ruimtelijke onderbouwing (21-0159768)
Tekst van het document
Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd.
Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Het plangebied bevindt zich op circa 1,1 km afstand van de dichtstbijzijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg (provinciale weg N213, nummer 6 in onderstaande). Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied langs de N213. De aanwezigheid van de N213 vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.
28
Risicokaart.nl Basfc Retf jüo*ç Tcuog'W
Plangebied
İ+ t
7S7&Û.68.
Ligging plangebied op risicokaart.
Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene
VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.
Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100Zo letaliteitszone en de 1Zo letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.
29
Risicokaart.nl Basfc Retf jüo*ç Tcuog'W
Plangebied
İ+ t
7S7&Û.68.
Locatie plangebied in risicokaart.
Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van buisleidingen. Het plangebied bevindt zich op circa 440 en 575 meter afstand van de dichtstbijzijnde buisleidingen (buisleidingen Gasunie, nummer 1 en 2 in bovenstaande figuur). Buisleiding W-522-01 van Gasunie (nummer 1) heeft een werkdruk van 40 bar en een diameter van 17,99 inch. De buisleiding heeft een 10 letaliteitscontour van 200 meter. Buisleiding W-522-03 van Gasunie (nummer 2) heeft een werkdruk van 40 bar en een diameter van 15,96 inch. De buisleiding heeft een 10 letaliteitscontour van 170 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de buisleidingen. De aanwezigheid van buisleidingen met gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen op de planlocatie.
Explosieven Het plangebied bevindt zich niet in of nabij een gebied dat verdacht wordt op de aanwezigheid van explosieven.
30
-c,' i
. ÿv V 'A ' «ļ
fï»* '
im aJ^-' *ÍI Î ĤïïŽGŕ
*3»
řítv : V,ĩ
v
Ņ -
Uitsnede Explosievenkaart Westland 3.4.3
Conclusie
Het aspect Externe Veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. De bijlage Externe Veiligheid toxische stoffen is als bijlage toegevoegd.
3.5
Water
3.5.1
Wettelijk kader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Nationaal waterplan Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water.
Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te
31
brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.
Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.
Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: »
* * *
de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving.
De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021.
Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016.
De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht.
De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar
32
de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt.
De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen.
Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: * * * »
de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater.
Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1.
2.
3.
In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te
33
zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: *
*
Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst
De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: * * * * * « * *
Beleidskader omtrent water; Veiligheid en waterkeringen; Waterkwantiteit; Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwater en riolering; Klimaatadaptie.
Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.
34
WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER, NU EN LATER
ijl'-5
3vfëbruarī 2 3.5.2
Onderzoek
Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. Het plangebied is gelegen in het boezemgebied tegen de Oude en Nieuwe Broekpolder. Tegenover het plangebied ligt een Regionale waterkering. Deze is niet van invloed op het plangebied.
35
'öū Regionale waterkering
Pc- denzode
F 0 .3.
Po dernaem
Oude en K euwe Broekpolder West ano
Onderwaterbeloop 1:2 Kruinhoogte
NAP 4- ũ Om
Kruin breedte Binnenbeloop Bove n waterbe loop
1:1
Prof el variant Bij Ie gen
Zoomen naar
Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen
\
Wa terkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Het plan dient te voldoen aan de provinciale normen voor bergings- en afvoercapaciteit. De planlocatie is gelegen in het boezemgebied. Voor het boezemgebied geld een peilstijging van 0,2m en een waterpeil van -0,43mNAP In onderstaande tabel staan de huidige en toekomstige oppervlakten weergegeven.
36
Tabel 1.1: Oppervlakten huidige en toekomsfìQe situatie
Huidige situatie (m2) 800 800 0
Totaal oppervlak Verhard oppervlak Onverhard oppervlak
Toekomstige situatie (m2) 800 770 30
In Bijlage 5 staat de analyse op basis van de Watersleutel van Delfland weergegeven. Op basis van de Watersleutel dient er voor de ontwikkeling geen extra berging gerealiseerd te worden. Na het indienen van de conceptrapportage is de nieuwe watersleutel van Delfland beschikbaar gekomen. Uit de watersleutel komt dat de afname van verharding gelijk staat aan een berging van 2,7 m3. In de nieuwe watersleutel wordt ook een scenario voor 2050 weergegeven op basis van te verwachten klimaatveranderingen. Uit deze berekening komt een te realiseren waterberging van 7,7 m3. In totaal dient er een waterberging gerealiseerd te worden van (7,7 - 2,7 m3) 5 m3. Een waterberging van 5 m3 valt onder een kruimelgeval. In dat geval hoeft de berging niet gerealiseerd te worden.
