bestemmingsplan (21-0158117)
Tekst van het document
NO,
PM„
Jaargemiddelde
Overschrijdingen per
Jaargemiddelde
PM„
Overschrijdingen per Jaargemiddelde
Ipg/m3]
jaar (uurgemiddelde)
[jig/m3]
jaar (daggemiddelde)
tpg/m3!
01
Vogelaer 11
19,5 (0,2)
0
18,2 (0,0)
6
10,6(0,0)
02
Gantellaan 12
19,5 (0,2)
0
18,2 (0,0)
6
10,6(0,0)
03
Van Ockenburg laan 4-6
19,6(0,3)
0
18,2 (0,0)
6
10,6(0,0)
04
Van Buerenlaan 21
19,4(0,1)
0
18,2 (0,0)
6
10,6(0,0)
Naam Omschrijving
Optredende concentraties in 2020, beoogde situatie
Jaargemiddelde
Overschrijdingen per
Jaargemiddelde
Naam Omschrijving
Ipg/m3]
jaar (uurgemiddelde)
[pg/m3]
jaar(daggemiddelde)
Overschrijdingen per Jaargemiddel' Ipg/m3]
01
Vogelaer 11
19,5(0,2)
0
18,2 (0,0)
6
10,6(0,0)
02
Gantellaan 12
19,5(0,2)
0
18,2 (0,0)
6
10,6(0,0)
03
Van Ockenburglaan 4-ó
19,6(0,3)
0
18,2 (0,0)
6
10,6(0,0)
04
Van Buerenlaan 21
19,4(0,1)
0
18,2 (0,0)
6
10,6(0,0)
31
Optredende concentraties in 2030, beoogde situatie
NŪj
PM2J
PMio
Jaargemiddelde
Overschrijdingen per
Jaargemiddelde
Overschrijdingen per Jaargemiddelde
||igZmJ]
jaar (uurgemiddelde)
[pg/m3]
jaar (daggemiddelde)
Iļjg/m3)
01
Vogelaei 11
13,2 (0,2)
0
15,7 (0,0)
6
8,5 (0,0)
02
Gan tel laai 12
13,2 (0,2)
0
15,7 (0,0)
6
8,5 (0,0)
03
Van Ũckenburglaan 4-6
13,3 (0,3)
0
15,7 (0,0)
6
8,5 (0,0)
04
Van Bieren laan 21
13,1 (0,1)
0
15,7 (0,0)
6
8,5 (0,0)
Naam Omschrijving
3.4.3
Conclusie
Uit de rekenresultaten volgt dat voor NO2, PM10 en PM2,5 ten gevolge van de activiteiten van Van der Knaap voor het jaar 2020 en voor het jaar 2030 geen sprake is van overschrijding van grenswaarden zoals opgenomen in de Wet milieubeheer bij de omliggende woningen. De NO2 en PM10 concentratiebijdrage van Van der Knaap ten hoogte van de omliggende woningen is 'niet in betekenende mate' (Besluit NIBM). Ter hoogte van het plangebied kan voor de overige in de Wet milieubeheer opgenomen stoffen voor de huidige en de beoogde situatie voor de jaren 2020 en 2030 zonder verder onderzoek worden geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de genoemde grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging in verband met de uitbreiding van Van der Knaap.
3.5
Externe veiligheid
3.5.1
Wettelijk kader
Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt.
Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.5.2
Onderzoek
Op september 2019 heeft Mol ingenieursbureau een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd voor het plangebied. De volledige onderzoekresultaten zijn opgenomen in Bijlage 3 van deze toelichting. Inleiding Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich
32
calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas.
Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR.
De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Op respectievelijk 1,4 kilometer en 1,9 kilometer zijn de gasontvangststations aan de Vogelaer 21 en de Bovendijk 72 gelegen.
Het plangebied ligt ruim buiten de veiligheidsafstanden van deze twee gasontvangststations. Ten noorden van het plangebied is een koelhuis gelegen van ABC Westland 100 te Poeldijk. De afstand tot dit koelhuis bedraagt circa 1,6 kilometer. Het plangebied is ruim buiten de veiligheidsafstand van dit koelhuis gelegen.
33
Ten zuidoosten van het plangebied op circa 1,6 kilometer is een veiling gelegen (Middelbroekweg 29 te Honselersdijk). De plaatsgebonden risicocontour bedraagt 102 meter. Het invloedsgebied met betrekking tot de verantwoording groepsrisico bedraagt 1125 meter. Het plangebied is ruim buiten deze veiligheidsafstanden gelegen. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd.
Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord.
Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. De hoofdroutes binnen de gemeente Westland bestaan voornamelijk uit provinciale wegen die door de provincie zijn aanwezen als route voor gevaarlijke stoffen. De gemeente Westland heeft verder geen routering vastgesteld. De N211 is aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. Deze loopt op ruim 1,5 kilometer van het plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor het plan.
Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe
34
situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.
Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100Zo letaliteitszone en de 1Zo letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.
Op meer dan 1 kilometer afstand, ten westen, oosten en zuiden van het plangebied bevindt zich een buisleiding. Deze buisleiding is gelegen tussen het gasontvangststation aan de Veilingweg 22 te Honselersdijk en de Bovendijk 72 te Kwintsheul en van daar verder naar de andere gasontvangststations. Gezien de afstand vormt deze buisleiding geen belemmering voor de ontwikkeling. Explosieven Het plangebied is niet als verdacht aangewezen op de gemeentelijke explosievenkaart. Op een afstand van 100 meter van het plangebied is wel een specifieke locatie aangemerkt als verdacht van afwerpmunitie. Deze verdachte locatie heeft echter geen effect op de ontwikkelingen.
İIIISÉIP
^įĚÊĚŝĝ . :
Uitsnede Explosievenkaart Westland 3.5.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering op voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
35
3.6
Water
3.6.1 Wettelijk kader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: * Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); * Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); * Waterwet. * Nationaal waterplan Provinciaal: * * *
Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.
Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: « Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; * Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; * Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; * Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; * Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015.
36
In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: * de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; * aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; * het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; * tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015.
Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn.
Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen.
Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5
37
staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: * * * »
de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater.
Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; 2.
Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen.
Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: *
»
Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst
38
De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: * Beleidskader omtrent water; « Veiligheid en waterkeringen; * Waterkwantiteit; * Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; * Onderhoud en bagger; * Watersysteemkwaliteit en ecologie; * Afvalwater en riolering; * Klimaatadaptie.
Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.
WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER, NU EN LATER
3;februari 2
39
3.6.2
Onderzoek
Op 1 oktober 2019 heeft MOL ingenieurs een waterparagraaf opgesteld voor het plangebied. De volledige onderzoekresultaten zijn opgenomen in Bijlage 4 van deze toelichting. Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor de veiligheid van haar beheergebied. Het bouwen en opslaan op waterkeringen mag niet zonder meer en hierop is de Delflands Algemene Keur van toepassing. Met de Keurbepalingen wil Delfland voorkomen dat de stabiliteit of het functioneren van de waterkering wordt beïnvloed. Tevens moet de waterkering in de toekomst, indien nodig, opgehoogd of verbreed kunnen worden. In en rondom het plangebied lopen diverse watergangen. Voor het dempen en graven van watergangen in relatie tot dit plangebied is door het Hoogheemraadschap Delfland vergunning verleend op 12 januari 2018, kenmerk D2018-01-000883/2017-020236. Voor de bepaling van het aanwezige water is uitgegaan van deze vergunde situatie. Er is geen regionale waterkering rondom het plangebied
Uitsnede Leggerkaart Hoogheemraadschap Delfland 'Legger Regionale Waterkeringen Waterkwantiteit Het plangebied is gelegen in het boezemgebied. Voor het plangebied is door het Hoogheemraadschap van Delfland in juli 2019 aangegeven een maximale peilstijging van 0,20 m. Het maatgevend peil bedraagt NAP -0,43 m. Conform de Handreiking Watertoets en de nieuwe beleidsnota van Delfland (oktober 2018) mag de waterhuishoudkundige situatie niet verslechteren als gevolg van de ontwikkeling, het zgn. stand-still beginsel. Voor dit project is toetsing aan de bergings- en afvoernormen het belangrijkste uitgangspunt. Bij planologische omzetting geldt de maximale inspanning voor de norm van de waterberging (zie bijlage 1) met toepassing van een effectgerichte, gebiedsgerichte en marktgerichte aanpak. Het stand-still
40
beginsel betekent dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ontwikkeling. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast. Versnelde afvoer door meer verharding voldoet daarmee niet aan het stand-still beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Delfland heeft de Watersleutel ontwikkeld, een rekentool waarbij op basis van een aantal relevante kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem wordt bepaald hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd. Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren, kan ook een modelstudie worden uitgevoerd. Voor veel ontwikkelingen, waaronder het plangebied, kan worden volstaan met een eenvoudigere methode om inzicht te krijgen in de benodigde watercompensatie. In bijlage 2 en 3 staan op basis van de gegevens in deze rapportage de uitgangspunten voor de berekening van de watercompensatie van het project: * * * *
huidige en toekomstige verharding van zowel terrein verharding als bebouwing; huidige en toekomstig maaiveldhoogte; maatgevend peil en gemiddelde drooglegging; toelaatbare peilstijging.
