijke regio waar het goed wonen, werken en recreëren is, heeft de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) zichzelf twee belangrijke ambities gesteld: het vernieuwen van economie en het verbeteren van de bereikbaarheid. Het Rijk gaf de Metropoolregio Rotterdam Den Haag de status van vervoerregio. En daarmee ook wettelijke taken rond verkeer en vervoer. Aan het begin van elke nieuwe bestuursperiode (elke vier jaar) stelt het bestuur een regionale strategische agenda vast, van waaruit de regionale vraagstukken worden opgepakt. De huidige strategische agenda loopt tot en met 2022.
2.1.3
Provinciaal beleid
Het omgevingsbeleid Zuid-Holland is op 1 april 2019 in werking getreden. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan wordt richting gegeven door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit provinciale opgaven en belangen. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de provinciale verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Introductie op het omgevingsbeleid: de ruimtelijke hoofdstructuur Zuid-Holland wil slim en schoon zijn. Klimaatverandering heeft in het laaggelegen deltagebied grote ruimtelijke, economische en sociale gevolgen. Als open economie is Zuid-Holland gevoelig voor gevolgen van globalisering. De segregatie neemt toe. De energie-intensieve economie heeft, zoals ook benoemd in het klimaatakkoord van Parijs, alleen toekomst als wordt overgegaan tot verduurzaming.
De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: naar een klimaatbestendige delta, naar een nieuwe economie (the next level), naar een levendige meerkernige metropool, energievernieuwing, best bereikbare provincie en gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Belangrijk om de ambities waar te kunnen maken zijn innovatieve oplossingen voor waterberging en het voorkomen van hittestress, de overstap van een fossiele naar een circulaire economie, het uitbreiden van warmtenetten, een forse woningopgave en de verduurzaming van woningen, vitale kernen, het aanpakken van verkeersknelpunten, het versterken van openbaar vervoer en gebruik van de fiets en de kwaliteit van de leefomgeving versterken door natuur, water, recreatie, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien. De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie.
15
figuur 3: de provinciale ruimtelijke hoofdstructuur (uitsnede Westland)
Gemeente Westland laat zich kenmerken door de glastuinbouw (Greenport Westland) omringd door kust, natuur en stedelijk groen met daarbinnen woonkernen en logistieke overslagpunten. Naaldwijk is als regiokern aangewezen. Wateringen behoort tot de stedelijke agglomeratie. Nabij de vestiging van Flora Holland is een kenniscentrum aangegeven. Wat betreft mobiliteit is een (boven) regionale HOV-net busroute voorzien van Den Haag, via Naaldwijk naar Maassluis, alwaar op het HOV-net kan worden aangesloten richting Rotterdam. De greenport wordt benoemd als volwassen cluster dat tot de wereldtop behoort. Deze positie moet behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Er wordt gestreefd naar synergie van mainport Rotterdam en de greenports. De groene ruimte heeft intrinsieke waarde en het kustlandschap vormt mede de grondslag voor de identiteit van de bebouwde en groene ruimte. De provincie zet in op de groenblauwe structuur om groene kwaliteiten binnen en buiten stedelijk gebied te versterken en de samenhang tussen parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten. Omgevingsverordening Regels aangaande bestemmingsplannen bv.
met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit, de ladder voor duurzame verstedelijking en voor ruimtelijke ontwikkelingen als stedelijke ontwikkelingen, kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouwgebied, infrastructuur, veiligheid, natuur en cultureel erfgoed zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. De regels zijn van overeenkomstige toepassing op ruimtelijke initiatieven waarvoor een zogenaamde 'grote buitenplanse afwijking' wordt doorlopen. Op grond van de regels die zijn gesteld voor natuur, is voor Westland het volgende gebied aangewezen als ecologische verbindingen binnen het Natuurnetwerk Nederland:
16
figuur 4: uitsnede provinciale kaart NatuurnetwerkNederland
Programma Ruimte Een intensiever gebruik van steden en dorpen vergroot het draagvlak voor openbaar vervoer. Andersom kan de capaciteit op het infrastructuurnetwerk helpen om keuzes te maken waar en wanneer er verdicht en geconcentreerd kan worden. De provincie streeft er naar de agglomeratiekracht te vergroten. Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Op de kaart 'woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen' (ook wel genoemd: '3ha kaart') zijn nog te ontwikkelen locaties voor deze doeleinden groter dan 3 ha buiten BSD opgenomen. Als een locatie hier is opgenomen, betekent dit dat de provincie op hoofdlijnen geen bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling.
