CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

LOS percelen 2_Toelichting

Gemeenteraad 29 mei 2024, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Legalisering Oude Strijdigheden (LOS-percelen 2)30.826 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het perceel De Korenb loem 15 2.4.7.3 Galgeweg 47 Galgeweg 47 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning, maar in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning werd voor de peildatum al gebruikt als burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De woning staat op voldoende afstand van de omliggende glastuinbouwbedrijven. Het dichtstbijzijnde functionerende glastuinbouwbedrijf bevindt zich op 45 meter van de gevel van de woning. Gezien de oppervlakte van het perceel kan geconcludeerd worden dat het vergroten van het woonvlak op de locatie de glastuinbouw nu en in de toekomst (deels) kan belemmeren in de herstructurering. Daarnaast bevindt zich boven het perceel en hoogspanningsverbinding. Aangezien het niet is toegestaan woningen te realiseren onder een dergelijke verbinding (op het perceel zijn immers inmiddels 2 woningen verwijderd) kan ook dat deel niet voorzien worden van een woonbestemming. Ter plaatse kan immers geen goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. De woning Galgeweg 47 wordt daarom gedeeltelijk voorzien van de bestemming 'Wonen'.

Het resterende deel van het perceel, met een oppervlakte van 4200m 2, blijft voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' met de aanduiding 'Wetgevingszone-moderniseringsgebied'.

48

Het perceel Galgeweg 47 2.4.7.4 Galgeweg 51 Galgeweg 51 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning, maar in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning werd voor de peildatum al gebruikt als burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De woning staat op voldoende afstand van de omliggende glastuinbouwbedrijven. Het dichtstbijzijnde functionerende glastuinbouwbedrijf bevindt zich op 50 meter van de gevel van de woning. De woning Galgeweg 51 wordt daarom voorzien van de bestemming 'Wonen'. Op het perceel bevindt zich een surplus aan bijgebouwen. Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum. Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaats is een bouwaanduiding opgenomen. Ter plaatse mag 880m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

Het perceel Galgeweg 51 2.4.7.5 Geestweg 146 Geestweg 146 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning. De woning is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' ook voorzien van de bestemming 'Wonen'. Deze woonbestemming heeft een oppervlakte van 517m 2. De resterende gronden, welke wel in privégebruik zijn, met een oppervlakte van 191m 2, zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. Deze gronden (met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw') werden voor de peildatum al gebruikt als gronden behorende bij een burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De gronden met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' zijn gelegen rechts van de woning. Uitbreiding van het tuinbouwbedrijf op deze gronden van het kavel is, vanwege geldende afstandsmaten voor een tuinbouwbedrijf ter plaatse niet mogelijk. Het perceel met daarop de woning Geestweg 146 wordt daarom geheel voorzien van de bestemming 'Wonen'.

49

Het perceel Geestweg 146 2.4.7.6 Geestweg 148 Geestweg 148 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning. De woning is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' ook voorzien van de bestemming 'Wonen'. Deze woonbestemming heeft een oppervlakte van 827m 2. De resterende gronden, welke wel in privégebruik zijn, met een oppervlakte van 283m 2, zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. Deze gronden (met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw') werden voor de peildatum al gebruikt als gronden behorende bij een burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De gronden met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' zijn gelegen rechts van de woning. Uitbreiding van het tuinbouwbedrijf op deze gronden van het kavel is, vanwege geldende afstandsmaten voor een tuinbouwbedrijf ter plaatse niet mogelijk. Aangezien een deel van het perceel (met een oppervlakte van 125m 2) in gebruik is bij de naastgelegen tuinder en er derhalve geen sprake is van strijdig gebruik, behoudt dat deel van het perceel wel de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' met de aanduiding 'Wetgevingszone-moderniseringsgebied'. Het perceel met daarop de woning Geestweg 148 wordt daarom gedeeltelijk voorzien van de bestemming 'Wonen'.