Hieronder worden de huidige en toekomstige oppervlakten weergegeven van de percelen die van bestemming gaan veranderen. De oppervlaktes verharding, kassen, zijn op basis van deze luchtfoto bepaald.
Actuele indeling locatie plangebied (Bron Google Earth)
41
Toekomstige Indeling locatie plangebied Tabel Oppervlakten huidige en toekomstige situatie Totaal oppervlak plangebied Kassen
Huidige situatie (m2) 21.569 4.348
Toekomstige situatie (m2) 21.569 12.410
Verhard oppervlak (anders dan kassen) Verhard doorlatend oppervlak
8.475 0
6.402 889
Wateroppervlak Onverhard oppervlak
1.828 6.918
1.828 40
In bijlage 3 staat de analyse op basis van de Watersleutel van Delfland, versie juli 2020, weergegeven. Het doorlatend oppervlak is voor de helft meegenomen als verhard, waterdoorlatend door middel van grasbetontegels, oppervlak en voor de helft als onverhard oppervlakte. Op basis van de Watersleutel 2020 dient er in de nieuwe situatie 563 m3 aan waterberging gecompenseerd te worden. In totaal is er een wateroppervlak van 2013 m2 extra nodig om voldoende berging te hebben. In de watersleutel is ervan uitgegaan dat maaiveldhoogte wordt verhoogd (0,8 m NAP). Met dit maaiveld is er een drooglegging van 1,2 m (maaiveld van 0,8 m NAP en een maatgevend peil van -0,43 m NAP). Ten aanzien van het stand-still beginsel wordt met name naar 3 onderdelen gekeken: » Kans op wateroverlast mag niet toenemen; de kans hiertoe zal toenemen aangezien de verharding toe neemt, hier moet extra waterberging voor gecreëerd worden.; * Structuur van het watersysteem mag niet verslechteren; * Beheerbaarheid van het watersysteem mag niet achteruit gaan; er moet voldoende ruimte gereserveerd worden waardoor onderhoud aan de watergangen uitgevoerd kan worden. Zorgplicht De initiatiefnemer dient maatregelen of voorzieningen te treffen om te voldoen aan de zorgplicht. Hiervoor kan het onderstaande stroomschema gebruikt worden om tot de goede maatregel te komen. Compensatieopgave door toename verharding?
Graven open water iņ EiiniiŴisa "'Ogelijk?
Graven van open water in oeilvak mogelijk?
Compensatie in oppervlaktewater
Compensatie in vasthoud maat regel, conform deze richtlijn
Vasthoudmaatregelen ten behoeve van klimaatadaptatie zijn wenselįk, de richtlijn is ondersteunend bij het keuzeproces.
In het stroomschema wordt ook naar klimaatadaptieve maatregelen verwezen. Wateroverlast door hoosbuien is een steeds vaker voorkomend probleem. Om overlast te kunnen voorkomen moet water vastgehouden worden en langzaam worden afgevoerd. Hieraan kan iedereen bijdragen door bijvoorbeeld aan de volgende maatregelen te denken: * * * » « * *
afkoppelen van hemelwaterafvoer van het riool en dit water laten infiltreren; platte en/of groene daken met waterbuffering; waterberging onder parkeerplaatsen; waterberging in parkeerkelders; grindkoffers onder de verharding; in wadi's en andere vormen van groenvoorzieningen; vijvers en watertonnen
42
Geadviseerd wordt dit waar mogelijk toe te passen. Een deel van deze maatregelen zullen worden toegepast. Zo wordt de verharding ter plaatse van de parkeerplaatsen doorlatend uitgevoerd (grasbetontegels). In de Watersleutel is hiermee rekening gehouden. Verder worden op de locatie zes silo's geplaatst, inhoud 250 m3 per stuk, waarvan er twee bestemd zijn voor de opvang van het hemelwater afkomstig van de daken. Voor het surplus kan gebruik worden gemaakt van de silo bestemd voor de opslag van procesafvalwater. De overige vier silo's worden gebruikt voor de opslag van proces (afval)water. Afhankelijk van de kwaliteit wordt bekeken of het mogelijk is om het hemelwater in te zetten als proceswater. Al het regenwater van de kassen zoals genoemd in tabel 1 wordt in de silo's opgevangen. Om aan de berekende bergingscapaciteit van 563 m3 te voldoen zullen de silo's vergroot worden tot 360 m3 per stuk. Hierdoor onstaat een overcapaciteit van 660 m3. Deze overcapaciteit zal worden gebruikt als extra berging zoals die is berekend. De afstroming hiervan zal worden geregeld met een automatische mechanische vlotterschakeling die zodanig begrenst wordt dat gemiddeld 12 m3 per uur zal worden geloosd op het oppervlaktewater. Dit zodat in 48 uur de berging na vollopen weer beschikbaar is op de maximale capaciteit.
