Agendabundel
Tekst van het document
Daarmee kon opnieuw feitelijk geen uitvoering worden gegeven aan het besluit van de minister van 9 juli 2020 en belemmerde de Raad alsnog, ondanks de intrekking van zijn beroep tegen de beslissing van 9 juli 2020, dat de basisschool van Yunus Emre er zou komen. De Raad heeft in dit verband gesteld dat het College, gelet op het besluit van 1 juni 2021, negatief zal moeten besluiten op de huisvestingsaanvraag van Yunus Emre. De burgemeester heeft de Raad bij brief van 1 juni 2021 voorgehouden dat de Raad onbevoegd was om het intrekkingsbesluit te nemen, maar dat het besluit wel rechtskracht verkrijgt als de minister geen bezwaar/beroep instelt of het besluit vernietigt. De Raad heeft dat besluit niettemin genomen. Bij brief van 8 juli 2021 heeft de minister de Raad erop gewezen dat het besluit van 1 juni 2021 onbevoegd was genomen en gemotiveerd verzocht het besluit weer in te trekken, bij gebreke waarvan in overleg zou worden gegaan met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over een voordracht tot vernietiging van het besluit. De Raad is tot slot in de gelegenheid gesteld overleg te voeren over het verzoek tot intrekking. Op 28 oktober 2021 heeft een overleg plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de minister en vertegenwoordigers van de Raad.
In dit overleg hebben vertegenwoordigers van de meerderheid in de Raad uitgesproken dat zij tegen de komst van de basisschool van Yunus Emre zijn. In dit overleg is medegedeeld dat als de minister niet binnen vijf werkdagen verneemt dat de Raad het besluit van 1 juni 2021 intrekt, de procedure tot vernietiging van dat besluit door de Kroon wordt doorgezet. De Raad heeft vervolgens niks meer van zich laten horen. 3. Overwegingen Het besluit van de Raad van 1 juni 2021 is niet alleen in strijd met artikel 124d, gelezen in samenhang met artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet, uit de beschreven feitelijke gang van zaken blijkt dat de Raad ook de hem ingevolge artikel 79, zevende lid, WPO opgedragen taak stelselmatig heeft verwaarloosd. Gelet op artikel 124d, gelezen in samenhang met artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet is alleen de minister bevoegd voormeld Plan van Scholen in te trekken, nu dat plan bij wege van indeplaatsstel lingsbesluit is genomen. De Raad is daartoe niet bevoegd.3 Ondanks het verzoek daartoe heeft de
3 De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 juni 2020 geoordeeld dat het besluit tot vaststelling van het plan van scholen 2020-2023 in het kader van het indeplaatsstellingsbesluit ook formeel een besluit van de minister is.
3
Staatscourant 2021 nr. 47964
3 december 2021
FemaiHUIndraJj
Raad zijn besluit niet ingetrokken. Vanwege het ontbreken van een bevoegdheid van de Raad en omdat de Raad in wezen tracht het jegens hem uitgeoefende toezicht teniet te doen, zijn hier niet louter particuliere belangen betrokken, als bedoeld in het Beleidskader. Reeds op deze grond komt het besluit van de Raad voor vernietiging in aanmerking vanwege strijd met het recht. Na de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019 was het de Raad voorts duidelijk dat hij op grond van artikel 79, zevende lid, WPO verplicht was om de basisschool van Yunus Emre in achtereenvol gens het Plan van Scholen basisonderwijs 2020-2023 en het Plan van Scholen basisonderwijs 2021-2024 op te nemen en deze plannen met inbegrip van de basisschool van Yunus Emre vast te stellen. Die wettelijke verplichting heeft de Raad niet nageleefd (en de hem in medebewind opgedra gen taak niet uitgevoerd), door te weigeren om het Plan van Scholen basisonderwijs 2020-2023 en het Plan van Scholen basisonderwijs 2021-2024 met inbegrip van de school van Yunus Emre vast te stellen, en voorts het Plan van Scholen 2021-2024, tot vaststelling waarvan het bij wege van een indeplaatsstellingsbesluit was gekomen, in te trekken.
De minister heeft op 11 juli 2019 en 9 juli 2020 indeplaatsstellingsbesluiten moeten nemen om de basisschool van Yunus Emre alsnog in het Plan van Scholen basisonderwijs 2020-2023 en het Plan van Scholen basisonderwijs 2021-2024 op te nemen en die plannen aldus vast te stellen. Door op 1 juni 2021 te besluiten het Plan van Scholen basisonderwijs 2021-2024 in te trekken, negeert de Raad het besluit van de minister van 9 juli 2020 en artikel 124d, gelezen in samenhang met artikel 124b, eerste lid, van de Gemeentewet en belemmert de Raad opnieuw dat de basisschool van Yunus Emre kan worden bekostigd en haar onderwijs van start kan gaan. Ook op deze wijze weigert de Raad gevolg te geven aan de verplichting van artikel 79, zevende lid, WPO. Door de weigerachtige houding van de Raad om artikel 79, zevende lid, WPO na te leven, is Yunus Emre niet in staat geweest om vanaf 1 augustus 2020 met haar onderwijs te starten. Dit is in strijd met artikel 23, zevende lid, Grondwet, zoals uitgewerkt in de artikelen 69 en 77 WPO, dat het gemeentebe stuur verplicht om de basisschool van Yunus Emre vanuit de openbare kas de benodigde middelen te geven om het onderwijs te verzorgen en voor huisvesting zorg te dragen. De Raad heeft aldus de hem opgedragen wettelijke taken en verplichtingen stelselmatig genegeerd en veronachtzaamd. Naar zijn aard is dit ernstig.