Voorkomen van wateroverlast Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen.
' '
įS* ,'V '
v
'
Ĺ V z V//.
WM ŵývá ffmĥ
Mi
Watersysteemkwaliteit en ecologie In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. Het plangebied grenst niet aan een watergang.
Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen.
37
Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: *
*
*
als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen.
Wanneer onderhoudsstroken niet of moeilijk realiseerbaar of te behouden zijn, overleg dan met Delfland over alternatieven of maatregelen. Er zijn geen watergangen aanwezig op of aanliggend aan het plangebied.
Bodem en grondwater Bij nieuwe ontwikkelingen/initiatieven is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met een minimum van 1,0 m. De maaiveldhoogte bedraagt momenteel ca. 0,31 m NAP volgens de hoogtekaart. De drooglegging (zie bijlage 5) zit daarmee op 0,74 m. Delfland adviseert een minimale drooglegging van 1.0 m. De hoogte van het maaiveld zal gelijk blijven/gemaakt worden aan de gebouwen rondom het plangebied.
AHN3 Hoogte (m): 0.3ŨÓ
Zoomen naa--
Hoogtekaart (bron: https://ahn.arcgisonline.nl)
Daarnaast kan het zijn, dat de ontwikkeling juist effecten op het grondwater of het watertekort heeft. Hier moet bijvoorbeeld gedacht worden aan ondergrondse constructies die ervoor zorgen dat bijvoorbeeld de grondwaterstroming wordt afgekapt. In de huidige ontwikkeling worden geen ondergrondse werken worden gebouwd. Er komt geen ondergrondse bebouwing.
38
Afvalwater en riolering Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtsbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. De appartementen zullen aangesloten worden op de bestaande riolering, een gemengd rioolstelsel. De nieuwe aansluitingen in het projectgebied dienen wel alvast gescheiden te worden aangelegd.
3.5.3
Conclusie
Voor de ontwikkeling hoeft er geen waterberging gerealiseerd te worden. Voor de situatie 2050 dient er wel extra waterberging gerealiseerd te worden. De totale opgave is minder dan 5 m3 en valt onder een kruimelgeval, dit betekend dat dit niet uitgevoerd hoeft te worden. Het oppervlak onverhard terrein zal op verzoek van het Hoogheemraadschap van Delfland als voorwaarden worden opgenomen in de voorschriften van de omgevingsvergunning. Het aspect water vormt daarom geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
3.6
Bodem
3.6.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. b. c.
het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.
3.6.2
Onderzoek
Door BMA Milieu B.V. is een actualiserend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat ter plaatse in de grond en inhet grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde zijn vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft geen nader onderzoek te worden aanbevolen. Voor de matige verontreiniging met zink in de grond, de sterke verontreiniging met minerale olie in de grond en de sterke verontreiniging met arseen en koper in het grondwater wordt, op basis van de Wet bodembescherming, nader bodemonderzoek aanbevolen. Vooralsnog vormen de resultaten van dit onderzoek, ons inziens, milieuhygiënisch gezien een belemmering voor de voorgenomen herinrichting. De mogelijk bij bouwactiviteiten vrijkomende of aan te
39
voeren grond is voor hergebruik onderhevig aan wettelijke bepalingen (Besluit Bodemkwaliteit). Door de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) is beoordeeld dat mogelijk sprake is van een geval van enstige bodemverontreiniging.
3.6.3
Conclusie
In de omgevingsvergunning zal worden opgenomen dat deze niet in werking treedt tot het moment waarop het bevoegd gezag Wbb heeft ingestemd met een saneringsplan, een correcte BUS-melding is ontvangen of een beschikking heeft afgegeven waarin is vastgesteld dat het geen geval van ernstige verontreiniging betreft waarvoor een spoedige sanering noodzakelijk is.
3.7
Ecologie
3.7.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.
De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes:
* » *
Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb.