Het perceel Geestweg 148 2.4.7.7 Geestweg 150 Geestweg 150 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning. De woning is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' ook voorzien van de bestemming 'Wonen'. Deze woonbestemming heeft een oppervlakte van 1006m 2. De resterende gronden, welke wel in privégebruik zijn, met een oppervlakte van 1057m 2, zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. Deze gronden (met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw') werden voor de peildatum al gebruikt als gronden behorende bij een burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De gronden met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' zijn gelegen rechts van de woning. Uitbreiding van het tuinbouwbedrijf op deze gronden van het kavel is, vanwege geldende afstandsmaten voor een tuinbouwbedrijf ter plaatse niet mogelijk. Het perceel met daarop de woning Geestweg 150 wordt daarom geheel voorzien van de bestemming 'Wonen'. Op het perceel, wat is voorzien van de bestemming 'Wonen', bevindt zich een surplus aan bijgebouwen. Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum. Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaatse is een bouwaanduiding opgenomen.

Ter plaatse mag 250m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

50

Het perceel Geestweg 150 2.4.7.8 Hoge Noordweg 2 Hoge Noordweg 2 betreft een tuinbouwbedrijf, welke niet voldeed aan de minimaal gestelde oppervlaktemaat uit het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland.' Het bedrijf heeft een oppervlakte kleiner dan 5000m 2. De locatie is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. Aangezien het bedrijf al als zodanig aanwezig was voor de gestelde peildatum is het kleinschalige tuinbouwbedrijf opgenomen in dit bestemmingsplan. Het bedrijf is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw', met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-kleinschalig glastuinbouwbedrijf'.

Het perceel Hoge Noordweg 2 2.4.7.9 Hoge Noordweg 19 Hoge Noordweg 19 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning. De woning is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' ook voorzien van de bestemming 'Wonen'. Deze woonbestemming heeft een oppervlakte van 1240m 2. De resterende gronden, welke wel in privégebruik zijn, met een oppervlakte van 660m 2, zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De woning staat op voldoende afstand van de omliggende glastuinbouwbedrijven. Het dichtstbijzijnde functionerend glastuinbouwbedrijf bevindt zich op ca. 20 meter van de gevel van de woning. Het gehele perceel Hoge Noordweg 19 wordt daarom voorzien van de bestemming 'Wonen'. Op het perceel bevindt zich een surplus aan bijgebouwen. Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum. Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaats is een bouwaanduiding opgenomen. Ter plaatse mag 280m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

51

Het perceel Hoge Noordweg 19 2.4.7.10 Hoge Noordweg 20 Hoge Noordweg 20 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning. De woning is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' ook voorzien van de bestemming 'Wonen'. Deze woonbestemming heeft een oppervlakte van 620m 2. De resterende gronden, welke wel in privégebruik zijn, met een oppervlakte van 590m 2, zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De woning staat op voldoende afstand van de omliggende glastuinbouwbedrijven. Het dichtstbijzijnde functionerend glastuinbouwbedrijf bevindt zich op 20 meter van de gevel van de woning. De woning Hoge Noordweg 20 wordt daarom voorzien van de bestemming 'Wonen'. Op het perceel bevindt zich een surplus aan bijgebouwen. Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum. Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaats is een bouwaanduiding opgenomen. Ter plaatse mag 180m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

Het perceel Hoge Noordweg 20 2.4.7.11 Hoge Noordweg 21 Hoge Noordweg 21 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning. De woning is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' ook voorzien van de bestemming 'Wonen'. Deze woonbestemming heeft een oppervlakte van 640m 2. De resterende gronden, welke wel in privégebruik zijn, met een oppervlakte van 450m 2, zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De woning staat op voldoende afstand van de omliggende glastuinbouwbedrijven. Het dichtstbijzijnde functionerend glastuinbouwbedrijf bevindt zich op 20 meter van de gevel van de woning. Het perceel Hoge Noordweg 21 wordt daarom ook voor de aangegeven 450 m2 voorzien van de bestemming 'Wonen'. Op het perceel bevindt zich een surplus aan bijgebouwen. Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum. Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaats is een bouwaanduiding opgenomen. Ter plaatse mag 400m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

52

Het perceel Hoge Noordweg 21 2.4.7.12 Hoge Noordweg 22 Hoge Noordweg 22 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning, maar in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. Deze gronden (met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw') werden voor de peildatum al gebruikt als gronden behorende bij een burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De woning staat op voldoende afstand van het nabijgelegen glastuinbouwbedrijf. Uit onderzoek ten tijde van de nieuwbouw van het bedrijf (na de peildatum) is gebleken dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Het perceel Hoge Noordweg 22 wordt daarom geheel voorzien van de bestemming 'Wonen.' Op het perceel bevindt zich een surplus aan bijgebouwen. Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum. Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaats is een bouwaanduiding opgenomen. Ter plaatse mag 500m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

