Bijlage 5 zienswijze Watergat (G22-000025)
Tekst van het document
Pagina 31 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
Pagina 32 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
6
Milieuaspecten per sector
6.1
Olie en gas offshore
6.1.1
Algemeen Er zijn ongeveer 160 productielocaties voor olie- en gaswinning in het Nederlandse deel van de Noordzee. Het merendeel ligt in het centrale gedeelte van de Noordzee. Enkele platforms liggen binnen de territoriale wateren (12-mijls zone). In totaal wordt er jaarlijks ongeveer 1 miljoen kubieke meter olie en 13 miljard kubieke meter gas gewonnen [15].
6.1.2
Productie In de productiefase wordt de delfstof (olie, gas) via de productiebuis omhoog gebracht naar het productieplatform. Met de delfstof komt een grote hoeveelheid water uit de geologische formatie mee, het zogenoemde formatiewater. Daarnaast komt een mix van chemische stoffen mee zoals zware metalen (kwik, cadmium, lood, zink en nikkel) en aromaten (benzeen, BTEX en PAK's). Ook radioactieve stoffen (radon, radium, lood) kunnen mee komen. Tot slot bevat de mix een gedeelte van de mijnbouwhulpstoffen die deels gereageerd hebben tot andere verbindingen.
6.1.3
Productiewater Op het platform wordt de delfstof afgescheiden van het productiewater. Een deel van de stoffenmix zal in de delfstof blijven en een deel komt in het productiewater terecht. Van de mijnbouwhulpstoffen komen vooral de corrosieremmers, anti-scaling, gashydraatremmers en de biociden in het productiewater terecht. Het productiewater bestaat dus uit formatiewater met daaraan toegevoegd een deel van de gebruikte mijnbouwhulpstoffen. Gemiddeld gaat het om 10-12 miljoen m3 productiewater per jaar [16]. Het productiewater kan worden geïnjecteerd in het productiereservoir of in een naburig reservoir of worden geloosd op het zeewater.
6.1.3.1
Injectie De Structuurvisie Ondergrond [17] (hierna: Strong) merkt over de injectie van productiewater het volgende op. De injectie moet gebeuren onder strenge wettelijke voorschriften en veiligheidseisen. Het risico op seismiciteit en het risico op lekkage van productiewater uit een transportleiding zijn belangrijke aandachtspunten. De injectie van productiewater wordt beoordeeld aan de hand van een door het Staatstoezicht op de Mijnen ontwikkeld (concept-)protocol, vastgelegd in een convenant met de Nederlandse Olie en Gas Exploratie en Productie Associatie (NoGePa) [18]. Dit protocol uit 2004 is verouderd en sluit niet aan bij het nationale waterbeleid, zoals vastgelegd in het Nationaal Waterplan en bij het afvalbeleid zoals vastgelegd in het LAP3. Om de beoordeling van injectie van productiewater door het SodM in overeenstemming te brengen met het vigerende beleid (LAP3, Nationaal Waterplan) en met de stand der techniek met betrekking tot mogelijke alternatieven voor waterinjectie is actualisatie van het SodM-protocol nodig.
Pagina 33 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
Injectie van productiewater in dezelfde gesteentelaag als waar de delfstof vandaan komt is in principe toegestaan. Hierbij geldt dat als het productiewater mijnbouwhulpstoffen en hun reactieproducten bevat, deze injectie Vreemde' stoffen aan de diepe ondergrond toevoegt. Voor het injecteren van productiewater in een andere maar vergelijkbare geologische samenstelling wordt van geval tot geval beoordeeld of de (natuurlijke) stoffen overeenstemmen met de stoffen op de plaats waar de injectie plaatsvindt. 6.1.3.2
Lozing op zee Het OSPAR-verdrag bevat specifieke maatregelen om het (lokale) zeemilieu te beschermen tegen de lozing van chemicaliën vanaf mijnbouwinstallaties op de Noordzee. Daarnaast bevat OSPAR doelstelling voor gebruik, reductie en lozing van chemicaliën. Bij lozing van productiewater op zee is een OSPAR-ontheffing, afgegeven door het SodM, nodig. Aan deze ontheffingen kunnen voorschriften en beperkingen worden gekoppeld. Om zo'n ontheffing te kunnen afgeven is goed inzicht nodig in de samenstelling van het te lozen productiewater. Deze samenstelling wordt alleen voor de grootste lozingen op de Noordzee gemonitord (door Deltares en Wageningen University & Research). Voor de mijnbouwhulpstoffen wordt daarbij uitgegaan van de oorspronkelijk toegevoegde stoffen, waardoor hun reactieproducten minder goed in beeld zijn. Om een vollediger beeld van de door de offshore olie en gaswinning op zee geloosde stoffen te krijgen is een meer gedetailleerde monitoring van mijnbouwhulpstoffen en reactieproducten in het productiewater bij een groter aantal productieplatforms nodig. De (eco)toxiciteit van het op zee te lozen productiewater wordt bepaald met behulp van het ’Chemical Hazard Assesment and Risk Management' (CHARM)-model.
CHARM is ontwikkeld in een samenwerking tussen overheden en marktpartijen (European Oilfield Speciality Chemicals Association (EOSCA), Global Oil and Gas Industry Trade Association (IOGP), consultants). Bij het bepalen van de (eco)toxiciteit gebruikt CHARM eigen Assessment Factors (AF's) voor de chemische stoffen in het productiewater. Deze AF's verschillen van de PNEC's voor die stoffen die in REACH worden gebruikt. Gebruik van andere gegevens bij het bepalen van ecotoxiciteit dan die uit REACH, kan gevolgen hebben bij de beoordeling of een ontheffing in OSPAR-kader kan worden afgegeven. Om duidelijkheid te verkrijgen over de verschillen tussen de ecologische beoordeling van lozingen van productiewater op zee volgens het CHARM-model en de ecologische risicobeoordeling volgens REACH is nader onderzoek nodig. Naast productiewater zijn er ook lozingen van afspoelend dekwater of regen-, schrob- en spoelwater. Deze lozingen hebben geringe impact vergeleken met het productiewater en worden niet gereguleerd.
