Goflo
Tekst van het document
25
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
Het projectgebied valt voor een klein deel binnen grondperceel NWK01, sectie C, nummer 1553. Hier is geen recent bodemonderzoek van bekend. Hiervoor wordt een bodemonderzoek uitgevoerd die wordt toegevoegd aan de aanvraag. Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.8
Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren
Wettelijk kader De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Beoordeling Parkeren Voor de berekening van de autoparkeerbehoefte is uitgegaan van de parkeernorm van 3 parkeerplaatsen per 100 leerlingen. Er worden maximaal 887 leerlingen verwacht. Conform deze norm dienen er minimaal 27 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Voor de sporthal geldt een autoparkeernorm van 0,8 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Het bvo van de sporthal bedraagt maximaal 3.800 m2. Conform deze norm dienen er minimaal 30 autoparkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Op de begane grond wordt een parkeervoorziening gerealiseerd. Er worden 94 parkeerplaatsen voor auto’s gerealiseerd 866 parkeerplaatsen voor fietsen. Er wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Als de school gesloten is kan het horecagedeelte zelfstandig geëxploiteerd worden. De oppervlakte van het horecagedeelte bedraagt maximaal 200m2. Op basis van de CROW-publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024’ zijn 14 parkeerplaatsen (obv restaurant) nodig.
Omdat deze horeca nooit gelijktijdig met de school plaatsvindt kunnen de parkeerplaatsen voor de school worden gebruikt ten behoeve van deze horeca (dubbelgebruik). Verkeer Het initiatief brengt extra autoverkeer met zich mee. Op grond van de CROW-publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024’ (CROW 744) is een schatting gemaakt van de verkeersgeneratie. Deze is in onderstaande tabel weergegeven. Functie
Verkeersgeneratie (CROW 744 parkeercijfers 2024)
Mvt/etmaal Min. 114
Max. 172
346
410
15,8
19,2
Type School
Aantal/ opp 887 leerlingen
Min. 12,8
Max. 19,4
Sporthal
3.800m2 bvo
9,1
10,8
Eenheid Per 100 leerlingen (obv middelbare school) Per 100m2 bvo (obv sporthal)
Horeca
200m2 bvo
7,9
9,6
Per 100m2 bvo
Voor een café of restaurant zijn geen specifieke kengetallen beschikbaar. Daarom wordt aangesloten bij de verkeerscijfers van een kantoor. De horeca, buiten schooltijden, zal voornamelijk worden gebruikt door bezoekers die al aanwezig zijn op de campus. Daarnaast is deze functie niet de gehele dag geopend en wordt het gebruik van openbaar vervoer gestimuleerd. Om deze redenen wordt verwacht dat de horecafunctie slechts een geringe
7 april 2026
26
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
verkeersgeneratie veroorzaakt. De capaciteit van de (omliggende) wegen is groot genoeg om het verkeer op te vangen. Conclusie Vanuit het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.9
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Beoordeling Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven Het projectgebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied behorende tot de ammoniakkoelinstallatie van Royal Flora Holland. De milieubelastende activiteit betreft categorie E2 uit bijlage VII van het Bkl.
Op afbeelding 4.3 is een uitsnede van de kaart ‘Gifwolkaandachtsgebieden met afkap 1.500 m’ uit het Portaal Atlas Veiligheid (PAV) weergegeven. Met rode stip is de locatie van het projectgebied aangegeven.
7 april 2026
27
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
Afbeelding 4.3: Uitsnede kaart ‘Gifwolkaandachtsgebieden met afkap 1.500m’
Groepsrisico Op grond van artikel 5.15 van het Bkl dient rekening gehouden met het groepsrisico binnen een aandachtsgebied. Dit dient ook op basis van artikel 5.2 van het Bkl te gebeuren, waarbij rekening moet worden gehouden met bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het geval van een externe calamiteit. Het kwantitatief berekenen van het groepsrisico is niet verplicht. Die verplichting geldt alleen op grond van artikel 7.18 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening als er sprake is van een verhoogd groepsrisico. Gezien de relatief beperkte omvang van het initiatief en de huidige populatiedichtheid zal er geen sprake zijn van een verhoogd groepsrisico waardoor een groepsrisicoberekening achterwege kan blijven. De meest effectieve en enige bouwkundige maatregel ter bescherming van een gifwolk is reeds een verplichting voor alle nieuwbouw. Dit betreft het vierde lid van artikel 4.124 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze bouweis houdt in dat alle nieuwbouw met mechanische ventilatie een voorziening moet hebben om het systeem handmatig uit te schakelen in het geval van een externe calamiteit waarbij de binnenlucht negatief wordt beïnvloed. Plaatsgebonden risico De afstand tot aan het plaatsgebonden risico van 1 op de 1.000.000 per jaar (PR 10-6) is in veel gevallen een wettelijke grens waarbinnen geen nieuwbouw geplaatst mag worden.