Gelet op het voorgaande is het besluit van de Raad van 1 juni 2021 strekkende tot intrekking van het Plan van Scholen basisonderwijs 2021-2024 in strijd met de Gemeentewet en in strijd met de WPO en de Grondwet. Omdat dat besluit onbevoegd en in strijd met het recht is genomen, en de Raad in een gesprek van 28 oktober 2021 uitdrukkelijk heeft laten weten vast te houden aan zijn besluit van 1 juni 2021 en dat besluit niet uit eigen beweging ongedaan te zullen maken, komt dit besluit voor vernieti ging in aanmerking. De Kroon zal dit besluit van de Raad vernietigen. Gezien de voorgeschiedenis van deze zaak, waarbij de Raad de komst van de school van Yunus Emre structureel blijft tegenwerken en zelf weigert om het besluit van 1 juni 2021 in te trekken, is de vernietiging ook proportioneel. Overigens is het stelsel van het Plan van Scholen sinds de inwerkingtreding van de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen4 komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht bij deze wet, artikel 194e, tweede lid, wordt een school die op het Plan van Scholen 2021 - 2024 staat maar niet start op 1 augustus 2021, aangemerkt als een school waarvoor de minister op grond van artikel 75, derde lid, WPO op 1 februari 2021 heeft beslist dat zij voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht.
Yunus Emre hoeft op grond van dit overgangsrecht dus niet op een volgend Plan van Scholen te worden opgenomen en is reeds voor bekostiging in aanmerking gebracht. Zij kan dus volgend jaar per 1 augustus 2022 starten. Het College dient voor die tijd in huisvesting voor de school te voorzien. Het dient daarvoor op grond van artikel 11 lid 2 van haar verordening5 onder meer uiterlijk op 31 decem ber 2021 een bekostigingsplafond vast te stellen voor de vergoeding van de huisvestingsvoorziening die Yunus Emre heeft aangevraagd. Met het oog op deze vervolgstappen van het College is het dan ook belangrijk dat het besluit van de Raad uiterlijk op deze datum is vernietigd. Besluit Gelet op artikel 268 van de Gemeentewet en afdeling 10.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht;
4 Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160). 5 Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Westland 2015.
4
Staatscourant 2021 nr. 47964
3 december 2021
HKbh FemaiHUIndraJj
Hebben Wij goedgevonden en verstaan: Het besluit van de Raad van de gemeente Westland van 1 juni 2021 strekkende tot intrekking van het Plan van Scholen basisonderwijs 2021-2024 te vernietigen. Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst. De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren Een belanghebbende kan tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het beroepschrift moet binnen zes weken na de dag [waarop het besluit in de Staatscourant is bekendgemaakt], worden gestuurd naar de Raad van State, Afdeling bestuursrecht spraak, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
5
Staatscourant 2021 nr. 47964
3 december 2021
Nr. 47964-n1
ũm
6 december 2021
ĩtSĩEiigDRa
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Rectificatie: besluit van 29 november 2021 tot vernietiging van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Westland strekkende tot intrekking van het Plan van Scholen basisonderwijs 2021-2024 (gepubliceerd in Stcrt. 2021, 47964) A De aanhef van bovengenoemd besluit luidde: Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 november 2021, nr. 30417219, directie Wetge ving en Juridische Zaken; Dit moet zijn: Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 november 2021, nr. 30417219, directie Wetge ving en Juridische Zaken; B De ondertekening van bovengenoemd besluit luidde: De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren Dit moet zijn: 's-Gravenhage, 29 november 2021 Willem-Alexander De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren
1
Staatscourant 2021 nr. 47964-n1
6 december 2021
8.3 Schrijven college d.d. 23-12-21 inzake afdoening motie sportpark Polanen in Monster 1 raadsinformatiebrief getekend (21-0339552)
'
WESÏ LAITID Po sta d re s:
Postbus I 50 2670 AD Naaldwijk Bezoekadres: Laan van de Glazen Stad I 2672 rA Naaldwijk T 14 0174 F (0174) 673 600 E inÍo@gemeentewestland.nl I www.gemeentewestland. nl
Aan de raad van de gemeente Westland
UW BRIEF
UW KENMERK
ZAA K-lPROJ Ê CTN R
DOCUMENTNR
BIJLAGE(N)
2 1 -0339552 CO NTACT PE RSOO N
CLUSïER
TELEFOONNUIMMER
DATUM VERZONDEN
J. de Munnik
Beleid
(0174) 672 572
23 decembeÍ 2021
ONDERWERP
Uitvoering motie "Sportpark Monster"
Geachte raad,
Tijdens de raadsvergadering op 10 november 2020, waarin de begroting 2021 is vastgesteld is motie aangenomen met betrekking tot Sportpark Monster (motie 1239). Het dictum van de motie luidt als volgt: Ten aanzien van de planologie van Monster rekening te houden met gronden grenzend aan sportpark Polanen voor het geval door onder meer de geplande woningbouw de druk te groot wordt op het sportpark en derhalve ruim,te te reserveren voor uitbreiding/nieuwbouw van het sportpark. Beide betrokken sportverenigingen, MLTV 90 (in Zwartenhoek, niet op het sportpark Polanen) als SC Monster hebben een overcapaciteit. Er is meer dan voldoende ruimte voor de huidige leden en ook voor substantiële groei in de toekomst. Ook met de realisatie van woningen in Westmade, Monster Noord en Watergat (totaal nu ca. 2.100 woningen gepland) is de verwachting dat de capaciteit voldoende is. Het is weliswaar mogelijk om de ruimte grenzend aan het sportpark planologisch vrij te houden in het bestemmingsplan Monster Noord. Daarbij is het belangrijk te realiseren dat voor een gedeelte van de naastgelegen gronden "Beschermingscategorie 2" geldt. (zie afbeelding, het gebied met groene contour waar het projectbureau OBWZ is gevestigd en het achterliggende weiland).