6.1.4
Natte sludges, radioactiviteit Bij het afscheiden van delfstof kunnen natte sludges (mengsels van vloeibare en vaste stoffen) ontstaan. In totaal ging het voor de off- en onshore olie- en gaswinning in 2015 om ongeveer 750 ton sludges. Pagina 34 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
Sludges worden tijdelijk opgeslagen in tanks die als ze vol zijn naar land worden afgevoerd. Sludges bevatten, naast mijnbouwhulpstoffen, ook natuurlijke radioactieve stoffen (NORM), meestal radium [19]. Een deel van de sludges kan na bewerking worden hergebruikt in bouwmaterialen. Een ander deel kan na bewerking dienen als bodemstabilisator. Tot slot is er een deel dat naar de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA) moet worden afgevoerd. In 2018 moet Nederland voldoen aan de algemene Europese regelgeving voor radioactieve stoffen. Als deze regelgeving zonder meer (’beleidsarm') wordt overgenomen, zal meer afval als radioactief materiaal moeten worden behandeld [19]. 6.1.5
Emissies Uit de Nederlandse emissieregistratie zijn drie categorieën gekozen die voor offshore olie- en gaswinning van belang zijn: ^ olie- en gaswinning continentaal plat (totaal); ^ aardolie- en gaswinning, affakkelen, offshore; ^ aardolie- en gaswinning, afblazen, offshore. Om een indruk te krijgen van de emissies bij de offshore olie en gaswinning zijn voor enkele representatieve stoffen de emissie in het jaar 2016 opgezocht. Het gaat om emissies van kooldioxide, methaan, stikstofoxiden en zwaveloxiden naar lucht en van benzeen, lood, kwik en zink naar zee. Tabel 4 Emissie naar lucht van de offshore olie- en gaswinning in ton voor 2016ľ20ĩ_____________ __________________________________________
continentaal plat (totaal) affakkelen afblazen
kool dioxide 1.355.000 9.558 1.771
methaan 8.480
stikstof oxiden 3.190
zwavel oxiden 31
2 8.353
-
-
Tabel 5 Belasting oppervlaktewater door offshore olie- en gaswinning in kg voor 2016[21 ĩ_________ ^_____________ ______________________________________
continentaal plat (totaal) 6.1.6
benzeen 43.800
loodverb. 813
kwikverb. 2
zinkverb. 24.110
Affakkelen en afblazen van aardgas Affakkelen en afblazen van aardgas is alleen toegestaan wanneer dit om veiligheidsredenen nodig is, bijvoorbeeld bij onderhoudswerkzaamheden of bij een calamiteit. Rond affakkelen en afblazen speelt de klimaatproblematiek een rol en er is door veranderde Europese regelgeving een nieuw juridisch kader nodig in verband met (radioactief) radon. Klimaat Zowel bij affakkelen als bij afblazen komen de broeikasgassen CO2 en CH4 vrij. Als afblazen vervangen kan worden door affakkelen verschuift de emissie van voornamelijk CH4 naar voornamelijk CO2. Dat kan een belangrijke reductie van de bijdrage aan klimaatverandering betekenen omdat CH4 een 21 keer zo sterk broeikaseffect heeft als CO2. Pagina 35 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
Er zijn nog andere argumenten die de keuze mede bepalen. Affakkelen leidt bijvoorbeeld tot verstoring en slachtoffers bij zeevogels. Om inzicht te krijgen in de bijdrage die het vervangen van afblazen door affakkelen aan de Nederlandse klimaatdoelstelling kan leveren is nader onderzoek nodig. Daarbij is van belang of deze vervanging op een veilige manier kan plaatsvinden en of vervanging in verband met andere emissie en/of hinder mogelijk is. Radon In aardgas zit van nature een kleine hoeveelheid radongas. Dit radongas wordt met het aardgas naar de afnemer getransporteerd. Radon is radioactief, en wanneer dit wordt ingeademd worden mensen blootgesteld aan ioniserende straling. De blootstelling aan straling door het affakkelen of afblazen van aardgas was tot 2018 niet gedekt door regels en voorschriften. Sinds 6 februari 2018 is richtlijn 2013/59/Euratom van kracht. Hierdoor kan het affakkelen en afblazen van aardgas met ingang van deze datum niet meer worden uitgesloten van regelgeving [22]. Omdat de bijdrage aan de effectieve dosis door affakkelen of afblazen van aardgas vrijwel zeker lager is dan 10 ŲSv/jaar komen affakkelen en afblazen in aanmerking voor specifieke vrijstelling van wettelijke controle door de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming [22]. 6.1.7
Fracken Hydraulische putstimulatie (fracken) is een techniek om olie of gas vanuit het reservoir beter naar de boorput te laten stromen. Fracking op zee is niet anders dan op land. Voor de beoordeling van de milieurisico's van fracking wordt verwezen naar paragraaf 6.2.7. Het enige verschil is dat offshore het 'flow-back'-water na zuivering, met een OSPARontheffing, op het zeewater mag worden geloosd.
6.1.8
Ontmanteling Sinds 1988 zijn 24 productieplatforms verwijderd en deels (13) hergebruikt. Hergebruik betekent meestal dat het platform na renovatie op een andere locatie wordt ingezet. Het OSPAR-besluit 98/3 regelt de verwijdering van mijnbouwinstallaties. Voor Nederland zijn de specifieke eisen vastgelegd in het Mijnbouwbesluit (artikel 5.2.3). Het gaat om grote hoeveelheden afval waarvan een deel door contact met radioactieve stoffen uit de diepe ondergrond (Naturally Occurring Radioactive Material, NORM) radioactief geworden kan zijn. De verbuizing kan scale bevatten dat sterk radioactief kan zijn en om een zorgvuldige behandeling (verwijdering) vraagt. Tot 2030 zullen veel productieplatforms het einde van hun economische levensduur bereiken (zie Figuur 2). De geschatte kosten voor ontmanteling bedragen C 7 miljard [23]. Bij het toezicht op de ontmanteling zijn het SodM, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en het bevoegd gezag (EZK) betrokken. Als het om een installatie buiten de territoriale wateren gaat valt afvoer van de installatie onder de Europese Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA). Als het om een installatie binnen de territoriale wateren gaat is het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen van toepassing. Pagina 36 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
Gezien de omvang van de ontmantelingsopgave, de mogelijke milieurisico's, de gecompliceerde regelgeving en de verschillende partijen die bij het toezicht betrokken zijn is het belangrijk dat er een sluitend toezichtsregime is waarin de verantwoordelijkheden van de verschillende toezichthouders zijn vastgelegd en dat de hele ontmantelingsketen beslaat. Op dit moment is onduidelijk of het toezichtsregime toereikend is om milieurisico's te minimaliseren.
number removed
I re-used
2000
2020
2030
2040
2050
Figuur 2 Cumulatief aantal offshore installaties, dat ontmanteld gaat worden [23]
Om de milieurisico's van de grootschalige ontmanteling van offshore productieplatforms te minimaliseren is het belangrijk een adequaat toezichtsregime te ontwikkelen waarin de verantwoordelijkheden van het SodM, de ILT en het bevoegd gezag zijn vastgelegd en dat de hele ontmantelingsketen beslaat. De boorput wordt op de in paragraaf 5.5 beschreven manier afgesloten. Het productieplatform wordt afgevoerd (binnen twee jaar) en gereed gemaakt voor hergebruik of gesloopt. Ook de poten van het platform worden, minimaal tot 6 meter onder de zeebodem, verwijderd. Dan wordt de put verlaten. Er is geen wettelijke verplichting tot monitoring, waardoor verlaten putten vrijwel niet worden gemonitord. De effectiviteit van de afsluiting met cement wordt momenteel nader onderzocht (zie paragraaf 6.2.8). Op de termijn van enkele tientallen jaren zou het afsluitende cement kunnen krimpen, scheuren of degraderen waardoor methaan tussen de verbuizing en de proppen omhoog komt en uiteindelijk in de atmosfeer of in de bodem terechtkomt. Op zee zullen dergelijke lekkages meestal ongemerkt verlopen, omdat het methaan oplost in het zeewater en zonder monitoring niet wordt gedetecteerd.
Pagina 37 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
6.2
Olie en gas onshore
6.2.1
Algemeen Er zijn in Nederland ongeveer 600 productielocaties op land, vooral in Groningen en Noord- en Zuid-Holland. In totaal wordt er jaarlijks ongeveer 0,2 miljoen kubieke meter olie en 33 miljard kubieke meter gas gewonnen (CBS, 2016).
6.2.2
Boren en productie Het boren naar olie of gas op land verschilt niet essentieel van offshore.
6.2.3
Productie Ook de eerste fase van de productie verloopt gelijk met die bij offshore winning. Uiteindelijk wordt in de bovengrondse installatie de delfstof afgescheiden van het productiewater. Het productiewater bevat een mix van stoffen: zware metalen (kwik, cadmium, lood, zink en nikkel), aromaten (benzeen, BTEX en PAK's), radioactieve stoffen (radium, lood) en mijnbouwhulpstoffen (met hun reactieproducten). In een door NAM opgestelde Milieueffectrapportage [8] zijn alternatieven voor behandeling van productiewater onderzocht: ^ Zuivering van productiewater tot zout water dat op zee kan worden geloosd. ^ Zuivering van productiewater tot vast zout en water dat op het oppervlaktewater of op zee kan worden geloosd. ^ Indikken van het productiewater tot een brijnstroom die in lege gasvelden in de diepe ondergrond wordt geïnjecteerd en water dat op het oppervlaktewater kan worden geloosd. ^ Injectie van productiewater. Naar aanleiding van dat MER concludeerde de minister van EZ [24] dat, gezien de milieueffecten, de kortetermijnrisico's, de langetermijnrisico's en de kosten, injectie van productiewater in lege gasvelden op dit moment de beste verwerkingsmethode is.
6.2.4
Natte sludges Ook onshore ontstaan bij de afscheiding van productiewater natte sludges. De problematiek is dezelfde als bij offshore-installaties, met als enige verschil dat onshore de tanks worden geleegd met een vacuümtruck, waarna de sludge wordt afgevoerd (zie paragraaf 6.1.4).