De plaatsgebonden risicocontour bevindt op korte afstand rondom de ammoniakkoelinstallatie. Op afbeelding 4.4 is een uitsnede van de kaart ‘PR 10-6’ uit het Portaal Atlas Veiligheid (PAV) weergegeven. Met rode stip is de locatie van het projectgebied aangegeven. Met blauw is de plaatsgebonden risicocontour rondom de ammoniakkoelinstallatie weergegeven.
7 april 2026
28
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
Afbeelding 4.4: Uitsnede kaart ‘PR 10-6’’
Het projectgebied ligt ruim buiten de plaatsgebonden risicocontour. Het groepsrisico en het plaatsgebonden risico van de ammoniakkoelinstallatie vormen geen belemmering voor het initiatief. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Het projectgebied ligt buiten de brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden van transportroutes die op grond van het Basisnet zijn aangewezen. Dit betreft rijkswegen waar vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, zoals vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de Regeling Basisnet. De N213 en N222 zijn provinciale wegen en maken geen deel uit van het Basisnet. Over deze wegen vindt in beperktere mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats dan over de Basisnetroutes. Voor het vervoer over het Basisnet gelden specifieke regels met betrekking tot risicocontouren (zones rondom de route waar risico’s kunnen optreden) en afstandseisen tot zogenoemde gevoelige functies, zoals scholen en ziekenhuizen. Deze regels zijn niet van toepassing op provinciale wegen zoals de N213 en N222. Buisleidingen met gevaarlijke stoffen Rondom het projectgebied liggen geen buisleidingen. Het projectgebied is niet gelegen binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding.
Advies Veiligheidsregio Haaglanden Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren, wordt door Veiligheidsregio de volgende maatregelen geadviseerd: Vluchtweg van risicobron af (verhogen zelfredzaamheid) Bij een incident met de transportroute N213 en de ammoniakkoelinstallatie is het van belang dat mensen veilig 7 april 2026
29
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
kunnen vluchten. Hiervoor is een vluchtweg vanuit de gebouwen richting de omgeving, in een afgekeerde zijde van deze risicobronnen van belang. Dit geldt voor gebouwen bestemd voor het verblijf van personen. Bij de (ver)bouw van gebouwen, bestemd voor het verblijf van personen wordt onafhankelijk van de locatie van het incident een vluchtwegen vanuit het gebouw geadviseerd, via de gevel(s) aan de afgekeerde zijde(n) van de risicobronnen. Voorbereiden interne organisatie (verhogen zelfredzaamheid) Er kunnen personeelsleden en (grote groepen) bezoekers verblijven. Het is van belang dat het personeel, de begeleiding en/of de BHV-organisatie van deze gebouwen zijn voorbereid op eventuele calamiteiten met gevaarlijke stoffen buiten de gebouwen. Hierbij is het van belang dat zij ook weten hoe daarbij te handelen. Bijvoorbeeld om bezoekers van deze gebouwen te assisteren om zichzelf in veiligheid te brengen. Geadviseerd wordt dat het personeel en/of de BHV-organisatie van het vakcollege, is voorbereid op calamiteiten op invullen risicobron. Dit kan geborgd worden in een plan ten behoeve van noodsituaties. Hierbij is het ook belangrijk dat dit structureel wordt geoefend.
Risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid) Om ervoor te zorgen dat mensen goed voorbereid zijn en weten hoe zij moeten reageren bij een ongeval met de eerder genoemde risicobronnen is het van belang dat zij hier vooraf over worden geïnformeerd. Mogelijk kan de gemeente Westland voor dit ruimtelijke plan gebruik maken van de hulpmiddelen die zijn ontwikkeld of beschikbaar zijn. Geadviseerd wordt om bewoners, personeelsleden en vaste bezoekers te informeren over de verschillende risico’s en gevaren van de eerder genoemde risicobronnen. Daarbij dient men tevens geïnformeerd te worden over de wijze van alarmeren en de wenselijke manier van reageren tijdens incidenten (risicocommunicatie). Dergelijke informatie dient op gezette tijden herhaald te worden, zodat het onderwerp onder de aandacht blijft. In de regio Haaglanden is de website www.haaglandenveilig.nl beschikbaar. Via deze website worden burgers geïnformeerd over de aanwezige risico’s in de regio en is informatie te vinden over wat zij zelf kunnen doen om deze risico’s te beperken. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.10
Ecologie
Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke
7 april 2026
30
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.
Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Situatie Om het aspect natuur te beoordelen is voor het gehele plangebied van de Flora Campus Naaldwijk, waar voorliggend initiatief onderdeel van is, een verkennende Eco-effectscan5 uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: Natura 2000 Op circa 3,2 kilometer van het projectgebied ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’. Het Natura 2000-gebied bestaat uit oude duinen, duinbossen, struwelen, ruigten en plassen. Het natuurgebied is van grote waarde vanwege de kalkarme duinen en heideterreinen die in het gebied voorkomen. Aan de binnenduinrand bevindt zich een aantal oude landgoedbossen die rijk zijn aan stinzenflora. Op afbeelding 4.5 is de ligging van het projectgebied (blauwe ster) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groen) weergegeven.