40
Vogels vn
Verbod sūepa ling
Dieren Hm Planten Hru Bonnreefri
BoniVB&m
□ ■eren
Planten
inationaan tnalionaan
0 íererjjfj) I ;i i tten: Doden of rangen
3 10 1-3 í 1A i.iensi
Siwerii'verstoreii
3 1.5) Plukken. verzamelen afsriiíen. criminelen
310 i c
of vernielen Onder acn hei)lien of vervoeren Plaatsen:
vernielen, beschadigen of wegnemen nesten
ì 10 1 b
Beschadigen of vernielen .■ocipianl'ngsplaalSen Beschadigen of vem-e'en rustpaatsen
3 10.1 b
ívaste rpi
vernielen (of-vrí- beschadigen!
3.5.3
Papen Onder zren heli hen
Toehchanũ Codes verween naar wetsartikelen Wel natuurbescherming Oranje
verijodsbepaiino geld! alleen wanneer sprake is van opzei venjoösoepa' ng geld! m alle gevallen, «k warneer geen sprake is
Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de ļVnb
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet m eegenomen in deze toets ing.
Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 5. 6. 7.
Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
3.7.2
Onderzoek
Door Aqua-Terra Nova is op 11 februari 2021 een eco-effectscan uitgevoerd. Het volledige onderzoek is toegevoegd in Bijlage 6.
41
Gebiedsbescherming Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: *
«
Het plangebied bevindt zich op circa 4,8 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen'. Een stikstofdepositieberekening ten behoeve van dit project is noodzakelijk om stikstofdepositie in dit Natura-2000 gebied te berekenen. Uit het stikstofdepositieonderzoek in Bijlage 7 is gebleken dat er geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar door het project plaats vindt op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Overige negatieve effecten van de werkzaamheden op het Natura-2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Het plangebied bevindt zich op circa 1,9 km 1,9 km van een ecologische verbindingszone van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk;
Soortenbescherming Uit het onderzoek is gebleken dat in de omgeving van het plangebied de gierzwaluw en huismus voorkomen. Onderstaande tabel geeft de benodigde vervolgstappen conform de Wet natuurbescherming weer:
Soortgroep
Geadviseerde vervolgstappen
Vaatplanten Beschermde soorten Algemene soorten
Wnb 3.5 of
Aanwezigheid uitgesloten
Wnb 1.11
Werken conform zorgplicht.
Wnb 3.1
Aanwezigheid uitgesloten
Wnb 3.1
Verstoring broedende vogels voorkomen.
Vogels Soorten metjaarrond beschermde verblijfplaats Categorie 5 soorten en algemene soorten
Grondgebonden zoogdieren 3.5 en
Beschermde soorten Algemene en vri;' ijqestelde ' '1 soorten
Aanwezigheid uitgesloten
Wnb 1.11
Werken conform zorgplicht.
Wnb 3.5
Aanwezigheid uitgesloten
Vleermuizen Verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes
Amfibieën Beschermde soorten Algemene en vri;' ijqestelde ' '1 soorten
Wnb 3.5 of Wnb 1.11
Aanwezigheid uitgesloten Aanwezigheid uitgesloten (werken conform zorgplicht).
Reptielen Beschermde soorten
Wnb 3.5 of
Aanwezigheid uitgesloten
Vissen Beschermde soorten
Wnb 3.5 of
N.v.t,
Algemene soorten
Wnb 1.11
N.v.t,
N.v.t.
Aanwezigheid uitgesloten
Overige soorten Beschermde soorten
Tabel beschermde soorten. 3.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
42
3.8
Cultuurhistorische aspecten
3.8.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet.
De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan.
Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan.
Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.
3.8.2
Onderzoek
Het plangebied is gelegen op gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4' Op deze gronden wordt een archeologisch rapport gevraagd tenzij het bouwwerk een oppervlakte tot ten hoogste 1.000 m2 betreft of zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. In dit geval heeft het perceel een totale oppervlakte van nog geen 900 m2. De voorgenomen ontwikkeling overschrijd de ondergrens niet en archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
3.8.3
Conclusie
Archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
43
Hoofdstuk 4 4.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) voorziet in een verplichting tot het verhaal van gemeentelijke kosten. Dat kan op publiekrechtelijke grondslag via een exploitatieplan, maar kan ook privaatrechtelijk geregeld worden via een zogenoemde anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer/ontwikkelaar als bedoeld in artikel 6.24 lid 1 Wet ruimtelijke ordening. In dit geval is van de laatste mogelijkheid gebruik gemaakt en is een koop- en realisatieovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Om voornoemde reden is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
4.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 4.2.1
Overleg
In de periode van 14 april 2021 t/m 4 mei 2021 heeft over het voorontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: * * * *
Provincie Zuid-Holland Hoogheemraadschap van Delfland Tennet Veiligheidsregio Haaglanden
De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage Inspraak en overleg van deze toelichting.