Omdat sportvelden als stedelijke functie worden gezien, past deze functie niet in deze categorie en verwachten we medewerking van de provincie als niet haalbaar. De zone direct ten zuiden van deze beschermingscategorie is het NAM-terrein (blauwe contour). Op termijn ligt transformatie hier wel in de rede en dit gebied biedt mogelijkheden, maar dit gebied is voorzien voor woningbouw. Vrijkomen van het terrein is nog niet op korte termijn (verwacht op zijn vroegst rond 2030). Het is voorstelbaar dat op lange termijn de inzichten rond deze gebieden veranderen.
N
o o
t
o d) J
ln besprekingen met de sportverenigingen is gebleken dat de kosten van het beoogde nieuwe sportpark voornamelijk door de gemeente zullen moeten worden gedragen. Er is beperkt sprake van fi nanciële inbreng door clubs. Met de inrichtingskosten is in de begroting geen rekening gehouden, maar zal richting enkele miljoenen gaan. Gemeentelijke bekostiging van sportvoorzieningen waarvoor geen noodzaak bestaat is onwenselijk en kan leiden precedentwerking en gevoelens
PAGINA 2
.,
WESTLAND
van onvrede bij andere sportverenigingen met ambities op accommodatiegebied. Vanwege deze knelpunten kan het college niet over gaan tot uitvoering van de motie.
= i
Overzicht sportpark en qronden Rood: bestaande sportpark (incl. Boetzelaar en parkeerterrein) Groen: beschermingscategorie 2: geen stedelijke functies door PZH toegestaan Blauw: NAM terrein (ca. 2,75 hectare) Alle gronden zijn gemeentelijk eigendom.
Wij beschouwen de motie hiermee als afgedaan H oogachte nd,
burg emeester en wethouders van deb creta ri s,
tland, eester,
C A.C. Spindler
B.R
s 21-0339552
1 motie sport Monster (G20-002831)
Westland
t GBW
WESTLAN DVERSTAN DIG
#PvpA
WESTLAND
GemeenteBelang Westland
Motie inzake Sport Monster De gemeenteraad van Westland in vergadering bijeen op 10 november 2020 Constaterende dat: * Al sinds 2017 er plannen leven om de voetbal- en de tennisvereniging in Monster in de toekomst te clusteren en de tennis te verplaatsen naar het sportpark Polanen; » Daartoe zijn onder meer moties ingediend op 18 april 2017 om de mogelijkheden hiertoe te onderzoeken alsmede op 7 november 2018 om de gronden rondom Polanen niet verder te ontwikkelen in afwachting van clustering; * Op 4 maart 2019 zijn de resultaten van het onderzoek besproken in de commissie MO; » Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de voorkeursvariant miljoenen zou gaan kosten; « De verenigingen dit besproken hebben en met alternatieve voorstellen zijn gekomen: * In de perspectief brief van het college in het voorjaar 2020 op sportgebied andere keuzes zijn gemaakt: clustering van de tennis en de voetbalvereniging en verplaatsing van de tennis naar Polanen is daarmee op korte termijn niet aan de orde; » Het gelet op de toekomst van Monster en de sport in Monster van belang is te kijken naar de langere termijn van bijv. 10 jaar en daar een actieplan voor te maken; * Immers in Monster Noord een compleet nieuwe woonwijk gebouwd wordt met heel veel potentiële sporters, hetgeen volgens de fractie van VVD Westland ruimschoots op weegt tegen de te verwachten ledenafname zoals gesteld door het college.