De goede werking van het systeem wordt geborgd door het onderhoud in het reguliere onderhoud- en inspectieschema voor de silo's op te nemen. In overleg met het Hoogheemraadschap Delfland zal worden bekeken of de silo's bestemd voor de opslag van hemelwater kunnen worden aangesloten op Rainlevelr. Hiermee is voldoende alternatieve waterberging gerealiseerd om te voldoen aan de benodige compensatie.
Voorkomen van wateroverlast Volgens de provinciale verordening is het beschermingsniveau tegen wateroverlast voor wonen eens in de 100 jaar, voor bedrijfsterreinen eens in de 50 jaar en voor agrarisch, eens in de 10 jaar. Bij kleinschalige bestemmingswijzigingen wordt het watersysteem echter niet aangepast. Daarom wordt nadrukkelijk geadviseerd om, zover mogelijk, de praktijksituatie hierop aan te passen. Dit kan bijvoorbeeld door het maaiveld ter plekke van de woning voldoende op te hogen. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking watertoets voor gemeenten, de meest actuele versie van deze handreiking is te vinden op de website www.hhdelfland.nl/overheid/ruimtelijke-plannen.
43
Watersysteemkwaliteit en ecologie In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. De ruimte langs de oevers is onvoldoende om natuurvriendelijke oevers te realiseren.
Het afstromend hemelwater vanaf het plangebied wordt niet verontreinigd door de activiteiten binnen het plangebied. Daar waar ruimte voorhanden is worden wadi's overwogen om afstromend water te kunnen laten inzijgen. Verslechtering van de ecologische en chemische toestand van de aangrenzende waterlichamen valt derhalve niet te verwachten. De bestemmingswijziging heeft verder geen invloed op de waterkwaliteit. Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken. Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: *
*
*
als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen.
De aan het plangebied grenzende watergangen moeten onderhouden worden door verschillende partijen: « De secundaire watergang ten westen van het plangebied wordt onderhouden door de aanliggende eigenaar; * De primaire watergang ten noorden van het plangebied wordt onderhouden door het Hoogheemraadschap van Delfland. Een onderhoudsstrook van in principe minimaal 1,0m breed en 2,5m hoog dient aanwezig te zijn voor onderhoud. De onderhoudsstrook ter plaatse van de primaire watergang is aanwezig aan de zijde van de Van Ockenburchlaan. Ter plaatse van de secundaire watergang ten westen van de percelen 5699 en 4369 is eveneens een onderhoudsstrook aanwezig. De situatie ter plaatse van de overige watergangen is
44
ongewijzigd. Bodem en grondwater Wanneer er ondergronds veel gebouwd wordt kan dit invloed hebben op de grondwaterstroming en op de drooglegging. Bij de beoogde ontwikkelingen komt er geen ondergrondse bebouwing. De maaiveld hoogte bedraagt momenteel +0,27 meter NAP (op basis van de hoogtekaart.nl). Het grondwaterpeil zit naar verwachting op minimaal 0,80 meter onder het huidige maaiveld.
\
\
AHN2 -toogt* (rr |. 0.327
Afvalwater en riolering Het plan dient te voldoen aan de Leidraad Riolering West Nederland en de Leidraad aan- en afkoppelen verhard oppervlak en de Beslisboom Aan- en afkoppelen verharde oppervlakten (2003). Volgens de Leidraad Riolering en het geldende waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioolstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie terecht komt. Het huishoudelijk afvalwater zal middels een drukrioolstelsel aangesloten worden op het gemeentelijk rioolsysteem. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: * * * * »
Hemelwater vasthouden voor benutting; water opvangen door toepassen van vegetatiedaken; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar (nabij gelegen) oppervlaktewater; afstromend water afvoeren naar een AWZI.