4.2.2
Zienswijzen
Van PM tot PM heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn PM AANTAL zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage PM van deze toelichting.
44
Bijlagen bij de toelichting
45
Bijlage 1 Inspraak en overleg
46
NOTA VAN BEANTWOORDING REACTIES 3.1.1 BRO OVERLEG OMGEVINGSVERGUNNING "Johan van Oldenbarneveldtstraat nabij 1 te Honselersdijk"
1.
Instantie
Reactie
Beantwoording
Provincie Zuid-Holland
Op grond van de informatie die u heeft gegeven
Niet van toepassing.
blijkt dat het plan niet strijdig is met provinciale belangen, het plan hoeft niet te worden opgestuurd naar de provincie Zuid-Holland. 2.
Hoogheemraadschap van
Wij geven u graag advies ten aanzien van de
De hoeveelheid groen zal opgenomen worden als
Delfland
wateraspecten in het plan. Door de hoeveelheid
voorwaarde in de omgevingsvergunning.
groen van 30 m2 valt het plan onder de kruimelregeling ten aanzien van waterberging. Wij
De reactie wordt verder voor kennisgeving
vragen u deze hoeveelheid groen dan ook in de
aangenomen.
omgevingsvergunning te borgen. Naast advisering in het kader van de watertoets over deze omgevingsvergunning kan het zo zijn, dat een watervergunning of melding nodig is. Voor meer informatie over deze watervergunning of melding verwijzen wij u naar www.hhdelfland.nl/watervergunning-aanvragen. 3.
Tennet
Binnen de grenzen van dit plan heeft TenneT (na
De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.
een eerste beoordeling) noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. Wij hebben dan ook geen opmerkingen op genoemd plan en wensen u veel succes bij de verdere uitwerking hiervan. 4.
Veiligheidsregio Haaglanden
Het plangebied ligt op 1 030 meter ten noordoosten
De bijlage is toegevoegd als bijlage bij de
van de bevi-inrichting FloraHolland. In geval van
ruimtelijke onderbouwing. De reactie wordt verder
een calamiteit kan zich een incident voordoen
voor kennisgeving aangenomen.
waarbij giftige stoffen vrijkomen. Gezien de afstand van het plangebied tot aan de Floraholland zal het groepsrisico als gevolg van de (eventuele) ontwikkelingen niet significant toe- of afnemen.
Gezien de afstand van de risicobron tot aan het plangebied worden de volgende maatregelen geadviseerd: A.
Afschakelbare ventilatie;
B.
Risicocommunicatie.
In de bijlage worden de bovenstaande geadviseerde maatregelen uitgebreid beschreven. Daarnaast wordt in de bijlage het risico beschouwd dat overblijft na het treffen van de geadviseerde maatregelen. Het is belangrijk dat bij de verdere uitwerking van het plangebied, zoals bij bouwplannen, ook specifiek wordt gekeken naar de brandveiligheid. Hiervoor kunnen extra maatregelen nodig zijn. Voor vragen met betrekking tot brandveiligheid kunt u contact opnemen met risicobeheersing@vrh.nl. In het kader van brandveiligheid wordt tevens aandacht besteed aan de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voor de specifieke objecten.