figuur 5: de '3ha kaart'
Op de kaart zijn, indicatief, woningbouwlocaties weergegeven die gelegen zijn buiten het bestaand stads- en dorpsgebied en meer dan 3 hectare groot zijn. Op de kaart staat zowel harde als zachte capaciteit buiten BSD. Met deze toevoeging wordt invulling gegeven aan bestuurlijke continuïteit. 2.1.4
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw
17
rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Doelen In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.
Figuur - Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur Nationale b elangen De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de AMvB ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de komst van de Omgevingswet die vanaf 2022 in werking zal treden, is het van belang dat de ruimtelijke opgave in lijn is met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De eerste NOVI is vastgesteld in 2021. De NOVI bestaat uit één Rijksvisie op de leefomgeving. Het uitgangspunt van dit beleidsdocument is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in een samenhangend geheel. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050.
Om dit te realiseren is collectieve verantwoordelijkheid van alle overheden van belang. Het Rijk benoemt in de NOVI 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid en vermeldt hierbij de opgaven en de rol van het Rijk bij het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven worden samengebracht in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: Naar een duurzame en concurrerende economie;
18
Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving; Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving; Naar een waardevolle leefomgeving. Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen. De omvang van de vraag is afhankelijk van de het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen. Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk.
Deze locaties moeten goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. 2.1.5
Conclusie
De ontwikkeling voor het realiseren van negen appartementen in- en aan de bestaande watertoren met bijbehorende parkeervoorzieningen en bergingen op het perceel Verburchlaan nabij 23 te Naaldwijk is in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden.
2.2
Ruimtelijke opbouw
2.2.1
Bestaande situatie
De slanke watertoren staat nu geheel vrij op een open grasveld. Door de situering aan de westzijde van het veld wordt het open terrein vooral ervaren vanaf de rotonde en zijde van de Grote Woerdlaan. De watertoren wordt nu ook benaderd vanaf de Grote Woerdlaan. Achter de watertoren staat een fitnes/beautycenter in een groot pand van 2 lagen met kap en aan de noordzijde staat langs de Van Lijnschotenlaan een appartementengebouw van 3 lagen met kap. Langs deze laan ligt nu nog een ca 4,5m brede groenstrook en één gehandicaptenparkeerplaats, gescheiden van het grasveld door een (naar schatting) ca 1,8m hoge muur. Ter hoogte van de watertoren en het fitnesscenter liggen nu 15 parkeerplaatsen op een wat rommelige manier aan de Verbuchlaan. Tussen deze parkeerplaatsen en de Verspeijklaan ligt een deels 10m en deels 5m brede groenstrook met daarin bomen op ca 2,5m afstand van de weg. Deze bomen maken deel uit van de begeleidende groenstructuur van de centrumring.
19
Bestaande situatie 2.2.2
Bouwhistorische waarde
Bouwhistorische waarde De grote opgave bij herbestemming van een watertoren is recht te doen aan zijn specifieke cultuurhistorische betekenis. We spreken dan van passend hergebruik. Passend hergebruik voegt een nieuwe fase toe aan de levensloop van het monument. De fysieke verschijningsvorm van de oude functie kan daarbij niet altijd volledig behouden blijven. Soms vereisen nieuwe functies nieuwe vormen. Omgekeerd regisseert de bestaande vorm mogelijkheden en beperkingen voor nieuw gebruik. Op dit raakvlak van oud en nieuw ontstaat vaak inspiratie voor een bijzonder ontwerp. Wanneer bij een nieuwe bestemming historische onderdelen, met name het watervat, definitief verdwijnen, is bouwdocumentatie zeer wenselijk. Aanzetten en sporen van de historische onderdelen kunnen in het zicht worden gehouden zodat er een verwijzing zichtbaar blijft naar de oorspronkelijke structuur van de watertoren (Een toekomst voor watertorens, handreiking voor het herbestemmen en verbouwen van monumentale watertorens, Rijksdienst voor het cultureel erfgoed, datum januari 2013). Bij het voorliggende project is de afgelopen jaren ontwerpend onderzocht op welke wijze “wonen” past en haalbaar is in de uit 1930 afkomstige door Hendrik Sangster ontworpen voormalige watertoren te Naaldwijk.