Het plangebied grenst aan een drukriolering. Het plangebied zal hiep op aansluiten, Hemelwater dat valt op kassen/gebouwen zal opgevangen worden in hemelwatersilo's. Dit water wordt gebruikt in de processen die plaatsvinden op het plangebied.
45
Ligging drukriolering 3.6.3
Conclusie
De verharding neemt in de nieuwe situatie toe. Dit heeft als gevolg dat er water gecompenseerd moet worden. Op basis van het onderzoek moet er voor 563 m3 aan waterberging gerealiseerd worden, dit staat gelijk aan 2013 m2. De compensatie wordt gerealiseerd middels hemelwateropvang in silo's.
3.7
Bodem
3.7.1
Wettelijk kader
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. 3.7.2
Onderzoek
In januari 2020 heeft Mol ingenieursbureau een onderzoek naar de bodemkwaliteit uitgevoerd voor het plangebied. De volledige onderzoekresultaten zijn opgenomen in Bijlage 5 van deze toelichting. Op grond van de historische informatie kan worden geconcludeerd dat delen van het plangebied licht tot matig verontreinigd zijn met zware metalen en bestrijdingsmiddelen. Ter plaatse van het perceel Vogelaer 27 is sprake van de overschrijding van de tussenwaarde voor DDT (som). Voorafgaand aan de herinrichting dient nader onderzoek naar de ernst en omvang van de verontreiniging te worden uitgevoerd ten einde te kunnen vaststellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Indien grondverzet plaatsvindt, waarbij de grond die vrijkomt niet ter plaatse kan worden hergebruikt, dient er rekening mee te worden gehouden dat er restricties gelden ten aanzien van het hergebruik van deze grond.
46
De verontreinigingen leveren geen belemmeringen op voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de maatbestemming. 3.7.3
Conclusie
Bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
3.8
Ecologie
3.8.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking.
De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: * « *
Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.
47
Verbod shepalmg
vogels vu
Dienen Hm Planter Hrv BonrVBern
BornVBsm
Dienen
Planten
fjiįļiwaan fnalionaan
Dieren of planten:
Doden of vangen
3 tC t a
storen/verstoren
3.T.4 ((jĖľlľJij 3 1 5)
3 10 l.t
Plukken. verzamelen, afsnijden. onlworteien oí vernielen Ond er zich heb Ijen of vervoeren
Plaatsen: vernieler. Ijeschadgen of wegnemen resten Beschadigen of vernielen
3 10 1 b
■vodlpijnlingsplanlsen
ĮvaslĚ vp)
Beschadigen of vernielen ruslp aatsen
3.10.1 .D
u-asre rpi Eieren
vernielen (oT-vn- beschadigenj
Papen Onder ach heb ;en TaeKChOiQO Codes vowyzen naar wetsartikelen Wet natuurtjes charming
Orane
veriiodsbepalmg geldt alleen wanneer sprake is van opzei verbodsbepaling geld' in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is
Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de jįùlÈ
Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.
Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.8.2
Onderzoek
Op 29 juli 2019 heeft Aqua Terra Nova een eco effectscan uitgevoerd voor het plangebied. De volledige onderzoekresultaten zijn opgenomen in Bijlage 6 van deze toelichting. Op basis van een locatieonderzoek en een literatuurstudie is geinventariseerd welke beschermde
48
soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of de geplande activiteiten in strijd kunnen zijn met de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Op grond van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: *
«
Het plangebied bevindt zich op circa 4,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen'. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het Natura 2000 gebied kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing in het kader van gebiedsbescherming is niet noodzakelijk; Het plangebied bevindt zich op circa 1 kilometer van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk.
