Bestemmingsplan Bedrijventerrein ABC De Strijp Poeldijk [25-0007558]
Tekst van het document
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021, onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 en het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving.
Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'.
In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en
48
publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden.
De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden.
Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken.
Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst.
49
De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: Beleidskader omtrent water; Veiligheid en waterkeringen; Waterkwantiteit; Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwater en riolering; Klimaatadaptie. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland, met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd.
Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd. 3.6.2
Onderzoek
Waterhuishoudkundig plan Door Waalpartners is voor de ontwikkeling een waterhuishoudkundig plan opgesteld (Bijlage 8). Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. In het plangebied komen langs de Langesloot en het Wenpad waterkeringen voor:
50
Afbeelding 3.2: uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen' In het kader van de veiligheid en waterkeringen gelden aanvullende randvoorwaarden binnen de beschermingszone langs de waterkeringen. Waterkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater. Watersleutel Het Hoogheemraadschap van Delfland maakt gebruik van de watersleutel.
Dit is een rekentool die helpt om te bepalen hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd om bij een ruimtelijke ontwikkeling de effecten op het watersysteem te compenseren. Voor de uitbreiding van ABC Westland is de watersleutel ingevuld. Uit de berekening blijkt dat in de toekomstige situatie in totaal 12.034 m2 aan water gerealiseerd moet worden. Naast 404 m2 watercompensatie voor de toekomstige oppervlakteverharding houdt de watersleutel bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening met hevigere neerslag door klimaatverandering. Om in 2050 klimaatbestendig te zijn is daarvoor een toename van 2.230 m2 aan extra water nodig. In totaal komt dit op 2.634 m2 aan nieuw water. Inclusief het reeds aanwezige
51
oppervlaktewater (9.400 m2) is in totaal 12.034 m2 water binnen het plangebied benodigd. Het plan voorziet in een toename van de hoeveelheid oppervlaktewater van 9.400 m2 naar 14.426 m2. Dit betekent dat er 5.026 m2 aan nieuw water wordt gerealiseerd, waarmee aan de eis van 2.661 m2 wordt voldaan.
Watersleutel
52
tekening ruimtegebruik bestaande situatie
tekening ruimtegebruik bestaande situatie Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken. Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden. voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels.
Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. Vanwege de voorziene slootbreedte, natuurvriendelijke oevers zal sloot- en oeveronderhoud grotendeels varend uitgevoerd worden. Aan de rand met de kassen (zuid-oostzijde) is, in het verlengde van de centrale weg, een tewaterlaatplaats opgenomen voor varend onderhoud. Vanaf dit punt is het water op (vrijwel) alle plaatsen direct te bereiken met een boot. Bodem en grondwater Bij nieuwe ontwikkelingen is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast in het algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met
53
een minimum van 1,0 m. Daarnaast kan het zijn, dat de ontwikkeling juist effecten op het grondwater of het watertekort heeft. Hier moet bijvoorbeeld gedacht worden aan ondergrondse constructies die ervoor zorgen dat de grondwaterstroming wordt afgekapt. Afvalwater en riolering Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van bedrijven en woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier of publiek terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. Nieuwe woningen, bedrijven en verharding zullen het hemelwater op oppervlaktewater gaan lozen. Het huishoudelijk afvalwater zal door een rioolstelsel aangesloten worden op het gemeentelijk rioolsysteem. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; water opvangen door toepassen van vegetatiedaken; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar (nabij gelegen) oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI (Delfland geeft aan dat dit geen voorkeur meer heeft). De gevolgen van nieuw afvalwater vanuit het gebied voor het rioolgemaal moeten nog worden geïnventariseerd.
Initiatiefnemer moet een rioleringsplan indienen waarin duidelijk wordt hoeveel water wordt afgekoppeld en hoeveel water wordt afgevoerd naar het rioolgemaal, betreffende hemelwater en droogweer afvoer. Het is van belang om een logische verdeling te maken van HWA overstorten in het plangebied. Inzet is bovenal dit te voorkomen door regenwater niet via het riool af te voeren maar vast te houden en te bergen in bodem en oppervlaktewater (zie voorstel klimaatbestendig bouwen). Klimaatadaptatie Onder klimaatadaptie kan worden verstaan "het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat". Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Er zijn verschillende klimaat- en duurzaamheidsoplossingen mogelijk binnen de volgende thema's (niet limitatief): Wateroverlast Bodemdaling/ zetting Biodiversiteit Duurzame materialisatie Droogte Energietransitie Hittestress Subsidieregelingen/ investeringskosten/ beheerskosten Voor het uitbreidingsgebied zullen de volgende maatregelen worden toegepast: De daken zullen van de toekomstige bedrijfspanden zullen - vanuit het oogpunt van duurzaamheid en meervoudig ruimtegebruik - meerdere functies (kunnen) krijgen. Hierbij wordt ingezet op een groot aandeel zonnepanelen op de daken. Daarnaast is gekeken naar een groene invulling van de daken.
