regels (21-0215506)
Tekst van het document
Gebruik
Het is in ieder geval toegestaan om de volgende gebruiks- en bouwactiviteiten te verrichten: 1. 2. 3. 4.
9.3
bibliotheken, gezondheidszorg, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening en verenigingsleven, religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten en bijeenkomsten; maatschappelijke activiteiten die bijdragen aan het instandhouden, ontwikkelen en beleven van een sociale ontmoetingsplek en zorg in de buurt of wijk; het realiseren van de bij de functie behorende duurzame voorzieningen; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Verboden gebruik
Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de volgende activiteiten: 1. 2.
verkooppunten voor motorbrandstoffen; de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk.
9.4
Bouwactiviteiten
9.4.1
Hoofdgebouwen
1. 2. 3.
9.4.2
Uitsluitend de reeds aanwezige bebouwing is toegestaan, waarbij geldt dat het bebouwde oppervlakte niet mag worden uitgebreid, met uitzondering van het bepaalde in artikel 9.4.3. De bouw- en goothoogte van bestaande gebouwen bedraagt ten hoogste de reeds aanwezige bouw- en goothoogte; Voor de bouwwerken met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - gemeentelijke monument' en 'specifieke vorm van waarde - karakteristiek' gelden tevens de regels zoals bepaald in 'overige zone - monumentaal dorpscentrum'. Toegestane bouwactiviteiten
Het is in ieder geval toegestaan de volgende bouwactiviteiten te verrichten op het bouwperceel behorende bij het hoofdgebouw: 9.4.3
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. het gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op het erf bedraagt ten hoogste 500Zo van het zij- en achtererf tot een maximum van 50 m2; 2. indien het zij- en achtererf een grotere oppervlakte heeft dan 100 m2 mag bij de maximale oppervlakte van 50 m2 een percentage van 100Zo van het meerdere worden opgeteld, tot een maximum van 75 m2; 3. de afstand van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt ten minste 1 m; 4. indien niet in de perceelsgrens wordt gebouwd bedraagt de afstand tot de perceelsgrens ten m ins te 1 m; 5. de goothoogte van aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden; 6. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m; 7. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen/ aangebouwde bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; 8. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m; 9. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m;
29
9.4.4
Bouwwerk, geen gebouw zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste: 1. van erfafscheidingen tussen de voorgevelrooilijn en de openbare weg: 1 m; 2. van erfafscheidingen elders: 2 m; 3. van vlaggenmasten: 6 m; 4. straatmeubilair: 3 m; 5. lichtmasten: 2 m; 6. antennes ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes: 5 m; 7. van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m. 9.4.5
Duurzame energievoorzieningen
Het bouwen en installeren van duurzame energie- en warmtevoorzieningen is toegestaan, onder de voorwaarde dat deze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en een ondergeschikte functie hebben. Met ondergeschikte functie wordt bedoeld dat de duurzame energieopwekking zowel wat betreft het gebruik van de percelen en gebouwen als wat betreft ruimtelijke uitstraling niet de boventoon mag gaan voeren en het karakter van de functie niet mag gaan bepalen. Van een ondergeschikte betekenis is uitsluitend sprake indien de voorziening energie opwekt ten behoeve van het eigen gebruik.
9.4.6 1. 2.
9.4.7 1.
2.
3.
9.5
Omgevingsplanactiviteit b ouwen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, anders dan de bouwactiviteiten genoemd in artikelen 9.4.3 en 9.4.4 . een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend mits wordt voldaan aan de volgende regels: a. het voldoet aan de redelijke eisen van welstand; b. het bouwplan bijdraagt aan de doelen zoals bedoeld in Artikel 4; c. het bouwplan voldoet aan de regels gesteld in Hoofdstuk 1; d. indien wordt gebouwd op een locatie binnen specifieke functie, zoals opgenomen in Hoofdstuk 4, wordt het bepaalde in die regels in acht genomen.
Omgevingsplanactiviteit innovaties duurzaamheid en klimaat Met het oog op veiligheid is het verboden zonder omgevingsvergunning andere innovatieve voorzieningen dan duurzame energie- en warmtevoorzieningen, zoals bepaald in artikel 9.4.5 te bouwen of te installeren, waaronder: a. waterstoftoepassingen; b. zonnepanelen in het dak (indak zonnepanelen) en het gebruik van zonnepanelen voor meer dan één huishouden (grootschalig gebruik); c. energieopslagsystemen. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend, mits: a. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor natuur en milieu; b. de bouwwerken geen negatieve effecten opleveren voor de waterhuishouding en bodemkwaliteit; c. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor nabij gelegen woningen, bedrijven en voorzieningen of in die zin in dit omgevingsplan aangewezen gronden. Alvorens een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder lid 2 wordt verleend, wint het bevoegd gezag advies in bij de Veiligheidsregio en indien het invloed heeft op de (grond) waterhuishouding ook advies bij het Hoogheemraadschap van Delfland.
Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen of aan de omgevingsvergunning voorwaarden verbinden ten behoeve van de plaats en afmetingen van de bebouwing: 1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; 2. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; 3. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
30
4. 5. 6.
9.6
ter waarborging van de sociale veiligheid; ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; ter waarborging van de waterhuishouding.
Aansluitactiviteit
Voor aansluitactiviteiten gelden de volgende regels: 9.6.1 1. 2.
9.6.2
Laadpalen openbaar voor burgers of bedrijven Het plaatsen en het gebruik van een laadpaal voor een burger of bedrijf in de openbare ruimte (verlengd private aansluiting) is niet toegestaan; Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaald in lid 1, mits wordt voldaan aan de 'Beleidsnota Oplaadinfrastructuur elektrische voertuigen' en - indien deze beleidsnota gedurende de planperiode wordt gewijzigd - is de wijziging van toepassing; .
Laadpalen eigen terrein
Het plaatsen en het gebruik van laadpalen op eigen terrein en het gebruik van laadkabels is toegestaan, mits het volledig op eigen terrein wordt gerealiseerd.
31
Artikel 10 Verkeer - Gebiedsontsluiting 10.1
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties met de functie 'Verkeer - Gebiedsontsluiting'. 10.2
Gebruik
De volgende gebruiksactiviteiten zijn in ieder geval toegestaan: 1. 2.