Soortbescherming Op grond van het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: * * * « *
* *
3.8.3
De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de jaarrond beschermde vogels kan worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk; De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk; De aanwezigheid van essentieel foerageergebied/vliegroutes van vleermuizen kan worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk; Tijdens werkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels, algemeen voorkomende dieren en exoten; Bij het dempen van watergangen kan er niet worden uitgesloten dat eventuele aanwezige flora en fauna wordt gedood. Om te voldoen aan de zorgplicht is het noodzakelijk om aanwezige dieren in deze watergangen, voordat de werkzaamheden beginnen, af te vangen en elders uit te zetten; De zorgplicht is te allen tijden van kracht; Het optreden van negatieve effecten op de overige (strikt) beschermde soorten in het plangebied is uitgesloten. Conclusie
Op basis van het uitgevoerde onderzoek worden de volgende adviezen gegeven. Vleermuizen Er wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling en verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Ook kan er voor gekozen worden om in deze periode te werken wanneer vleermuizen in winterslaap zijn. De winterslaap van vleermuizen duurt grofweg van november tot en met maart, maar is afhankelijk van soort en weersomstandigheden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst bij het nieuwe bedrijfsgebouw, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zo veel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door verlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurige UV-vrije LED-Armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval toe te passen. Broedvogels Alle in Nederland broedende vogels zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd.
Indien werkzaamheden in de periode maart tot en met juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van vogelnesten voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jonge uitgevlogen zijn of dient een verstoringsvrije zone rond het nest opgesteld te worden.
49
Afvissen watergangen Indien de watergang in het weiland gedempt wordt, dienen conform de zorgplicht alle vissen en andere waterdieren in de te dempen watergangen voorafgaand aan de werkzaamheden afgevangen en elders in een geschikt biotoop uitgezet te worden. Zorgplicht Te alle tijden dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden,. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen.
3.9
Cultuurhistorische aspecten
3.9.1
Wettelijk kader
Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2. De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden.
Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 3.9.2
Onderzoek
Op 28 augustus 2019 heeft Archeologie Delft een bureauonderzoek uitgevoerd naar de archeologische waarden van het plangebied. De volledige onderzoekresultaten zijn opgenomen in Bijlage 7 van deze toelichting. Op basis van de geologische ondergrond en de bekende archeologische waarden in en rondom het plangebied kan voor het plangebied een verwachting voor archeologische resten uitgesproken worden. Ten tijde van de IJzertijd liep door het plangebied de grote Gantelgeul. Als er al bewoning van voor die tijd binnen het plangebied aanwezig is geweest, dan is deze door de diep uitgesneden geul opgeruimd. Voor de zandige dan wel siltige geulafzettingen van de Gantel laag geldt doorgaans een middelhoge tot hoge verwachting op vindplaatsen uit de romeinse tijd. Kijken we naar de verspreiding van de bekende roemeinse vindplaatsen, dan blijkt dat deze zich op de flanken van de geulafzettingen, de zogenaamde oeverwallen, bevinden. Zoals is aangetoond langs de Poeldijkseweg ten noorden van het plangebied en de Middelbroekweg ten
50
zuiden ervan. Het plangebied ligt midden in de diep uitgesneden geulafzettingen van de Gantel. Onderzoeken die daar tot op heden zijn uitgevoerd hebben nog geen vindplaatsen opgeleverd. Er geldt dan ook een lage verwachting voor bewoningssporen uit de romeinse tijd. Ten tijde van de vroege Middeleeuwen was het plangebied en de omgeving te nat voor bewoning en bestond de ondergrond uit veen. Voor de bewoningsmogelijkheden in de Late Middeleeuwen is sprake van een lage verwachting. Terwijl de bewoning in het kleigebied van het Westland zich in de 13e eeuw verdichte, zijn in het kleigebied langs de Gantel tot op heden nog geen sporen uit deze periode aangetroffen. Vermoedelijk waren deze buitendijkse zones nog te nat voor ontginning. Aan de dijken langs de Gantel ontstonden immers wel dijken. Ook voor de Nieuwe tijd zijn er op basis van historisch kaartmateriaal geen aanwijzingen dat er in het plangebied sprake was van bewoning.
Meters ĵ Plangebied Verwachtingszone I, ŵ 100 m2 a- -50 cm Verwachtingszone II, > 250 m2 + -50 cm Verwachtingszone lil, » 500 m2 * -50 cm
Uitsnede archeologische waardekaart Gemeente Westland. 3.9.3
Conclusie
Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er geen tot lage verwachting geldt voor archeologische resten vanaf de Prehistorie tot en met de Nieuwe Tijd. Gezien het bovenstaande is geadviseerd dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.
51
Hoofdstuk 4
Juridische planbeschrijving
4.1
Planvorm
4.1.1
Wettelijk voorgeschreven standaardisering
De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.