0
■IMŭĩľP. ' JĴ fāaĩ Hi
Overwegende dat: Er al een aantal jaar met veel energie en enthousiasme door vrijwilligers van de tennisvereniging en voetbalvereniging plannen worden gemaakt voor clustering en verplaatsing van de tennis naar Polanen; Gezien de woningbouwontwikkeling in Monster het planologisch nu het moment is om plannen voor de langere termijn te maken zodat Monster op tijd klaar is voor de toekomst;
Verzoekt het college: » Ten aanzien van de planologie van Monster rekening te houden met gronden grenzend aan sportpark Polanen voor het geval door onder meer de geplande woningbouw de druk te groot wordt op het sportpark en derhalve ruimte te reserveren voor uitbreiding/nieuwbouw van het sportpark;
En gaat over tot de orde van de d; VVD Westland
estland
eraldine van der Knaap
WesŰand-Verstand i g
ermeer
emeentebcíáng WöSÖĩmä
Pvd
ert Keizer
Nico de Gier
r
J Jé 4Jsî44JSa) U&Ŵ
ĩ
s}-
j
From: Griffie Sent: maandag 17 januari 2022 08:00:06 To: Info Cc: Subject: Graag inboeken FW: Fatsoenlijke reactie vervolg 8.4 Schrijven inwoners d.d. 17-01-22 inzake kunstobjecten 1 verzoek reactie (G22-000114)
!" #$## ##%&' ( ) ** ) ** ) + ,-. / !0 11
Geachte meneer, mevrouw, Wilt u zo vriendelijk zijn onderstaand schrijven door te sturen aan de raadsleden van gemeente Westland. Vriendelijke groet, P.B. van der Steen B.J.A. van der Steen - 't Hart
Geachte raadsleden Gemeente Westland, Aan de griffie van gemeente Westland hebben wij op genoemde data verzocht onderstaande e-mails door te sturen: 14-11-2021 Opslag Kunstobjecten aan de leden MO 18-11-2021 Beschadigingen kunst aan de leden MO 01-12-2021 Fatsoenlijke reactie +12 bijlagen aan de raad en raadsleden persoonlijk Is het niet opvallend dat aan deze verzoeken niet is voldaan? Is het niet opvallend: dat wij op de e-mail van 1 december 2021 aan de griffie, een ontvangstbevestiging van het gemeentebestuur krijgen dat wij zo spoedig mogelijk een reactie ontvangen? En dat wij daar tot op heden geen reactie op ontvangen hebben? Kwestie van negeren? Op 7 december 2021, hebben wij zelf aan alle raadsleden de e-mail verzonden met het onderwerp “Fatsoenlijke reactie”. Hierin maken stellen we o.a. meerdere vragen over onjuiste beantwoording en het weigeren van B en W om in te gaan op onze klachten Ook wijzen we op de verantwoordelijkheid van de raad. Het merendeel van de raadsleden heeft zoals wij gewend zijn, niet gereageerd en accepteert dus aantoonbare onwaarheden, leugens van het college en het over de balk gooien van gemeenschapsgeld.
Waarom zwijgt men over de aangifte diefstal kunst, dat wijst op ”valsheid in geschrifte?” Waarom zwijgt men over de aantoonbaar en zichtbaar aanwezige inventarissen kunst? Waarom krijgen wij geen eerlijke antwoorden? Is men te laf? Waarom zwijgt het merendeel van de raad? Zij hebben toch een controlerende taak? Een paar opmerkingen over de MO-Commissie vergadering van 10-01-2022. Op de vraag van Westland Verstandig: “Waarom wordt geen aandacht besteed aan het verhalen van de aangerichte schade?” Antwoord wethouder Vreugdenhil: “Ik heb hier natuurlijk veel over gezegd. Ik heb de idee dat de briefschrijvers het niet met ons eens zijn. En dat is wel ingewikkeld. Daar wil ik liever niet meer op terug kijken. Want wat we nu gaan doen is naar de toekomst kijken”.
De wethouder gaf zoals vaak weer geen eerlijk antwoord op de vraag. Het werd een kluitje-in-het-riet- antwoord uit de kulbox van het college. Bijna alle raadsleden zwegen weer. De wethouder zei dat hij er “natuurlijk eerder veel over gezegd heeft”. Dat is absoluut niet waar. In de MO vergaderingen van de afgelopen jaren is niet over beschadigingen gesproken door de wethouder. Alleen over vermissingen. Wij wisten en weten als enigen precies welke stukken door de verhuizers beschadigd zijn. Hiervan hebben wij veel foto’s gemaakt. NOOIT is er specifiek naar gevraagd. Men kan deze schade dus NOOIT bij de verhuizers of een andere verzekeraar geclaimd hebben. De verzekeraar had zeker willen weten welke stukken beschadigd waren. Ondanks dat een verhuizer een verzekering heeft en de gemeente daarvoor ook betaald heeft en wij wethouder de Goeij, fractievoorzitter P. Vreugdenhil en ambtenaren al vrij snel van vele beschadigingen op de hoogte gesteld hebben, heeft men niet verder geïnformeerd. Men had weinig tot geen interesse. Later hadden wij speciaal een afspraak met nu wethouder Vreugdenhil, om hem o.a.de vele beschadigingen bij het verhuizen, in het depot te laten zien. De wethouder heeft, zoals bekend, geen interesse in de afspraak getoond. Er zal ongetwijfeld een bedrag voor restauratie vrijgemaakt worden.
Door dom en gemakzuchtig gedrag van gemeente Westland betaalt de gemeenschap dit in plaats van de verzekering Het zal bestuurlijk gemeente Westland een zorg zijn. Wij verwachten nog steeds eerlijke antwoorden op onze vragen en blijven dit onder de aandacht brengen. P.B. van der Steen B.J.A. van der Steen – ‘t Hart
8.5 Schrijven college d.d. 02-12-21 inzake nieuwe bestuursovereenkomsten interbestuurlijk toezicht 1 getekende raadsinformatiebrief (21-0321886)
:
i,
.