6.2.5
Emissies De Nederlandse emissieregistratie bevat drie emissiegroepen voor onshore olie- en gaswinning: ^ olie- en gaswinning land; ^ aardolie- en gaswinning, affakkelen, onshore; ^ aardolie- en gaswinning, afblazen, onshore. Om een indruk te krijgen van de emissie door olie- en gaswinning op land zijn de emissies van kooldioxide, methaan, stikstofoxiden en zwaveloxiden naar lucht voor het jaar 2016 opgezocht. Voor de belasting van het oppervlaktewater door de onshore olie- en gaswinning met benzeen, lood-, kwik- en zinkverbindingen bevat de emissieregistratie geen gegevens.
Pagina 38 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
Tabel 6 Emissie naar lucht van onshore olie- en gaswinning in ton voor.2016 [25]
Olie en gas (land, totaal) affakkelen afblazen
kool dioxide 296.100 39.800 488
methaan 3.777 166 2.716
stikstof oxiden 839 -
zwaveloxiden 105 -
6.2.6
Affakkelen en afblazen van aardgas De problematiek rond het affakkelen en afblazen van aardgas is vergelijkbaar met die bij offshore winning. Ook hier komt radioactief radon vrij. Daarom is ook op land als uitvloeisel van richtlijn 2013/59/Euratom een nieuw beleidskader nodig voor de beoordeling van radongas. Verder is bij de afweging of er afgefakkeld of afgeblazen wordt de klimaatproblematiek van belang. Aanvullend zijn er op land ook andere argumenten die de keuze mede bepalen (zie ook paragraaf 6.1.6). Zo leiden licht, geluid en de zwarte rook die bij affakkelen optreden tot meer hinder bij omwonenden [26].
6.2.7
Fracken Hydraulische putstimulatie (fracken) is een techniek om olie en gas vanuit het reservoir beter naar de boorput te laten stromen. Bij fracken wordt vloeistof onder hoge druk gebruikt om scheuren ('fracks') in de betreffende laag aan te brengen. Meestal zijn die scheuren enkele tientallen meters lang met een doorsnede van enkele millimeters. De scheuren ontstaan in het reservoir op 2-4 km diepte. De frackvloeistof bestaat uit water (100-600 m3) waaraan mijnbouwhulpstoffen zijn toegevoegd. Na het fracken wordt de put schoongemaakt en wordt de frackvloeistof gedeeltelijk (1/3 tot 2/3 deel) teruggewonnen. De rest van de frackvloeistof blijft achter in de geologische formatie. Omdat er op die diepte geen biologische activiteit is, zal de frackvloeistof niet of nauwelijks worden afgebroken. Het teruggewonnen water dat tijdens en na het fracken naar boven wordt gepompt bevat, naast de mijnbouwhulpstoffen en reactieproducten daarvan, chemische en radioactieve stoffen uit de diepe ondergrond. Het wordt afgevoerd en verwerkt als afvalwater. Om emissie naar het milieu te voorkomen wordt voorafgaand aan het fracken door modelberekeningen vastgesteld of de boorput de verhoogde druk en temperatuur tijdens het fracken kan doorstaan. Om micro-aardbevingen te voorkomen wordt rond de put extra seismisch onderzoek naar breuken uitgevoerd.
Tijdens het fracken wordt gemonitord of de maximale druk niet wordt overschreden. Het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (BARMM) en de Richtlijn bodembescherming (NRB) bevatten nog aanvullende regels om milieuschade te voorkomen. Sinds 1954 heeft fracken in Nederland 338 keer plaatsgevonden. Hierbij hebben zich geen incidenten met gevolgen voor mens en milieu voorgedaan [27]. Deze ongevalsanalyse is achteraf uitgevoerd en was niet gedetailleerd. Om de risico's van fracken in beeld te brengen is nader onderzoek nodig. Daarnaast is onderzoek nodig naar het precieze lot van de in de diepe ondergrond achterblijvende frackvloeistof.
6.2.8
Ontmanteling Op land is ontmanteling geregeld via het Mijnbouwbesluit (artikel 5.1.4). Voor het mijnbouwwerk wordt een sluitingsplan ingediend dat door het SodM wordt beoordeeld. De feitelijke ontmanteling verloopt hetzelfde als Pagina 39 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
bij offshore mijnbouwinstallaties. De bovengrondse installaties worden verwijderd en de verbuizing wordt 6 meter onder het maaiveld afgezaagd en met een laatste hoeveelheid cement afgesloten. Op land wordt de put daarna gedurende zes maanden gemonitord. Na die periode wordt het terrein zo veel mogelijk in de oorspronkelijk staat teruggebracht. Ook hier geldt dat de afgevoerde verbuizing sterk radioactieve scale kan bevatten wat om een zorgvuldige behandeling (verwijdering) vraagt. Zoals in paragraaf 5.5 aangegeven, is er onduidelijkheid over de kwaliteit van cement als afsluiting op de langere termijn. Onderzoek van ECN bij 185 van de 1312 buiten gebruik gestelde boorputten liet zien dat er ’geen relevante methaanemissies' te meten waren. Toch waren niet alle boorputten goed afgesloten. Bij 29 verlaten putten werden 'reguliere gasbelletjes' waargenomen in de putkelder [28]. Volgens onderzoekers van de universiteit Utrecht en TNO lekken er in Nederland naar schatting enkele tientallen tot een paar honderd verlaten putten, maar is de totale hoeveelheid methaan die uiteindelijk de lucht ingaat waarschijnlijk klein, ook omdat het gas in de bodem reageert met zuurstof [29]. Recent is bij een oude gaswinningslocatie van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in Monster methaan in de bodem aangetroffen bij een in de jaren negentig afgesloten put.
De lekkage is relatief gering, 4 liter methaan per etmaal. De NAM gaat de boorput openen en opnieuw afsluiten. Het repareren zorgt voor overlast bij omwonenden: geluid, gezondheidsklachten als gevolg van de rookgassen van de dieselgeneratoren en schade aan de woningen door trillingen [30]. Er is in Nederland weinig ervaring met lekken uit afgesloten putten. Het is niet bekend welke omvang van lekkage verwacht kan worden en er is geen normering voor welke hoeveelheid vanuit milieu of gezondheidsoogpunt acceptabel is. Om inzicht te krijgen in de omvang van lekkage van afgesloten boorputten in Nederland en de ontwikkeling van deze lekkages in de tijd, is nader onderzoek nodig. Als lekkages structureel blijken, is onderzoek naar stabielere manieren van afsluiten en naar eventuele normstelling nodig. Bij lekkage in het open veld naar de buitenlucht liggen veiligheidsproblemen (explosie, verstikking) niet voor de hand. Bij lekkage onder gebouwen kan er door ophoping van methaan in kruipruimtes of kelders wel een veiligheidsprobleem ontstaan. 6.3
Geothermie
6.3.1
Algemeen Deze verkenning beperkt zich tot diepe geothermie (dieper dan 500 meter onder maaiveld) omdat die onder het toezicht van het SodM valt. Ondiepe geothermie en warmte-koudeopslag maken geen deel uit van deze milieu-inventarisatie, provincie of gemeente voeren daar het toezicht uit. Bij diepe geothermie wordt met een zogenoemd 'doublet' warm water uit de diepe ondergrond naar de oppervlakte gebracht. Dat water is zout, bevat mijnbouwhulpstoffen en chemische en radioactieve stoffen uit de diepe ondergrond. In de productiebuis wordt het warme water opgepompt (op twee kilometer diepte is de temperatuur van het water ongeveer 70 0C). Nadat een deel van de warmte in een warmtewisselaar is onttrokken, wordt het water via de injectiebuis Pagina 40 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
teruggepompt naar dezelfde watervoerende laag. Zo verandert de druk in die laag nauwelijks. De afstand tussen het productiepunt en het injectiepunt bedraagt circa 1-2 km. Internationaal wordt fracking gebruikt om de doorlaatbaarheid van de watervoerende lagen te verhogen. In Nederland is fracking bij geothermie nog niet toegepast. In 2016 waren er in Nederland 14 geothermie-installaties operationeel die samen ongeveer 3 petajoule per jaar produceren. In het Klimaatakkoord is een grote groei voor geothermie voorzien, naar 50 petajoule per jaar in 2030 en naar meer dan 200 petajoule per jaar in 2050. De geothermie is een relatief jonge sector. Het Staatstoezicht op de Mijnen heeft in 2017 een Staat van de Sector Geothermie gepubliceerd [31]. Daarin signaleert het SodM een aantal problemen die mogelijk gevolgen voor milieu en omwonenden hebben. 6.3.2
Winningsplannen Volgens de Mijnbouwwet moeten ondernemers die een geothermieinstallatie gebruiken over een door de minister van Economische Zaken en Klimaat goedgekeurd winningsplan beschikken. Op dit moment beschikt geen enkele ondernemer over een goedgekeurd winningsplan, ook niet voor de operationele winningen. Daardoor is er onvoldoende inzicht in mogelijke gevolgen van de winning voor mensen en milieu en is er ook geen zicht op een ordentelijke ontmanteling van de installatie na de operationele periode.
