ruimtelijke onderbouwing (21-0321343)
Tekst van het document
Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: *
» * *
de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving.
De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie
31
Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken.
Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: * * * *
de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater.
Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1.
2.
In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de
32
3.
4.
afwegingen; Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.
In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: *
*
Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst
De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: « Beleidskader omtrent water; * Veiligheid en waterkeringen; * Waterkwantiteit; * Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; * Onderhoud en bagger; * Watersysteemkwaliteit en ecologie; * Afvalwater en riolering; * Klimaatadaptie. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd.
Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.
33
WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER NU EN LATER
3vfebruari
3.5.2
2
Onderzoek
Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. Aan de achterzijde van het projectgebied ligt een watergang. In bijlage 3 is de leggerkaart wateren en waterkeringen van het gebied opgenomen. Op de kaart is geen beschermingszone voor dit perceel opgenomen. Nadere criteria ten aanzien van veiligheid en waterkeringen zijn niet aan de orde.
Secundair wete» 2 30 r~
Ueŕioon or'tJ^houċ
Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen Wa terkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor
34
waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Het plan dient te voldoen aan de provinciale normen voor bergings- en afvoercapaciteit. Het maatgevende peil is ca. NAP -0,80 m. Het projectgebied ligt in peilgebied I en er wordt uitgegaan van een maximale peilstijging van 25 cm. Het gemiddeld maaiveld in het peilgebied ligt op ca. NAP + 0,28 m. Het plangebied ligt op ca 0,41 m (zie figuur 5), de maaiveldhoogte zal niet veranderen. In de nieuwe situatie zal de verharding toenemen. Het grondwaterpeil zit op min.
0,8 m onder maaiveld en hierop kan geïnfiltreerd worden.
AHN2 Hoogte (m): 0.407 Zoomen naar
Uitsnede hoogtekaart plangebied (Bron: ahn.geodan.nl) Het projectgebied heeft op dit moment twee bestemmingen, een deel (ca. 1.642 m2) met de bestemming "Bedrijf' en een deel (ca. 345 m2) met de bestemming "Wonen". In de nieuwe situatie zal het gehele project gebied de bestemming "Wonen" krijgen. En zal het gehele gebied verhard worden. De verharding voor het gedeelte met de bestemming "Bedrijf' neemt toe van 1.435 m2 naar 1.579 m2. Het oppervlakte water (watergang aan de achterzijde van het perceel) blijft hetzelfde, ca 63 m2. Voor het gedeelte met de bestemming "Wonen" neemt het verhard oppervlak toe van ca. 282 m2 naar 345 m2. Op basis van de Watersleutel moet er in totaal 14 m3 extra berging worden gerealiseerd dit staat gelijk aan 56 m2 aan extra water dat gegraven moet worden ter compensatie van de extra verharding. De waterberging wordt gerealiseerd door de watergang aan de achterzijde van het perceel te verbreden. Het perceel is ca. 50m breed, dit betekend dat de watergang ca. 1,1 m verbreedt dient te worden. De parkeerplaatsen aan de achterzijde zullen deels boven de watergang aangelegd worden. Een eerste uitwerking hiervan is te weergegeven in de watertoets in de bijlage. Voor het graven van water en het aanleggen van de vlonder/steiger ten behoeve van de parkeerplekken dient een vergunning aangevraagd te worden.
Indien er geen vergunning verleend wordt zal er waterberging op de daken gerealiseerd
35
worden (blauw dak). De blauwe daken zullen voldoen aan de beoordelingsrichtlijnen van Delfland (https://www.hhdelfland.nl/richtlijnvasthoudmaatregelen). De waterberging op de daken zal gezamenlijk 14m3 bedragen. Voorkomen van wateroverlast Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen.
mm
mm
Watersysteemkwaliteit en ecologie In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. Het projectgebied zal in de nieuwe situatie geen directe invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater hebben.
Het projectgebied zal in de nieuwe situatie geen directe invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater hebben. Het afstromend hemelwater vanaf het projectgebied kan een gering positief effect op de waterkwaliteit hebben, indien het hemelwater blijvend wordt afgevoerd middels het gescheiden rioolstelsel. Door de infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater. Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger
36
Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: *
als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). * voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. * voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. Wanneer onderhoudsstroken niet of moeilijk realiseerbaar of te behouden zijn, overleg dan met Delfland over alternatieven of maatregelen. De watergang aan de achterzijde van het perceel blijft in de nieuwe situatie onderhouden door gemeente Westland. De nieuwe situatie heeft geen effect op hoe onderhoudt uitgevoerd kan worden. Bodem en grondwater Bij nieuwe ontwikkelingen/initiatieven is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen.
Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met een minimum van 1,0 m. Daarnaast kan het zijn, dat de ontwikkeling juist effecten op het grondwater of het watertekort heeft. Hier moet bijvoorbeeld gedacht worden aan ondergrondse constructies die ervoor zorgen dat bijvoorbeeld de grondwaterstroming wordt afgekapt. In de huidige ontwikkeling worden geen ondergrondse werken worden gebouwd. Volgens de ontwerptekeningen komen er kelders aan de voorzijde van het perceel. Er is een grondwateronderzoek uitgevoerd, zie hiervoor de bijlage in de watertoets. Hierin wordt geconcludeerd dat het zandpakket dat aanwezig is voldoende waterdoorlatend is om te voorkomen dat grondwater in stromingsrichting kan worden beperkt. Afvalwater en riolering Het plan dient te voldoen aan de Leidraad Riolering West Nederland en de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom Aan- en afkoppelen verharde oppervlakten (2003). Volgens de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt.
Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. Het projectgebied kan wellicht doormiddel door waterdoorlatende verharding ervoor zorgen dat hemelwater kan infiltreren en kan stromen naar de watergang welke aan de achterzijde van het perceel ligt 3.5.3
Conclusie
Uit de watersleutel is gebleken dat er in het projectgebied 56 m2 aan extra water dat gegraven moet worden ter compensatie van de extra verharding.
37
3.6
Bodem
3.6.1
Wettelijk kader
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functie wijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functie wijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. 3.6.2
Onderzoek
Door B&L grondmanagement is in december 2018 een rapport verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De locatie is in het verleden reeds onderzocht. In 2016 zijn de bekende olieverontreinigingen geactualiseerd en is op een gedeelte van het terrein asbestonderzoek uitgevoerd. Onderhavig onderzoek spitst zich toe op de algemene bodemkwaliteit (buiten de oliespots) en de aanwezigheid van asbest. In zowel de bovengrond als de ondergrond zijn geen sterk verhoogde gehalten van de geanalyseerde stoffen aangetroffen. Wel worden licht verhoogde gehalten van enkele zware metalen en organische componenten PAK, PCB en olie aangetoond. Er is geen asbest aangetroffen. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte dichloorethenen aangetoond. De actuele bodemkwaliteit is met onderhavig onderzoek (samen met het bodemonderzoek uit 2016) op de locatie voldoende vastgelegd. 3.6.3
Conclusie
Het bodemonderzoek is op 14 januari 2020 akkoord bevonden door de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH). Nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk.
3.7
Ecologie
3.7.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied.
38
Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: * * *
Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb.
Verí»(ístiůpa.ing
vogels Vil
Dienen Krtf Planten Hrt.' BOñn-Befiļ
Borsn/B&in
Oseren
Planten
i nanonaai i ťįjjjļonaan
Citeren of planten: Opílen of vangen
Ĵ.lū 1 a
storerweístůíen
3.1.4 i.’enaj 3 1.5)
3 iũ.1 c
Plukten, verzamelen, afsr.iiŕen. ontwortelen
of vŕmrŵJftn Onderzien tien hen of vervoeren
Plaatsen; vernieten, beschadigen of wegnemen nesten descfiadigen of vernielen
ì 10 1 Cl
vod.'tpidnl'rqsphalsen
I vaste VIP)
Beschadigen of vernielen rustptaaŵţn
3.10.1.b
[vast*? rpt Eieren; vermeter iof -vit- beschadigen!
Rapen Onder zich neohen
Toesentma Codes verwlf»n naar wetsartikelen wel natujfliesifierming
Oranje
verlxKlsūepaiing geld! aheen wanneer sprake is van opzei verijů(isìtepn:'ľ.a geld* m site gevallen, ook wanneer geen sprake is
Tabei venbodsbepa^rigen soortenbescherming onder de ţį'ntį
39
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet m eegenomen in deze toets ing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 5. Achterwege gelaten worden, of 6. Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 7. Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.7.2
Onderzoek
In opdracht van Beheer BV heeft Aqua-Terra Nova BV een onderzoek uitgevoerd naar de consequenties van natuurwetgeving op de geplande werkzaamheden met betrekking tot het project Kerklaan 65-67-69 te Wateringen. Op basis van een locatie bezoek en een literatuurstudie is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of de geplande activiteiten in strijd kunnen zijn met de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, in zowel het garagepand als de woning, is noodzakelijk. Verder wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Ook kan ervoor gekozen worden om in de periode te werken wanneer vleermuizen in winterslaap zijn. De winterslaap van vleermuizen duurt grofweg van november t/m maart, maar is afhankelijk van soort en weersomstandigheden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt.