WEST LAND Po sta d re s:
Postbus 1 50 2670 AD Naaldwijk Bezoekadres: Laan van de Glazen Stad 1 2672 f A Naaldwijk 1 14 0174 F (0174) 673 600 E inÍo@gemeentewestland.nl I www. gemeentewestland.nl
Aan de raad van de gemeente Westland
UW BRIEF
UW KENMERK
ZAAK./PROJ ECTN R
CO NTACTPE RSOO N
CLUSTER
R.J. Roepers
B ed rijfsvoerin g
DOCUMENTNR 21 -0321 886
2
TELEFOONNUMMER (0 1 74) 673 1 83
2 december 2021
BIJLAGE(N)
DATUM VERZONDEN
ONDERWERP
Vernreuwing lnterbestuurlijk Toezicht Provincie
Geachte raad,
ln 2013 sloot de provincie Zuid-Holland met alle Zuid-Hollandse gemeenten bestuursovereenkomsten interbestuurlijk toezicht af. De aanleiding hiervoor was een herijking van het interbestuurlijk toezicht (lBT) en de inwerkingtreding van de Wet revitalisering generiek toezicht. Uit diverse evaluaties en gesprekken met gemeenten in 2020 bleken deze overeenkomsten niet meer actueel te zijn. ln verband daarmee heeft de provincie een nieuw Uitvoeringsprogramma IBT opgesteld en worden nieuwe bestuursovereenkomsten tussen de provincie met de gemeenten gesloten. Met de nieuwe bestuursovereenkomst en het uitvoeringsprogramma geeft de provincie uitvoering aan de aanbevelingen uit diverse evaluaties en de wijzigingen in het IBT-proces, waarvoor veel draagvlak bij gemeenten bleek te bestaan. De belangrijkste veranderingen in het vernieuwde IBTproces zijn: De afspraak om in de jaarstukken een rapportage IBT op te nemen vervalt. Er is veel kri-
tiek op de in deze rapportage gehanteerde indicatoren en het zogenaamde stoplichtenmodel, omdat deze in de praktijk te rigide zijn. Een andere reden voor de wijziging is dat de gemeente over dezelfde taken ook al op andere manieren verantwoording aflegt.
N
o o É. C)
d] J
2
Het stoplichtenmodel uit de huidige rapportage lBT, komt ook te vervallen. Hiervoor in de plaats gaat de provincie voor haar oordeel over elk toezichtgebied gebruik maken van de IBT-ladder (interventieladder). Deze ladder wordt alleen ingezet als op basis van data-analyse blijkt dat er mogelijk sprake is van onvoldoende taakuitvoering door de gemeente. De IBT-ladder bestaat uit zes treden, van signaleren en informatie opvragen tot en met interventie (indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing) door de provincie.
3
De provincie stelt zelf geen jaarlijkse provinciale IBT-rapportage meer op. De ervaring leert dat deze rapportage voor gemeenten te laat verschijnt en daardoor onvoldoende toegevoegde waarde heeft voor het lokale bestuur. ln de plaats van de provinciale rapportage is een digitaal IBT-dashboard gekomen.Op dit dashboard is per toezichtgebied te vinden
PAGINA 2
waar een gemeente op de IBT-ladder staat
È
4
Gemeenten krijgen jaarlijks een IBT-brief van de provincie (in afschrift aan de gemeenteraad) met daarin specifieke informatie over de uitkomsten van het interbestuurlijk toezicht en aanbevelingen die voor de desbetreffende gemeente relevant zijn.
ln de nieuwe bestuursovereenkomst spreken gemeente en provincie met elkaar af hoe zij zich inspannen om een goede uitvoering van de wettelijke medebewindstaken te bevorderen en welke uitgangspunten daarbij gelden. Ook spreken zij af dat de uitwerking van het toezichtproces zal plaatsvinden in een uitvoeringsprogramma, dat onlosmakelijk is verbonden aan de bestuursovereenkomst. Hiermee wordt beoogd om binnen het IBT sneller te kunnen inspelen op gewijzigde wet- en regelgeving en overige ontwikkelingen. Ter informatie treft u als bijlagen bij deze brief aan - Het nieuwe Uitvoeringsprogramma IBT - De getekende bestuursovereenkomst IBT Wij vertrouwen erop u met deze brief, voor dit moment, voldoende over het vernieuwde IBT te hebben geïnformeerd. Hoogachtend, burg emeester en wethouders van de
re
d
IS
de bu
ler
B
stland, e ste r,
rends
21 -0321 886
1 UItvoeringsprogramma IBT 2022 (21-0326119)
llitvoeringsprogramma Generiek interbestuurlijk toezicht 2022
Si . , Üpř» provincie 3
Zuid'Holiand
Uitvoeringsprogramma generiek interbestuurlijk toezicht 2022 Versie GS 20-9-2021
Inhoud 1.
Inleiding....................................................................................................................................................... 2
2.
Samenwerking, dialoog en kennisdeling..................................................................................................... 3
3.
Systematisch toezicht................................................................................................................................. 4
4.
Ruimtelijke ordening................................................................................................................................... 6
5.
Omgevingsrecht.......................................................................................................................................... 9
6.
Monumentenzorg en archeologie ........................................................................................................... 14
7.
Archief- en informatiebeheer................................................................................................................... 17
8.
Huisvesting vergunninghouders............................................................................................................... 19
9.
Thema-onderzoeken ................................................................................................................................ 21
10.