6.3.3
Boorputten Door een ander ontwerp van de boorput bij geothermie zitten er minder barrières tussen het opgepompte en geïnjecteerde (zout) water dan bij de olie- en gaswinning. Dat betekent kans op lekkage van zout water met mijnbouwhulpstoffen, chemische stoffen en radioactieve stoffen, niet alleen in de diepe ondergrond, maar ook in de hoger gelegen bodemlagen met daarin grondwaterpakketten die voor drinkwaterwinning worden gebruikt. Daarnaast kan, door onvoldoende afdichting van nietdoorlatende lagen, stroming optreden die leidt tot verontreiniging van hoger gelegen, zoete watervoerende lagen met zout water. Incidenten hebben zich al voorgedaan. Dit risico op grondwater- en bodemverontreiniging kan worden beperkt door gebruik te maken van meerwandige putconstructies, van voldoende corrosiebestendig materiaal in combinatie met adequate lekmonitoring en beheersmaatregelen.
6.3.4
Testwater Als de geothermie-installatie in productie is, gaat het om een vrijwel gesloten systeem en zijn productie en injectie van water in evenwicht. In de opstartfase van een doublet komt formatiewater naar boven bij het ontwikkelen van de putten en het testen daarvan. Het geheel van water dat vrijkomt wordt ’testwater' genoemd. Per put gaat het om 3500-6000 m3. De kwaliteit van het testwater is moeilijk te voorspellen, daarom kan de benodigde lozingsvergunning pas na oppompen van het testwater worden aangevraagd. Op dit moment wordt het testwater per tankwagen afgevoerd en, na eventuele zuivering, geloosd op het Pagina 41 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
oppervlaktewater. Om daarbij te voldoen aan de Waterwet en het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) is meestal een vorm van zuivering nodig. Omdat de aanvraagprocedure voor lozing tijd kost (negen maanden) moeten grote hoeveelheden testwater tijdelijk worden opgeslagen. Het opslaan van testwater op de inrichting valt onder BARMM. Deze opslag brengt risico's mee voor mens en milieu zoals morsen, lekkage, overstort na hevige regenval, enz. Er zijn incidenten voorgekomen waarbij het SodM handhavend heeft moeten optreden. De geothermiesector heeft alternatieven voor het verwerken van testwater onderzocht [32]. Herinfiltreren in de eigen injector en het verdampen van het testwater komen daarin als meest aantrekkelijke opties naar voren. Op dit moment geeft de sector aan dat het niet duidelijk is onder welke voorwaarden (juridisch/beleidsmatig) die technieken kunnen worden toegepast. Om alternatieven voor het verwerken van testwater in beeld te brengen, het afvoeren van testwater te versnellen en deze alternatieven in het beleidsmatige en juridische kader in te bedden, is nader onderzoek nodig. 6.3.5
Productie Bij veel geothermieputten komt opgeloste olie of gas met het opgepompte water mee, dat moet worden afgescheiden voordat het water kan worden geïnjecteerd. Onvoldoende deskundigheid, onderhoud en beheer van deze scheidingsinstallatie kan tot verontreiniging van de bodem leiden. Het geïnjecteerde water bevat, naast de oorspronkelijke bestanddelen uit de diepe ondergrond, ook mijnbouwstoffen en hun reactieproducten. Deze worden als Vreemde' stoffen in het reservoir gebracht. Op dit moment ontbreekt inzicht in de aard en hoeveelheid van de mijnbouwhulpstoffen die worden geïnjecteerd. Ook is niet duidelijk op welke termijn deze stoffen worden afgebroken en of zij zich (opwaarts) kunnen verplaatsen. Om een goed beeld te krijgen van omvang en aard van de mijnbouwhulpstoffen en hun reactieproducten die bij geothermie worden geïnjecteerd en naar afbraak en (opwaarts) transport van deze stoffen is nader onderzoek nodig.
6.3.6
Radioactiviteit Het met het productiewater meekomende aardgas kan ook worden afgefakkeld. Daarbij komt radon vrij dat zich in de atmosfeer verspreidt. Soms wordt de CO2 van het affakkelen afgevangen om als bemesting in kassen te dienen. Met de CO2 komt er dan ook radon in de kas terecht. Tijdens de boorfase en de productie ontstaan ook natte sludges. Een eerste schatting is dat het momenteel gaat om circa 60-100 ton/jaar voor de gehele sector [33], en dat deze hoeveelheden, gezien de ontwikkeling van geothermie, aanzienlijk toe zullen nemen. Net als bij de olie- en gaswinning kan sludge radioactief radium en lood bevatten. Daarnaast kan radioactiviteit zich ophopen in ketelsteen (scale) dat zich afzet op verbuizing en installaties. Hoeveel ketelsteen ontstaat, is afhankelijk van de toepassing van scale-inhibitors, die door de vorming van een dunne film op de wand van de buizen het aankoeken van ketelsteen (deels) voorkomen. Een schatting geeft aan dat het om 200 2000 kg per installatie gaat. Pagina 42 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
Op dit moment kan nog niet worden overzien of het om vrijgestelde, meldingsplichtige of vergunningplichtige sludges en scales gaat. Het is onvoldoende bekend hoeveel radioactieve sludges en scale bij geothermie ontstaan en wat het stralingsniveau van deze afvalstoffen is 6.3.7
Ontmanteling In Nederland is geen ervaring met het ontmantelen van geothermieinstallaties. Daarvoor is de sector nog te jong. Voor het afsluiten van de productie en injectieput gelden in principe dezelfde voorwaarden als bij de olie- en gaswinning.
6.3.8
Geothermie en seismische activiteit Onder de gebieden die de Structuurvisie ondergrond als kansrijk voor geothermie beschouwt bevinden zich ook gebieden met breuklijnen en relatief hoge seismische activiteit. Deze kan van natuurlijke oorsprong (Zuidoost Nederland) of een gevolg van de gaswinning zijn (Groningen). Injectie van water in zo'n gebied kan aardbevingen veroorzaken en, omgekeerd, aardbevingen kunnen tot lekkages van de boorputten leiden. Recent heeft het SodM twee aardwarmteprojecten in Limburg, nabij de Tegelen-breuk, uit voorzorg stilgelegd. Om inzicht te krijgen of en onder welke voorwaarden geothermie kan worden toegepast in gebieden met breuklijnen en relatief hoge seismische activiteit, is nader onderzoek nodig.
6.3.9
Bebouwde omgeving Geothermie-installaties bevinden zich mogelijk dichterbij woningen en maatschappelijke voorziening dan boorputten voor de winning van olie en gas. Dat zou tot hinder kunnen leiden. Bovendien kunnen incidenten daardoor een grote maatschappelijke impact hebben. Als dit, na een nadere analyse, correct blijkt te zijn, kan overwogen worden of er in de wetgeving minimale afstanden tussen woningen en geothermieinstallaties of andere voorwaarden opgenomen dienen te worden. Om duidelijkheid te krijgen over veilige afstanden tussen geothermieinstallaties en woningen, scholen, ziekenhuizen, enz. is nader onderzoek nodig. Afhankelijk van de resultaten daarvan kan worden overwogen om minimale afstanden en voorwaarden in beleid of regelgeving op te nemen.