10.3
wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden; bij deze functie behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, reclame-uitingen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Bouwactiviteiten
Op deze locaties mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met dien verstande dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan voor verkeersregeling, verkeersleiding, wegaanduiding of verkeersverlichting, ten hoogste 3 m bedraagt.
32
Artikel 11 Verkeer - Wijkontsluiting 11.1
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties met de functie 'Verkeer - Wijkontsluiting'. 11.2
Gebruik
De volgende gebruiksactiviteiten zijn ieder geval toegestaan: 1. 2.
verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen; bij deze functie behorende voorzieningen, zoals voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
11.3 Bouwactiviteiten Op deze locaties mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met dien verstande dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan voor verkeersregeling, verkeersleiding, wegaanduiding of verkeersverlichting, ten hoogste 3 m bedraagt.
33
Artikel 12 Water 12.1
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties met de functie 'Water'. 12.2 Gebruik De volgende werkzaamheden toegestaan: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
12.3
waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding, waterberging, sierwater en het verkeer te water; bij deze functie behorende voorzieningen, zoals groen, bruggen, duikers, aanlegsteigers en waterhuishoudkundige staatkundige voorzieningen; groen, natuurvriendelijke oevers, plas en draszones, vispaaiplaatsen, vistrappen en moeras etc. activiteiten die een bijdrage leveren aan een gezonde en leefbare leefomgeving en klimaatadaptatie; Voor zover voor de werkzaamheden genoemd onder lid 1 tot en met 4 vallen onder de Algemene regels behorende bij de Keur regels Delfland, dienen deze regels in acht genomen te worden; Indien de onder lid 5 genoemde beleidsregel wijzigt, dient ook met deze wijziging rekening te worden gehouden.
Bouwactiviteiten
Op deze locaties mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd en gelden de volgende regels: 1. 2.
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 meter; Aanlegsteigers inclusief aangelegde boot mogen niet de noodzakelijke doorvaarbreedte/vaarstrook van de vaarweg aantasten. 3. Voor bruggen en andere overkluizingen gelden de volgende minimale profielen: a. De dimensionering dient minimaal gebaseerd te zijn op de benodigde afvoercapaciteit van de watergang; b. Een minimale brughoogte van 0,5 m; c. Voor wateren met varend onderhoud een minimale brughoogte van 1,0 m, een doorvaartbreedte van 3,1 m en een doorvaartdiepte van 1,0 m; d. Voor vaarwateren met de functie 'overige zone - vaarweg - categorie E' een minimale brughoogte van 1,80 m, eneen doorvaartbreedte van 4,50 m en een doorvaartdiepte van mininmaal 1 m; e. Voor vaarwateren met categorie E2 een minimale brughoogte van 1,50 m, een doorvaartbreedte van 4,00 m en een doorvaartdiepte van minimaal 1m; f. Voor vaarwateren met de functie 'overige zone - vaarweg - categorie F' een minimale brughoogte van 1,2 meen doorvaartbreedte van 2,50 m en een doorvaartdiepte van minimaal 1 m. 4. Indien de brug of andere overkluizing op minder dan 20 meter van een vaarwegkruising ligt dan geldt een doorvaartbreedte van 7,5 meter voor vaarcategorie E1 en E2. 5.
Kabel- en leidingen met voldoende dekking zinkeren onder de watergang door of opnemen in constructie van brug op dusdanige wijze dat de doorvaart niet beperkt wordt. 6. Indien de volgende (bouw)activiteiten worden verricht binnen een waterstaatswerk, waaronder: « Steigers of vlonders; * Bruggen * Kabels en leidingen * Oeverbescherming * Straatmeubilair * Werken en beplanting * Hekken en schuttingen » water brengen in of onttrekken aan oppervlaktewaterlichaam gelden de Algemene regels behorende bij de Keur regels Delfland; 7. Indien de onder lid 6 genoemde beleidsregel wijzigt, dient ook met deze wijziging rekening te
34
worden gehouden.
12.4
Ligplaats kleine pleziervaartuigen
Aanlegsteigers zijn toegelaten, mits de omvang van de steigers en aangelegde boot niet de noodzakelijke doorvaarbreedte/vaarstrook zoals bepaald in artikel 12.3 van de vaarweg aantasten. 12.5 1.
2.
Omgevingsplanactiviteit bouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 12.3, mits de bij de betrokken functies behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Het bevoegd gezag wint advies in bij het Hoogheemraadschap van Delfland.
35
Artikel 13 Woongebied 13.1
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties met de functie 'Woongebied'. 13.2
Gebruik
Het is het in ieder geval toegestaan om de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten: 1. 2. 3. 4. 5.
het wonen en de daarbij behorende tuinen; het realiseren van de bij de functie behorende duurzame voorzieningen; op de locatie met de aanduiding 'speeltuin'; tevens een speeltuin; op de locatie met de aanduiding 'kamerverhuur': tevens een kamerverhuurbedrijf; op de locatie met de aanduiding 'garage': uitsluitend garages en bergplaatsen met een bouwhoogte van maximaal 3 meter; 6. op de locatie met de aanduiding 'gezondheidszorg': tevens voor medische voorzieningen; 7. op de locatie met de aanduiding 'praktijkruimte': tevens voor een praktijkruimte; 8. op de locaties met de aanduiding 'horeca tot en met categorie 1': uitsluitend op de begane grond een restaurant uit ten hoogste categorie 1 van Staat van Horeca activiteiten; 9. op de locatie met de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2': uitsluitend op de begane grond een horecabedrijf uit ten hoogste categorie 2 van Bijlage 5 Staat van Horeca activiteiten; 10. op de locatie met de aanduiding 'detailhandel' en 'dienstverlening': uitsluitend op de begane grond detailhandel en dienstverlening; 11. op de locatie met de aanduiding 'nutsvoorziening': uitsluitend een nutsvoorziening; 12. op de locaties met de aanduiding 'parkeren op eigen terrein': tevens voor ten minste 1 parkeerplaats per woning; 13.