Bijlage 2 Onderzoek Bedrijven en Milieuzonering en Externe Veiligheid
49
Onderzoek Bedrijven en Milieuzonering en Externe Veiligheid J. v. Oldebarneveldtstraat 1 Van der Goesstraat 56 te Honselersdijk
Opdrachtgever CplusM Investment BV
AQUA-TERRA
Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening
Milieu consultancy AOUA-ŢĘŖRA Watermanagement Ruimtelijke ordening
Aqua-Terra Nova BV
Onderzoek Bedrijven en Milieuzonering en Externe Veiligheid J. v. Oldebarneveldtstraat 1 Van der Goesstraat 56 te Honselersdijk
Zuidweg 79 2671 MP Naaldwijk telefoon 0174 - 625246 fax 0174 - 629744 www.aquaterranova.nl
Opdrachtgever CplusM Investment BV
Datum: Rapportnr: Status:
4 mei 2021 19147AQT304aJH EV BMZ definitieve rapportage
Rabobank rekeningnr. 36.81.19.955
BTW: NL-8105.67878.B01
K.v.K. nr. 27240696
Colofon Titel
: Onderzoek Bedrijven en Milieuzonering en Externe Veiligheid, plan Johan van Oldebarneveldtstraat 1 / Van der Goesstraat 56 te Honselersdijk
Opdrachtgever
: CplusM Investment BV
Projectteam
Projectmanager Contactpersoon Auteur
: ing. A.P. Wubben : ing. A.P. Wubben : ing. D.P. Barten
Kwaliteitsborging
: ing. A.P. Wubben
Projectnummer
: 19147-2
Datum vriígave
Status
4 mei 2021
definitief
Goedkeuring auteur
l ņeitsborger
Goedkeuring
ìí
\1
© 2021 Aqua-Terra Nova B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schríftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoudsopgave 1
INLEIDING......................................................................................................... 1
1.1 1.2 2
PLANGEBIEDGEGEVENS...................................................................................... 3
2.1 3
5
Omschrijving voorgenomen wijzigingen plangebied..........................................................3
TOETS BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING ........................................................... 4
3.1 3.2 4
Aanleiding.......................................................................................................................1 Methode..........................................................................................................................1
Categorie bedrijven mogelijk in plangebied...................................................................... 4 Toets aan VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering'.................................................... 4
TOETS EXTERNE VEILIGHEID.............................................................................. 7
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
Algemeen....................................................................................................................... 7 Besluit externe veiligheid inrichtingen.............................................................................. 7 Besluit externe veiligheid transportroutes.........................................................................7 Besluit externe veiligheid buisleidingen............................................................................ 7 Gegevens op de professionele risicokaart.........................................................................8 Risicovolle activiteiten binnen het plangebied................................................................... 8 Risicovolle activiteiten in de omgeving van hetplangebied................................................ 8
4.7.1 4.7.2 4.7.3
Risicovolle activiteiten binnen inrichtingen............................................................................................................. 8 Transport van gevaarlijke stoffen over wegen.................................................................................................... 10 Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen........................................................................................ 10
4.8
Beleidsvisie externe veiligheid........................................................................................ 10
CONCLUSIE....................................................................................................... 11
5.1 5.2
Bedrijven en Milieuzonering........................................................................................... 11 Externe veiligheid.......................................................................................................... 11
1
Inleiding
1.1 Aanleiding