Het perceel Hoge Noordweg 22 2.4.7.13 Kleine Achterweg 55 Kleine Achterweg 55 betreft een tuinbouwbedrijf, welke niet voldeed aan de minimaal gestelde oppervlaktemaat uit het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland.' Het bedrijf heeft een oppervlakte kleiner dan 5000m 2. De locatie is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. Aangezien het bedrijf al als zodanig aanwezig was voor de gestelde peildatum is het kleinschalige tuinbouwbedrijf opgenomen in dit bestemmingsplan. Het bedrijf is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw', met de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-kleinschalig glastuinbouwbedrijf'.

53

Het perceel Kleine Achterweg 55 2.4.7.14 Lange Broekweg 15 Lange Broekweg 15 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning. De woning is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' ook voorzien van de bestemming 'Wonen'. Deze woonbestemming heeft een oppervlakte van 696m 2. De resterende gronden, welke wel in privégebruik zijn, met een oppervlakte van 300m 2, zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. Deze gronden (met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw') werden voor de peildatum al gebruikt als gronden behorende bij een burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De gronden met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' zijn gelegen achter de woning. De gronden direct achter de woning kunnen echter niet gebruikt worden ten behoeve van een glastuinbouwontwikkeling. De naastgelegen woning Lange Broekweg 15a is namelijk al tot de achtergrens van Lange Broekweg 15 voorzien van de bestemming 'Wonen'. Het achtergelegen tuinbouwbedrijf kan niet dichter op de woning gerealiseerd worden. Het perceel met daarop de woning Lange Broekweg 15 wordt daarom geheel voorzien van de bestemming 'Wonen'. Op het perceel bevindt zich een surplus aan bijgebouwen. Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum.

Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaats is een bouwaanduiding opgenomen. Ter plaatse mag 430m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

Het perceel Lange Broekweg 15 2.4.7.15 Monstersepad 4a Monstersepad 4a betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning, maar in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning werd voor de peildatum al gebruikt als burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw waarschijnlijk hindert (noodzakelijk uit te plaatsen) (categorie 1 woning). Bovendien is deze woning gelegen op onvoldoende afstand van een functionerend glastuinbouwbedrijf. De woning Monstersepad 4a kan daarom niet voorzien worden van de bestemming 'Wonen'. De woning is voorzien van een persoonsgebonden overgangsrecht. De woning mag, zolang de huidige bewoner gebruiker is van de woning, gebruikt worden als burgerwoning. Zodra de huidige bewoner de woning verlaat, mag de woning alleen nog maar gebruikt worden voor de glastuinbouw. De huidige bewoner mag de woning dus alleen verkopen aan een glastuinbouwondernemer.

54

Het perceel Monstersepad 4a 2.4.7.16 Opstalweg 5a Opstalweg 5a betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning. De woning is in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' ook voorzien van de bestemming 'Wonen'. Deze woonbestemming heeft een oppervlakte van 998m 2. De resterende gronden, welke wel in privégebruik zijn, met een oppervlakte van 1892m 2, zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. Deze gronden (met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw') werden voor de peildatum al gebruikt als gronden behorende bij een burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw mogelijk hindert (categorie 2 woning). De gronden met de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' zijn gelegen achter de woning en op de toegangsweg tot de woning. De toegangsweg is ingeklemd tussen de woningen Opstalweg 5 en 7. De overige gronden zijn gelegen achter de woningen en ingeklemd tussen de woonbestemming van Opstalweg 5a en Opstalweg 3, de besdrijfsbestemming van Opstalweg 1 en de recreatieve bestemming van Opstalweg 3a. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat deze gronden de glastuinbouw in de toekomst niet in de weg liggen. Het perceel met daarop de woning Opstalweg 5a wordt daarom in zijn geheel voorzien van de bestemming 'Wonen'. Op het perceel bevindt zich een surplus aan bijgebouwen.

Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum. Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaats is een bouwaanduiding opgenomen. Ter plaatse mag 280m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

Het perceel Opstalweg 5a 2.4.7.17 Oranjesluisweg 4 Oranjesluisweg 4 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning, maar in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning werd voor de peildatum al gebruikt als burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De woning staat op voldoende afstand van de omliggende glastuinbouwbedrijven. Het dichtstbijzijnde functionerende glastuinbouwbedrijf bevindt zich op 12 meter van de gevel van de woning. De woning Oranjesluisweg 4 wordt daarom voorzien van de

55

bestemming 'Wonen'. Op het perceel bevindt zich een surplus aan bijgebouwen. Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum. Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaats is een bouwaanduiding opgenomen. Ter plaatse mag 200m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

Het perceel Oranjesluisweg 4 2.4.8

Poeldijk

2.4.8.1 Casemb rootlaan 18 Casembrootlaan 18 betreft een woning , welke in gebruik is als burgerwoning, maar in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Boomawatering' is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning werd voor de peildatum al gebruikt als burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De woning Casembrootlaan 18 wordt daarom voorzien van de bestemming 'Wonen'. Een groot gedeelte van het perceel kan nog in aanmerking komen voor de glastuinbouw. Zodoende krijgt niet het hele perceel de woonbestemming, er wordt ook een gedeelte voorzien van de aanduiding 'Wetgevingszone - moderniseringsgebied.' Op het perceel bevindt zich een surplus aan bijgebouwen. Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum. Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaats is een bouwaanduiding opgenomen. Ter plaatse mag 250m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

Het perceel Casemb rootlaan 18 2.4.8.2 Van Ruyvenlaan 27 Van Ruyvenlaan 27 betreft een woning , welke in gebruik is als burgerwoning, maar in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Boomawatering' is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning werd voor de peildatum al gebruikt als burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hoogstwaarschijnlijk niet hindert (categorie 3 woning). De woning Van Ruyvenlaan 27 wordt daarom voorzien van de bestemming 'Wonen'. Een groot gedeelte van het perceel kan nog in aanmerking komen voor ten behoeve van de glastuinbouw, bijvoorbeeld door een uitplaatskavel voor een bedrijfswoning elders te realiseren. Zodoende krijgt niet het hele perceel de woonbestemming, maar behoudt een

56

gedeelte ook de bestemming glastuinbouw met de aanduiding 'wetgevingszone-moderniseringsgebied'. Voor de achterlijn van de woonbestemming is de naastgelegen lijn van Van Ruyvenlaan 26 aangehouden. Op het perceel bevindt zich een surplus aan bijgebouwen. Ook deze bijgebouwen waren al als zodanig aanwezig voor de gestelde peildatum. Het aantal m 2 aan bijgebouwen hoeft daarom niet te worden teruggebracht naar maximaal 100m 2. Ter plaats is een bouwaanduiding opgenomen. Ter plaatse mag 750m 2 aan bijgebouwen aanwezig zijn.

Het perceel Van Ruyvenlaan 27 2.4.8.3 Vredeb estlaan 5 Vredebestlaan 5 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning, maar in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Boomawatering' is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning werd voor de peildatum al gebruikt als burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw mogelijk hindert (categorie 2 woning). Ter plaatse kan geen goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden, aangezien de woning te dicht op het achterliggende glastuinbouwbedrijf Vredebestlaan 5b is gelegen. De woning bevindt zich op een afstand van minder dan 5 meter van het glastuinbouwbedrijf. Het is niet wenselijk de woning te voorzien van de bestemming 'Wonen'. De woning is voorzien van een persoonsgebonden overgangsrecht. De woning mag, zolang de huidige bewoner gebruiker is van de woning, gebruikt worden als burgerwoning. Zodra de huidige bewoner de woning verlaat, mag de woning alleen nog maar gebruikt worden voor de glastuinbouw. De huidige bewoner mag de woning dus alleen verkopen aan een glastuinbouwondernemer.