bij de functie behorende voorzieningen, zoals erven en water, wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen; 13.3
Verboden gebruik
13.3.1
Algemeen verbod
Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de volgende activiteiten: a. verkooppunten voor motorbrandstoffen; b. de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk. 13.3.2
verbod uitbreiding horeca-activiteiten
Met het oog op het ontwikkelen van een levendig en compact 'overige zone - kernwinkelgebied' is het niet toegestaan om op de locaties met de aanduiding 'horeca tot en met categorie 1' het gebruik uit te breiden. 13.4
Specifiek gebruik
13.4.1 aan-huis-gebonden ondernemingen Het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van aan-huis-gebonden ondernemingen is toegestaan, mits: a. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft; b. het netto vloeroppervlak in gebruik voor de aan-huis-gebonden onderneming niet groter is dan 250Zo van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 50 m2; c. het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse; d. er geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame; e. de onderneming uitsluitend door één van de bewoners (zonder ander personeel) wordt uitgeoefend; f. voor de activiteiten van de onderneming geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1
36
eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist en de inrichting valt onder het begrip type A van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; er geen horeca en/of detailhandelsactiviteiten plaatsvinden; de activiteiten worden uitgevoerd in het hoofdgebouw, plus aan-, uitbouw en aangebouwd bijgebouw.
g. h.
13.4.2 Omgevingsplanactiviteit bed 8, breakfast Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan voor de vestiging van een bed & breakfast in een woning, mits: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
de activiteiten kleinschalig van omvang zijn en passen bij de kwaliteit en de schaal van het plangebied en van ondergeschikt belang zijn aan de functie wonen; de eigenaar van de bed & breakfast zelf de hoofdbewoner van de woning is; de woning niet gelegen is op een bedrijventerrein; de voorziening door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneert als zelfstandige woning; geen zelfstandige kookgelegenheid in de voorziening aanwezig is; maximaal 40Zo van de bruto oppervlakte (inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen), tot een maximum van 75 m2 wordt gebruikt als bed & breakfast; het maximale aantal gasten dat gelijktijdig van de bed & breakfast mag maken is vier; een maximale verblijfsduur van één week wordt gehanteerd; de vestiging van de bed & breakfast geen negatieve effecten heeft voor de leefbaarheid van de omgeving; de extra parkeerdruk die voortkomt uit het toegevoegde gebruik wordt opgevangen op eigen terrein, uitgezonderd de gevallen waarvoor de gemeentelijk verkeerskundige toestemming heeft gegeven binnen een centrumgebied.
13.4.3 overgangsregeling horecabedrijven Het gebruik van de gronden als horecabedrijf op de locaties met de aanduiding 'horeca tot en met categorie 1' mag niet worden hervat indien dit gebruik gedurende een onafgebroken periode van ten minste één jaar gestaakt is geweest. 13.5
13.5.1 1.
2.
13.5.2
Bouwactiviteit
Hoofdgebouwen Uitsluitend de reeds aanwezige bebouwing is toegestaan, waarbij geldt dat het bebouwde oppervlakte niet mag worden uitgebreid, met uitzondering van het bepaalde in artikel 13.5.3, 13.5.4 en 13.5.5. De bouw- en goothoogte van bestaande gebouwen bedraagt ten hoogste de reeds aanwezige bouw- en goothoogte. Toegestane bouwactiviteiten
Het toegestaan de volgende bouwactiviteiten uit te voeren op het bouwperceel behorende bij het hoofdgebouw. 13.5.3
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. het gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 50Zo van het zij- en achtererf van de woning tot een maximum van 50 m2; 2. indien het zij- en achtererf een grotere oppervlakte heeft dan 100 m2 mag bij de maximale oppervlakte van 50 m2 een percentage van 10oZo van het meerdere van 100 m2 van het zij- en achtererf worden opgeteld, tot een maximum van 75 m2; 3. indien niet in de perceelsgrens wordt gebouwd bedraagt de afstand tot de perceelsgrens ten m ins te 1 m; 4. de diepte van een aan- of uitbouw, gemeten vanuit de oorspronkelijke achtergevel waaraan gebouwd wordt, bedraagt: a. bij aaneengebouwde en half vrijstaande woningen: 3 m;
37
b. bij vrijstaande woningen: 5 m; de breedte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op een zijerf dat grenst aan openbaar toegankelijk gebied mag ten hoogste 3,5 m bedragen; 6. indien er sprake is van een voorerf zijn hierop onder de volgende voorwaarden aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan: a. ten hoogste 500Zo van het voorerf mag worden bebouwd; b. de bebouwing mag over ten hoogste de helft van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw worden gesitueerd; c. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3 m; d. de bebouwing mag er niet toe leiden dat de onder a en b ten hoogst toelaatbare bebouwing op het erf wordt overschreden; 7. de goothoogte van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bedraagt ten hoogste 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden; 8. de bouwhoogte van aan-, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m; 9. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; 10. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m; 11. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m. 5.
13.5.4 Erkers Een erker is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. 2. 3. 4.
de erker wordt gesitueerd ten minste 0,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw en ten minste 0,5 m uit de kap; de diepte van de erker bedraagt ten hoogste 1/3 van de afstand van de voorgevel tot de voorste perceelsgrens met een maximum van 1,5 m; de breedte van de erker bedraagt ten hoogste 2/3 van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw; de bouwhoogte van de erker bedraagt ten hoogste 3 m of 0,3 m boven de eerste verdieping (bovenkant vloer) van het hoofdgebouw met een maximum van 4 m.
13.5.5 Dakkapellen Een dakkapel is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1.
2.
maatvoering achterzijde en niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijde: a. de dakkapel ligt aan alle zijden tenminste 0,5m vrij in het dakvlak; b. de dakkapel is gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75m; c. de dakkapel mag niet meer dan 1 meter uit de onderkant van het dakvlak zijn gesitueerd; maatvoering voorzijde en naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijde: a. de dakkapel is niet breder dan 500Zo van de breedte van het dakvlak; b. de dakkapel ligt aan alle zijden tenminste 0,5m vrij in het dakvlak; c. de dakkapel is gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,5m d. de dakkapel mag niet meer dan 1 m uit de onderkant van het dakvlak staan.