5 Verkennende Eco-effectenscan Floragebied Westland te Naaldwijk, Aqua-Terra Nova BV, 23061/AQT302aFF/MA, 14 maart
2023 7 april 2026
31
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
Afbeelding 4.5: Natura 2000
Verstorende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn met voorliggende initiatief niet aan de orde. Om te beoordelen of voorliggend initiatief leidt tot een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied is er een onderzoek stikstofdepositie6 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het initiatief niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het ruimtelijk beleid is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. In de omgevingswet is over het NNN opgenomen dat ruimtelijke ingrepen in ieder geval niet leiden tot: • Achteruitgang kwaliteit en oppervlak NNN. • Achteruitgang samenhang NNN.
Op afbeelding 4.6 is de ligging van het projectgebied (blauwe ster) ten opzichte van deze gebieden weergegeven.
6 Onderzoek stikstofdepositie Flora Campus Westland, WMC B.V., Katwijk, 28 maart 2026, 2025-694/rap1.2
7 april 2026
32
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
Afbeelding 4.6: Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het projectgebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het projectgebied bevindt zich op circa 1 km van een natuurgebied dat deel uitmaakt van het NNN. Het betreft hier het graslandgebied ten zuiden van het projectgebied. Het NNN kent geen externe werking. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Houtopstanden In de Omgevingswet geldt een bescherming van houtopstanden die groter zijn dan 10 are, (1000 m 2) en op rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Deze regel is enkel van toepassing op een bos of bomenrij buiten de bebouwde kom. Ter plaatse van het projectgebied staan geen bomen. Een meldingsplicht bij de provincie ZuidHolland is niet noodzakelijk. Soortenbescherming Broedvogels Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden.
Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden. Het uitvoeren van een broedvogelcontrole is noodzakelijk als er binnen het broedseizoen gewerkt zal worden. Het broedseizoen is grofweg van maart t/m juli. Het is tevens mogelijk om broedgevallen van onder andere kleine plevier en scholekster te voorkomen. Dit kan onder andere door regelmatig het projectgebied te betreden (minimaal 1 keer per week en evt. met hond) of door het terrein af te bakenen met afschriklinten en/of roofvogelvlieger. Indien vogelnesten aangetroffen worden,
7 april 2026
33
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
dienen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jongen uitgevlogen zijn of dient een verstoringsvrije zone rond het nest opgesteld te worden. Tijdens de bouwfase kan het voorkomen dat er steile wanden ontstaan in gronddepots. Dit zijn geschikte nestlocaties voor de oeverzwaluw om in te broeden. Oeverzwaluwen broeden in kolonieverband in zelf gegraven gangen in steilwanden. Bij het plaatsen van gronddepots in het broedseizoen zijn maatregelen nodig om nestvorming te voorkomen. Vanaf maart tot en met augustus, wanneer oeverzwaluwen in Nederland aanwezig zijn, wordt geadviseerd om gronddepots af te zwakken, of het zanddepot af te dekken met een zeil. Vleermuizen Er wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door straatverlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en de toepassing van een scherpe afsnede van de lichtinval.
Watergangen Omdat ter plekke van het projectgebied watergangen worden gedempt is een Eco-effectscan7 uitgevoerd. Indien de werkzaamheden in de periode maart t/m juli worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels kort voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. Er wordt geadviseerd het plangebied ongeschikt te houden voor de rugstreeppad. Bij het dempen van de watergang moet het water één richting uitgedreven naar een naastliggende sloot, zodat aanwezige vissen, amfibieën en libellenlarven zich daarnaartoe kunnen verplaatsen. Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden.
Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen. Indien er tijdens de werkzaamheden onverhoopt dieren worden aangetroffen die niet uit zichzelf (kunnen) vluchten, moet contact opgenomen worden met een ecoloog. Conclusie Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.11
Weging waterbelang
Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een plan voor de waterhuishouding opgesteld of een plan met een andere benaming. In dit plan wordende wateraspecten niet alleen beschreven, maar ook wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project getroffen moeten worden.
7 Eco-effectscan Flora Campus watergangen te Honselersdijk, Aqua-Terra Nova BV, 24164/AQT303FF/SRB, 30 september 2024.
7 april 2026
34
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsdocumenten vastgesteld over water en klimaatadaptatie (EU, rijk, provincie, waterschap en gemeente). Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) (kaderstellend) Nationaal: • Wetgeving over water: per 1 januari 2024 in de Omgevingswet, o.a. art. 2.2 (kaderstellend) • Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie 2018 (kaderstellend en richtinggevend) • Water en Bodem sturend bij ruimtelijke ordening (richtinggevend) • Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving (richtinggevend) Provinciaal: • Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 (richtinggevend) Hoogheemraadschap van Delfland: • Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) (richtinggevend) • Weging waterbelang in plannen fysieke leefomgeving (voorheen watertoets) • Handreiking weging waterbelang voor gemeenten (richtinggevend en kaderstellend) • Diverse beleidsdocumenten, waaronder de waterschapsverordening (kaderstellend) Gemeentelijk: • Waterklimaatplan Westland (richtinggevend) • Strategie klimaatadaptatie Westland (richtinggevend) • Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland leidraad 2.0 (kaderstellend) • Programma van standaarden (kaderstellend) • Hemelwaterverordening (kaderstellend) Kaderrichtlijnwater KRW: (kaderstellend) De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die op 22 december 2000 van kracht is geworden.