In het voorliggende ontwerp blijft de watertoren als zodanig herkenbaar en vanuit alle belangrijke zichtlijnen grotendeels zichtbaar en herkenbaar. De toegevoegde “woontoren” is noodzakelijk teneinde de nieuwe functie in de vorm van appartementen te kunnen realiseren. De fysieke verschijningsvorm van de oude functie kan niet volledig behouden blijven zoals aangegeven in de hiervoor aangehaalde passage uit de brochure “Een toekomst voor watertoren”. Hiertoe zijn en worden bijzondere historische onderdelen gedocumenteerd en blijven waar mogelijk in het zicht door middel van aanzetten en sporen, zodat er een verwijzing naar de oorspronkelijke structuur van de watertoren altijd zichtbaar blijft. 2.2.3
Randvoorwaarden
Ten behoeve van de herontwikkeling van de watertoren zijn door de toenmalige eigenaar Evides NV in 2005 een zestal plannen aan de gemeente voorgelegd. Naar aanleiding van het voorgaande zijn door de gemeente planologische en stedenbouwkundige beoordelingscriteria opgesteld om de bestaande waarden van de watertoren te bewaren en een beeld van de gewenste ontwikkelingsrichting van de watertoren te kunnen geven. De belangrijkste stedenbouwkundige beoordelingscriteria zijn dat het bouwinitiatief geen afbreuk mag
20
doen aan de uitgesproken verticale geleding én aan de vrije situering op het grasveld rond de watertoren. 2.2.4
Beschrijving bouwplan
Het betreft de realisatie van 9 woningen in en aan een monumentale watertoren. Daarvoor wordt naast de toren een tweede toren toegevoegd. In deze tweede toren is de ontsluiting en een deel van het woonprogramma ondergebracht in een aanbouw van ongeveer 15m x 8,5m. Het betreft een aanpassing van een eerder bouwplan waarbij naast deze tweede toren ook een horizontaal element was toegevoegd dat ongeveer een kwart van het open grasveld besloeg. Dit strookte echter niet met de stedenbouwkundige uitgangspunten van een duidelijk verticaal element of –landmark in een vrije situering. Daarom bestaat het huidige plan uitsluitend uit de 2 in elkaar geschoven torens met in de resterende overhoek aan de achterzijde 3 garages op maaiveld. De toegevoegde toren bestaat uit een meer gesloten deel en een meer open/transparant deel in het deel grenzend aan de oude watertoren. Hierdoor krijgt het geheel een verticale geleding.
Orientatie noord
Orientatie oost
Behalve de 3 garages is er op eigen terrein voorzien in een halfverdiepte parkeerkoffer met 13 parkeerplaatsen. Het dek van de parkeergarage wordt zodanig ingericht en ingebed in de omgeving dat het deel uitmaakt van het groene karakter van het terrein. De afvalcontainers op de hoek met de Grote Woerdlaan worden verplaatst. De overige benodigde 2 parkeerplaatsen zijn gesitueerd in de groenstrook tussen de Verburchlaan en Verspeijklaan. Ook op dit punt is het bouwplan aangepast waardoor de parkeerkoffer nu een eenduidige structuur krijgt. De oppervlakte groen neemt daarbij wel iets af, maar het groen direct langs de Verburchlaan wordt enigszins versterkt. 2.2.5
Algemeen
Bij de eerder genoemde prijsvraag werd beoordeeld op de 2 belangrijkste stedenbouwkundige kenmerken van de watertoren; De uitgesproken verticale geleding en de vrije situering op het grasveld. Beide elementen versterken elkaar en de werking van de toren als landmark. Het bouwplan voegt een 2e toren toe naast de bestaande op een zodanige wijze dat het geheel in voldoende mate een verticaal element blijft dat haar functie als landmark behoudt. De verticale toevoeging maakt de toren vanaf de voorkant (zijde Grote Woerdlaan) gezien 2x zo breed, maar behoudt wel een verticaal karakter door de duidelijke architectonische geleding. Dit is versterkt doordat het horizontale bouwdeel is vervallen en de torens doorlopen tot op het maaiveld. Daarnaast is het verticale effect van de nieuwe toren aanzienlijk versterkt door de toevoeging van het tondak, waardoor het gesloten deel veel meer de uitstraling heeft gekregen van een slanke toren naast de watertoren. De watertoren blijft als zodanig goed herkenbaar en is vanuit alle belangrijke zichtlijnen grotendeels zichtbaar. De aangebouwde toren komt tot op een afstand van zo'n 12,5 meter van het appartementengebouw aan de Van Lijnschotenlaan. De aangeleverde bezonningsstudie dd. 7 juni 2017 toont aan dat omliggende woningen ruimschoots aan de doorgaans door de gemeente gehanteerde lichte TNO-norm blijven voldoen.