13.5.6 Bouwwerk, geen gebouw zijnde 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
van erfafscheidingen tussen de voorgevelrooilijn en de openbare weg: 1 m; van erfafscheidingen elders: 2 m; van vlaggenmasten: 6 m; straatmeubilair: 3 m; lichtmasten: 2 m; antennes ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes: 5 m; van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m. in afwijking van het bepaalde onder 1 t/m 7 gelden ter plaatse van de locatie met de aanduiding 'speeltuin' de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m; b. de oppervlakte van overkappingen bedraagt ten hoogste 20 m2; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
38
13.5.7
Duurzame energievoorzieningen
Het bouwen en installeren van duurzame energie- en warmtevoorzieningen is toegestaan, onder de voorwaarde dat deze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en een ondergeschikte functie hebben. Met ondergeschikte functie wordt bedoeld dat de duurzame energieopwekking zowel wat betreft het gebruik van de percelen en gebouwen als wat betreft ruimtelijke uitstraling niet de boventoon mag gaan voeren en het karakter van de functie niet mag gaan bepalen. Van een ondergeschikte betekenis is uitsluitend sprake indien de voorziening energie opwekt ten behoeve van het eigen gebruik. 13.5.8 1. 2.
13.5.9 1.
2.
3.
13.6
Omgevingsplanactiviteit bouwen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, anders dan de bouwactiviteiten genoemd in artikelen 13.5.3, 13.5.4, 13.5.5, 13.5.6 en 13.5.7; een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend als: a. het voldoet aan de redelijke eisen van welstand; b. het bouwplan bijdraagt aan de doelen zoals bedoeld in Artikel 4; c. het bouwplan voldoet aan de regels gesteld in Hoofdstuk 1; d. indien wordt gebouwd op een locatie binnen specifieke functie, zoals opgenomen in Hoofdstuk 4, wordt het bepaalde in die regels in acht genomen. Omgevingsplanactiviteit innovaties duurzaamheid en klimaat Met het oog op veiligheid is het verboden zonder omgevingsvergunning andere innovatieve voorzieningen dan duurzame energie- en warmtevoorzieningen, zoals bepaald in artikel 13.5.7 te bouwen of te installeren, waaronder: a. waterstoftoepassingen; b. zonnepanelen in het dak (indak zonnepanelen) en het gebruik van zonnepanelen voor meer dan één huishouden (grootschalig gebruik); c. energieopslagsystemen. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend, mits: a. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor natuur en milieu; b. de bouwwerken geen negatieve effecten opleveren voor de waterhuishouding en bodemkwaliteit; c.
de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor nabij gelegen woningen, bedrijven en voorzieningen of in die zin in dit omgevingsplan aangewezen gronden. Alvorens een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder lid 2 wordt verleend, wint het bevoegd gezag advies in bij de Veiligheidsregio en indien het invloed heeft op de (grond) waterhuishouding ook advies in bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen of aan de omgevingsvergunning voorwaarden verbinden ten behoeve van de plaats en afmetingen van de bebouwing: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
13.7
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging van de verkeersveiligheid; ter waarborging van de sociale veiligheid; ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; ter waarborging van de waterhuishouding.
Aansluitactiviteit
Voor aansluitactiviteiten gelden de volgende regels: 13.7.1 Laadpalen openbaar voor burgers en bedrijven 1. 2.
Het plaatsen en het gebruik van een laadpaal voor een burger of bedrijf in de openbare ruimte (verlengd private aansluiting) is niet toegestaan; Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaald in lid 1, mits wordt voldaan aan de 'Beleidsnota Oplaadinfrastructuur elektrische voertuigen' en - indien deze beleidsnota gedurende de planperiode wordt gewijzigd - is de wijziging van toepassing; .
39
13.7.2
Laadpalen eigen terrein
Het plaatsen en het gebruik van laadpalen op eigen terrein en het gebruik van laadkabels is toegestaan, mits het volledig op eigen terrein wordt gerealiseerd.
40
Artikel 14 Woongebied - bijzondere woonvormen 14.1
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties met de functie 'Woongebied - bijzondere woonvormen'. 14.2
Gebruik
Het is in ieder geval toegestaan om de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten: 1. 2. 3.
14.3
bijzondere woonvormen en de daarbij behorende tuinen; het realiseren van de bij de functie behorende duurzame voorzieningen; bij de functie behorende voorzieningen, zoals erven en water, wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen; Verboden gebruik
14.3.1 Algemeen verbod Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken voor de volgende activiteiten: a. verkooppunten voor motorbrandstoffen; b. de opslag en verkoop van consumentenvuurwerk.
14.4
Specifiek gebruik
Ten aanzien van het bepaalde in artikel 14.2 wordt met bijzondere woonvormen bedoeld het in stand houden van het aanbod van een diversiteit van woonvormen met al dan niet zelfstandige woningen, wooneenheden en/ of verzorgingsplaatsen. 14.5
Bouwactiviteit
14.5.1 Hoofdgebouwen 1.
2.
14.5.2
Uitsluitend de reeds aanwezige bebouwing is toegestaan, waarbij geldt dat het bebouwde oppervlakte niet mag worden uitgebreid, met uitzondering van het bepaalde in artikel 14.5.3, 14.5.4 en 14.5.5. De bouw- en goothoogte van bestaande gebouwen bedraagt ten hoogste de reeds aanwezige bouw- en goothoogte.
Toegestane bouwactiviteiten
Het is in ieder geval toegestaan de volgende bouwactiviteiten te verrichten op het bouwperceel behorende bij het hoofdgebouw: 14.5.3
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen
Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. 2.
3. 4.
het gezamenlijk oppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 500Zo van het zij- en achtererf van de woning tot een maximum van 50 m2; indien het zij- en achtererf een grotere oppervlakte heeft dan 100 m2 mag bij de maximale oppervlakte van 50 m2 een percentage van 100Zo van het meerdere van 100 m2 van het zij- en achtererf worden opgeteld, tot een maximum van 75 m2; indien niet in de perceelsgrens wordt gebouwd bedraagt de afstand tot de perceelsgrens ten m ins te 1 m; de diepte van een aan- of uitbouw, gemeten vanuit de oorspronkelijke achtergevel waaraan gebouwd wordt, bedraagt: a. bij aaneengebouwde en half vrijstaande woningen: 3 m;
41
b. bij vrijstaande woningen: 5 m; de breedte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op een zijerf dat grenst aan openbaar toegankelijk gebied mag ten hoogste 3,5 m bedragen; 6. indien er sprake is van een voorerf zijn hierop onder de volgende voorwaarden aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan: a. ten hoogste 500Zo van het voorerf mag worden bebouwd; b. de bebouwing mag over ten hoogste de helft van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw worden gesitueerd; c. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 3 m; d. de bebouwing mag er niet toe leiden dat de onder a en b ten hoogst toelaatbare bebouwing op het erf wordt overschreden; 7. de goothoogte van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bedraagt ten hoogste 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden; 8. de bouwhoogte van aan-, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m; 9. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m; 10. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m; 11. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m. 5.