Doelstelling is het realiseren en behouden van chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlaktewater en grondwater. De EU-lidstaten moeten deze 'goede toestand' uiterlijk in 2027 realiseren. De Rijksoverheid heeft de Kaderrichtlijn Water (KRW) omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving. Dit staat in de Omgevingswet en in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Deze wet- en regelgeving is vertaald in landelijke beleidsuitgangspunten, kaders en instrumenten. De minister van Infrastructuur en Waterstaat is systeemverantwoordelijk voor de uitvoering van de KRW namens het Rijk. In onder andere het Bestuursakkoord Water is de samenwerking in het waterbeheer en beleid tussen deze partijen vastgelegd. Alle waterbeheerders in Nederland zijn verantwoordelijk voor een deel van de uitvoering van de KRW. De Kaderrichtlijn Water verplicht de lidstaten om eens in de 6 jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP's) vast te stellen. Deze SGBP's geven voor elk stroomgebied een overzicht van de toestand, problemen, doelen en maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Voor Westland zijn de jaarlijkse waterkwaliteitsrapportages van Delfland relevant (komt elk kaar in april uit over het vorige jaar). De waterkwaliteit in Westland is het afgelopen decennium overall wel verbeterd, maar voldoet (in ruime mate) niet aan de KRW.
Omgevingswet voorheen waterwet (kaderstellend) De Omgevingswet vervangt onder andere de Waterwet. Dit is één van de 26 wetten die in de Omgevingswet opgaan. De Waterwet en de onderliggende regelgeving bevatten veel normen die rechtstreeks voortvloeien uit Europese richtlijnen, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en Drinkwaterrichtlijn. De bepalingen ter
7 april 2026
35
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
implementatie van deze richtlijnen blijven grotendeels ongewijzigd in de Omgevingswet, omdat Nederland zich moet houden aan de Europese verplichtingen. Ook de hoofdlijnen van het waterbeheer onder het oude recht, zoals bijvoorbeeld de bevoegde autoriteiten en het vergunningenstelsel blijven in stand in de Omgevingswet. De wet zegt dat gemeente een sleutelrol spelen in het lokale waterbeheer, specifiek het beschermen van watersystemen en waterkwaliteit en benadrukt het belang in een goede samenwerking tussen verschillende bestuurslagen. In artikel 2.1 van de omgevingswet staan de taken en bevoegdheden van de bestuursorganen beschreven. Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie 2018 (kaderstellend) Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is een plan van Nederlandse overheden om wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen te beperken. Het doel van het plan is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk werken samen aan de ambities in dit plan en hebben zich daarvoor ook verenigd in werkregio's. Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (2018) is gebaseerd op de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie uit 2015. Deze Deltabeslissing moet elke zes jaar opnieuw worden herijkt.
We kunnen maatschappelijke ontwrichting en grote economische schade voorblijven door vanaf nu, naast de voortdurende inzet op de primaire waterveiligheid met het hoogwaterbeschermingsprogramma en de programma's voor de secundaire waterkeringen van de waterschappen, klimaatbestendig en waterrobuust te bouwen en bij de toedeling van functies rekening te houden met de waterbeschikbaarheid in een gebied. Dit voorkomt extra risico op schade en slachtoffers bij een overstroming of extreem weer. Ook zijn dringend investeringen nodig om de vitale en kwetsbare functies en processen (waaronder wegen, spoorwegen, vaarwegen, elektriciteit, ICT, drinkwater, gas) robuuster in te richten en beter bestand te maken tegen extremere weersomstandigheden. Nú slim bouwen bespaart geld in de toekomst en draagt bij aan leefbaarheid en gezondheid. Er is meer inzet nodig van zowel publieke als private partijen voor het klimaatbestendig uitvoeren van nieuwbouw, industrieterreinen, ICT- en energievoorzieningen en het klimaatbestendig aanpassen van bestaande bebouwing. Water en bodem sturend (richtinggevend) Op vrijdag 25 november 2022 heeft Minister Harbers van I&W de kamer geïnformeerd via de kamerbrief over het richtinggevend kader Water en bodem sturend (WBS).