Het perceel Vredeb estlaan 5 2.4.9

Wateringen

2.4.9.1 Markuslaan 6 Markuslaan 6 betreft een woning, welke in gebruik is als burgerwoning, maar in het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' is voorzien van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw'. De woning werd voor de peildatum al gebruikt als burgerwoning. De woning is aangemerkt als een woning welke de herstructurering van de glastuinbouw hindert (categorie 1 woning). Het omzetten van de bestemming 'Agrarisch-Glastuinbouw' naar 'Wonen' levert een onevenredige hinder op voor het functioneren van het glastuinbouwgebied. Hierdoor is het niet wenselijk de woning te voorzien van de bestemming 'Wonen'. De woning is voorzien van een persoonsgebonden overgangsrecht. De woning mag, zolang de huidige bewoner gebruiker is van de woning, gebruikt worden als burgerwoning. Zodra de huidige bewoner de

57

woning verlaat, mag de woning alleen nog maar gebruikt worden voor de glastuinbouw. De huidige bewoner mag de woning dus alleen verkopen aan een glastuinbouwondernemer.

Het perceel Markuslaan 6

58

Hoofdstuk 3

Onderzoek

3.1

Bedrijven en milieuzonering

3.1.1

Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 3.1.2

Onderzoek

Glastuinbouwb edrijven Voor de milieuzonering van de glastuinbouwbedrijven ten opzichte van woningen, woonlinten en woonwijken in het plangebied wordt als richtlijn conform de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) – categorie 2 toegepast. Voor de kernen moet een afstand van 30 meter aangehouden worden en voor de woningen in de linten moet een afstand van 10 meter aangehouden worden. Ten opzichte van een rustige woonwijk In de Nota planbeoordeling 2002 ging de provincie uit van een minimum afstand 25 meter tussen een glastuinbouwbedrijf en een gevoelige functie. Voor de aanleg van vele woonwijken (uitbreiding kernen) is rekening gehouden met een afstand van 25 meter tussen de glasopstanden en de woningen. Volgens de VNG geldt er een richtafstand van 30 meter. Deze afstand wordt bij de aanleg van nieuwe woonwijken aangehouden, maar in bestaande situaties waar een afstand van 25 meter of minder van toepassing is, wordt bij herbouw uitgegaan van 25 meter, mits de geluidsbronnen van het bedrijf (bedrijfsruimte) op minimaal 30m worden gesitueerd. Hiermee wordt voorkomen dat bij de herbouw van de glasopstanden het glastuinbouwbedrijf en de glaslijn fors aantal meters terug moet en derhalve sprake is van een verlies aan teeltareaal.

Ten opzichte van gemengd geb ied Als afstandsmaat tussen een enkele woning en de bestemmingsgrens "Glastuinbouw" wordt in het bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland 12,50 meter aangehouden. Deze afstandsmaat, welke is overgenomen uit de "Parapluherziening bestemmingsplannen buitengebied Westland", is afgeleid van het (toenmalige) Besluit Glastuinbouw, waarin een maat van 10 meter was gekoppeld aan een vergunningplicht. In verband met de mogelijkheid om bij een woning (nu) 4 meter vergunningsvrij aan te bouwen is de totale aan te houden afstand 14 meter. Met deze afstandsmaat is een goede ruimtelijkeen milieu hygiënische inpassing gewaarborgd. Verschillende afwijkingsmogelijkheden (onder voorwaarden) van deze afstandsmaat zijn opgenomen om bijvoorbeeld de herbouw van een woning niet onmogelijk te maken of om te voorkomen dat bij herbouw van glasopstanden het glastuinbouwbedrijf de glaslijn een fors aantal meters terug moet worden gelegd, waardoor er sprake is van een aanzienlijk verlies aan teeltareaal. Voor de opwekking van warmte en elektriciteit bij een glastuinbouwbedrijf wordt gebruik gemaakt van een warmtekrachtkoppeling (WKK) in combinatie van warmte opslagtanks. Voor een WKK geldt een bijzondere afstand ten opzichte van omliggende woningen van derden. Een generator voor warmtekrachtkoppeling mag niet meer transformatievermogen hebben dan 10 MVA.