De lichthinder voor vleermuizen door verlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval toe te passen. Broedvogels Nader onderzoek naar verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van huismussen en verblijfplaatsen van gierzwaluwen is noodzakelijk. Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden. Natura 2000 Door Aqua-Terra Nova is op verzoek van de ontwikkelaar een stikstofdepositieberekening gemaakt van de beoogde activiteiten voor de realisatie van een appartementencomplex aan de Kerklaan 65-67-69 te
40
Wateringen. Op basis van de berekeningen en aannames kan gesteld worden dat er geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar door het project plaats vindt op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Het is niet noodzakelijk om voor dit project vervolgstappen te nemen ten behoeve van de stikstofdepositie. Er is geen vergunning voor stikstofdepositie in het kader van de Wet natuurbescherming nodig voor dit project. Soortgericht onderzoek: Oktober 2020 is een soortgericht onderzoek uitgevoerd, zie bijlage ... Op basis van het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: * * » * *
Er zijn geen voortplantings- of verblijfplaatsen van huismussen of gierzwaluwen in het plangebied; In het plangebied zijn geen zomer-, kraam-, paar-, of winterverblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig; Het groen in het plangebied wordt gebruikt als foerageergebied door gewone dwergvleermuis. Dit is geen essentieel foerageergebied; De watergang wordt gebruikt als foerageergebied en mogelijk als vliegroute; De conifeer in het plangebied wordt gebruikt als broedlocatie door zwarte kraaien.
Vervolgstappen en advies: Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond strikt beschermd, conform artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming en de Europese Habitatrichtlijn. De functionele leefomgeving van vleermuizen is echter ook beschermd. Op basis van het soortgericht onderzoek naar vleermuizen kan gesteld worden dat het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is. * Een aantal meter ten zuiden van het plangebied is er een verblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen. Om te zorgen dat deze verblijfplaats zijn functie behoudt wordt lichtuitstraling tijdens de werkzaamheden voorkomen in het actieve seizoen van vleermuizen (maart t/m oktober). In de nieuwe situatie komt er een natuurlijke afscheiding, van minstens 2 meter hoog, tussen het plangebied en het gebied ten zuiden van het plangebied. Zodoende wordt lichtuitstraling voorkomen en blijft de verblijfplaats functioneel; * Lichtuitstraling, in de actieve periode van vleermuizen, wordt tijdens de werkzaamheden voorkomen op de watergang ten oosten van het plangebied, zodat de watergang donker en zo effectief blijft als foerageergebied. In de toekomstige situatie komt ook hier een natuurlijke afscheiding, van minstens 2 meter hoog, zodat lichtuitstraling voorkomen wordt en de watergang functioneel blijft als foerageergebied.
Verder moet er rekening gehouden worden met het volgende: *
*
*
«
3.7.3
In het groen van het plangebied nestelen en/of overwinteren mogelijke kleine zoogdieren als egel, en amfibieën als gewone pad. Voor deze soorten is de zorgplicht van kracht en er dient met zorg op de aanwezigheid van deze soorten te worden gelet; Er wordt sterk geadviseerd om de conifeer te behouden, aangezien dit een broedlocatie is van zwarte kraaien. Indien dit niet mogelijk is moet de boom buiten het broedseizoen van deze soort, maart t/m juli, gerooid worden. Voor al het overige groen geldt ook dat wanneer gewerkt wordt in de periode van maart t/m juli, er rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van broedende vogels. De meeste vogels broeden in de genoemde periode, echter vogels welke buiten deze periode broeden, zijn ook te allen tijde beschermd. Broedende vogels (en hun nesten) mogen niet verstoord of verwijderd worden; Wanneer het niet mogelijk is om het groen buiten de broedperiode te rooien, dient voorafgaand een broedvogelcontrole door een ecoloog uitgevoerd te worden.
Aan de hand van deze controle wordt door de ecoloog bepaald welke werkzaamheden wel of niet opgestart kunnen worden of welke maatregelen getroffen dienen te worden; In het kader van de zorgplicht moeten alle dieren, waaronder de licht beschermde soorten (die vrijstelling van ontheffing genieten) en de niet beschermde soorten, voldoende ruimte krijgen om te vluchten of om zich te verplaatsen tijdens de werkzaamheden. Conclusie
Indien de vervolgstappen uit het soortgericht onderzoek worden uitgevoerd vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
41
3.8
Cultuurhistorische aspecten
3.8.1
Wettelijk kader
Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2. De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden.
Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 3.8.2
Onderzoek
Door Archeologie Delft is in juni 2018 een verkennend bureau- en verkennend boordonderzoek in het kader van archeologie uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat een middelhoge verwachting geldt voor vindplaatsen uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. Voor alle perioden geldt dat het hierbij gaat om nederzettingsterreinen met sporen van erven met huizen, sloten, waterputten en kuilen. Om deze verwachting te toetsen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het booronderzoek is gebleken dat er een aanwijzing is voor ten minste één archeologische vindplaats in het gebied waar de kelder wordt aangelegd. Deze bestaat uit de aanwezigheid van enkele houtspikkels. Daarnaast ligt het plangebied 150 m ten westen van een vindplaats uit de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen in de Oranjewijk en zijn er intacte bodems aangetroffen in het plangebied. De archeologische verwachting op vindplaatsen uit de Late IJzertijd, Romeinse tijd en Late Middeleeuwen blijft daarmee middelhoog in het gebied van de geplande kelder. Er wordt geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Op deze manier kan de verwachting getoetst worden op het aantreffen van vindplaatsen uit de Late IJzertijd, Romeinse tijd en Late Middeleeuwen. De sloop en/of sanering zullen plaatsvinden onder archeologische begeleiding (protocol proefsleuven). 3.8.3
Conclusie
Het bureauonderzoek is akkoord bevonden. Het uitgevoerde booronderzoek is echter niet representatief omdat het slechts op een klein deel van het gebied is uitgevoerd. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen dient een nader booronderzoek aangeleverd te worden.
42
3.9
Bezonning
3.9.1
Wettelijk kader
Ten aanzien van de bezonning of beschaduwing bestaan geen wettelijke eisen waaraan een nieuw te bouwen gebouw dient te voldoen. Om deze reden zijn er geen landelijk geldende normen opgesteld voor bezonningsstudie. 3.9.2
Onderzoek
In de praktijk wordt bij bezonningsstudies veelal gebruik gemaakt van de door TNO opgestelde richtlijn voor bezonning. Om inzicht te verkrijgen in de gevolgen voor de omgeving wat betreft zontoetreding is ten behoeve van de procedure door M3 Architecten een bezonningsstudie uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage toegevoegd. De TNO-richtlijn is in dit onderzoek gebruikt als toetsingskader voor de bezonning van de omgeving. De TNO-richtlijn vindt zijn oorsprong in het Woonwaarderingsstelsel uit 1962, waarbij er een 'lichte norm' (twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober op de vensterbank in de woonkamer) of een 'strenge norm' (drie mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 21 januari tot 22 november op de vensterbank in de woonkamer) kan worden gehanteerd. In dit onderzoek is voor de beoordeling van de bezonningsstudie uitgegaan van de lichte norm van de TNO-richtlijn, zoals gangbaar binnen gemeente Westland.
43
Hoofdstuk 4 4.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) voorziet in een verplichting tot het verhaal van gemeentelijke kosten. Dat kan op publiekrechtelijke grondslag via een exploitatieplan, maar kan ook privaatrechtelijk geregeld worden via een zogenoemde anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer/ontwikkelaar als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 Wet ruimtelijke ordening. In dit geval is van de laatste mogelijkheid gebruik gemaakt en is een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Om voornoemde reden is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 4.2.1
Overleg
In de periode van 2 april 2020 t/m 29 april 2020 heeft over het voorontwerp van de omgevingsvergunning bestuurlijk overleg plaatsgevonden als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: * * * * * «
Provincie Zuid-Holland Veiligheidsregio Haaglanden Gasunie Evides Westland Energie Tennet
De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage Inspraak en overleg van deze toelichting. 4.2.2
Inspraak
In het kader van de Inspraakverordening Westland 2004 zal er geen inspraak plaatsvinden. 4.2.3
Zienswijzen
Van 11 juni 2021 tot 23 juli 2021 heeft het ontwerpbesluit ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn 29 zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 2 van deze toelichting.
44
Bijlagen bij de toelichting
45
Bijlage 1 Inspraak en overleg
46
NOTA VAN BEANTWOORDING REACTIES 3.1.1. BRO OVERLEG GBA ‘Kerklaan naast 63 te Wateringen” . Instantie
Reactie
Beantwoording
1.
Provincie Zuid-Holland
Op grond van de informatie die u heeft gegeven blijkt dat het plan niet strijdig is met provinciale belangen, het plan hoeft niet te worden
N.v.t.
3.