De ruimte in Nederland staat onder druk vanwege de optelsom van vele ontwikkelingen, zoals woningbouwopgave, klimaatverandering, de energietransitie en economische ontwikkeling. De gemeente Westland, als één van de meest verharde gemeenten van Nederland, heeft decennialang kunnen floreren in economie en wonen doordat met technische ingrepen het (grond)water en bodem kon worden gebruikt dan wel beheerst. Door de gevolgen van klimaatverandering én de druk op de ruimte is deze aanpak niet langer houdbaar. De draagkracht van de natuur en het water- en bodemsysteem heeft op vele vlakken haar grenzen bereikt. Dit vertaalt zich in verhoogde risico's op wateroverlast en watertekorten. Om bestaande en nieuwe functies nog goed en veilig te kunnen laten bestaan, zijn extra inspanningen nodig op het vlak van water en bodem. Ons denken en handelen moet hierin veranderen. De beleidslijnen die vanuit bodem en water sturend worden meegegeven geven de gemeente Westland richting in de ruimtelijke puzzel, het ZHPLG maar ook nieuw te ontwikkelen gemeentebeleid voor klimaatadaptatie en de ruimtelijke visie op de glastuinbouw. Landelijke maatlat (richtinggevend) De landelijke maatlat is de basis voor het klimaatadaptief bouwen waaraan door gemeenten voldaan moet worden om toekomstbestendig te ontwikkelen. Op 23 maart 2023 ging een kamerbrief uit met de invulling hiervan.
De landelijke maatlat definieert eenduidig wat we onder klimaatadaptief bouwen en inrichten verstaan. Deze bestaat uit kwalitatieve doelen en kwantitatieve prestatie-eisen/richtlijnen voor de thema's overstromingen, wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit en bodemdaling. De eisen van het convenant Klimaatadaptief Bouwen, de regionale afspraken waar de gemeente Westland aan meedoet, voldoen hieraan (zie hieronder). Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 (richtinggevend) Het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027, vastgesteld door de Provinciale Staten, beschrijft het
7 april 2026
36
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
waterbeleid van de provincie. Dit programma omvat de uitvoering van Europese richtlijnen zoals de Kaderrichtlijn Water, en gaat in op onderwerpen als zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Het biedt een overzicht van de aanpak en samenhang tussen verschillende water gerelateerde onderwerpen. Het programma is het resultaat van samenwerking met partners zoals waterschappen, drinkwaterbedrijven, omgevingsdiensten en gemeenten, en wordt elke zes jaar geactualiseerd. Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) (richtinggevend) In dit programma geeft Delfland aan hoe ze inspelen op ontwikkelingen als zoals klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging, en waar zij de komende jaren aan werken. Weging waterbelang in plannen fysieke leefomgeving (voorheen watertoets) Bij plannen in de fysieke leefomgeving is de weging van het waterbelang verplicht. Voor het doorlopen van dit proces heeft Delfland een handreiking opgesteld. Handreiking weging waterbelang voor gemeenten (richtinggevend en kaderstellend) De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de procedure voor de weging van het waterbelang in plannen voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. Diverse beleidsdocumenten Hoogheemraadschap van Delfland (richtinggevend en kaderstellend) De basis van het beleid is de waterschapsverordening van Delfland.
Hierin staan regels wat wel en niet is toegestaan binnen wateren en waterkeringen. Verder bestaat er over wateroverlast, de inrichting van watergangen/natuurvriendelijke oevers, zonering van waterkeringen/kust en waterkwaliteit ook divers Delflands beleid. Dit is te vinden op de website van Delfland. Waterklimaatplan Westland (richtinggevend) Het waterklimaatplan bevat ambities en ambitieniveaus op basis van lange termijndoelen (2040-2050). Het per doel gekozen ambitieniveau is vastgelegd in een Ambitie-keuzekaart. Ambities zijn uitgewerkt in gezamenlijke jaarlijkse uitvoeringsprogramma's. Dit waterklimaatplan wordt in 2024/2025 geactualiseerd. Strategie klimaatadaptatie Westland (richtinggevend) De Omgevingsvisie 2.0 stelt dat Westland in 2040 klimaatadaptief moet zijn ingericht. Om deze ambitie waar te kunnen maken, is een Westlandse strategie vastgesteld om richting en kader te geven aan deze lange termijn ontwikkeling. Het bevat een beschrijving van de effecten van klimaatverandering voor de gemeente Westland, urgentie en de strategische ontwikkellijnen voor de gemeente Westland. Dit betekent dat de gemeente klimaatadaptatie borgt in al haar beleid en uitvoeringsprogramma's, waarbij er specifieke aandacht uitgaat naar verder onderzoek naar risicogebieden en kwetsbare groepen.