Een sedumdakbedekking zorgt voor isolatie en houdt het regenwater dat op de daken valt langer vast voordat het via regenpijpen naar richting het oppervlaktewater wordt afgekoppeld. Vanwege de bouwconstructie van de toekomstige bedrijfsloodsen en de draaglast van zonnepanelen en eventuele parkeervoorzieningen op het dak, is een volledig groen dak waarschijnlijk niet haalbaar. Om die reden is gekozen om de dakranden groen aan te kleden. Het plan is om de eerste 5 meter vanaf de gevel verplicht groen in te richten. Hierdoor ontstaat een netwerk van groene verbindingen over de daken. Tevens kan het regenwater in deze zone kort worden vastgehouden, waardoor de afvoer van regenwater enigszins vertraagd zal plaatsvinden. Daarnaast zijn binnen het ontwerp van KuiperCompagnons op diverse locaties natuurlijke taluds opgenomen. Ook wordt er bij het uitwerken van het civieltechnisch DO gestreefd naar een (zo veel
54
mogelijk) gesloten grondbalans. Daarnaast wordt bij het opstellen van dit Definitief Ontwerp de wegen en trottoirs zo ontworpen dat (waar praktisch haalbaar) het oppervlaktewater oppervlakkig richting de watergang afstroomt, zonder de tussenkomst van een riool. 3.6.3
Conclusie
Het aspect water leidt niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de compensatie-eis uit de watersleutel en de watergangen worden conform het beleid van het Hoogheemraadschap aangelegd.
3.7
Bodem
3.7.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.7.2
Onderzoek
Voor het gehele plangebied zijn diverse bodemonderzoeken gedaan waaruit blijkt dat voor bepaalde de bodem geschikt is voor de toekomstige bestemming, wel zijn aanvullende onderzoeken noodzakelijk. De Strijp 1 Door BMA Milieu B.V. is een verkennend milieukundig onderzoek uitgevoerd op adres Strijp 1. De resultaten zijn weergegeven in 'Milieukundig bodemonderzoek De Strijp 1 Poeldijk Gemeente Westland' met kenmerk MBO.2022.0205-1 van 3 februari 2023. Uit het onderzoek volgen de onderstaande conclusies en aanbevelingen: Olietank Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'verdacht' niet juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater geen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde vastgesteld. Opslag- en aanmaakplaats meststoffen en bestrijdingsmiddelenkast Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'verdacht' juist is. Ter plaatse is in het grondwater een overschrijding van de streefwaarde vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft geen nader onderzoek te worden aanbevolen. Overig terrein Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'verdacht' juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft geen nader
55
onderzoek te worden aanbevolen. Erfverharding Het asfalt ter plaatse van het erf is niet teerhoudend en kan worden afgevoerd naar een asfaltcentrale voor hergebruik. De puinfundering bevat indicatief geen asbest boven de detectielimiet en wordt op basis van de analyse op samenstelling (PAK, PCB's en minerale olie) ingedeeld als niet-vormgegeven bouwstof en is indicatief geschikt voor hergebruik. Algemeen Ons inziens vormen de resultaten van dit onderzoek milieuhygiënisch gezien geen risico voor de aankoop van de locatie. Aanbevolen wordt onderhavige rapportage af te stemmen met het bevoegd gezag. Na de sloop van de opstallen moet een onderzoek naar asbest worden verricht. De Omgevingsdienst Haaglanden heeft op 5 oktober 2023 aangegeven dat er aanvullend verkennend bodemonderzoek gedaan moet worden en een asbest in grond onderzoek moet worden uitgevoerd om alsnog voldoende inzicht in de bodemkwaliteit te verschaffen. De Strijp 2 Door BMA Milieu B.V. is een verkennend milieukundig onderzoek uitgevoerd op adres Strijp 2. De resultaten zijn weergegeven in 'Milieukundig bodemonderzoek De Strijp 2 Poeldijk Gemeente Westland' met kenmerk MBO.2022.0205-2 van 3 februari 2023. Uit het onderzoek volgen de onderstaande conclusies en aanbevelingen: Voormalige olietank Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'verdacht' niet juist is.
Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater geen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde vastgesteld. Opslag- en aanmaakplaats meststoffen en bestrijdingsmiddelenkast Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'verdacht' juist is. Ter plaatse zijn in het grondwater overschrijdingen van de streefwaarde vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft geen nader onderzoek te worden aanbevolen. Overig terrein Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'onverdacht' voor asbest juist is en 'verdacht' voor de overige parameters ook juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft geen nader onderzoek te worden aanbevolen. In de bovengrond wordt zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond. Erfverharding Het asfalt ter plaatse van het erf is niet teerhoudend en kan worden afgevoerd naar een asfaltcentrale voor hergebruik. De puinfundering bevat indicatief geen asbest boven de detectielimiet en wordt op basis van de analyse op samenstelling (PAK, PCB's en minerale olie) ingedeeld als niet-vormgegeven bouwstof en is indicatief geschikt voor hergebruik.