Overige onderwerpen en ontwikkelingen................................................................................................ 22
1
1. Inleiding 1.1 Doel en wettelijk kader In het Actieplan Agenda Toekomst van het Toezicht is het doel van interbestuurlijk toezicht als volgt geformuleerd: "Interbestuurlijk toezicht is er omdat de overheid haar taken blijvend goed wil uitvoeren en dat inwoners en bedrijven erop kunnen vertrouwen dat dit beschermd en geborgd is." Het generieke interbestuurlijk toezicht is een wettelijke taak van de provincie. Het vindt zijn basis in de Wet revitalisering generiek toezicht (Stb. 2012, 233), die op 1 oktober 2012 in werking trad. Provincies kunnen binnen dit wettelijk kader zelf invulling geven aan het interbestuurlijk toezicht. Het beleid van Zuid-Holland is vastgelegd in de GS-notitie 'Generiek interbestuurlijk toezicht - van reactief naar proactief' van 19 juni 2021. Hierin is bepaald dat Gedeputeerde Staten met alle Zuid-Hollandse gemeenten een nieuwe bestuursovereenkomst afsluiten.
1.2 Bestuursovereenkomst en Uitvoeringsprogramma Met ingang van 1 januari 2022 treedt, na ondertekening door de provincie en de gemeente, de 'Bestuursovereenkomst generiek interbestuurlijk toezicht 2022' (hierna Bestuursovereenkomst) in werking. De oude Bestuursovereenkomst uit 2013 komt hiermee te vervallen. In de Bestuursovereenkomst is afgesproken dat de nadere uitwerking van het generieke interbestuurlijk toezicht (hierna IBT) wordt vastgelegd in het 'Uitvoeringsprogramma generiek interbestuurlijk toezicht Provincie Zuid-Holland 2022' (hierna Uitvoeringsprogramma). Figuur 1 van beleidsnotitie tot uitvoeringsprogramma
Beleidsnotitie Generiek interbestuurlijk toezicht - van reactief naar proactief
Bestuursovereenkomst
Uitvoeringsprogramma
generiek interbestuurlijk toezicht 2022
generiek interbestuurlijk toezicht 2022
In 2020 is het interbestuurlijk toezicht in Zuid-Holland mede op basis van de input van de gemeenten geëvalueerd. Na de evaluatie organiseerde de provincie ambtelijke sessies en een bestuurlijke bijeenkomst met de gemeenten. De uitkomsten van de evaluatie en de input van de gemeenten zijn verwerkt in de Bestuursovereenkomst en betrokken bij de totstandkoming van dit Uitvoeringsprogramma. De Bestuursovereenkomst vormt de fundering voor het Uitvoeringsprogramma. Dit Uitvoeringsprogramma treedt in werking op 1 januari 2022 en blijft voor onbepaalde tijd van kracht totdat Gedeputeerde Staten hebben besloten tot de wijziging ervan. Het Uitvoeringsprogramma bevat informatie over: Samenwerking en afstemming met de gemeenten Het IBT-proces (toetsingscriteria, escalatie en interventie) De toezichtgebieden De themaonderzoeken Overige onderwerpen en ontwikkelingen
1.3 Overgangsjaar De verwachting is dat de overgang van het oude IBT naar de nieuwe werkwijze enige tijd zal vergen. Daarom geldt 2022 als een overgangsjaar. De gemeenten en de provincie zullen dit jaar samenwerken om deze nieuwe werkwijze tot een succes te maken. Het vergt nog enige tijd om bepaalde onderdelen verder te ontwikkelen. Denk daarbij aan data-gedreven toezicht en doorontwikkeling van de informatievoorziening in het IBTdashboard. In de loop van 2022, als ook de Omgevingswet van kracht is wordt, zullen partijen gezamenlijk kijken of dit uitvoeringsprogramma aanpassing behoeft.
2
2. Samenwerking, dialoog en kennisdeling 2.1 Klankbordgroep De provincie vormt een klankbordgroep met deelnemers uit de gemeenten. De klankbordgroep bestaat uit de IBT-coördinator van de provincie, IBT-coördinatoren of deskundigen van een aantal gemeenten. De secretaris van de Vereniging van Zuid-Hollandse Gemeenten (VZHG) is agenda-lid. Gemeenten kunnen zich bij de IBTcoördinator van de provincie aanmelden voor deelname aan de klankbordgroep. De klankbordgroep is een adviesorgaan voor Gedeputeerde Staten. In de klankbordgroep worden ideeën en ontwikkelingen besproken, die gevolgen kunnen hebben voor het interbestuurlijk toezicht. Zo worden ook alle initiatieven tot wijziging van dit uitvoeringsprogramma besproken. Zowel de provincie als de gemeenten kunnen hier onderwerpen voor agenderen. De klankbordgroep zal minimaal één keer per kwartaal vergaderen of zoveel meer als waaraan behoefte is bij de leden.
2.2 Provinciaal IBT-coördinatorenoverleg Minimaal een keer per jaar organiseert de provincie een bijeenkomst voor de IBT-coördinatoren van alle ZuidHollandse gemeenten. Het doel van deze bijeenkomsten is om de dialoog te bevorderen en te leren van het toezicht. Tijdens deze bijeenkomsten kunnen ontwikkelingen en praktijkvoorbeelden die betrekking hebben op de medebewindstaken en het interbestuurlijk toezicht worden besproken. Ook kunnen onderdelen van het Uitvoeringsprogramma worden geëvalueerd. Zowel de provincie als de gemeenten kunnen agendapunten aandragen. De agenda wordt vooraf besproken of voorbereid in de klankbordgroep.