Daarnaast ziet de gemeente een grote betrokkenheid van haar inwoners en bedrijven als noodzakelijk, om ook een bijdrage te leveren in de (gezamenlijke) opgave. Klimaatadaptatie kan immers niet alleen afgewenteld worden op de openbare ruimte. Bedrijven en inwoners hebben een eigen verantwoording voor wat betreft private eigendommen. Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland (kaderstellend) De gemeente Westland is ondertekenaar van het Convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland. Dit betekent dat de gemeente Westland nieuwbouwlocaties, inclusief transformatie- en uitleggebieden, zo klimaatadaptief mogelijk wil bouwen. Deze eisen worden bij planvorming van nieuwe ontwikkelingen (OTW) aan de voorkant meegegeven. Daarnaast zijn deze in 2022 verwerkt in de het Programma van standaarden van de gemeente Westland en vormt dit tot op heden een actueel eisenpakket voor de inrichting van de openbare ruimte. We voldoen hiermee ook aan de landelijke klimaatlat. Programma van standaarden (kaderstellend) Hierin zijn de voorwaarden opgenomen waaraan de inrichting van de openbare ruimte moet voldoen, inclusief de
7 april 2026
37
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
eisen voor klimaatadaptatie, water en groen. Het programma wordt gehanteerd bij overdracht aan de gemeente van private gronden als openbare ruimte en is leidraad voor de herinrichtingsprojecten van de gemeente zelf. Hemelwaterverordening nieuwbouw Westland (kaderstellend) Vanaf 20 december 2023 heeft de gemeente Westland beleid op het bergen en vasthouden van regenwater op privaat terrein binnen een nieuwbouwplan. Vanaf 1 januari maakt deze verordening automatisch deel uit van het omgevingsplan. Dat wil zeggen dat elke ruimtelijke ontwikkeling groter dan 50 m2 hieraan moet voldoen. Voor iedere m² bebouwd oppervlak moet 50 liter berging worden aangelegd. Bij bedrijventerreinen tellen ook de verharde onbebouwde oppervlaktes mee. Voor het aanleggen van de waterberging bestaan verschillende mogelijkheden. In het handboek 'Omgaan met Hemelwater bij nieuwbouw in Westland' staan voorbeelden ter inspiratie. Situatie Er is voor het initiatief een waterparagraaf opgesteld die als bijlage bij de aanvraag is gevoegd. De paragraaf toetst en onderbouwt de effectiviteit van de voorgenomen maatregel (dempen van 1.368 m² water) in relatie tot de totale wateropgave, waterveiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit, ecologie en klimaatadaptatie.
De analyse is gebaseerd op de meest actuele beleids- en wetgevingskaders van de EU, het Rijk, provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Delfland en gemeente Westland. Conclusie Vanuit het aspect ‘weging waterbelang’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.12
Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed
Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee.
Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. De archeologische beleidskaart vormt een basis voor deze regels in het omgevingsplan. In het kader van de lichte gemeenschappelijke regeling met betrekking tot archeologie tussen de gemeenten Westland en Delft, heeft Archeologie Delft een archeologische beleidskaart opgesteld voor het gemeentelijk grondgebied van Westland. De beleidskaart dient als basis voor de (ruimtelijke)plannen van de gemeente
7 april 2026
38
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
Westland, waarin archeologisch waardevolle gebieden opgenomen worden als dubbelbestemming archeologie. Op basis daarvan kan de gemeente in vergunningen voorwaarden opnemen voor het veilig stellen van (verwachte) archeologische waarden. Situatie Archeologie Op de archeologische beleidskaart zijn de archeologische verwachtingswaarden in beeld gebracht. Op afbeelding 4.11 is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
Afbeelding 4.11: Uitsnede archeologische beleidskaart
Aan het projectgebied is een verwachtingszone I toegekend. In deze zone is een archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 50 cm -mv. Er is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek8 uitgevoerd. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het projectgebied een hoge archeologische verwachting heeft voor resten uit de Romeinse tijd. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren. In juli 2025 is een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een deelgebied ten zuiden van de Middel Broekweg. Dit onderzoek heeft, zoals verwacht na eerdere onderzoeken, aangetoond dat er archeologische vindplaatsen uit de Romeinse tijd (0-400 na. Chr.) aanwezig zijn. Vanwege het unieke karakter van de vindplaatsen is het nodig om deze vindplaatsen integraal te onderzoeken.
8 Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, Flora Campus Westland (Europa 2),
Naaldwijk, gemeente Westland, IDDS Archeologie rapport 3067, Projectnr: A6761, 26-02-2025 7 april 2026
39
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
Behoud in de bodem is met het huidige ontwikkelplan niet mogelijk. Gezien de omvang en aard van de vindplaatsen is het niet waarschijnlijk dat een acceptabele planaanpassing mogelijk is. De vindplaats integraal onderzoeken is wel mogelijk. Hierbij kan de gebiedsontwikkeling na het archeologisch onderzoek doorgang vinden, terwijl er verantwoord wordt omgegaan met uniek erfgoed. Voor het projectgebied houdt dit in dat er eerst een archeologische opgraving plaats moet vinden, voordat het terrein beschikbaar is voor (de voorbereiding van) de nieuwbouw. De resultaten van het archeologisch onderzoek moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Als de opgraving voldoende is uitgevoerd, wordt het gebied vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. Cultuurhistorie Bij het maken van ruimtelijke plannen dient rekening gehouden te worden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis. In of rondom het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke monumenten of rijksmonumenten. Ook ligt het projectgebied niet in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook blijkt uit de cultuurhistorische kaart van ZuidHolland dat er geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden.