Algemeen Ons inziens vormen de resultaten van dit onderzoek milieuhygiënisch gezien geen risico voor de aankoop van de locatie. Aanbevolen wordt onderhavige rapportage af te stemmen met het bevoegd gezag. De Omgevingsdienst Haaglanden heeft het onderzoek beoordeeld en aangegeven dat het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 en de NEN 5707 en als voldoende wordt beoordeeld. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden. Hierdoor gelden er bij afvoer van de grond beperkingen ten aanzien van het hergebruik. Voor de locatie is geen goedgekeurd nulsituatie onderzoek aanwezig. Door het bodemonderzoek is de eindsituatie aangaande de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie vastgesteld. Er zijn ten hoogste lichte verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden geconstateerd. Herstel van de bodem is in dit specifieke geval niet noodzakelijk. Het asfalt is conform de CROW 210 onderzocht en is niet teerhoudend. De puinfundering onder de asfaltverharding is indicatief toepasbaar. De Strijp 3 Door BMA Milieu B.V. is een verkennend milieukundig onderzoek uitgevoerd op adres Strijp 3. De
56
resultaten zijn weergegeven in 'Milieukundig bodemonderzoek De Strijp 3 Poeldijk Gemeente Westland' met kenmerk MBO.2022.0205-3 van 3 februari 2023. Uit het onderzoek volgen de onderstaande conclusies en aanbevelingen: Voormalige olietank Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'verdacht' niet juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater geen overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde vastgesteld. Opslag- en aanmaakplaats meststoffen en bestrijdingsmiddelenkast Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'verdacht' juist is. Ter plaatse zijn in het grondwater overschrijdingen van de streefwaarde vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft geen nader onderzoek te worden aanbevolen. Matige verontreiniging met nikkel in het grondwater Uit de Nota vergunningverlening, toezicht en handhaving 2018-2021 (d.d. 19 december 2017, geldig tot 1 januari 2024) en bijbehorende Beleidsregel Onderzoek en Sanering van Bodemverontreiniging blijkt dat in gebieden waar gehalten aan arseen, nikkel, zink, lood en/of barium de interventiewaarde voor grondwater overschrijden, nader onderzoek naar de grondwaterverontreiniging niet is vereist wanneer er geen specifieke bron voor deze verontreiniging aanwijsbaar is.
Dit geldt alleen als de gehalten in de vaste bodem lager zijn dan de landelijke achtergrondwaarden of specifieke achtergrondwaarden. Aangezien in onderhavig bodemonderzoek de grond ter hoogte van de grondwaterstand niet is verontreinigd met nikkel, behoeft geen nader onderzoek te worden aanbevolen. Overig terrein Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese 'verdacht' juist is. Ter plaatse zijn in de grond overschrijdingen van de achtergrondwaarde vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft geen nader onderzoek te worden aanbevolen. Erfverharding Het asfalt ter plaatse van het erf is niet teerhoudend en kan worden afgevoerd naar een asfaltcentrale voor hergebruik. De puinfundering bevat indicatief geen asbest boven de detectielimiet en wordt op basis van de analyse op samenstelling (PAK, PCB's en minerale olie) ingedeeld als niet-vormgegeven bouwstof en is indicatief geschikt voor hergebruik. Algemeen Ons inziens vormen de resultaten van dit onderzoek milieuhygiënisch gezien geen risico voor de aankoop van de locatie. Aanbevolen wordt onderhavige rapportage af te stemmen met het bevoegd gezag. Na de sloop van de opstallen moet een onderzoek naar asbest worden verricht.
De Omgevingsdienst Haaglanden heeft op 5 oktober 2023 aangegeven dat er aanvullend verkennend bodemonderzoek gedaan moet worden en een asbest in grond onderzoek moet worden uitgevoerd om alsnog voldoende inzicht in de bodemkwaliteit te verschaffen. De Strijp 4, 5 en 6 en Wenpad 17 In november 2022 zijn verschillende (water)bodemonderzoeken uitgevoerd voor het noordelijk en oostelijk deel van het plangebied. Het gaat om het 'Verhardingsonderzoek De Strijp 4, 5 en 6 en Wenpad 17 Poeldijk Gemeente Westland', 'Milieukundig bodemonderzoek De Strijp 4, 5 en 6 en Wenpad 17 Poeldijk Gemeente Westland' en 'Waterbodemonderzoek De Strijp 4, 5 en 6 en Wenpad 17 Poeldijk Gemeente Westland', allen opgesteld door BMA Advies B.V. Uit het Verhardingsonderzoek blijkt dat de puinfundering op de locaties indicatief wel toepasbaar en het asfalt indicatief niet teerhoudend is. Het asfalt is conform de CROW 210 onderzocht en is niet teerhoudend. De puinfundering onder de asfaltverharding is indicatief toepasbaar. Het Milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740, de NEN 5707 en de NTA 5755 en wordt als voldoende beoordeeld. Op basis van de resultaten van het onderzoek moet aanvullend verkennend en nader bodemonderzoek worden uitgevoerd om voldoende inzicht in de bodemkwaliteit te verschaffen. Op de locaties worden licht verhoogde gehalten aan chroom in het grondwater aangetoond.