6.3.10
Verdienmodel Volgens de Mijnbouwwet kan een vergunning op grond van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan de hem op te leggen verplichtingen. Initiatiefnemers kunnen er daarom belang bij hebben om de business-case rooskleuriger voor te stellen, bijvoorbeeld door niet de kosten van de volledige life-cycle van de geothermie-installatie mee te nemen [31]. Kosten voor onderhoud en incidenten kunnen te laag worden geraamd, evenals de kosten van ontmanteling van de installatie. Er kan worden bezuinigd op de kwaliteit van de gebruikte materialen. Deze gang van zaken levert naast kostenverlaging, een toenemend risico op negatieve milieueffecten op. Het SodM signaleert [31] dat dit tot incidenten kan hebben geleid die mogelijk te wijten zijn aan het Pagina 43 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
gebruik van inferieure materialen of de inzet van onvoldoende deskundig personeel. Onvoldoende reserveringen kunnen leiden tot faillissement van de ondernemer. Hierdoor zou de maatschappij dan moeten opdraaien voor eventuele gevolgen van incidenten of voor een zorgvuldige ontmanteling van de installatie. Deze bedrijfscultuur kan de maatschappelijke acceptatie van geothermie negatief beïnvloeden en tot ongerustheid bij omwonenden leiden. 6.3.11
Versterking sector Gezien de verwachte groei van de geothermiesector in de komende tientallen jaren (van 3 naar 200 petajoule) kan de sector een grote impact hebben op mens en milieu, vooral op grondwater, bodem, emissie van radon en radioactief afval. In een brief aan de Tweede Kamer kondigt de minister van EZK een aantal versterkingsmaatregelen aan die ’nodig zijn om de jonge geothermiesector toekomstbestendig te maken' [34]. Het gaat om: ^ eisen ten aanzien van interferentie met grondwaterzones; ^ eisen om corrosie te voorkomen; ^ eisen aan bassins en silo's waarin het testwater wordt opgeslagen; ^ eisen ten aanzien van de grootte van de mijnbouwlocatie; ^ betere toetsing op financiële draagkracht bij de vergunningverlening; ^ vergroten van de kennis van de ondergrond; ^ continuïteit van kennis en ervaring; ^ vereenvoudiging, stroomlijning en transparantie mijnbouwregelgeving.
6.4
Zoutwinning
6.4.1
Algemeen Jaarlijks wordt in Nederland ruim 6 miljoen ton steenzout gewonnen en ongeveer een kwart miljoen ton magnesiumzout. De winning vindt plaats in het noorden en oosten van het land, meestal op een diepte tussen 100 en 1600 meter. Er zijn drie bedrijven actief (AkzoNobel, Frisia en Nedmag) met in totaal 16 winningsvergunningen (1 januari 2018). Winning van zout gebeurt door oplossingsmijnbouw. Er wordt een conductor tot de eerste niet-doorlatende laag geheid. Binnen deze conductor wordt een buis tot in de zoutlaag neergelaten. In die buis wordt een tweede, smallere buis aangebracht, die enkele meters dieper in de zoutlaag reikt. Door de ruimte tussen de beide buizen wordt water naar beneden geleid waardoor het zout oplost. De hierdoor gevormde pekel gaat door de druk van het water via de binnenste buis omhoog. Dit pekelwater wordt getransporteerd naar de verwerkingslocatie, waar het zout in een verdampingsinstallatie wordt afgescheiden. Bij de zoutwinning ontstaan zogenoemde zoutcavernes, met pekel opgevulde holtes in de zoutlaag. Zoutwinning vindt al sinds 1918 plaats. Enkele recente incidenten zoals de lekkage van met diesel vervuild pekelwater op het terrein van AkzoNobel en vanuit een zoutcaverne, hebben geleid tot maatschappelijke zorg over de veiligheid en toekomstgerichtheid van de sector. Dat signaleert ook het SodM in 2018 in de Staat van de Sector
Pagina 44 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
Zout [35]. De voornaamste zorgpunten die het SodM signaleert worden hierna behandeld. 6.4.2
MijnbouwhulpstofFen De zoutwinning gebruikt mijnbouwhulpstoffen, zoals diesel, biociden en anticorrosiemiddelen. Diesel wordt gebruikt om een laag op de pekel te vormen die afbraak van het dak van de caverne voorkomt. Per caverne gaat het om honderden kubieke meters diesel. De mijnbouwonderneming heeft een inspanningsverplichting om de diesel, na afloop van de winning, terug te winnen. De feitelijke terugwinning varieert sterk, van bijna niets tot vrijwel alles. Achterblijvende diesel kan in de diepe ondergrond en het diepe grondwater terechtkomen. Onderzoek naar een minder belastende hulpstof, zoals stikstof, is nodig. Bij incidenten kan vervuiling met diesel optreden, aan het oppervlak, in de bodem of in het grondwater. Vooral deze laatste vervuiling is ernstig, grondwater vervuild met diesel is ongeschikt voor drinkwaterwinning en landbouw. Bij Veendam is recent pekel en diesel uit een scheur in het dak van een zoutcaverne gestroomd. Op dit moment wordt nog onderzocht of deze lekkage gevolgen heeft voor het grondwater. Om bodem- en waterverontreiniging terug te dringen en in de toekomst te voorkomen is nader onderzoek nodig naar betere terugwinning van de gebruikte diesel en naar alternatieven voor de bescherming van het cavernedak die minder schadelijk zijn voor bodem en grondwater.
6.4.3
Opslag in verlaten zoutcavernes Verlaten zoutcavernes bieden mogelijkheden voor de opslag van diverse stoffen (CO2, gasolie, stikstof, waterstof, vliegas). Ondergrondse opslag wordt besproken in paragraaf 6.5.
6.4.4
Instabiele zoutcavernes In het verleden is soms te veel zout uit een caverne gewonnen en lagen de cavernes te dicht bij elkaar. Dit kan tot instabiliteit van de zoutcavernes leiden. In Twente zijn 61 cavernes mogelijk instabiel. Het is belangrijk deze cavernes goed te monitoren om bijtijds maatregelen te kunnen nemen. Instabiele zoutcavernes kunnen instorten waardoor plotselinge bodemdaling (zinkgat, verdwijngat) optreedt. Instorten levert een groot milieurisico, grote hoeveelheden pekel en diesel kunnen naar de diepe ondergrond lekken. Om instabiele cavernes in de toekomst te voorkomen heeft AkzoNobel de ’Good Salt Mining Practice' (GSMP)-richtlijn ontwikkeld.
6.4.5
Bodemdaling Zoutwinning leidt tot bodemdaling. Die kan geleidelijk verlopen (in een aantal jaren enkele centimeters tot decimeters bodemdaling over een kilometers groot gebied) of plotseling (in enkele uren, enkele meters bodemdaling over een zeer klein gebied). Geleidelijke bodemdaling kan gevolgen hebben voor het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater.