Op de locatie Johan van Oldebarneveldtstraat 1 te Honselersdijk is een bestaand kantoor/bedrijfsgebouw aanwezig en op de locatie Van der Goesstraat 56 een buurtcentrum. Het kantoor/bedrijfsgebouw op de locatie Johan van Oldebarneveldtstraat 1 zal worden gesloopt en op de locatie worden 15 appartementen gerealiseerd. Het gebouw op de locatie Van der Goesstraat 56 zal worden gesloopt en ingericht als parkeerterrein ten behoeve van de te realiseren appartementen. In het kader van de te volgen ruimtelijke procedure moet een onderzoek naar externe veiligheid en een BMZ-toets uitgevoerd. Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van bedrijven. In deze notitie wordt daarom ingegaan op de omgevingsaspecten geur, geluid en stof en vindt toetsing plaats aan hetgeen is gesteld in de Richtlijn bedrijven en milieuzonering voor het toetsen van de verschillende milieucategorieën. De resultaten van deze toetsing zijn beschreven in hoofdstuk 3. De locatie is óók getoetst op de aanwezigheid van risicorelevante activiteiten die de ontwikkelingen binnen het plangebied zouden kunnen belemmeren. De resultaten van deze toetsing zijn beschreven in hoofdstuk 4. 1.2 Methode Bedrijven en Milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang, dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies (zoals bijvoorbeeld woningen): a. ter plaatse van deze gevoelige functies een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; b. rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering kan worden bepaald in hoeverre de inrichtingen en bedrijven beperkend kunnen zijn voor het tot stand brengen van een goed woonen leefmilieu in hun omgeving. In deze uitgave zijn per (milieu)categorie bedrijvigheid richtafstanden genoemd, die kunnen worden aangehouden ten einde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken. Hiertoe worden een zestal milieucategorieën onderscheiden. Per milieucategorie is een richtafstand opgenomen, welke ten opzichte van in de omgeving aanwezige gevoelige bestemmingen dient te worden aangehouden. Deze richtafstand is gebaseerd op de als gevolg van de bedrijfsactiviteiten te verwachten milieuhinder (vanwege geur, geluid, stof of gevaar). De VNG geeft in de richtlijn richtafstanden voor milieubelastende functies gegeven zoals deze gelden ten opzichte van een "rustige woonwijk" en van een "gemengd gebied". Externe veiligheid
In het onderzoek naar externe veiligheid wordt ingegaan op de externe veiligheidsaspecten die kunnen zijn verbonden aan het project. Vervolgens wordt op basis van de professionele risicokaart en informatie van derden een inventarisatie gemaakt van: 1. Risicorelevante bedrijven en activiteiten in de nabijheid van het plangebied. 2. Relevante transportroutes voor gevaarlijke stoffen. In deze risicoanalyse worden risicovolle activiteiten in de nabijheid van het plangebied in kaart gebracht die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) of Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vallen. Verder wordt gekeken of er andere objecten in de omgeving bevinden die beschikken over een aan te houden veiligheidsafstand of risicocontour (propaanreservoir, luchthaven, etc.) Transportroutes voor gevaarlijke stoffen betreffen zowel verkeersroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg als ondergrondse buisleidingen onder hoge druk. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water en spoor komt in de omgeving niet voor en wordt in dit rapport 19147Aqua-Terra NovaZ304aJH EV BMZ Rapportage 4 mei 2021
1
niet verder beschouwd. Geïnventariseerd wordt of aan de omliggende inrichtingen en transportroutes veiligheidscontouren zijn verbonden en of deze van invloed zijn op het project. In dit onderzoek is op een adequate en zorgvuldige wijze getracht een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van de externe veiligheidsrisico's aan de hand van de meest recente en beschikbare informatie. Niettemin kunnen aan dit onderzoek geen rechten worden ontleend.
19147Aqua-Terra NovaZ304aJH EV BMZ Rapportage 4 mei 2021
2
2
PLANGEBIEDGEGEVENS
2.1 Omschrijving voorgenomen wijzigingen plangebied
In het vigerende bestemmingsplan Kern Honselersdijk (vastgesteld 20-03-2012) is het plangebied in aangegeven met de enkelbestemmingen "bedrijf", "kantoor" en "maatschappelijk". In de bestaande situatie is in het plangebied een kantoorgebouw (2 bouwlagen), een bedrijfsgebouw (1 bouwlaag) en een buurtcentrum (1 bouwlaag) aanwezig. In de nieuw te bestemmen situatie zal het plangebied worden ingericht met 15 appartementen (4 bouwlagen) met bijbehorende parkeerplaatsen. In figuur 2.1 is de bestemde situatie, de bestaande situatie en de nieuwe situatie (begane grond) weergegeven. Bestemde situatie
\* -
*
Bestaande situatie
. .
Nieuwe situatie K? \
parkeerplaatsen
. .