Formeel is het mogelijk dat deze te relateren zijn aan opslag van meststoffen. Omdat deze verhoogde waarden in het grondwater binnen het onderzoeksgebied ook buiten de opslag van meststoffen worden aangetoond
57
kan niet geconcludeerd worden dat deze op basis van bedrijfsactiviteiten zijn veroorzaakt. Het Waterbodemonderzoek is uitgevoerd conform de NVN 5720 en wordt als voldoende beoordeeld. Op basis van het onderzoek is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voor de onderzochte percelen zijn ook afzonderlijke onderzoeken uitgevoerd. Deze worden hieronder per adres behandeld. De Strijp 4 In november 2008 zijn twee onderzoeken uitgevoerd door BMA Milieu B.V.. Het gaat om het 'Verkennend bodemonderzoek De Strijp 4 Poeldijk Gemeente Westland' (kenmerk NEN.2008034) en de rapportage 'Bemonstering en analyse van waterbodem De Strijp 4 te Poeldijk in de Gemeente Westland' (kenmerk SLIB.20080343). Beide rapportages zijn verouderd en de onderzoeken zijn meegenomen in de onderzoeken 'Milieukundig bodemonderzoek De Strijp 4, 5 en 6 en Wenpad 17 Poeldijk Gemeente Westland' (kenmerk MBO.2022.0130) en 'Aanvullend bodemonderzoek De Strijp 4 Poeldijk Gemeente Westland', (kenmerk ABO.2022.0130-4) In de beoordeling van de Omgevingsdienst Haaglanden is aangegeven dat het laatste onderzoek is niet uitgevoerd conform de NEN 5740, maar dat het samen met het eerste rapport (kenmerk MBO.2022.0130 van 25 november 2022) als voldoende wordt beoordeeld. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden.
Hierdoor gelden er bij afvoer van de grond beperkingen ten aanzien van het hergebruik. Opgemerkt wordt dat voor de locatie geen nulsituatie onderzoek aanwezig is. Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken is de eindsituatie aangaande de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie De Strijp 4 vastgesteld. Er zijn ten hoogste lichte verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden geconstateerd. Herstel van de bodem is in dit specifieke geval niet noodzakelijk. De Strijp 5 Het 'Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek De Strijp 5 Poeldijk Gemeente Westland', opgesteld door BMA Milieu B.V. met kenmerk NEN.2007167 van 31 augustus 2007 is inmiddeld verouderd. Het bodemonderzoek is echter wel als onvoldoende beoordeeld. Wel dient er nader asbestonderzoek te worden uitgevoerd om alsnog voldoende inzicht in de bodemkwaliteit te verschaffen. Het onderzoek is geactualiseerd met de onderzoeken 'Milieukundig bodemonderzoek De Strijp 4, 5 en 6 en Wenpad 17 Poeldijk Gemeente Westland' (kenmerk MBO.2022.0130) en 'Aanvullend bodemonderzoek De Strijp 5 Poeldijk Gemeente Westland', (kenmerk ABO.2022.0130-5) In de beoordeling van de Omgevingsdienst Haaglanden is aangegeven dat het laatste onderzoek is niet uitgevoerd conform de NEN 5740, maar dat het samen met het eerste rapport (kenmerk MBO.2022.0130 van 25 november 2022) als voldoende wordt beoordeeld.
Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden. Hierdoor gelden er bij afvoer van de grond beperkingen ten aanzien van het hergebruik. Opgemerkt wordt dat voor de locatie geen nulsituatie onderzoek aanwezig is. Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken is de eindsituatie aangaande de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie De Strijp 5 vastgesteld. Er zijn ten hoogste lichte verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden geconstateerd. Herstel van de bodem is in dit specifieke geval niet noodzakelijk. De Strijp 6 In augustus en september 2008 zijn twee onderzoeken uitgevoerd door BMA Milieu B.V.. Het gaat om de rapportage 'Bemonstering en analyse van waterbodem De Strijp 6 te Poeldijk in de Gemeente Westland' (kenmerk WB.20080251) en het 'Verkennend bodemonderzoek De Strijp 6 Poeldijk Gemeente Westland' (kenmerk NEN. 20080251) en.
Beide rapportages zijn verouderd en de onderzoeken zijn meegenomen in de onderzoeken 'Milieukundig bodemonderzoek De Strijp 4, 5 en 6 en Wenpad 17 Poeldijk Gemeente Westland' (kenmerk MBO.2022.0130) en 'Aanvullend bodemonderzoek De Strijp 6 Poeldijk Gemeente Westland', (kenmerk ABO.2022.0130-6) In de beoordeling van de Omgevingsdienst Haaglanden is aangegeven dat het laatste onderzoek is niet uitgevoerd conform de NEN 5740, maar dat het samen met het eerste rapport (kenmerk MBO.2022.0130 van 25 november 2022) als voldoende wordt beoordeeld. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden. Hierdoor gelden er bij afvoer van de grond beperkingen ten aanzien van het hergebruik.