Veiligheidsregio Haaglanden
opgestuurd naar de provincie Zuid-Holland. Risicobronnen In het kader van fysieke en externe veiligheid zijn het plangebied en de directe omgeving beschouwd op de aanwezigheid van risicobronnen met
De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.
de opslag, het transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Geconstateerd is dat het plangebied niet in het invloedsgebied ligt van transportroutes gevaarlijke stoffen, buisleidingen of objecten waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing is. De uitvoering van dit bestemmingsplan leidt daarom niet tot een noemenswaardige toename of afname van bestaande risico's. De Veiligheidsregio Haaglanden heeft op basis hiervan besloten om in het kader van externe veiligheid geen specifieke adviezen uit te brengen met betrekking tot dit bestemmingsplan. Maatregelen ten behoeve van de incidentbestrijding door hulpdiensten In verband met de ruimtelijke inrichting van het plangebied is het voor de hulpdiensten van belang dat voor de bereikbaarheid[1] en bestrijdbaarheid[2] van incidenten, de toegankelijkheid, opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen voor dit plangebied voldoende zijn. Voor wat betreft de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van incidenten zijn de toegankelijkheid, opstelplaatsen en bluswatervoorziening(en) nu voldoende, dit dient wel geborgd te worden voor de toekomst. 4.
Tennet
Binnen de grenzen van dit plan heeft TenneT (na een eerste beoordeling) De reactie wordt voor kennisgeving noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. Wij hebben dan ook geen opmerkingen op genoemd plan en wensen u veel succes bij de verdere uitwerking hiervan.
aangenomen.
6.
Evides
7.
Gasunie
Heeft in de gestelde termijn geen reactie gegeven. Mochten wij binnen deze periode geen reactie ontvangen, dan gaan wij er vanuit dat er geen
N.v.t.
bezwaren zijn tegen het plan. Het voornoemde plan is door ons getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor onze aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komen wij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 10Zo letaliteitgrens van onze dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling.
De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.
Bijlage 2 Nota van beantwoording zienswijzen
49
NOTA VAN BEANTWOORDING ZIENSWIJZEN OMGEVINGSVERGUNNINGAANVRAAG KERKLAAN NAAST 63 TE WATERINGEN. Instantie
Reactie
Beantwoording
Reclamant 1
Privacy schending en schade
Privacy schending en schade
(21-0203936)
Reclamant voorziet ernstige privacy schending door het plan waardoor onkosten gemaakt moeten worden. Daarnaast voorziet reclamant een afname van de waarde van de woning en omzetdaling van het
Er is weliswaar niet uitgesloten dat het bouwplan tot enige afname van uitzicht, lichtinval en privacy bij de woning van de reclamant zal leiden, maar dit zal niet tot een onaanvaardbare woonsituatie leiden. Daarbij is het van belang dat de woningen
administratiekantoor door gebrek aan parkeerplaatsen. Het kantoor is mede afhankelijk van bezoekers, die straks door gebrek aan parkeerruimte geen administraties kunnen aanleveren.
in een stedelijke omgeving staan, waarbij een woonsituatie die vrij is van enige inkijk nu eenmaal niet kan worden gegarandeerd. Verder bestaat er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen blijvend recht op vrij uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5649). Er is dan ook geen sprake van een onevenredige belangenafweging. Indien reclamant meent schade te ondervinden door de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan, dan kan - na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning - een verzoek om planschade worden ingediend. De vermeende planschade is echter geen ruimtelijke afweging.
Nieuwbouw zorgt voor (nog meer) problemen De nieuwbouw is volgende de reclamant niet nodig
Nieuwbouw zorgt voor problemen Het is de gemeente onduidelijk naar welke woningbouw
omdat er al veel nieuwe woningen komen aan de Noordweg tot aan de Erasmusweg. Hierdoor ontstaan parkeer- en capaciteitsproblemen op de wegen. Daarnaast zijn er te weinig groenvoorzieningen in de
reclamant verwijst. Vermoedelijk gaat het om twee woningbouwprojecten in de gemeente Den Haag. Beide projecten liggen hemelsbreed meer dan 3 kilometer van het plangebied vandaan. Zelfs met de woningen die gerealiseerd
wijk aanwezig. Reclamant geeft aan dat het niet toegestaan mag worden dat hier een flat van 5
worden in Den Haag blijft de vraag naar woningen in Westland hoog.
etages hoog gebouwd gaat worden. Reclamant wenst een andere invulling van het perceel als een parkje, eengezinswoningen of een
Het toevoegen van een appartementengebouw past goed binnen het straatbeeld en de Woonvisie Westland. Er is
bedrijfsruimte voor de huisartsenpost, waarbij dan
namelijk grote behoefte aan woningen voor senioren. Een
tevens op eigen terrein door doktersbezoekers,
andere invulling van het perceel maakt geen onderdeel uit van
geparkeerd kan worden. Dat zal de druk uit de Julianastraat wegnemen en komt er een goede aanrij route voor de ambulances voor de huisartsenpost. Het winkel gedeelte en de daarbij passende parkeer
deze aanvraag omgevingsvergunning. Zowel de bestaande als de nieuwe functie hebben een bepaalde verkeersaantrekkende werking. Op basis van landelijke kencijfers is er een toename van de verkeersgeneratie te verwachten van zo'n 90
gedeelten kunnen nu de drukte al niet meer aan. Het verkeer over de Kerklaan, een 30 km zone, is al overmatig te noemen.