6.4.6
Verontreinigingen tijdens winning Transportleidingen (bovengronds of enkele meters onder het maaiveld), putten en cavernes kunnen gaan lekken waardoor pekelwater en diesel in het milieu terecht kunnen komen. Dergelijke lekkages zijn ook daadwerkelijk gevonden. AkzoNobel staat onder verscherpt toezicht Pagina 45 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
vanwege lekkages door onvoldoende controle en achterstallig onderhoud. In 2017 lekte 250 m3 pekel de Twentse bodem in, in 2016 1400 m3. Ook lekkages in de boorputten en de cavernes komen voor: ^ Eind jaren tachtig lekte in een boorput pekelwater met diesel weg op een diepte van 50 en 100 meter. Die lekkage werd pas in 2015 ontdekt. In totaal is circa 11 m3 dieselolie en circa 21 m3 pekel gelekt. Met, volgens berekeningen van AkzoNobel, een verspreiding van maximaal 50 meter (diesel) en 3000 meter (pekel). Omdat de dichtstbijzijnde waterwinning meer dan 5 kilometer weg ligt is die volgens deze berekeningen niet bedreigd. ^ Bij Veendam is onlangs een scheur in het dak van een zoutcaverne van Nedmag ontdekt waardoor pekel en diesel zijn weggestroomd. Dit type verontreiniging vormt potentieel een ernstige bedreiging voor mens en milieu. 6.4.7
Ontmanteling Als de toegelaten hoeveelheid zout gewonnen is wordt de boorput buiten bedrijf gesteld. Binnen een jaar dient dan volgens het Mijnbouwbesluit (artikel 39, lid 1) een sluitingsplan te zijn ingediend (het winningsplan van de ondernemer bevat dat niet). Momenteel is er een groot aantal mijnbouwputten buiten bedrijf gesteld waarvoor nog geen sluitingsplan is opgesteld en waarvoor ontmanteling van de installaties nog niet heeft plaatsgevonden. Deze boorputten zijn onvoldoende gezekerd wat gevolgen kan hebben voor het milieu. Na sluiting wordt de diesel uit de caverne zo veel mogelijk teruggewonnen en de productiebuizen en bovengrondse installaties worden verwijderd. De casing wordt 2,5 meter onder maaiveld afgezaagd en afgedicht met cement. Verlaten putten worden niet gemonitord op lekkage. Ook na ontmanteling van de put zijn verontreinigingen mogelijk. ^ De caverne kan gaan lekken omdat de druk na afsluiting, door instromend zout toeneemt. Het mengsel van pekelwater en diesel in de caverne, dat nu onder druk staat, kan door haarscheurtjes uit de caverne lekken, waardoor de scheurtjes uitslijten tot een groter lek. Als er zich boven de zoutlaag een ondoordringbare laag bevindt, blijft de vervuiling beperkt tot grote diepte en vormt geen bedreiging voor landbouw en drinkwatervoorziening.
Is dat niet het geval, dan kan de verontreiniging het grondwater bereiken met schade voor drinkwatervoorziening en landbouw. ^ Als oude boorputten niet zorgvuldig worden afgesloten, kan lekkage van pekelwater verontreinigd met diesel en andere mijnbouwhulpstoffen optreden naar bodem, grondwater en op maaiveld.
6.4.8
Verdienmodel De vergunningverlener kan in de vergunning financiële eisen stellen aan de ondernemer, waardoor gegarandeerd wordt dat gevolgen van incidenten kunnen worden gesaneerd en dat inactieve putten op een goede manier kunnen worden ontmanteld en verlaten. Als dat onvoldoende gebeurt, kan het betekenen dat de maatschappij uiteindelijk voor deze kosten opdraait. Pagina 46 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
6.4.9
Bedrijfscultuur Het SodM signaleert dat ondernemingen vooral zijn gericht op het beheersen van de risico's tijdens de winning en het reageren op incidenten [35]. Er is onvoldoende aandacht voor de langere termijn, preventief onderhoud, corrosiebestrijding en goede materiaalkeuze. Er is achterstand bij het op een verantwoorde manier afsluiten en verlaten van putten die uit productie zijn genomen. Transparantie en communicatie over risico's en incidenten met de omgeving (bevoegd gezag, omwonenden) laat te wensen over. Ook de kennis over de processen in de (diepe) ondergrond tijdens de winning en daarna, en de daaraan gekoppelde risico's is onvolledig. Tot slot ontbreekt een visie op en aanpak van de risico's die na de winning kunnen optreden.
6.5
Ondergrondse opslag
6.5.1
Algemeen Mijnbouw laat ’ruimtes' achter in de diepe ondergrond die in principe geschikt zijn voor de opslag van stoffen. Op kleine schaal gebeurt dat al (aardgas, gasolie, stikstof). Voor de nabije toekomst is voor ondergrondse opslag van CO2 een belangrijke rol in het klimaatbeleid voorzien, vooralsnog alleen offshore.
6.5.2
Andere stoffen dan CO2 In Nederland worden op diverse locaties stoffen opgeslagen in de diepe ondergrond. Dit betreft vooral tijdelijke opslag (buffering) van aardgas in gasvelden (bij Langelo en Grijpskerk) om bij koude aan de piekvraag te kunnen voldoen. Ook bij Alkmaar is sinds 1997 zo'n piekgasinstallatie in bedrijf. Verder worden zoutcavernes benut voor opslag van stikstof (Winschoten) en gasolie (Marssteden). In 2011 is een gasopslag in zoutkoepels bij Zuidwending in gebruik genomen. AkzoNobel heeft een pilot opgezet om te onderzoeken of de opslag van vliegas, afkomstig van afvalverwerker Twence, in instabiele zoutcavernes mogelijk is. Het mes snijdt dan aan twee kanten. De zoutcaverne wordt gestabiliseerd en het afvalprobleem van Twence is opgelost. Een belangrijk probleem is dat vliegas als het eenmaal opgeslagen is, in tegenstelling tot olie, aardgas of stikstof, niet meer teruggehaald kan worden. Daarmee voldoet deze opslag niet aan een belangrijke eis uit LAP3. Een tweede probleem is de maatschappelijke onrust die over de mogelijke opslag ontstond. Daarom is AkzoNobel in overleg met Twence en de betrokken gemeenten eind 2015 met de pilot gestopt. Opslag van andere stoffen zoals perslucht, waterstof of radioactief afval vindt in Nederland niet plaats.
De opslag van de strategische olievoorraad in Twente onder industriegebied Marssteden is in 2014 ter discussie komen te staan na een olielekkage vanuit een zoutcaverne net over de grens bij het Duitse natuurgebied Amtsvenn. Hierbij is olie via de verbuizing vanuit de caverne aan het oppervlak gekomen met ernstige verontreiniging als gevolg [36]. De technische aanpak in Nederland verschilt van die in Duitsland. In Nederland wordt gebruikgemaakt van dubbelwandige buizen, gevuld met anticorrosievloeistof en drukdetectie. In Duitsland van enkelwandige buizen. In Enschede gaan er twee boorgaten naar de caverne, één om
Pagina 47 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
gasolie in en uit de caverne te pompen en één om pekel in en uit de caverne te pompen. In Duitsland is er slechts één boorgat. Ondanks deze verschillen ontstond er maatschappelijke onrust over de opslag van de strategische olievoorraad. AkzoNobel besloot daarop in 2017 de opslag niet uit te breiden, hoewel de vergunning dat toestond. Nadat in 1970 47.000 m3 radioactief afval in een oude zoutmijn in Duitsland (Assse) was opgeslagen bleek deze mijn instabiel te zijn. Instorten van de cavernes dreigt en het radioactieve afval komt in contact met binnen sijpelend grondwater [37]. Uiteindelijk besloot de Duitse overheid in 2010 dat het radioactieve afval zo snel mogelijk naar boven gehaald moet worden. 6.5.3
CO2 Het regeerakkoord van Rutte III zet in op een grote bijdrage aan de klimaatproblematiek van het afvangen en opslaan van CO2 in de diepe ondergrond (ondergrondse opslag van 18 megaton CO2 per jaar in 2030). Het realiseren van deze schaalvergroting zal veel vragen van vergunningverlener en toezichthouder. Op dit moment bedraagt de jaarlijkse CO2-opslag niet meer dan 20 kiloton in een klein demonstratieveld onder de Noordzee (K12B). Onshore opslag van CO2 is niet van de grond gekomen. Een project van SHELL om CO2 uit Pernis per pijpleiding naar Barendrecht te transporteren en op te slaan in een leeg aardgasveld is na tegenstand van omwonenden in 2010 geschrapt. Ook mogelijke opslag in het noorden (Boerakker, Sebaldeburen of Eleveld) kon niet op maatschappelijk draagvlak rekenen. Omwonenden vinden de garanties dat het CO2 ingesloten blijft onvoldoende. Zij zijn bang voor ernstige gevolgen als CO2 mocht vrijkomen, ook al is de kans daarop klein. Focus is nu op de opslagmogelijkheden voor CO2 onder zee, bijvoorbeeld voor CO2 van bedrijven op de Maasvlakte in een leeg gasveld, voor de kust van Rotterdam.