58
Opgemerkt wordt dat voor de locatie geen nulsituatie onderzoek aanwezig is. Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken is de eindsituatie aangaande de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie De Strijp 4 vastgesteld. Er zijn ten hoogste lichte verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden geconstateerd. Herstel van de bodem is in dit specifieke geval niet noodzakelijk. Wenpad 17 te Poeldijk Het 'Verkennend bodemonderzoek Wenpad 17 Poeldijk Gemeente Westland', opgesteld door BMA Milieu B.V. met kenmerk NEN.2010.0153 van 8 september 2010 is sterk verouderd. Er is daarom een nieuw, geactualiseerd en aanvullend verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd om alsnog voldoende inzicht in de bodemkwaliteit te verschaffen. In het 'Aanvullend en nader bodemonderzoek Wenpad 17 Poeldijk Gemeente Westland' (kenmerk ABO.2022.0130-17 van 10 maart 2023) en het voorgaande rapport 'Milieukundig bodemonderzoek De Strijp 4, 5 en 6 en Wenpad 17 Poeldijk Gemeente Westland' (kenmerk MBO.2022.0130 van 25 november 2022) is de bodem opnieuw onderzocht. Het rapport is door de Omgevingsdienst Haaglanden als voldoende beoordeeld. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In de grond wordt de achtergrondwaarde (AW 2000) overschreden. Hierdoor gelden er bij afvoer van de grond beperkingen ten aanzien van het hergebruik.
Voor de locatie geldt het rapport 'Wenpad 17 te Poeldijk' (opgesteld door WLTO/BLGG, met kenmerk 78133 van 12 juli 1999) als nulsituatie onderzoek. Op de locatie Wenpad 17 de zorgplicht van toepassing is in de bodem bij de opslag- en aanmaak van meststoffen (deellocatie 17.2). Er dient in het kader van de verkoop en de herinrichting van de locatie een plan van aanpak voor de verwijdering van het nieuwe geval van bodemverontreiniging ter goedkeuring ingediend te worden bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Het sterk asbesthoudende puinmateriaal ter plaatse van de voormalige sloot op de locatie Wenpad 17 gesaneerd dient te worden in overleg met de Inspectie Leefomgeving & Transport. 3.7.3
Conclusie
Op de locaties De Strijp 1 en 3 dient aanvullend bodemonderzoek onderzoek uitgevoerd te worden. Gelet op het feit dat de kassen momenteel nog in gebruik zijn, zal dit op een later tijdstip wordt gedaan. Op de locatie Wenpad 17 is de zorgplicht van toepassing in de bodem bij de opslag- en aanmaak van meststoffen Er dient in het kader van de verkoop en de herinrichting van de locatie een plan van aanpak voor de verwijdering van het nieuwe geval van bodemverontreiniging ter goedkeuring ingediend te worden bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Ter plaatse van de te dempen waterpartijen ter plaatse van de kadastrale percelen, heden bekend als kadastrale gemeente Monster, Sectie K, nummers 5798, 5799, 5800 en 5803 dient nog een waterbodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de NVN 5720, inclusief vooronderzoek conform NEN 5717.
3.8
Ecologie
3.8.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000 gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied.
59
Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.
60
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.
Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.8.2
Onderzoek
Soortenbescherming
61
Het onderzoeksbureau Van der Goes en Groot heeft in mei 2021 een ecologische quickscan gedaan om te inventariseren of de voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein ABC Westland mogelijk is strijd is met de Wet natuurbescherming. Het onderzoek wat betreft de quickscan is bijgevoegd als Bijlage 10 bij deze toelichting. Wat betreft de soortenbescherming is de conclusie dat er mogelijk negatieve effecten zijn voor de beschermde soorten. Het gaat daarbij om de huismus en een aantal vleermuissoorten. Inmiddels wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van deze soorten in het gebied. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen en huismussen In 2022 is door onderzoeksbureau Van der Goes en Groot aanvullend onderzoek gedaan naar het voorkomen van vleermuizen en huismussen in het noordoostelijk deel van het plangebied Bijlage 13 (Strijp 4, 5 en 6 en de gronden aan het Wenpad). Tijdens de inventarisatie zijn zowel de huismus als vijf soorten vleermuizen aangetroffen. In 2023 is ook het zuidwestelijk deel (Strijp 1, 2 en 3) nader onderzocht Bijlage 11 . Bij het aanvullend onderzoek zijn verschillende verblijfplaatsen/nesten van vleermuizen en huismussen aangetroffen.