motorvoertuigen per etmaal. Richtlijn daarbij is dat in een drukste uur ongeveer 100Zo van de verkeersgeneratie plaatsvind. Dit komt neer op 9 extra motorvoertuigen per spitsuur. Dit betreft gemiddeld in een drukste uur 1 voertuig per ruim 6,5 minuten. Het effect op de verkeersituatie ter plaatse is daarmee erg beperkt. Ter verduidelijking is het aspect verkeer in de ruimtelijke onderbouwing verder aangevuld met de verkeersaantrekkende werking. Het aantal parkeerplaatsen dat bij dit initiatief wordt gerealiseerd voldoet aan de Beleidsregel Parkeernormering Gemeente Westland 2018. Er worden daarmee met het plan voldoende extra parkeerplaatsen gerealiseerd om te voorzien in de eigen parkeerbehoefte.
Reclamant geeft aan door de huisarts te zijn benadert. De huisarts heeft nu al onvoldoende
De capaciteit van een huisarts is geen ruimtelijk aspect en maakt geen onderdeel uit van voorliggende
capaciteit voor alle patiënten. Bij een toename aan woningen worden dit alleen nog maar meer patiënten.
omgevingsvergunning.
Ook de aan de Julianastraat gevestigde vishandel is
De genoemde vishandel maakt geen onderdeel uit van deze
door het vormen van een buitenterras gedeelte, parkeer overlast aan het veroorzaken. Bijbouwen aan de Kerklaan zal de parkeer problematiek nog meer
aanvraag omgevingsvergunning. Voorliggend project voorziet in eigen parkeerbehoefte. Mocht er daarnaast vanuit de historie een tekort aan parkeerplaatsen zijn, dan hoeft,
verergeren.
conform vaste jurisprudentie, een ontwikkelende partij dit historisch tekort niet op te lossen.
Bewoners van de oude Wingerd hebben weliswaar eigen parkeerplekken, maar deze worden niet gebruikt, omdat deze plekken apart moeten worden betaald. De huurders van die woningen parkeren in
Het aantal parkeerplaatsen dat bij dit initiatief wordt gerealiseerd voldoet aan de Beleidsregel Parkeernormering Gemeente Westland 2018. Er worden daarmee met het plan voldoende extra parkeerplaatsen gerealiseerd om te voorzien
en om de Kerklaan, maar niet in de garage, die dan
in de eigen parkeerbehoefte. Mocht er vanuit de historie een
ook dagelijks goeddeels leeg staat. Op de vrijdagen
tekort aan parkeerplaatsen zijn, dan hoeft, conform vaste
is er mede door de bezoekers van het moskeegebedshuis aan de Juliana straat, geen parkeerplek meer in en om de Kerklaan te krijgen, waardoor behoorlijke irritaties gaan ontstaan.
jurisprudentie, een ontwikkelende partij dit historisch tekort niet op te lossen. Bij deze ontwikkeling is er enkel sprake van koopwoningen. De parkeerplaatsen bestemd voor bewoners worden samen met de appartementen verkocht, om zo de aangegeven problematiek te voorkomen.
Reclamant 2 (21-0223897,
Vermindering woongenot De effecten voor omwonenden, zoals onder andere
Vermindering woongenot Er is weliswaar niet uitgesloten dat het bouwplan tot enige
21-0224855)
verminderd woongenot en waarde- vermindering van onroerend goed door de voorgenomen nieuwbouw zijn ons inziens afdoende geschetst in eerdere correspondentie van Belangenwerkgroep Kerklaan
afname van uitzicht, lichtinval en privacy bij de woning van de reclamant zal leiden, maar dit zal niet tot een onaanvaardbare woonsituatie leiden. Daarbij is het van belang dat de woningen in een stedelijke omgeving staan, waarbij een woonsituatie die
Wateringen. Wij onderschrijven hierbij dat deze ook voor ons gelden.
vrij is van enige inkijk nu eenmaal niet kan worden gegarandeerd. Verder bestaat er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen blijvend recht op vrij uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5649). Er is dan ook geen sprake van een onevenredige belangenafweging. De invulling van een bedrijventerrein met woningbouw, kan daarnaast in een stedelijk gebied als een normale ontwikkeling worden beschouwd. Enig verlies aan privacy, licht en uitzicht is daarbij niet altijd te voorkomen. Evenals een mogelijk toename van geluidshinder door omgevings- en woongeluiden dan wel door het rijden op een parkeerterrein.