6.5.4
Potentiële risico's Ondergrondse opslag kan een bijdrage leveren aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Nationale en internationale ervaring laat zien dat opslagplaatsen soms worden ingericht zonder adequaat onderzoek, met milieuverontreiniging als gevolg. Het is daarom van belang dat bij het verkennen van de mogelijkheden van ondergrondse opslag, vooraf een analyse van alle potentiële risico's wordt opgesteld, niet alleen op de korte termijn (0-100 jaar), maar ook op lange, geologische termijn (10.000 jaar). Zo'n risicoanalyse kan, in combinatie met open communicatie, bijdragen aan maatschappelijke acceptatie van de ondergrondse opslag. Om een goede maatschappelijke afweging over ondergrondse opslag te kunnen maken, is een risicoanalyse nodig voor die specifieke opslag die alle potentiële risico's, zowel op de korte termijn (0-100 jaar) als op een geologische tijdschaal (10.000 jaar), in beeld brengt.
Pagina 48 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
6.6
Wind op zee
6.6.1
Algemeen Windenergie op zee moet een belangrijke bijdrage leveren aan een duurzame energievoorziening. In 2023 zal er door windparken op zee 4,5 gigawatt elektriciteit geproduceerd moeten worden. Daarna gaat de ontwikkeling door. In de ’Routekaart windenergie op zee 2030' is een toename met 7 gigawatt in 2030 voorzien. De minister van EZK is samen met de ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk voor kavelbesluiten en vergunningverlening. Het toezicht is verdeeld over het SodM, Rijkswaterstaat (RWS), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Het SodM ziet toe op naleving van de Warenwet, de Arbeidstijdenwet en de Arbeidsomstandighedenwet en (gedelegeerd) op de voorschriften in de kavelbesluiten volgend uit hoofdstuk 6 van het Waterbesluit. RWS ziet toe op naleving van de Waterwet en op de voorwaarden in het kavelbesluit voor bescherming van de ecologische belangen. De NVWA ziet toe op de overige bepaling in de Wet natuurbescherming. De ACM ziet toe op het elektriciteitstransport.
6.6.2
Aanleg Voor de Nederlandse windparken worden zogenoemde monopiles gebruikt. Die bestaan uit een verticale metalen staaf (monopile of funderingspaal) die in de zeebodem wordt geheid. Over de funderingspaal komt een 'transition piece' en daarop de windmolenmast (Figuur 3). Heien heeft de grootste impact tijdens de aanleg van een windmolenpark. Hierdoor ontstaan sterke geluidsgolven in zee. De grootste effecten ondervinden zeezoogdieren (zeehond, bruinvis, dolfijn). Bruinvissen maken geluid en gebruiken dat om te navigeren. Heien kan die 'echolocatie' verstoren, waardoor de populatie onder druk komt te staan. Ook jonge vissen hebben last van het onderwatergeluid omdat zij stroming gebruiken om zich te verplaatsen en niet actief kunnen vluchten voor het geluid. Het effect van geluid op vissen is nog onvoldoende onderzocht. Bij aanleg van windmolenparken wordt een aantal maatregelen getroffen om schade door het geluid van heien zo veel mogelijk te voorkomen. Bruinvissen worden weggejaagd met een hard geluid. In het begin van de heiwerkzaamheden is het vermogen laag en stijgt geleidelijk waardoor dieren weg kunnen zwemmen of vliegen. Om aan de geluidsnorm voor onderwatergeluid te voldoen kan een huls rond de hei-installatie of een bellenscherm worden toegepast.
Pagina 49 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
Wļtjl F' atfn nti
Eüůrvlil j I jLtí
Figuur 3 Schema fundering windmolen op zee (monopile). http://coastalenergyandenvironment.web.unc.edu/ocean-energy-generatingtechnologies/offshore-wind-energy/environmental-impacts-of-inshore-and-offshore-windinstallations/noise/
Windmolens moeten worden aangesloten op het hoogspanningsnet op land. Daarvoor wordt in een windmolenpark een platform met een transformatorstation gerealiseerd. Vanaf dat transformatorstation gaan elektriciteitskabels door de zeebodem en ondergronds (onshore) naar een transformatorstation op land. Via een hoogspanningsstation vindt aansluiting op het hoogspanningsnet plaats. 6.6.3 6.6.3.1
Productie Effecten zeewater Metaalcoatings kunnen desintegreren en dan tot verontreiniging van zeewater leiden. Bij een monopile is de funderingspaal niet gecoat en is het effect op het zeewater beperkt. Bescherming van de metaaldelen tegen corrosie gebeurt meestal met 'opgedrukte stroom'. Hierdoor is het gebruik van opofferingsanodes, die zink aan het zeewater afgeven, niet nodig. Indien er toch opofferingsanodes worden toegepast, dan moeten die van aluminium zijn en zijn er grenzen gesteld aan het gehalte van zware metalen. Op de funderingspaal zal enige aangroei van mosselen en andere zeeorganismen ontstaan, maar die heeft geen gevolgen voor corrosie of sterkte. Daarmee is de impact van de mastconstructie op het zeeleven beperkt. Windturbines worden gesmeerd. Om vervuiling van de zee door de smeerolie te voorkomen bevatten de turbines 'lekbakken'. Bij de smeerolie gaat het om relatief kleine hoeveelheden. Afgewerkte olie en oliefilters worden opgeslagen in containers die periodiek naar land worden afgevoerd voor verdere verwerking. Biociden die tot verontreinig van het zeewater kunnen leiden, worden niet toegepast bij windparken op zee [38].
Pagina 50 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
6.6.3.2
Ecologie Mogelijke effecten Een windpark in productie heeft effecten op de ecologie. ^ Vogels kunnen geraakt worden door de wieken en verliezen een deel van hun leefgebied. Dit kan worden tegengegaan door de locatiekeuze en grotere windturbines, die per geproduceerde MW aanzienlijk minder vogelslachtoffers maken. Tijdens de vogeltrek kan de rotatiesnelheid van de bladen worden teruggebracht waardoor er minder slachtoffers vallen. ^ Vleermuizen die over de Noordzee trekken kunnen door de wieken geraakt worden. Dat kan gedeeltelijk worden voorkomen door de windmolens tijdens de vleermuistrek, als er weinig wind is, stil te zetten. ^ Sommige vissen (haaien) en zeezoogdieren (zeehond, bruinvis, dolfijn) zijn gevoelig voor de elektromagnetische velden van de elektriciteitskabels. In ondiep water (bij aanlanding) kunnen die velden een barrière vormen voor die dieren. ^ Bodemdieren kunnen baat hebben bij een windmolenpark. Door de funderingspalen en de stortsteen kan ’nieuwe natuur' ontstaan. Bovendien wordt het bodemleven niet langer verstoord door (bodem)visserij. • Vissen en zeezoogdieren kunnen last hebben van verstoring door vreemde elementen in hun leefgebied. Aan de andere kant bieden windparken een voedselrijk gebied, een schuilplaats en is er geen (bodem)visserij.
Er worden initiatieven ondernomen om in de toekomstige windmolenparken nieuwe riffen te ontwikkelen waardoor de biodiversiteit in de Noordzee kan toenemen. Monitoring Veel ecologische effecten zijn onvoldoende in beeld. Sinds 2016 loopt een vijfjarig programma om de effecten van operationele windparken te monitoren (Wind op Zee Ecologisch Programma, Wozep [39]). Er wordt gekeken naar effecten op beschermde habitats, soorten zeezoogdieren (bruinvis, zeehonden), zee- en kustvogels, trekkende landvogels, bodemfauna, vis en over de Noordzee trekkende vleermuizen. De resultaten van Wozep kunnen ertoe bijdragen de (cumulatieve) effecten van windmolenparken op de ecologie te minimaliseren. Cumulatie Nu het aantal windparken op zee snel toeneemt, kan niet worden volstaan met een ecologische beoordeling van de impact van elk individueel park. Daarom is het 'Kader Ecologie en Cumulatie' (KEC) opgesteld [40]. Binnen het KEC wordt onderzocht wat de gecumuleerde ecologische effecten kunnen zijn van bestaande en in aanbouw zijnde windparken op zee en andere offshore-activiteiten.
6.6.4
Ontmanteling Windturbines hebben een levensduur van circa 30 jaar. Daarna worden rotor, mast en 'transition piece' verwijderd en afgevoerd naar land. De funderingspalen worden tot 6 meter onder de zeebodem verwijderd. De elektriciteitskabels kunnen worden verwijderd. Als de kabels te diep in het sediment liggen, worden ze achtergelaten.