Om die reden is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die borgt dat een omgevingsvergunning pas wordt verleend indien ontheffing is verkregen, of indien uit aanvullend onderzoek blijkt dat ontheffing niet nodig is. Momenteel wordt een activiteitenplan met maatregelen opgesteld, op basis waarvan de benodigde ontheffingen worden aangevraagd. Tevens is een sloopverbod opgenomen, om te voorkomen dat er bij sloopwerkzaamheden ecologische waarden verloren gaan. Het sloopverbod geldt niet indien ontheffing is verkregen of niet noodzakelijk blijkt. Huismus In het plangebied zijn verblijfplaatsen aanwezig van de Huismus langs het Wenpad. In de bestaande plannen zullen de woningen en het groen in de omliggende tuinen langs het Wenpad behouden blijven. Hierdoor zullen naar verwachting geen negatieve effecten voor Huismus optreden. Als daarentegen aan woonadressen met huismusverblijven (Wenpad 17, 18 en 19A) ingrijpende werkzaamheden worden verricht, is een ontheffing van de Wnb nodig. Ook bij de resterende woningen (en tuinen) aan de Strijp 1 nesten van de huismus en huiszwaluw aangetroffen. Een ontheffing is voor broedvogels niet nodig indien werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Vleermuizen In het plangebied zijn alleen langsvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen.
Verblijf-plaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. Het leefgebied van de Watervleermuis (foerageergebied en vliegroute) is op grond van de daar gevonden aantallen vleermuizen, beoordeeld als 'mogelijk essentieel'. De plannen zouden verder uitgewerkt moeten worden om negatieve effecten op Watervleermuis uit te sluiten. Te denken valt vooral aan werkzaamheden aan het water en de oevers, bruggen en aan verlichting langs en op het water. Als verstoring van vleermuizen in mogelijk essentieel leefgebied niet is uit te sluiten, is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht. Bij Strijp 2 en 3 zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Als daarnaast gewerkt wordt conform de gestelde beperkingen en restricties in de eerder uitgevoerde ecologische quickscan (VAN DER KNAAP, 2021), worden bij uitvoer van de plannen geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten. Aanvullend onderzoek brug en (voormalige) fietstunnel In 2024 is door onderzoeksbureau Van der Goes en Groot specifiek aanvullend onderzoek gedaan naar de locatie van de burg en (destijds) fietstunnel. Ter plaatse zijn geen beschermde flora en fauna aangetroffen. Ook is er geen sprake van beschermde vissoorten of amfibieën.
Wel is in de nabij de omgeving van het plangebied een vuursalamander aangetroffen. De soort werd op 1 kilometer afstand van het plangebied vastgesteld op een volkstuinencomplex (NDFF 2011-2021). Het betreft hier een uitgezet/aangevoerd exemplaar omdat de waarneming zeer ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort ligt. De vuursalamander leidt niet tot beperkingen. De conclusie van het onderzoek luidt dat er geen significante effecten te verwachten zijn, mits er in de plannen wordt voorkomen dat licht uitstaling op de wateren valt. Hierbij moet zowel de aanleg fase als in de permanente situatie rekening worden gehouden met beperking van lichtuitstraling en/of gebruik van
62
vleermuisvriendelijke verlichting. Gebiedsbescherming Ten aanzien van gebiedsbescherming is de conclusie dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn voor het Natuurnetwerk Nederland of de Natura 2000 gebieden (Zie Bijlage 9 en Bijlage 12) . Uitzondering is het aspect stikstofdepositie. Om te kunnen bepalen of sprake is van negatieve effecten als gevolg van stikstofemissie dient onderzoek plaats te vinden. Stikstofdepositie In verband met een mogelijk toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitats van Natura 2000-gebieden, is door KuiperCompagnons in december 2024 een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd (zie Bijlage 14) . Met behulp van de Aerius Calculator versie 2024.0.1 zijn berekeningen uitgevoerd voor de aanlegfase en gebruiksfase van het bedrijventerrein. Uitgangspunten De aanleg (inclusief sloop van de drie resterende glastuinbouwcomplexen) vindt plaats in 2025. In de jaren 2026 en 2027 worden het grondwerk (inclusief riolering, water en wegen) verricht en worden de brug en de ecozone aangelegd. In 2028 en 2029 zullen de bedrijfspanden worden gerealiseerd waarna het terrein in 2030 in gebruik wordt genomen. Voor alle jaren is inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden voorzien zijn en is het aantal draaiuren en verbruik van materieel geraamd (AUB-methode). Ook het bouwverkeer is inzichtelijk gemaakt en meegenomen in de berekeningen.