Conclusie Vanuit het aspect archeologie, cultuurhistorie en erfgoed is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.13
Bedrijfsmatige activiteiten
Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • Op welke manier gemeente een keuze heeft gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende (bedrijfs)activiteiten. • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende (bedrijfs) activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. Onder de Wet ruimtelijke ordening werd gebruik gemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. In die uitgave werden bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Die milieucategorieën waren weer gekoppeld aan richtafstanden. Op basis van die VNG publicatie werd bepaald of bepaalde milieubelastende en milieugevoelige functies bij elkaar in de buurt gevestigd konden worden. Met de komst van de Omgevingswet in het vooruitzicht is deze VNG publicatie niet meer geactualiseerd en is er gewerkt aan een nieuwe publicatie. Deze nieuwe publicatie draagt de naam ‘VNG handreiking activiteiten en milieuzonering’. De nieuwe VNG-handreiking heeft de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering uit 2009’ vervangen. In de nieuwe handreiking gaat de VNG uit van drie gebiedstypen: 1.
Industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert; 2. Woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) overheerst; 3. Gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca en detailhandel.
7 april 2026
40
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
Binnen een gemengd gebied kunnen naast wonen verschillende andere functies worden toegelaten. Dat kunnen, naast functies als detailhandel, kantoren en horeca, ook bedrijfsfuncties zijn (bedrijf: ‘een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen’). Er wordt in de nieuwe handreiking geen gebruik meer gemaakt van milieucategorieën, maar van de gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten, zoals geluid- of geurruimte. Er wordt dan bijvoorbeeld binnen een zone rondom woningen een maximale geluidsnorm voorgeschreven. Hoe groter de afstand tot de woningen, hoe hoger deze norm zal zijn. Dit is dus een verschil met de ‘statische’ afstandsnormen uit de oude handreiking die uitgaan van richtafstanden op basis van de grootste overlastfactor per categorie bedrijf. Het reguleren van de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. De milieucategorieën en richtafstanden van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009 zijn voor geluid en geur omgezet naar zones, waarden en afstanden in deze handreiking (zie onderstaande tabellen). Voor geur is het onderscheid tussen rustig en gemengd woongebied vervallen.
Tabel: standaard geluidruimte
Tabel: standaard geurruimte
Situatie In de directe omgeving zijn glastuinbouwbedrijven, (bedrijfs)woningen, een kantorengebied, bedrijventerrein en een woonwijk gelegen. Hierdoor kan de omgeving worden getypeerd als ‘gemengd gebied’. In de nieuwe ‘VNG handreiking activiteiten en milieuzonering’ is een indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur opgenomen. Voor een school geldt een ‘categorie 1’ voor het aspect geluid en een ‘functiemenging’ voor geur. Voor de sporthal geldt een ‘categorie 2’ voor geluid en een ‘functiemenging’ voor geur. En voor een restaurant of café een ‘functiemenging’ voor geur en geluid. In de omgeving van het projectgebied zijn geen gevoelige functies aanwezig. De bestaande woningen aan de Middel Broekweg 12 en 14 worden met voorliggend initiatief gesloopt. De intentie bestaat om tegen de school, op korte afstand van de sporthal, een woontoren te realiseren. In de handreiking is aangegeven dat een sporthal in veel gevallen geschikt is om zich te vestigen in een gemengd gebied met wonen. Aangezien de activiteiten in de sporthal plaatsvinden, zal er vanuit de sporthal geen geluidsoverlast zijn. Geluid afkomstig van sportwedstrijden of bijeenkomsten zal daardoor geen hinder veroorzaken op de woningen. Conclusie Vanuit het aspect bedrijfsmatige activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
7 april 2026
41
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
4.14
Klimaatadaptatie
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico’s voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. Situatie Het initiatief voorziet in het realiseren van een school met sporthal op de Flora Campus Naaldwijk. Het projectgebied betreft een klein onderdeel van de Campus. In het midden van de campus wordt het Florapark gerealiseerd. Dit park vormt een belangrijke grootschalige groen- en watervoorziening. Het legt tevens de verbinding tussen de omliggende recreatie- en groengebieden. Het groen draagt bij aan een gezonde leefomgeving, waterbeheersing, beperking van bodemdaling, koeling bij hoge temperaturen en de biodiversiteit. Het water draagt bij aan waterberging, waterretentie en de biodiversiteit. Conclusie Vanuit het aspect klimaatadaptatie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.15
Trillingen
Het Rijk wil mensen beschermen tegen trillinghinder. Dat doet het door regels te stellen aan activiteiten die trillingen veroorzaken in trillinggevoelige gebouwen. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. Artikel 5.80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie, zoals woningen en verzorgingshuizen. Woonschepen en woonwagens vallen niet onder de woonfunctie. Een verblijfsruimte of verblijfsgebied is een trillinggevoelige ruimte. Situatie Het projectgebied is gelegen op een afstand van meer dan 250 meter van spoortracés. Op deze afstand wordt het aspect trillingen niet relevant geacht voor het oprichten van trillinggevoelige gebouwen of ruimtes. Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
7 april 2026
42
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
5
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
5.1
Vooroverleg
Het schetsontwerp is voorgelegd aan het Q-team Flora Campus. Naar aanleiding van dit overleg is het plan verder uitgewerkt en opnieuw voorgelegd. Op het aangepaste ontwerp heeft het kwaliteitsteam een positief advies afgegeven. Zie paragraaf 2.2.1. voor een nadere toelichting hierop.