Binnen een zone van 65 meter vanuit de warmtekrachtkoppeling is het, vanwege geluidshinder, niet toegestaan om nieuwe milieugevoelige objecten te realiseren. Een afwijkingsmogelijkheid (onder voorwaarden) van deze afstandsmaat wordt opgenomen voor een afstand van minimaal 14 meter. Bij glastuinbouwbedrijven bevinden zich voor de opslag van water grote watersilo's. In het verleden is het

59

voorgekomen dat deze silo's uit elkaar bezwijken met als gevolg dat dit ernstige schade kan veroorzaken in de directe omgeving. Voor nieuw te realiseren watersilo's of woningen bij watersilo's moet, om schade te voorkomen, een afstand van 15 meter tussen een woning van derden en een watersilo worden aangehouden. 3.1.3

Conclusie

Met het bestemmingsplan wordt het langdurig gebruik van percelen bestendigd in het bestemmingsplan. Er is feitelijk geen sprake van gewijzigd gebruik. De aanwezige woningen maken nu al geen onderdeel uit van de inrichting (zijn woningen van derden), waardoor deze nu al worden beschermd (op basis van het activiteitenbesluit). De bestemming van de woningen heeft hier geen invloed op. Milieuzonering vormt -gelet op de aan te houden afstandsmaten- derhalve geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

3.2

Geluid

3.2.1

Wettelijk kader

Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld ter wille van het woon- en leefklimaat. 3.2.2

Onderzoek

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk. De locaties met een geluidsgevoelige bestemming, betreffen geluidsgevoelige functies die onder het voorheen geldende bestemmingsplan ook mogelijk waren of als zodanig al jaren aanwezig waren. Enkele percelen zijn gelegen binnen de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein Europoort-Maasvlakte. Voor deze percelen, met een geluidsgevoelige bestemming, zijn in het verleden hogere grenswaarden verleend. In het voorheen geldende bestemmingsplan waren deze percelen al voorzien van de gebiedsaanduiding Geluidszone-industrie. Deze gebiedsaanduiding is in dit bestemmingsplan overgenomen. 3.2.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

3.3

Luchtkwaliteit

3.3.1

Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig

60

stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)1)

jaargemiddelde concentratie

60 ìg/m³

2010 t/m 2014

jaargemiddelde concentratie

40 ìg/m³

vanaf 2015

jaargemiddelde concentratie

48 ìg/m³

jaargemiddelde concentratie

40 ìg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³

vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing

(volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.3.2

Onderzoek

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Hierdoor heeft het plan geen negatief effect op de luchtkwaliteit. 3.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

3.4

Externe veiligheid

3.4.1

Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren.

61

Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.4.2

Onderzoek

Inleiding Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar.

Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle

62

inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute.

Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling.

Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid).

Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringsstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als

63

ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

3.4.3

Conclusie

Met het bestemmingsplan wordt het langdurig gebruik van percelen bestendigd in het bestemmingsplan. Er is feitelijk geen sprake van gewijzigd gebruik. Het bestemmingsplan heeft derhalve geen invloed op het groepsrisico. De bestemming van de woningen heeft hier geen invloed op. Externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

3.5

Water

3.5.1

Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Nationaal waterplan Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water.

Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.

64

Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoet water; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven watervast. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid.

Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen.

Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden.

Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De

65

waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven.

Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, mede-overheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1.

2.

3.

4.

In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden.

Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel

66

gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.

Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland, met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: "Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd.

Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd. 3.5.2

Onderzoek

Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. Voor de werkzaamheden die worden uitgevoerd en werken die worden aangelegd binnen de zonering van de waterkering, is over het algemeen een watervergunning nodig. De definitieve uitwerking moet daarbij voldoen aan de criteria, die het Hoogheemraadschap van Delfland stelt, en wordt nader met het Hoogheemraadschap van Delfland afgestemd. Waterkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige

67

functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Met het bestemmingsplan worden enkele bestemmingen gewijzigd. In dat geval wordt de bestemming in overeenstemming gebracht met het feitelijke gebruik. Aan de gebruiksfunctie van deze percelen en het te verharden oppervlak veranderd niks. Extra watercompensatie is daarom niet noodzakelijk. Voorkomen van wateroverlast Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast.

Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen .

68

Watersysteemkwaliteit en ecologie In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. Met het bestemmingsplan worden enkele bestemmingen gewijzigd. In dat geval wordt de bestemming in overeenstemming gebracht met het feitelijke gebruik.

Aan de gebruiksfunctie van deze percelen en het te verharden oppervlak veranderd niks. Het bestemmingsplan heeft daarom ook geen invloed op de waterkwaliteit. Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=26351ef9-1d2d-4166-84f1-091dfe7973e8