Voor de gebruiksfase is voor het verkeer gebruik gemaakt van gegevens uit het verkeersonderzoek van SWECO. Daarbij is de planbijdrage op basis van de milieuverkeerscijfers voor 2023 als uitgangspunt genomen. Het verkeer is meegenomen tot de rotondes bij de Nieuweweg, de Wateringseweg en op de Verburghlaan tot in het dorp Poeldijk. Daarbuiten is de planbijdrage minder dan 5% van het totale verkeer en daarmee is het verkeer opgegaan in het heersende verkeersbeeld. Daarnaast is de emissie van de toekomstige bedrijven inzichtelijk gemaakt. Tot slot is voor alle situaties inzichtelijk gemaakt wat de zogenoemde 'koude start' van motorvoertuigen aan emissie oplevert. De uitgangspunten zijn uitgebreider beschreven in het onderzoeksrapport dat als Bijlage 14 bij deze toelichting is gevoegd. Interne en externe saldering In de berekeningen is rekening gehouden met de huidige emissie van de nog actieve glastuinbouwcomplexen en het verkeer van en naar die bedrijven (intern salderen). Om te voorkomen dat sprake is van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden ten behoeve van het Bedrijventerrein ABC - De Strijp extra mitigerende maatregelen getroffen. Het betreft het extern salderen met beëindigen bemesting van agrarische percelen.
Ten behoeve van het verkrijgen van extra saldo voor de ontwikkeling Bedrijventerrein ABC - De Strijp zijn afspraken gemaakt om de milieurechten van een melkveehouderij in 't Woudt (Schipluiden, gemeente Midden-Delfland) te beëindigen ten behoeve van het bedrijventerrein. Het gaat om de stalemissies van 94 melkveerunderen. Deze 'stikstofruimte' is door initiatiefnemer verworven. In totaal gaat het om 1.222 kg NH3. In Aerius is een salderingssituatie opgenomen, waarin rekening is gehouden met een afroming van 30% bij de bron. Hierdoor is sprake van (naar beneden afgerond) 65 melkveerunderen met een emissie van 845 kg NH3.
63
3.8.3
Conclusie
Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Ow of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Uit de berekeningen is gebleken dat er zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase geen toename van de hoeveelheid stikstofdepositie plaatsvindt. Daarmee is geen sprake significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Tijdens de inventarisatie zijn de huismus, huiszwaluw (cat. 5) en drie soorten vleermuizen aangetroffen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een ontheffingsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een ontheffing afgegeven (ontheffingsaanvraag Wnb). Omdat deze ontheffing nog niet is verleend, is er in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting en sloopverbod opgenomen.
3.9
Cultuurhistorische aspecten
3.9.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan.
Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.
64
3.9.2
Onderzoek
In 2012 is door de gemeenteraad van de gemeente Westland de archeologische beleidskaart met vrijstellingsgrenzen vastgesteld. In afbeelding 3.3 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart weergegeven. Hieruit blijkt dat het grootste gedeelte van het plangebied ligt in 'verwachtingszone II' met een vrijstellingsgrens van 250 m 2 en 0,5 m -mv. Een klein deel in het zuidoosten is aangemerkt als 'verwachtingszone I' met een vrijstellingsgrens van 100 m 2 en 0,5 m -mv.
Afbeelding 3.3: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Westland. In het vigerende bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' is aan de gronden van voorliggend bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toegekend. Daarbij is voor het hele plangebied de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 4' opgenomen. In de regels bij deze bestemming is als vrijstellingsgrens ter plaatse van deze functieaanduiding een oppervlakte van 100 m 2 en diepte van 50 cm -mv bepaald.In opdracht van ABC Westland Beheer heeft ArGeoBoor in samenwerking met ArcheoWest een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de De Strijp te Poeldijk (Gemeente Westland). Het plangebied bevindt zich op de archeologische beleidskaart van de Gemeente Westland in een zone met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting. De doelstelling van het bureauonderzoek is het formuleren van een archeologische verwachting voor het plangebied op basis van bekende aardkundige, historische en archeologische gegevens. Uit het bureauonderzoek komt naar voren dat het plangebied gelegen is te midden van enkele forse clusters vindplaatsen, voornamelijk uit de Romeinse tijd. Binnen het plangebied zelf is nog geen archeologisch veldwerk verricht, wel zijn enkele onderzoeken langs de randen ervan uitgevoerd.
Bij deze onderzoeken is geen concrete archeologische informatie aangetroffen, maar op iets grotere afstand
65
bevinden zich diverse nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd. Ook komen binnen enkele honderden meters van het plangebied sporen uit de IJzertijd en de Middeleeuwen voor. Het feit, dat er van het plangebied zelf nog weinig archeologische informatie bekend is, ligt voornamelijk aan dat er nog weinig onderzoek is verricht. Verder onderzoek zou kunnen uitwijzen of het plangebied eveneens bewoond is geweest of dat het om een relatief “lege” zone tussen diverse clusters nederzettingen gaat, bijvoorbeeld vanwege een lagere ligging met natte omstandigheden. De hoogste verwachting geldt voor vindplaatsen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en in mindere mate de Middeleeuwen. Voor de Nieuwe Tijd geldt een lagere verwachting vanwege afwezigheid van bebouwing op historisch kaartmateriaal. Indien oude duinen in de ondergrond voorkomen, geldt daarop een verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum en de Bronstijd. Vervolgonderzoek Op basis van het bureauonderzoek wordt aanbevolen om in het plangebied een booronderzoek uit te voeren (indien gewenst gefaseerd met het oog op de ontwikkelingen), waarbij als basis van 10 boringen per hectare in een grid van 30 x 35 meter kan worden uitgegaan. De minimale boordiepte bedraagt 2 m-mv, waarbij elke tiende boring tot 4 m-mv wordt doorgezet.