Pagina 51 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
6.7
Netbeheer gasleidingen
6.7.1
Algemeen Gasunie Transport Services (GTS), een dochteronderneming van de Nederlandse Gasunie is de netbeheerder van het landelijk gastransportnet in Nederland, in totaal ongeveer 12.000 km. Het gastransportnetwerk van GTS bestaat uit een landelijk hogedruknet (HTL, 65-80 bar) en regionale netwerken (40 bar). Naast GTS zijn er zeven regionale netbeheerders verantwoordelijk voor het gastransport naar de eindgebruikers. Die beheren het distributienet met middendruk (RTL, 1-8 bar), in totaal circa 34.000 km buisleiding. Uiteindelijk wordt het gas onder lage druk (100 mbar) naar de zogenoemde kleinverbruikers (circa 7,1 miljoen.) getransporteerd. De totale omvang van het lagedrukdistributienet is circa 88.000 km. Het SodM houdt toezicht op de veiligheid van het gastransportsysteem. De Autoriteit Consument en Markt houdt toezicht op de kwaliteit van de netwerken, leveringszekerheid en transporttarieven en de Inspectie Leefomgeving en Transport op externe veiligheid.
6.7.2
Aantallen storingen/lekkages Recent is door KIWA in opdracht van Netbeheer Nederland een uitgebreide analyse van storingen en lekkages in het gastransportnet in 2017 opgesteld [41]. Tabel 7 Aantal lekken en storingen in het regionaal en landelijk gasnet in 2017 nzi__________________________________ ___________________________________
regionaal gasnet (RTL) lekken storingen 37.698 55.503
landelijk gastransportnet (HTL) lekken storingen 1 6
De registratie maakt onderscheid tussen lekken en storingen. Een storing hoeft niet altijd tot lekkage te leiden. Ongeveer 250Zo van de storingen wordt veroorzaakt door graafwerkzaamheden. Het Kadaster wil graafschade beperken door via KLIC informatie over de ligging van kabels en leidingen te verstrekken Het doel van KLIC is graafschade te beperken. Ook de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON) wil gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen voorkomen. Onderzoek van het SodM in 2018, gebaseerd op eigen toezichtcijfers, leidde tot een hogere schatting voor het aantal lekken en verstoringen dan in Tabel 7. Dit onderzoek gaf aan dat er in 2017 ongeveer 60.000 lekken en 78.000 storingen waren [42]. De oorzaak van deze verschillen is niet duidelijk. Om de oorzaken van het verschil in aantal lekkages tussen de opgave van Netbeheer Nederland en het SodM te achterhalen is nader onderzoek nodig. 6.7.3
Emissies Gaslekkages leiden tot emissie van vooral methaan. Volgens de nationale emissieregistratie bedroeg de emissie van methaan uit gastransport en distributie in 2016 bijna 10.000 ton. Naast methaanemissie en
Pagina 52 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
bodemverontreiniging kunnen lekkages bij ophoping leiden tot explosie en brand. Tabel 8 Emissie van methaan uit het gasnet naar lucht in ton voor 2016 [43]
Gastransport Gasdistributie totaal gasnet
methaanemissie (2016) ton 4.037 5.678 9.715
De schatting voor de methaanemissie voor gasdistributie (5678 ton) uit de emissieregistratie komt goed overeen met de waarde van 5710 ton in de rapportage die KIWA in 2017 voor Netbeheer Nederland heeft opgesteld [44]. De emissie door gastransport en distributie bedraagt ongeveer 1,30Zo van de totale methaanemissie in Nederland in 2016 (798.000 ton). In totaal is er in ongeveer 96 miljard m3 (69 miljoen ton) gas getransporteerd. Dat betekent dat de methaanemissie door transport circa 0,015Zo van het gastransport bedraagt. Naast emissies naar lucht die het gevolg zijn van een incident komen ook kleine gaslekken in het gasdistributienet voor. Dit zijn lekkages die niet door mensen geroken kunnen worden. Deze kunnen via zogenoemde lekzoekrondes worden gedetecteerd, maar hoeven, afhankelijk van de klasse-indeling, niet meteen gerepareerd te worden. In 2017 ging het om 4930 van deze niet-urgente lekken [41]. 6.7.4
Bodem verontreiniging Bij gaslekken kunnen naast methaan ook andere stoffen in de bodem terechtkomen. Recent is het vermoeden ontstaan dat lekkages in het gastransportnet lokale bodemverontreiniging met benzeen veroorzaken. In een steekproef bleek op vijf van de zestien onderzochte locaties de concentratie van benzeen in de bodem boven de interventiewaarde van 1,1 mg/kg droge stof te liggen [45]. De interventiewaarde geeft, in het kader van de Wet bodembescherming, het niveau aan waarboven sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Onderzoek hiernaar is nog niet afgerond. Bij werkzaamheden is het vanuit milieuoogpunt en voor werknemers belangrijk te controleren of de bodem in de buurt van de gasleiding verontreinigd is (benzeen, zware metalen, asbest). Als dat zo blijkt te zijn moeten de werknemers beschermende maatregelen treffen. De verontreinigde grond moet dan na de werkzaamheden, afhankelijk van de verontreiniging worden afgevoerd en verwerkt.
6.7.5
Asbestleidingen Een klein deel van het gasnet bestaat nog uit leidingen van asbestcement. In 1990 ging het om 2165 km en in 2016 nog om 1017 km, 0,80Zo van het totaal [44]. Bij werkzaamheden aan deze leiding zijn extra maatregelen nodig met betrekking tot persoonlijke bescherming van werknemers en met betrekking tot verpakken, afvoeren en verwerken van de buizen. Na verwijderen dient de omringende grond op aanwezigheid van asbestvezels te worden gecontroleerd.
Pagina 53 van 72
RIVM Rapport 2018-0162
6.7.6
Toekomst gasnet Als gevolg van de energietransitie zou het gasnet overbodig kunnen worden of een andere transportfunctie kunnen krijgen. Een verkenning van de toekomstmogelijkheden voor Netbeheer Nederland gaf aan dat het bestaande gasnetwerk met de juiste maatregelen prima ingezet kan worden om gassen zoals waterstof of biomethaan te distribueren. Daar waar distributie van dergelijke gassen gewenst is, kan het gasnet van de toekomst in grote mate gelijk blijven aan het huidige aardgasnetwerk [46]. Het SodM laat momenteel een onderzoek uitvoeren naar de impact van de energietransitie op de veiligheid van het gasnet en het gewenste toezicht daarop.
6.8
Nazorg kolenwinning
6.8.1
Achtergrond In Zuid-Limburg is steenkool gewonnen, tussen Kerkrade in het zuidoosten tot aan de Maas bij Geleen in het Noordwesten. De eerste steenkoolwinning vond al plaats in de twaalfde eeuw nabij Kerkrade. In het industriële tijdperk was het mogelijk geworden om ook de steenkool op een grotere diepte te winnen en bereikte de steenkoolproductie zijn maximale omvang. De Nederlandse steenkolenmijnen werden tussen 1967 en 1974 vanwege economische redenen gesloten. In 2007 heeft het Duitse ingenieursbureau Heitfeld-Schetelig GmbH (IHS) een verkenning van de gevolgen van grondwaterstijging uitgevoerd [47]. Naar aanleiding van de verzakking bij het winkelcentrum 't Loon in Heerlen (2011) en publicaties van prof. Ramon Hansen (TU Delft) over de bodembeweging als gevolg van de voormalige steenkolenwinning in ZuidLimburg [48] besloot het ministerie van EZK nader onderzoek te starten. In 2014 werd aan een consortium van bedrijven en universiteiten onder leiding van IHS een opdracht gegeven om de gevolgen in kaart te brengen, de risico's te inventariseren en een pakket van maatregelen voor te stellen[49]. De resultaten van het onderzoek zijn na een review door de Britse Coal Authority eind 2016 gepubliceerd. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek heeft de minister van EZK afspraken gemaakt met de provincie en de desbetreffende gemeenten.
De provincie en de gemeenten voeren het pakket van maatregelen uit. Het inrichten van een kenniscentrum en informatieloket in de provincie maakt hiervan deel uit. Het ministerie zorgt voor de financiering van het pakket van maatregelen.