2.3 Themabijeenkomsten De provincie faciliteert - afhankelijk van de behoefte - zogenaamde themabijeenkomsten. Zowel de provincie als de gemeenten kunnen onderwerpen aandragen voor deze bijeenkomsten, die vooral bedoeld zijn om te leren van het toezicht en zich toespitsen op specifieke toezichtgebieden.
2.4 Jaarlijkse IBT-brief Iedere gemeente krijgt jaarlijks een IBT-brief van de provincie waarin wordt ingegaan op de voor de gemeente relevante aandachtspunten met betrekking tot de medebewindstaken waarop de provincie toezicht houdt. Ook kan worden ingegaan op algemene ontwikkelingen die gevolgen hebben voor het IBT.
2.5 Dialoog Een goede dialoog tussen de toezichthouder en de toezichtontvanger kan bijdragen aan een betere uitvoering van medebewindstaken. Naast afstemming in de eerdergenoemde klankbordgroep en tijdens het provinciale IBT-coördinatorenoverleg, is het daarom belangrijk dat over individuele situaties afstemming plaatsvindt. Dit betreft bijvoorbeeld overleg tussen vakspecialisten van de gemeente en de provincie. In de Bestuursovereenkomst is afgesproken dat beide partijen zich hiervoor inspannen.
2.6 Landelijk coördinatorenoverleg IBT Er zijn diverse landelijk overleggremia waarin het interbestuurlijk toezicht wordt besproken. Overkoepelend ambtelijk overleg vindt plaats in het landelijke coördinatorenoverleg IBT, waarin naast de IBT-coördinator van elke provincie ook de VNG en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zijn vertegenwoordigd. In het coördinatorenoverleg worden diverse onderwerpen en ontwikkelingen besproken, waaronder de acties die volgen uit de Agenda Toekomst van het (interbestuurlijk) Toezicht (ATT). Het coördinatorenoverleg dient ook als adviesorgaan richting de Bestuurlijke Adviescommissie Kwaliteit Openbaar Bestuur (BAC KOB) van het IPO. Hier vindt bijvoorbeeld afstemming plaats over door de provincie in te nemen standpunten met betrekking tot onderzoeken die vanuit het Rijk worden geïnitieerd.
3
3. Systematisch toezicht 3.1 Periodieke toets Systematisch toezicht houdt in dat de toezichthouder op basis van data periodiek toetst of er signalen zijn van mogelijke taakverwaarlozing. Naast de beschikbare data kan de toezichthouder daarbij ook andere signalen betrekken. Denk daarbij aan berichtgeving in de pers of meldingen van inwoners.
3.2 Uniformiteit en maatwerk Bij het systematisch toezicht wordt zoveel mogelijk gestreefd naar een uniforme werkwijze voor alle toezichtgebieden. Daarnaast kan er per toezichtgebied sprake zijn van maatwerk, bijvoorbeeld omdat gebruik wordt gemaakt van specifieke informatiebronnen. De uitwerking per toezichtgebied is onderdeel van dit Uitvoeringsprogramma.
3.3 Toezichtgebieden Het systematisch onderzoek richt zich op taken met een grote maatschappelijke impact op het moment dat het in de uitvoering fout gaat. Denk daarbij aan een goede en veilige leefomgeving of het borgen van een transparante en toegankelijke overheid. Op basis van dit uitgangspunt is in 2012, bij de invoering van de Wet revitalisering generiek toezicht, gekozen voor de volgende toezichtgebieden: -
Ruimtelijke ordening Omgevingsrecht Monumentenzorg en archeologie Archief- en informatiebeheer Huisvesting vergunninghouders
3.4 De IBT-ladder De aandacht die een gemeente krijgt is afhankelijk van het toezichtgebied, maar ook van de mate waarin er (mogelijk) sprake is van taakverwaarlozing binnen het toezichtgebied. Om dit te bepalen wordt gebruik gemaakt van de IBT-ladder. Ieder periodiek IBT-onderzoek start met een data-analyse. Op basis van (aan de provinciale toezichthouder beschikbaar gestelde) informatie kijkt de toezichthouder of er mogelijk sprake is van onvoldoende taakuitvoering door de gemeente. Als op basis van de data-analyse geen sprake is van vermoedelijke taakachterstand of taakverwaarlozing, is het onderzoek afgerond. Als er twijfels zijn over de taakuitvoering wordt de zogenaamde IBT-ladder als instrument toegepast. De IBTladder bestaat uit een aantal stappen met als doel eventuele misstanden op te sporen en gezamenlijk op zoek te gaan naar oplossingen en zo op termijn te komen tot een goede taakuitvoering door de gemeente. Alles is gericht op het oplossen van knelpunten die een risico vormen voor inwoners. De stappen op de ladder bestaan onder andere uit het delen van informatie, voeren van dialoog en zo nodig maken van afspraken voor verbetering. Hoe hoger de trede op de ladder, hoe meer aandacht de provincie voor de gemeente zal hebben.