14.5.4 Erkers Een erker is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. 2. 3. 4.
de erker wordt gesitueerd ten minste 0,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw en ten minste 0,5 m uit de kap; de diepte van de erker bedraagt ten hoogste 1/3 van de afstand van de voorgevel tot de voorste perceelsgrens met een maximum van 1,5 m; de breedte van de erker bedraagt ten hoogste 2/3 van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw; de bouwhoogte van de erker bedraagt ten hoogste 3 m of 0,3 m boven de eerste verdieping (bovenkant vloer) van het hoofdgebouw met een maximum van 4 m.
14.5.5 Dakkapellen Een dakkapel is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1.
2.
maatvoering achterzijde en niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijde: a. de dakkapel ligt aan alle zijden tenminste 0,5m vrij in het dakvlak; b. de dakkapel is gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75m; c. de dakkapel mag niet meer dan 1 meter uit de onderkant van het dakvlak zijn gesitueerd; maatvoering voorzijde en naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijde: a. de dakkapel is niet breder dan 500Zo van de breedte van het dakvlak; b. de dakkapel ligt aan alle zijden tenminste 0,5m vrij in het dakvlak; c. de dakkapel is gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,5m d. de dakkapel mag niet meer dan 1 m uit de onderkant van het dakvlak staan.
14.5.6 Bouwwerk, geen gebouw zijnde 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
van erfafscheidingen tussen de voorgevelrooilijn en de openbare weg: 1 m; van erfafscheidingen elders: 2 m; van vlaggenmasten: 6 m; straatmeubilair: 3 m; lichtmasten: 2 m; antennes ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes: 5 m; van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 m. in afwijking van het bepaalde onder 1 t/m 7 gelden ter plaatse van de locatie met de aanduiding 'speeltuin' de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 6 m; b. de oppervlakte van overkappingen bedraagt ten hoogste 20 m2; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
42
14.5.7
Duurzame energievoorzieningen
Het bouwen en installeren van duurzame energie- en warmtevoorzieningen is toegestaan, onder de voorwaarde dat deze niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en een ondergeschikte functie hebben. Met ondergeschikte functie wordt bedoeld dat de duurzame energieopwekking zowel wat betreft het gebruik van de percelen en gebouwen als wat betreft ruimtelijke uitstraling niet de boventoon mag gaan voeren en het karakter van de functie niet mag gaan bepalen. Van een ondergeschikte betekenis is uitsluitend sprake indien de voorziening energie opwekt ten behoeve van het eigen gebruik. 14.5.8 1. 2.
Omgevingsplanactiviteit bouwen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, anders dan de bouwactiviteiten genoemd in artikelen 14.5.3, 14.5.4, 14.5.5, 14.5.6 en 14.5.7; een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend als: a. het voldoet aan de redelijke eisen van welstand; b. het bouwplan bijdraagt aan de doelen zoals bedoeld in Artikel 4; c. het bouwplan voldoet aan de regels gesteld in Hoofdstuk 1; d. indien wordt gebouwd op een locatie binnen specifieke functie, zoals opgenomen in Hoofdstuk 4, wordt het bepaalde in die regels in acht genomen.
14.5.9 Omgevingsplanactiviteit innovaties duurzaamheid en klimaat 1.
2.
3.
14.6
Met het oog op veiligheid is het verboden zonder omgevingsvergunning andere innovatieve voorzieningen dan duurzame energie- en warmtevoorzieningen, zoals bepaald in artikel14.5.7 te bouwen of te installeren, waaronder: a. waterstoftoepassingen; b. zonnepanelen in het dak (indak zonnepanelen) en het gebruik van zonnepanelen voor meer dan één huishouden (grootschalig gebruik); c. energieopslagsystemen. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend, mits: a. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor natuur en milieu; b. de bouwwerken geen negatieve effecten opleveren voor de waterhuishouding en bodemkwaliteit; c. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor nabij gelegen woningen, bedrijven en voorzieningen of in die zin in dit omgevingsplan aangewezen gronden. Alvorens een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder lid 2 wordt verleend, wint het bevoegd gezag advies in bij de Veiligheidsregio en indien het invloed heeft de (grond) waterhuishouding ook advies in bij het Hoogheemraadschap van Delfland.
Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen of aan de omgevingsvergunning voorwaarden verbinden ten behoeve van de plaats en afmetingen van de bebouwing: 1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; 2. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; 3. ter waarborging van de verkeersveiligheid; 4. ter waarborging van de sociale veiligheid; 5. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; 6. ter waarborging van de waterhuishouding.
14.7
Aansluitactiviteit
Voor aansluitactiviteiten gelden de volgende regels: 14.7.1 Laadpalen openbaar voor burgers en bedrijven 1. 2.
Het plaatsen en het gebruik van een laadpaal voor een burger of bedrijf in de openbare ruimte (verlengd private aansluiting) is niet toegestaan; Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaald in lid 1, mits wordt
43
voldaan aan de 'Beleidsnota Oplaadinfrastructuur elektrische voertuigen' en - indien deze beleidsnota gedurende de planperiode wordt gewijzigd - is de wijziging van toepassing; . 14.7.2
Laadpalen eigen terrein
Het plaatsen en het gebruik van laadpalen op eigen terrein en het gebruik van laadkabels is toegestaan, mits het volledig op eigen terrein wordt gerealiseerd.
44
Hoofdstuk 4
Specifieke functies en activiteiten
Artikel 15 overige zone Voor de 'overige zone' zijn de regels, naast de aldaar voorkomende functies, tevens de regels in Artikel 2 en Artikel 3 van toepassing.