Parkeerdruk Reclamant maakt zich de meeste zorgen over de toenemende parkeerdruk. Eerder is een vergunning
Parkeerdruk Het aantal parkeerplaatsen dat bij dit initiatief wordt gerealiseerd voldoet aan de Beleidsregel Parkeernormering Gemeente Westland 2018. Er worden daarmee met het plan
afgewezen (wegens zichtbelemmering) om
voldoende extra parkeerplaatsen gerealiseerd om te voorzien
parkeerplaatsen in de voortuin te realiseren.
in de eigen parkeerbehoefte. Mocht er vanuit de historie een tekort aan parkeerplaatsen zijn, dan hoeft, conform vaste jurisprudentie, een ontwikkelende partij dit historisch tekort niet op te lossen. Reclamant verwijst naar en vergunning die is afgewezen. Het gaat hier echter om vooroverleg met een negatief advies. Het negatieve advies heeft onder andere te maken met het aspect verkeersveiligheid. In aangevraagde situatie van reclamant moest men achteruit rijden om de parkeerplaats op eigen erf te verlaten (of om er op te rijden). Dat achteruit rijden is vanwege de hoeveelheid au to's en fietsers op de Kerklaan vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid niet gewenst. In voorliggende situatie waartegen reclamant bezwaar maakt, kan men vooruit het terrein op, en ook weer vooruit het terrein af rijden. Dit is vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid wel acceptabel. De vraag van reclamant over parkeren in de voortuin heeft geen betrekking op voorliggende afwijking van het bestemmingsplan en hoort hier derhalve dan ook niet thuis.
Waardevermindering
Waardevermindering
Gezien het schrijnende gebrek aan woningen in Nederland zien wij de noodzaak van nieuwbouw terdege in, ook als dat (waardedrukkende) effecten heeft op ons woonhuis. Wij gaan ervan uit dat de
Indien reclamant meent schade te ondervinden door de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan, dan kan - na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning - een verzoek om planschade worden
gemeente hier rekening mee houdt met de in de toekomst te bepalen WOZ-waarde van ons woonhuis.
ingediend. De vermeende planschade is echter geen ruimtelijke afweging. Daarnaast wordt de WOZ-waarde ieder jaar opnieuw bepaald. Indien u het niet eens bent met de WOZ-waarde kunt u hiertegen bezwaar maken.
Reclamant 3 (21-0226207)
Omvang en bebouwing Reclamant begrijpt dat er woningbouw op deze locatie gerealiseerd gaat worden maar is het niet
Omvang en bebouwing De hoogte van het complex, 15,529 meter, komt overeen met de hoogte die in het bestemmingsplan Kern Wateringen (201 3)
eens met een massaal appartementencomplex van 5 woonlagen hoog. Daarnaast staat het complex zeer dicht op de aangrenzende en vooral lage bebouwing (links, rechts, achter) te staan. Door de sloop van de
mogelijk is. In het bestemmingsplan is namelijk een autohandel bedrijf van 1 5 meter hoog toegestaan. Het gebouw wordt maar 0,529 meter hoger dan wat er nu ook zou mogen komen conform bestemmingsplan. Deze hoogte is inderdaad
karakteristieke woning Kerklaan 69 komt het complex op dichte afstand van het perceel van reclamant te staan. Dit was bij aankoop van de woning niet voorzien. De goothoogte van 6 meter en de
hoger dan omliggende grondgebonden woningen. Door het gebouw echter uit te voeren met een terug liggende 3e en 4e verdieping aan de voor- en achterzijde, heeft het gebouw zowel aan de straatzijde als aan de achterzijde minder massa.
nokhoogte van 10 meter van perceel Kerklaan 69 worden zonder pardon opgetrokken tot een bouwhoogte van 15,60 meter.
Aan de zijkanten en achterkant is er overal in ieder geval 3 meter afstand opgenomen tussen het bouwplan en de naburige bebouwing. Aan de zijkanten heeft de 3e verdieping vervolgens een hoogte van 12.5 meter en daarnaast is de 4e verdieping verder teruggelegd. De afstand van het bouwplan ten opzichte van de naburige bebouwing, in combinatie met de hoogte van 12.5 meter van de 3e verdieping en de terug liggende 4e verdieping, zorgt voor een getrapte opbouw van de hoogte van het complex richting de aangrenzende percelen. Het perceel van reclamant grenst daarnaast niet direct aan het plangebied.