5.2
Participatie
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. Hiertoe is door de gemeente Westland de ‘Beleidsregel participatieverplichting initiatiefnemers Westland 2022’ opgesteld. Initiatiefnemers worden gestimuleerd om, voorafgaand de aanvraag voor een omgevingsvergunning, aan participatie te doen. Het vroegtijdig betrekken van de omgeving zorgt ervoor dat verschillende perspectieven, kennis en creativiteit snel op tafel komen. De initiatiefnemer moet aangeven hoe er overleg is geweest met de omgeving. Ook moet worden aangegeven wat er met het resultaat van de participatie is gedaan. Op 12 maart 2025 is door de gemeente een inloopavond georganiseerd in het World Horti Center tussen 19:00. Inwoners van Westland konden hier vrij binnen lopen. De Gemeente Westland had ca. 800 uitnodigingen verzonden aan omwonenden, bedrijven, verenigingen en andere belanghebbenden. Woningstichting Arcade en Gemeente Westland stonden er met een stand. In de stand hing foto- en beeldmateriaal van het initiatief, waarbij bewust was gekozen om geen centrale presentatie te geven.
Het bezoek kon hierdoor gespreid de inloopavond bezoeken. Van de inloopavond is een verslag gemaakt en als bijlage bij de vergunningaanvraag gevoegd.
5.3
Advies en instemming
Bij een vergunning zijn burgemeester en wethouders (B&W) het bevoegd gezag. Er kan advies of instemming van een ander bestuursorgaan nodig zijn.
5.4
Vaststellingsprocedure
De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken.
5.5
Bezwaar/ Beroep
De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de reguliere procedure voor. Het bezwaar dient ingediend te worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. In dit geval het college van de gemeente Westland. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning.
7 april 2026
43
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
6
FINANCIELE HAALBAARHEID
6.1
Kostenverhaal
Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges, de bedragen zijn vastgelegd in de legesverordening. Tussen de gemeente Westland en het ISW vakcollege+ is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal is verzekerd. Zodra de vergunning onherroepelijk is verklaard kan er worden gestart met de werkzaamheden. De ontwikkeling is hierdoor binnen een redelijke termijn uitvoerbaar.
6.2
Nadeelcompensatie
De Omgevingswet biedt in art. 13.13 de mogelijkheid om afspraken over nadeelcompensatie via privaatrechtelijke weg vast te leggen, bijvoorbeeld in een overeenkomst tussen de overheid en een initiatiefnemer. Daarmee kan men op voorhand duidelijkheid scheppen over risico’s en mogelijke schadevergoedingen. In dit geval is er een overeenkomst gesloten waarin de gemeente Westland en het ISW vakcollege+ hebben afgesproken dat eventuele nadeelcompensatie niet via de bestuursrechtelijke weg hoeft te worden afgewikkeld, maar dat dit privaatrechtelijk is verzekerd. Daarmee is voldaan aan de mogelijkheid die artikel 13.13 Ow biedt.
7 april 2026
44
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+
7
CONCLUSIE EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES
Het initiatief is niet strijdig met het Rijks- of Provinciale beleid. Daarnaast past het initiatief binnen het gemeentelijke beleid en voldoet aan de door de gemeente gestelde randvoorwaarden. Het gebied gaat de komende jaren ontwikkeld worden naar de Flora Campus Westland waar ontwikkelen, onderzoek, leren en innovatie samenkomt. Hiervoor is een masterplan opgesteld. Voorliggend initiatief voorziet in de ontwikkeling van een school met sporthal. Het betreft de realisatie van het ISW Vakcollege+ waarin het ISW Westland Praktijkcollege en ISW Westland Vakcollege samen een nieuwe plek krijgen op de Flora Campus. Hiermee worden leerroutes versterkt en ontstaat een directe verbinding tussen leerlingen en de bedrijven die zich op de campus vestigen. Dit leidt tot samenwerking aan echte praktijkcasussen, de ontwikkeling van toepasbare kennis en het opdoen van relevante arbeidsvaardigheden. De aspecten bodem, geluid, geur, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid vormen geen belemmering voor het initiatief. Daarnaast heeft het initiatief heeft geen negatieve invloed op de aspecten, verkeersgeneratie, waterhuishouding, natuur en gezondheid. Het ontwerp van het gebouw is voorgelegd aan het Q-team Flora Campus. Naar aanleiding van dit overleg is het plan verder uitgewerkt en opnieuw voorgelegd. Op het aangepaste ontwerp heeft het kwaliteitsteam een positief advies afgegeven.
Ruimtelijk gezien zijn er daarom geen bezwaren tegen het initiatief. Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het voornemen niet bezwaarlijk is en in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7 april 2026
45
Voorzieningen cluster, ISW Vakcollege+