45
Artikel 16 overige zone - ecologische verbindingszone 16.1
Functieomschrijving
Op locaties met de functie 'overige zone - ecologische verbindingszone' zijn, naast de aldaar voorkomende functies, de regels gesteld met het oog op de aanleg, behoud, herstel en versterking van de ecologische verbindingszone. 16.2 1.
2.
3.
16.3 1. 2. 3.
Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, voetpaden of fietspaden; b. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen; c. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen, egaliseren of scheuren van grasland; d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; e. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden, aanleg- en ligplaatsen of vlonders; f. het vellen en/of rooien of het verrichten van werkzaamheden, welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas dan wel waardevolle vegetatie ten gevolge kunnen hebben; g. het bemalen of draineren van de grond en het winnen, toevoeren, afdammen of stuwen van water of het anderszins wijzigen van de grondwaterstand en de waterhuishouding; h. het verrichten van exploratie- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van delfstoffen, olie of gas, geothermie. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen: b. verband houden met de verwezenlijking, het behoud en beheer van de ecologische verbindingszone.
Het verbod in lid 1 is tevens niet van toepassing op de bestaande bouwwerken en het gebruik van de bouwwerken en de gronden.
Omgevingsplanactiviteit: bouwen Het is verboden zonder omgevingsvergunning nieuw bebouwing op te richten of nieuw gebruik van de gronden toe te staan; Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend als de nieuwe bebouwing en het gebruik van de gronden geen afbreuk doet en bijdraagt aan de ecologische zone; Een bijdrage aan de ecologische zone wordt geleverd door de nieuwe bebouwing groeninclusief te bouwen, waarbij gedacht kan worden aan : a. het aanleggen van een sedumdak; b. het aanbrengen van insectensteen; c. groene muren en daken; d. het treffen van omgevingsmaatregelen.
46
Artikel 17 overige zone - kernwinkelgebied 17.1
Functieomschrijving
Op locaties met de functie 'overige zone - kernwinkelgebied' zijn, naast de aldaar voorkomende functies, de regels in dit artikel gesteld met het oog op: a. b. c.
17.2
integrale doel levendigheid; het behoud en zo mogelijk versterken van het voorzieningenniveau en de woonfunctie; het handhaven van een diversiteit van centrumvoorzieningen met een overwegend publieksgericht karakter. Gebruik
De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. functies die bijdragen aan een gezellig en levendig kernwinkelgebied, die passend zijn in een winkelstraat wat betreft aard en omvang, waaronder in ieder geval wordt verstaan: 1. detailhandel; 2. vormen van horeca die wat betreft ruimtelijke uitstraling en functioneel aansluiten bij winkelvoorzieningen.
17.3
Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning voor het bepaalde in artikel 6.4.3 en 6.4.4 wordt alleen verleend, mits wordt voldaan aan de volgende regels. a. b.
het een bijdrage levert aan de oogmerken en de doelen in artikel 4.2.1 en 17.2; het geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat, waarbij tevens wordt gelet op de verkeersaantrekkende werking en de uitstralingseffecten samenhangend met de bedrijfsvoering; c. er geen clustering van horecabedrijven plaatsvindt; d. het geen categorie 3 horeca betreft zoals opgenomen in Bijlage 5 van de regels; e. in het geval van nieuwe detailhandelfunctie dient de marktbehoefte te worden aangetoond; f. het geen onevenredig afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat, waarbij tevens wordt gelet op de verkeersaantrekkende werking en de uitstralingseffecten samenhangend met de bedrijfsvoering.
47
Artikel 18 overige zone - laanbeplanting 18.1
Functieomschrijving
Op locaties met de aanduiding 'overige zone - laanbeplanting' zijn, naast de aldaar voorkomende functies, de regels in dit artikel gesteld met het oog op behoud en bescherming van het karakter van de laanbeplanting en bermen. 18.2 1.
2.
18.3
Omgevingsplanactiviteit Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken en werkzaamheden uit te voeren die tot gevolg hebben het karakter van de laanbeplanting en bermen onevenredig aantast; Voor het kappen van bomen is het bepaalde in artikel 3.8 Kappen, rooien en vellen houtopstanden van toepassing.
Uitzonderingen
Het in artikel 18.1 opgenomen verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden in het kader van normaal onderhoud.
48
Artikel 19 overige zone - monumentaal dorpscentrum 19.1 1.
2.
19.2
Functieomschrijving Op locaties met de aanduiding 'overige zone - monumentaal dorpscentrum' zijn, naast de aldaar voorkomende functies, de regels in dit artikel gesteld met het oog op: a. het behoud en bescherming van historische panden; b. het behoud en versterken van het historische karakter van het centrum; de regels zijn van toepassing op de locaties met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde gemeentelijk monument' en 'karakteristiek'. Specifieke zorgplicht
Degene die een gemeentelijke monumentenactiviteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. 19.3 Gebruiksactiviteiten Alleen de volgende activiteiten zijn toegestaan: 1. 2. 3.
4.
19.4 1. 2. 3.
4.
19.5 1.
noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; inpandige wijzigingen van een onderdeel van het gemeentelijk monument, dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; op de locatie met de aanduiding 'begraafplaats' is met inachtneming van de monumentale waarden: a. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; b. doen van begravingen of asbijzettingen; c. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk m onument; op de locatie met de aanduiding 'religie', met inachtneming van de monumentale waarden, godsdienstuitoefening.
Omgevingsplanactiviteit Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijke monumentenactiviteit te verrichten, anders dan de gebruiksactiviteiten, bedoeld in artikel 19.3; De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg; Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten; c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en d. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het advies van de gemeentelijke monumentencommissie.
Omgevingsplanactiviteit slopen Het is het verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een hoofdgebouw met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - monumentaal' en specifieke vorm van waarde karakteristiek' te slopen;
49
2.
19.6
Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien ofwel aannemelijk is gemaakt dat herbouw in dezelfde of een ter plaatse passende nieuwe karakteristiek zal plaatsvinden, dan wel indien er, naar het oordeel van het bevoegd gezag, geen mogelijkheid is om verval van het karakteristieke of monumentale bouwwerk tegen te gaan.