De werking als verticaal landmark wordt niet alleen bepaald door de verticale toevoeging aan de toren, maar juist ook door de mate waarin de landmark vrij in het groen straat. Door de halfverdiepte
21
parkeergarage, waarbij het dek van de parkeergarage zodanig is ingericht en ingebed in de omgeving dat het deel uitmaakt van het groene karakter van het terrein en de aanpassing van het omliggende terrein krijgt de watertoren een ruimer 'voet'. Het parkeren is uit het zicht en de terreininrichting is groen en divers aangekleed. Er is gedacht aan waterberging, diversiteit aan beplanting en een groen dak. Hierdoor blijft het huidige solitaire karakter van de watertoren en de oriëntatiewaarde gehandhaafd. De uitbreiding van het parkeren in de groenstrook tussen de Verburchlaan en de Verspeijklaan gaat enigszins ten koste van de oppervlakte groen. De inrichting van de parkeerkoffer wordt echter veel efficiënter, helderder en de groenstructuur direct langs de Verburchlaan wordt ook enigszins sterker doordat deze op de smalste plekken juist iets kan worden verbreed.
Nieuwe terreinindeling 2.2.6
Verkeer en parkeren
Verkeer Volgens de kencijfers van de CROW genereert een appartement van deze klasse zo'n 7 verkeersbewegingen per etmaal. Uitgaande van 7 vervoersbewegingen per woning is dat een toename van ongeveer 63 vervoersbewegingen (7 x 9 = 63) per etmaal. Een verkeerskundige stelregel is dat in het drukste spitsuur 10% van de etmaalintensiteit rijdt. Dat betekent 6,3 verkeersbewegingen per uur in de spits. Dat is ongeveer 1 verkeersbeweging per 9 minuten in de spits. Bij elkaar zijn dit verkeerskundig gezien zeer lage aantallen, die met de beschikbare infrastructuur moeiteloos opgevangen kan worden. Daarbij is er een verkeersveilige ontsluiting op de Van Lijnschotenlaan. Parkeernormering: Op grond van het vigerende bestemmingsplan wordt het initiatief getoetst aan de Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018. Het initiatief leidt tot de onderstaande berekening. Voor een appartement op deze locatie in de dure sector geldt een parkeernorm van 1,8 pp per woning. In
22
totaal zijn voor de 9 appartementen dan ook 16,2 parkeerplaatsen benodigd. In de garage zijn 13 parkeerplaatsen ingetekend waarvan er 12 parkeerplaatsen meetellen. De 3 garageboxen tellen gezamenlijk mee als 1,5 parkeerplaats. In het openbaar gebied worden 3 extra parkeerplaatsen gerealiseerd (de parkeerplaats op tekening aangeduid met parkeerplaats bezoekers 1 is een bestaande parkeerplaats, dus deze telt niet mee als extra parkeerplaats). Dit maakt dat er in totaal 19 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, waarvan er 16,5 parkeerplaatsen meetellen. Hiermee wordt voldaan aan de Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018.