Indien het vermoeden bestaat dat er duinof strandzanden in de ondergrond aanwezig zijn, verdient het de voorkeur om tot in deze afzettingen door te boren. Ter plaatse van bekende bodemverstoringen dieper dan 1 m -mv, zoals het waterbassin in het zuidwesten, is booronderzoek niet zinvol. Geadviseerd wordt om deze delen van het plangebied vrij te geven. In samenwerking met ArcheoWest heeft ADC ArcheoProjecten in januari tot en met maart 2023 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd naar de percelen Strijp 4, 5 en 6 en de gronden aan het Wenpad (zie Bijlage 15 en Bijlage 16). Op basis van de gestelde onderzoeksvragen kan op basis van de bereikte resultaten het volgende worden gesteld: Het plangebied is landschappelijk gezien gelegen in een met veen en kwelderafzettingen bedekte strandvlakte met plaatselijke duinvorming. De bodemopbouw bestaat uit zandige strandafzettingen (Laag van Rijswijk) gevolgd door gelaagde kwelderafzettingen hoofdzakelijk bestaande uit klei (Laagcomplex van Delfland en Laagcomplex van Westland) die door een veenpakket of -laag (Hollandveen Laagpakket) van elkaar worden gescheiden. In het zuidelijk deel van het plangebied zijn onderin de boringen duinafzettingen aangetroffen. In het noordelijk deel worden de kwelderafzettingen doorsneden door geulafzettingen (Laagcomplex van Westland).
De bovengrond wordt gevormd door mariene dekafzettingen die volledig zijn omgewerkt en aangereikt met organisch materiaal (bouwvoor). Bodemkundig gezien is sprake van tuineerdgronden. De bovenste 30 tot 100 cm van de bodemopbouw is als verstoord te beschouwen. Beneden dit niveau is de bodemopbouw niet antropogeen verstoord. De top van de duinafzettingen (Laag van Ypenburg) en de vegetatiehorizont in de top van de kwelderafzettingen (Gantel Laag) worden als archeologisch relevante niveaus voor respectievelijk de periode Neolithicum – Bronstijd en de periode IJzertijd – Romeinse tijd beschouwd. Het niveau uit de periode Neolithicum – Bronstijd bevindt zich op 35 tot 220 cm -mv (circa 0,75 tot 2,70 m -NAP). Het niveau uit de periode IJzertijd – Romeinse tijd bevindt zich direct of vrijwel direct onder de bouwvoor, op 50 à 80 cm -mv (circa 0,95 tot 1,10 m -NAP). In één boring is in het niveau uit de periode IJzertijd – Romeinse tijd houtskool aangetroffen. Dit wordt beschouwd als een secundaire indicator. Het materiaal kan duiden op een archeologische vindplaats, maar de aanwezigheid kan ook een natuurlijke oorzaak hebben. Voor het zuidelijk deel en het centrale deel van het plangebied dient de middelhoge verwachting te worden bijgesteld naar een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode Neolithicum – Bronstijd en/of de periode IJzertijd – Romeinse tijd.
Voor het overige deel dient de middelhoge verwachting te worden bijgesteld naar een lage verwachting. Indien bodemingrepen dieper dan de bouwvoor plaatsvinden, kunnen archeologische waarden worden bedreigd. Bij bodemingrepen in het centrale en zuidelijk deel van het plangebied die dieper reiken dan vigerende vrijstellingsgrens op de archeologische beleidskaart (50 cm -mv) wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Bij bodemingrepen binnen de vigerende vrijstellingsgrens of in het overige deel van het plangebied wordt geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Daarbij is de methodiek afhankelijk van de te verwachten resten.
66
ADC ArcheoProjecten adviseert om bij bodemingrepen in het centrale en zuidelijk deel van het plangebied die dieper dan vigerende vrijstellingsgrens (50 cm -mv) reiken aanvullend archeologisch onderzoek te laten uitvoeren: In de zone met een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode Neolithicum – Bronstijd wordt een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek voorgesteld. Dit kan bestaan uit handmatige boringen met een 12 cm Edelman of indien dit fysiek of vanwege grondwater niet mogelijk is, uit mechanische boringen met een avegaar. Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de aanwezigheid van archeologische resten De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). In de zone met een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode IJzertijd – Romeinse tijd wordt een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P) voorgesteld. Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de aanwezigheid van archeologische resten alsook de gaafheid, omvang, datering en conservering daarvan. Dit onderzoek dient na de bovengrondse sloop van de kassencomplexen te worden uitgevoerd.