Uitzondering op het sloopverbod
Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 19.5 is niet vereist voor: a. b. c. d.
19.7
sloopwerkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; het slopen ingevolge een aanschrijving van het bevoegd gezag; het slopen van bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist; sloopwerkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde omgevingsvergunning.' Maatwerkvoorschriften
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen als blijkt dat een activiteit als bedoeld in artikelen 19.4 en 19.5 kan leiden tot aantasting van het monument of het karakteristieke pand.
50
Artikel 20 overige zone - vaarweg - categorie E Voor de 'overige zone - vaarweg - categorie E' zijn de regels in artikel Artikel 12 van toepassing.
51
Artikel 21 overige zone - vaarweg - categorie F Voor de 'overige zone - vaarweg - categorie F' zijn de regels in artikel Artikel 12 van toepassing.
52
Artikel 22 Leiding - Water 22.1
Functieomschrijving
Op de locaties met de functie 'Leiding - Water' zijn, behalve voor de daar voorkomende functies, regels mede gesteld voor een ondergrondse waterleiding.
22.2 1. 2.
22.3 1.
2.
3. 4.
Bouwactiviteiten Op deze locaties mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd en bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 3 meter; Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 1, mits: a. de belangen met betrekking met betrekking tot de betrokken leidingen dit toelaten; b. het bevoegd gezag wint advies in bij de beheerder van de betrokken leiding.
Omgevingsplanactiviteit bouwen Het is verboden op of in de gronden, met de functie ' Leiding - Water' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven dan wel indrijven van voorwerpen; c. het uitvoeren van grondwerkzaamheden; d. het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. worden uitgevoerd in het kader van het onderhoud en beheer van de leiding; b. van geringe omvang zijn of gericht op en noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de leiding; c. niet van ingrijpende betekenis zijn. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt uitsluitend verleend indien gebleken is dat door de werkzaamheden geen schade kan ontstaan aan de leiding; Het bevoegd gezag wint advies in bij de leidingbeheerder.
53
Artikel 23 Veiligheidszone - Invloedsgebied 23.1
Functieomschrijving
Op de locaties met de functie 'Veiligheidszone - Invloedsgebied' zijn, naast de aldaar voorkomende functies, de regels in dit artikel gesteld met het oog op de beheersing en vermindering van de effecten van een incidenten afkomstig van de risicobron N211 (transport gevaarlijke stoffen).
23.2
Externe veiligheid
Binnen het 'Veiligheidszone - Invloedsgebied' van de risicobron N211 kan het bevoegd gezag met het oog op het aspect Externe Veiligheid, ter beheersing van uitpandige vluchtroutes en de bereikbaarheid voor de brandweer, voor zover dit niet elders in dit omgevingsplan is vastgelegd nadere eisen stellen aan: a. b.
c.
d.
vluchtmogelijkheden en situering van bouwwerken waarbij kwetsbare bouwwerken zo ver mogelijk van de risicobronnen af worden gesitueerd; vluchtmogelijkheden en de inrichting van terreinen/openbare ruimte, bouwwerken en gebieden binnen het invloedsgebied zijn veilig en snel te verlaten, door adequate vluchtroutes van de bron af zowel in gebouwen als in de buitenruimte; Bouwwerken binnen het effectgebied, waarin personeelsleden, bezoekers, verminderd tot niet zelfredzame personen en/of grote groepen mensen kunnen verblijven, beschikken over een adequaat ontruimingsplan dat voldoende periodiek wordt geoefend; Bewoners, personeelsleden en vaste bezoekers binnen de veiligheidszone worden geïnformeerd over de verschillende risico's en gevaren van het transport van gevaarlijke stoffen. Daarbij dient men tevens geïnformeerd te worden over de wijze van alarmeren en de wenselijke manier van reageren tijdens incidenten (risicocommunicatie).
54
Artikel 24 vrijwaringszone - beschermingszonewaterkering 24.1 1.
2.
24.2 1.
2.
24.3 1. 2.
Functieomschrijving Op locaties met de functie 'vrijwaringszone - beschermingszone waterkering' zijn de regels in dit artikel, naast voor de andere daar voorkomende functies, regels mede gesteld met het oog op het behoud en de bescherming van de waterkering. in geval van strijdigheid, gaan de regels van dit artikel vóór de regels die ingevolge andere artikelen op de betreffende gronden van toepassing zijn.
Verboden activiteiten Het is verboden op of in de gronden, met de functie ' vrijwaringszone - beschermingszone waterkering' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het graven, dempen of verbreden van waterlopen; b. het realiseren van werken; c. het vellen van bomen of opruimen van houtwallen; d. het bebossen en beplanten van gronden; e. het aanbrengen van boven- en ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen; f. het aanleggen en verharden van wegen, paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; g. het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem en/of gronden; h. het wijzigen van de grondwaterstand door bevloeiing, (bron)bemaling, drainage of andere wijze; i. het uitvoeren van grondmechanisch onderzoek; j. beweiden k. het verrichten van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem. Het verbod als bedoeld in lid 1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning van de gemeente, dan wel een reeds verleende vergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland.
Bouwactiviteiten Op deze locaties mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd en bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 3 meter; In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze locatie geldende functies, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
24.4 Omgevingsplanactiviteit bouwen 1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 24.2, mits: a. de belangen van de waterkering niet onevenredig worden geschaad; b. het bevoegd gezag wint advies in bij het Hoogheemraadschap van Delfland. 2. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 24.3, mits: a. Deze bouwwerken passen binnen de geldende functie(s); b. De Algemene regels van het Hoogheemraadschap van Delfland, zoals die gelden op het moment dat de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, in acht genomen worden; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning van de gemeente, dan wel een reeds verleende vergunning van het Hoogheemraadschap van Delfland.
55
56
Artikel 25 Waarde - Archeologie 25.1
Functieomschrijving
Op locaties met de functie 'Waarde - Archeologie' zijn de regels in dit artikel, naast voor de andere daar voorkomende functies, gesteld met het oog op het behoud en de bescherming van de archeologische waarden.
25.1.1 1.
2.
25.1.2 1.
2.