23
Hoofdstuk 3
Onderzoek
3.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.1
Wettelijk kader
In deze paragraaf is het bestemmingsplan getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en als verder aangevuld in artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland. De ladder voor duurzame verstedelijking is op 1 juli 2017 vereenvoudigd. Op grond van het nieuwe artikel 3.1.6, tweede lid, moet in de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de behoefte aan die ontwikkeling worden beschreven. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet de behoefte op grond van een goede ruimtelijke ordening worden gemotiveerd. De provincies mogen deze wettelijke regel aanvullen. Deze aanvulling mag echter niet in strijd zijn met het doel van de regel, namelijk vereenvoudiging van de ladder zoals die vóór 1 juli 2017 luidde en daarmee het loslaten van de norm “actuele regionale” behoefte en de drie treden van de ladder. De provinciale regeling in artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 bevat nog wel de drie treden van de ladder. Gelet op bovenstaande uitleg van de aanvullingsbevoegdheid van provincies, hoeft aan artikel 2.1.1 niet te worden getoetst voor zover deze regels in strijd zijn met – het doel van – de wijziging van de wettelijke regeling. 3.1.2
Preliminaire toets
Bij de beoordeling of de ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast, moet eerst nagegaan worden of er met woningbouwplan Verburchlaan nabij 23 te Naaldwijk sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of dit plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Artikel 3.1.6 onder 2 Bro De toelichting b ij een b estemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de b ehoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt b uiten het b estaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk geb ied in die b ehoefte kan worden voorzien Artikel 1.1.1 onder i Bro stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningb ouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen; Volgens vaste jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de ontwikkeling van 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) Vast staat dat in het plangeb ied maximaal elf woningen mogelijk worden gemaakt binnen de dorpskern Annen.
De Afdeling is van oordeel dat gelet op het aantal woningen dat het plan mogelijk maakt, het plan niet voorziet in een woningb ouwlocatie of andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, Bro is dan ook niet van toepassing. Het voorgaande betekent dat er bij het realiseren van negen appartementen met bijbehorende voorzieningen in, aan en bij een bestaande monumentale watertoren geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve kan een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking achterwege blijven.
24
3.1.3
Conclusie
De ladder voor duurzame ontwikkeling vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.2
Bedrijven en milieuzonering
3.2.1
Wettelijk kader
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 3.2.2
Onderzoek
Ten behoeve van bedrijven en milieuzonering is onderzoek uitgevoerd (Onderzoek bedrijven- en milieuzonering Watertoren te Naaldwijk, Aqua Terra Nova, rapport nummer 215141/AQT/ 304 EV/SW, datum 4 maart 2016, geactualiseerd d.d. 15 mei 2017). Uit het onderzoek blijkt dat milieuzonering geen belemmering vormt voor de realisatie van het project. Gelet op het gegeven dat de bestaande woonbebouwing rondom het bedrijf "Avilas Fit- Sauna en Beautycenter" (Verburchlaan 23) dichterbij staat dan deze nieuwe woningen (zie ook figuur hieronder) zou ten aanzien van voornoemd bedrijf het project geen extra beperking hoeven te betekenen in het kader van het Activiteitenbesluit.
Bestemmingen en afstanden in directe omgeving 3.2.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het project niet in de weg.
25
3.3
Geluid
3.3.1
Wettelijk kader
Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat. 3.3.2
Onderzoek
Ten behoeve van geluid is onderzoek uitgevoerd (Aleostisch onderzoek wegverkeer Watertoren te Naaldwijk, DGMR Bouw bv, rapport B.2005.1223.20.R003, datum 22 april 2016). In tegenstelling tot hetgeen in het rapport is gesteld betreft het voorliggende project een bestaand gebouw waarbij er ten aanzien van geluidluwe gevels geen specifieke eisen bestaan. Het voorgaande heeft echter geen invloed op de conclusies van het rapport dat ter plaatse van alle gevels de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder overschreden worden vanwege het wegverkeer op de Grote Woerdlaan (maximaal 56 dB na aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder) en/of de Verspijcklaan/Verburchlaan (maximaal 55 dB na aftrek). De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Geluidsbeperkende maatregelen zijn onderzocht maar stuiten op bezwaren. Wet geluidhinder Herbestemming is alleen mogelijk als door het bevoegd gezag hogere waarden vastgesteld worden vanwege het wegverkeer op de Grote Woerdlaan en de Verspijcklaan/Verburchlaan. Ten behoeve van het voorgaande is op 9 november 2017 een beschikking Wet geluidhinder - hogere waarde geluid genomen. Vanuit de ODH is op 6 januari 2021 aangegeven dat ten aanzien van het bovengenoemde akoestisch onderzoek de geluidbelasting na aanpassing van het project met een met groen mos sedumdak uitgevoerde parkeerkelder niet toeneemt.
Derhalve wordt in de voorliggende situatie aan het hogere waarde besluit voldaan. 3.3.3
Conclusie
Ten behoeve van het project is het vaststellen van een hogere grenswaarde vereist.