4.4. * * *
jkŶŷŷÇ-t'VX* * * * * * *
ÛWľ::::::::: 15 appartementen
Üi: Figuur 2.1 Ligging plangebied bestemde situatie, bestaande situatie en nieuwe situatie
19147Aqua-Terra Nova/304aJH EV BMZ Rapportage 4 mei 2021
3
3
TOETS BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING
Voor het in beeld brengen van de ruimtelijke milieuzonering van bedrijven is gebruik gemaakt van de systematiek zoals aangegeven in de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009'. Deze publicatie geeft afstanden voor de milieuthema's geur, stof, geluid en gevaar gebaseerd op een gewenste omgevingskwaliteit geldend voor een 'rustige woonwijk' of een vergelijkbaar omgevingstype. Aan de hand van een SBI-codering zijn voor deze thema's richtafstanden vastgesteld. Deze afstanden gelden als een handreiking voor een goede ruimtelijke ordening. Op basis van jurisprudentie is afwijking mogelijk mits dit gemotiveerd en onderbouwd plaatsvindt op basis van een milieukundig onderzoek. 3.1 Categorie bedrijven mogelijk in plangebied
Binnen het plangebied zelf worden alleen woningen gerealiseerd. Er worden geen functies gerealiseerd waarop de richtafstanden van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van toepassing zijn. 3.2 Toets aan VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering'
In het plangebied wordt een appartementengebouw gerealiseerd. Het plangebied is gelegen in aan de rand van de woonkern Honselersdijk waar voornamelijk woonfuncties zijn gelegen. In het vigerende bestemmingplan Kern Honselersdijk is aangegeven dat enige mate van functiemenging in het gebied wenselijk is. De toelating van bedrijfsactiviteiten in het vigerende bestemmingsplan is gebaseerd op de voorbeeldstaat bedrijfsactiviteiten functiemenging. Door de realisatie van het appartementengebouw nemen de aanwezige bedrijfsbestemmingen in de directe omgeving echter dermate af dat de omgeving, waarin het plangebied gelegen is, het beste kan worden getypeerd als "rustige woonwijk". Nabij het plangebied is in het bestemmingsplan Kern Honselersdijk ten noorden en noordwesten van het plangebied voornamelijk woonbebouwing gelegen. Ten oosten van het plangebied is een locatie met een bestemmingsplanvlak "Bedrijf" aanwezig en een locatie met bestemmingsplanvlak "Sport" (zie figuur 3.1). Verder zijn op grotere afstand (145 meter en meer) in het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland bestemmingsplanvlakken "Agrarisch-Glastuinbouw" gelegen. Gezien de grote afstand tot het plangebied zijn de aanwezige glastuinbouwbedrijven niet beschouwd. Bestemming 1 Bedrijf (B1) 2 Sport 3Agrarisch-Glastuinbouw
appartementen
^: ;|3l'''' ^ 13J ' ' XŴ.MAAÄAA \ í; í j wŕ
Figuur 3.1 Bestemde functies rondom het plangebied 19147Aqua-Terra NovaZ304aJH EV BMZ Rapportage 4 mei 2021
4
1. Bedrijf
Bij de bestemming "Bedrijf" is in bestemmingsplan Kern Honselersdijk de toelating van bedrijfsactiviteiten gebaseerd op de voorbeeldstaat bedrijfsactiviteiten functiemenging waarin categorie B is onderverdeeld in categorie B1 en B2. Er zijn alleen bedrijven uit ten hoogste categorie B1 toegestaan. Categorie B1 wordt in het bestemmingsplan als volgt gedefinieerd: Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan(1). De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn.
(1) Dit betreffen bedrijven die in de 'VoorbeeidStaat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen' uit de VNG-uitgave voor alle milieuaspecten een richtafstand van maximaal 30 m hebben ten opzichte van een rustige woonwijk en voor het aspect gevaar zelfs een richtafstand van 10 m. Dergelijke bedrijven worden in de bestemmingsplanpraktijk, ook onder de oude VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (2001), direct naast woningen in een gemengd gebied toegestaan.
Uit deze definitie volgt dat voor categorie B1 een richtafstand van 0 meter kan worden aangehouden voor "gemengd gebied". Voor een "rustige woonwijk" dient 1 hogere afstandstap te worden aangehouden en geldt een afstand van 10 meter. Het geprojecteerde appartementengebouw is gelegen op 12 meter afstand van het bestemmingsplanvlak "Bedrijf". Het betreffende perceel is momenteel onbebouwd. Het bestaande bedrijfspand op deze locatie is gesloopt. 2. Sport
De voor "Sport" aangewezen gronden zijn bestemd voor sportvoorzieningen. Op deze locatie zijn tennisvelden aanwezig. Deze activiteiten kunnen worden ingedeeld in milieucategorie 3.1 (SBI2008: 931 F). Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. Deze richtafstand geldt ten opzichte van een rustige woonwijk. Het plangebied is gelegen op 45 meter afstand van het bestemmingsplanvlak "Sport" en op 48 meter van het geprojecteerde appartementengebouw. Het appartementengebouw ligt daarmee net binnen de richtafstand voor milieucategorie 3.1 voor een "rustige woonwijk". In figuur 3.2 is het bestemmingplanvlak "Sport" rood gearceerd weergegeven. Het gedeelte van de bestemmingsplanvlak "Sport" waarvan de afstand tot het bouwvlak in het plangebied kleiner is dan de richtafstand is in figuur 3.2 volledig rood ingekleurd weergegeven.