Privacy Door de ligging van het huis van de reclamant wordt de privacy ernstig aangetast. De situatie zal verslechteren tot bekeken worden van de tweede tot
Privacy Er is weliswaar niet uitgesloten dat het bouwplan tot enige afname van uitzicht, lichtinval en privacy bij de woning van de reclamant zal leiden, maar dit zal niet tot een onaanvaardbare
en met de vijfde woonlaag vanuit zowel de linker- als vanuit de achterzijde van het appartementencomplex.
woonsituatie leiden. Daarbij is het van belang dat de woningen in een stedelijke omgeving staan, waarbij een woonsituatie die vrij is van enige inkijk nu eenmaal niet kan worden gegarandeerd. Verder bestaat er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen blijvend recht op vrij uitzicht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5649).
Er is dan ook geen sprake van een onevenredige belangenafweging. Overlast
Overlast
Het appartementencomplex zal voorts zorgen voor aanzienlijk meer omgevings- en woongeluiden mede door de balkons in het plan. Toename van geluidshinder door de 45 parkeerplaatsen en het
De invulling van een bedrijventerrein met woningbouw, kan in een stedelijk gebied als een normale ontwikkeling worden beschouwd. Enig verlies aan privacy, licht en uitzicht is daarbij niet altijd te voorkomen. Evenals een mogelijk toename
rijden op het parkeerterrein.
van geluidshinder door omgevings- en woongeluiden dan wel door het rijden op een parkeerterrein.
Toenemende verkeersdrukte is ook voor de reclamant
Zowel de bestaande als de nieuwe functie hebben een
van belang. Het is door de verkeersdrukte nu al lastig om veilig de Kerklaan op te rijden. Door de komst van 25 appartementen zal de verkeersdrukte alleen maar toe nemen.
bepaalde verkeersaantrekkende werking. Op basis van landelijke kencijfers is er een toename van de verkeersgeneratie te verwachten van zo'n 90 motorvoertuigen per etmaal. Richtlijn daarbij is dat in een drukste uur ongeveer 100Zo van de verkeersgeneratie plaatsvind. Dit komt neer op 9 extra motorvoertuigen per spitsuur. Dit betreft gemiddeld in een drukste uur 1 voertuig per ruim 6,5 minuten. Het effect op de verkeersituatie ter plaatse is daarmee erg beperkt. Ter verduidelijking is het aspect verkeer in de ruimtelijke onderbouwing verder aangevuld met de verkeersaantrekkende werking.
Waardevermindering Reclamant voorziet waardevermindering van de woning en zal t.z.t. gebruik maken van de planschaderegeling. Hierbij wordt benadrukt dat een
Waardevermindering Reclamant mag uiteraard nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden een verzoek tot tegemoetkoming in planschade indienen. De vermeende planschade is echter
planschadeclaim geen oplossing is.
geen ruimtelijke afweging en komt thans niet aan de orde.
Strijdigheden Voorliggend plan is volgens reclamant in strijd met het bestemmingsplan 'Kern Wateringen', het Beeldkwaliteitsplan, de Visie Wateringen 2030 en de
Strijdigheden Met voorliggende aanvraag omgevingsvergunning zal worden afgeweken van het bestemmingsplan ^ern Wateringen'. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven waarom het wenselijk
Visie op Westland (omgevingsvisie).
is om af te wijken van het bestemmingsplan.
In Wateringen overstijgt de vraag naar woningen het aanbod. Specifiek voor kleine huishoudens, senioren en starters zijn extra woningen in het goedkope segment noodzakelijk. Vanuit de Visie Wateringen 2030 komt er daarom voor wat betreft het toevoegen van woningen, een duidelijke wens naar voren voor meer betaalbare woningen, woningen voor starters en senioren. Woningen voor senioren ziet men graag dichtbij bestaande of nieuwe voorzieningen. Als mogelijke woningbouwlocatie zijn naast Wateringen-Noord ook verouderde bedrijvenlocaties dicht bij het centrum aangewezen, zoals het bedrijventerrein aan de Kerklaan 65. Met het oog op duurzame verstedelijking gaat dorpsinbreiding voor uitbreiding. In het beeldkwaliteitsplan voor de Ambachtsweg en de Kerklaan staat onder andere het volgende: Op de plankaart van het bestemmingsplan zijn de karakteristieke gebieden aangegeven met 'Waarde Karakteristiek'. In de regels van het bestemmingsplan geldt voor gebieden met baarde Karakteristiek' dat er pas gesloopt mag worden, als er een goedgekeurde omgevingsvergunning is. Daarnaast is er voor de karakteristieke gebieden een beeldkwaliteitsplan opgesteld. De Ambachtsweg - Kerklaan is één van deze karakteristieke gebieden. De karakteristieke gebieden hebben bijzondere ruimtelijke kwaliteiten waarvan het goed zou zijn als deze bij herbouw, verbouw of herinrichting beschermd zijn.