3.4
Luchtkwaliteit
3.4.1
Wettelijk kader
Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
60 ìg/m³
2010 t/m 2014
jaargemiddelde concentratie
40 ìg/m³
vanaf 2015
26
fijn stof (PM10)1)
jaargemiddelde concentratie
48 ìg/m³
jaargemiddelde concentratie
40 ìg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³
vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011
1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing
(volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.4.2
Onderzoek
De voorgenomen ontwikkeling moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) wordt zo een locatie aangewezen als locatie die niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit (voorschrift 3B.2 van Bijlage 3a van die regeling). De voorwaarde is dat die woningbouwlocatie in geval van een ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3000 woningen omvat. De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van negen appartementen in en aan een bestaande watertoren. Gezien de aard en de omvang van het onderhavige bouwplan is het dus uitgesloten, dat het bouwplan leidt tot een in betekenende mate bijdragen aan de concentraties fijn stof en NO2. Dit betreft dan ook een project dat is vrijgesteld van toetsing. 3.4.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.
27
3.5
Externe veiligheid
3.5.1
Wettelijk kader
Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt.
Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.5.2
Onderzoek
Er is een rapport Onderzoek Externe veiligheid Watertoren te Naaldwijk d.d. 19 oktober 2020 opgesteld door Aqua-Terra Nova met kenmerk 20098/AQT 304 EV/PB. Risicovolle inrichtingen Aan de hand van de gegevens op de risicokaart is nagegaan welke risicovolle activiteiten en bronnen in de nabijheid van de planlocatie aanwezig zijn in een straal van ca. 1,5 km rondom het projectgebied.
28
Uitsnede risicokaart Royal FloraHolland (nr. 1 in uitsnede risicokaart) Het projectgebied is gelegen op ca. 830 meter afstand van de ammoniak koelinstallatie (inhoud 11.490 kg NH3, type 2 installatie) van Royal FloraHolland. Voor deze installatie een kwantitatieve risico-analyse uitgevoerd door Silva Consultancy in 2011. In deze rapportage is aangegeven dat het invloedsgebied een omvang heeft van 1.125 meter (scenario breuk leiding tussen compressor en condensor bij weerstype F1.5). De planlocatie is daarmee gelegen binnen het invloedsgebied en is daarom nader beschouwd. Plaatsgebonden risico: de berekende plaatsgebonden risicocontour (PR=10-6) bevindt op korte afstand rondom de koelinstallatie (zie zwart gestreepte lijn in uitsnde risickaart). De planlocatie is daarmee ruim buiten de PR=10-6 contour gelegen. De normen voor het plaatsgebonden risico in het Bevi vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen op de planlocatie. Groepsrisico: in de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse is voor de bestaande situatie de bevolking binnen het invloedsgebied ingevoerd en hierbij is er geen significant groepsrisico berekend (minder dan 10 slachtoffers, zie onderstaand figuur).
29
FN-curve groepsrisico en b eschouwde b evolking (bron: QRA Silva Consultancy uit 2011) Uit bovenstaand figuur kan worden geconcludeerd dat de bestaande woonbebouwing die dichter bij de installatie is gelegen dan de planlocatie al geen significant groepsrisico veroorzaakt. Hoe verder weg de omgevingsbebouwing van een risico-installatie is gelegen, hoe minder deze bijdraagt aan de hoogte van het groepsrisico. Hierdoor kan worden gesteld dat de toename van de personendichtheid op de planlocatie niet zal leiden tot een effect op het groepsrisico. Een berekening van het groepsrisico is niet vereist. De normen voor het groepsrisico in het Bevi vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen in het projectgebied. Hoewel een nadere verantwoording van het groepsrisico voor Flora Holland niet noodzakelijk is zijn er wel enkele aanbevelingen die gezien de kwetsbaarheid van de verblijvende groepen uitgevoerd moeten worden. Het betreft hier een ammoniak gevulde installatie. Het verdient daarom de aanbeveling om eventuele luchtverversingssystemen afsluitbaar te maken zodat in het geval van een calamiteit de schadelijke gassen het pand niet binnen kunnen dringen. Dit geldt ook voor de gevelopeningen. Door te zorgen dat het gebouw afgesloten kan worden van de buitenlucht kan gezorgd worden voor een adequate bescherming van de aanwezige personen. Van den Bos Flowerbulbs (nr.