Verboden activiteiten Het is verboden zonder, of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken, uit te voeren: a. op locaties met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - zone archeologie 1': bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 50 m2 en diepte dieper dan 30 cm - maaiveld, waartoe wordt gerekend saneren, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en ophogen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. op locaties met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - zone archeologie 2': bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 100 m2 en diepte dieper dan 30 cm - maaiveld, waartoe wordt gerekend saneren, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en ophogen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; c.
op locaties met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - zone archeologie 3': bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 250 m2 en diepte dieper dan 50 cm- maaiveld, waartoe wordt gerekend saneren, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en ophogen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; d. op locaties met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - zone archeologie 4': bodemverstorende werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 500 m2 en diepte dieper dan 50 cm- maaiveld, waartoe wordt gerekend saneren, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en ophogen van gronden, alsmede het vergraven, wegruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; e. het verlagen of verhogen van het waterpeil; f. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; g. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; h. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; i.
het aanleggen en verwijderen van verhardingen ten behoeve van wegen, paden, parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen; Het verbod als bedoeld in 25.1.2 is niet van toepassing, indien het bouwwerk, de werkzaamheden of de werken: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbji gebruik wrodt gemaakt van de bestaande fundering; b. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan; d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingvergunning; e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Omgevingsplanactiviteit Alvorens een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een bouwwerk, werk of werkzaamheden wordt verleend, dient de aanvrager een archeologisch rapport te overleggen, waaruit blijkt of en zo ja, in hoeverre, het bouwplan zal leiden tot de verstoring van archeologische waarden. Indien uit het in lid 2 genoemde archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden aan de
57
omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen conform artikel 1.1 en Artikel 5.1, eerste lid van de Erfgoedwet, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, op basis van een Programma van Eisen dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. d. Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 25.1.2 lid 1, is afgegeven, waaraan voorschriften zijn verbonden als bedoeld in 25.1.2 lid 2 sub a, b en c, zijn 25.1.1 lid 2 sub d en e niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan in een dergelijk geval bepalen dat nieuw archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd om te toetsen of de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord. 25.1.2 lid 2 sub a, b en c is overeenkomstig van toepassing.
25.2
Wijzigingsbevoegdheid
1. Het bevoegd gezag is bevoegd op de plankaart als 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden te wijzigen of (gedeeltelijk) te verwijderen, indien: a. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat het niet langer noodzakelijk is dat het omgevingsplan ter plaatse voorziet in behoud en bescherming van archeologische waarden.
58
Artikel 26 Waterstaatswerk - Waterkering 26.1 1.
2.
26.2 1.
2.
Functieomschrijving Op locaties met de aanduiding 'Waterstaatswerk - Waterkering' zijn in dit artikel, naast voor de andere daar voorkomende functies, regels mede gesteld met het oog op de bescherming van de waterkering. - behalve voor de andere aldaar voorkomende functies - mede bestemd voor de waterkering. In geval van strijdigheid, gaan de regels van dit artikel vóór de regels die ingevolge andere artikelen op de betreffende gronden van toepassing zijn. Verboden activiteiten Het is verboden op of in de gronden, met de functie ' Waterstaatswerk - Waterkering' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het graven, dempen of verbreden van waterlopen; b. het vellen van bomen of opruimen van houtwallen; c. het bebossen en beplanten van gronden; d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen; e. het aanleggen en verharden van wegen, paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem en/of gronden; g. het wijzigen van de grondwaterstand door bevloeiing, (bron)bemaling, drainage of andere wijze; h. het uitvoeren van grondmechanisch onderzoek; i. beweiden; j. het verrichten van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem.
Het verbod in lid 1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning.
26.3 Bouwactiviteiten 1. Op deze locaties mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd en bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 3 meter; 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze locatie geldende functies, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 26.4 1.
2.
Omgevingsplanactiviteit bouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 26.2 en 26.3, mits: a. de bij de betrokken functies behorende bouwregels in acht worden genomen en; b. het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad; Het bevoegd gezag wint advies in bij het Hoogheemraadschap van Delfland.
59
Hoofdstuk 5
Algemene regels
Artikel 27 Anti - dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
60
Artikel 28 Algemene bouwregels 28.1
Overschrijding bestaande hoogte
28.1.1
Ondergeschikte bouwdelen
De bestaande hoogten van hoofdgebouwen mogen worden overschreden door antenne installaties, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 5 m. bedraagt , alsmede door schoorstenen, trappenhuizen, alarminstallaties en andere ondergeschikte bouwdelen, indien en voorzover de overschrijding niet meer dan 1,00 m. bedraagt.
28.1.2
Liftkokers
De bestaande hoogte van hoofdgebouwen mag worden overschreden door liftkokers, indien en voorzover deze overschrijding niet meer dan 1,5 meter bedraagt.
28.1.3
Balustrades
De bestaande hoogte van hoofdgebouwen mogen, behalve op het dak van de bovenste verdieping, worden overschreden door balustrades, indien en voor zover de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.
28.2 1. 2.
28.3
Ondergronds bouwwerken De regels van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op ondergrondse bouwwerken. In aanvulling op het bepaalde onder 1 mogen ondergrondse ruimten slechts worden gerealiseerd voor zover deze zijn gelegen tussen de buitenwerkse gevels van het bovengronds gelegen hoofdgebouw en met een maximale verticale diepte van 3 meter onder het peil.
Regels betreffende kamerverhuur, recreatieve verhuur en woning splitsing
1. Het is verboden een bestaande woning te veranderen in en/of te vergroten tot twee of meer woningen. Het is eveneensverboden meerdere woningen samen te voegen tot een kleiner aantal woningen.. 2. Het is verboden bestaande gebouwen en gronden met een bestemming waar volgens de functie- of bestemmingsomschrijving het wonen naast andere functies en/of bestemmingen is toegestraan te veranderen in en/of te vergroten tot twee of meer woningen .Woonmogelijkheden binnen functies en/of bestemmingen op grond waarvan wonen is toegestaan - maar nog niet wordt toegepast- zijn bestemd voor een (1) huishouden; 3. Bij herbouw van een of meerdere woningen binnen de functie en/of de bestemming Wonen of binnen een bestemming en of functie waar wonen is toegestaan, is in de nieuwe situatie een gelijk aantal woningen toegestaan.