3.5 Het IBT-oordeel Om inzicht te geven in hoeverre de gemeenten in Zuid-Holland hun taken in medebewind goed uitvoeren, geeft de provincie vanuit het systematisch onderzoek een oordeel. Het betreft een oordeel per toezichtgebied en een overkoepelend oordeel per gemeente. Het oordeel is direct gekoppeld aan de trede op de IBT-ladder, zoals hierboven geschetst.
3.6 Het IBT-dashboard Het provinciale oordeel publiceert de provincie in het IBT-dashboard. Het dashboard wordt regelmatig bijgewerkt, zodat het actuele informatie bevat. raadpleeg het dashboard IBTvia deze link
4
Figuur 2 Stroomschema IBT-ladder
Trede IBT-ladder
Actie
0. Data-analyse
Uitvoeren data-analyse/ beoordelen indicator
akkoord
Einde
nee 1. Signaleren
Starten dialoog. Uitvoeren tweede dataanalyse Z vervolgonderzoek
akkoord nee 2. Informatie opvragen en beoordelen
Voeren van ambtelijke dialoogen opvragen aanvullende informatie Beoordelen of taak volledig wordt of is uitgevoerd
akkoord nee nee
3a Actief toezicht (ambtelijk)
taakverwaarlozing
Afspraken maken met termijnen (ambtelijk) Beoordelen verbeterplan
akkoord nee 3b Actief toezicht (bestuurlijk)
Afspraken maken met termijnen (bestuurlijk) Beoordelen verbeterplan
akkoord 4 Juridische vooraankondiging
nee Starten laatste bestuurlijke traject om sanctie te voorkomen (maatwerk)
5 Besluit tot indeplaatsstelling 6 Sanctie en indeplaatsstelling 5
Verbeterplan
4. Ruimtelijke ordening 4.1 Wet- en regelgeving Het systematische toezicht op het domein ruimtelijke ordening ziet toe op naleving van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De Wro heeft als doel om te komen tot een goede ruimtelijke ordening waarbij het enerzijds gaat om bescherming van de kwaliteit van de ruimte en anderzijds om het benutten van nieuwe planologische ontwikkelingen. Het toezicht op de naleving van de Wro richt zich op de bestemmingsplannen waarbij bestemmingen aan locaties worden toegekend, die door de gemeenteraden zijn vastgesteld op grond van artikel 3.1 Wro en waartegen geen beroep meer mogelijk is. Bij de toetsing van de bestemmingsplannen wordt rekening gehouden met het actuele Omgevingsbeleid.
4.2 Indicatoren Met ingang van 1 januari 2022 vindt de toetsing of er mogelijk sprake is van taakverwaarlozing plaats op basis van de volgende indicatoren: 1. De gemeente beschikt over grondgebied-dekkende bestemmingsplannen. 2. De bestemmingsplannen voldoen binnen de door de Omgevingsverordening gestelde implementatietermijn aan de instructieregels van het ruimtelijk deel van de Omgevingsverordening (afdeling 6.2). De volgende strijdige gevallen worden niet als signaal van mogelijke taakverwaarlozing aangemerkt: Bestemmingsplannen die nog niet onherroepelijk zijn en waarbij het preventieve ruimtelijk instrumentarium (vooroverleg, zienswijze, reactieve aanwijzing/ beroep) is ingezet of nog inzetbaar is; (Postzegel)-bestemmingsplannen die betrekking hebben op een concreet bouw- of kadastraal perceel. Dit betreft bestemmingsplannen voor kleine projecten waar een adres aan gekoppeld is; Er is geen sprake van onevenredige inbreuk op de doelstellingen achter de provinciale instructieregels uit de Omgevingsverordening.
Te denken valt aan glastuinbouwlocaties die voor sanering in aanmerking komen, of transformatielocaties van werken en wonen, of gevallen die weliswaar in strijd zijn met de Omgevingsverordening maar die al wel zijn vastgelegd in de ambities van de provinciale Omgevingsvisie of programma (reserveringen e.d.), waarbij maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden in het kader van de algemene afwijkingsbepalingen voor maatwerk in artikel 6.33, 6.34 en 6.35 van de Omgevingsverordening. De volgende strijdige gevallen worden in elk geval als signaal van mogelijke taakverwaarlozing beoordeeld: Er is sprake van een strijdigheid met een instructieregel met gevolgen voor het gehele grondgebied of deelgebieden (zoals natuurgebieden, buitengebieden of stedelijke gebieden). Er is sprake van een onevenredige inbreuk op de doelstellingen achter de instructieregels uit de Omgevingsverordening.
4.3 Het proces Bovenstaande indicator wordt beoordeeld op basis van de gegevens die de gemeenten over de bestemmingsplannen en worden verder getoetst aan de bestemmingsplannen die op de website ruimtelijkeplannen.nl zijn gepubliceerd. Op basis van de resultaten over de afgelopen jaren kan worden vastgesteld dat de beoordelingen binnen de reikwijdte van groen en oranje (of rood) plaatsvinden. zie voor meer informatie de website https://www.ruimtelijkeplannen.nl/ Aan het begin van het jaar (Q1, 2022) wordt een nulmeting uitgevoerd volgens bovenstaande IBT-ladder. De gemeenten die als (geel, nieuw) worden beoordeeld worden benaderd om een maatwerkafspraak te maken. De gemeenten dienen zelf aan te geven wanneer zij voornemens de bestemmingsplannen te actualiseren.
6
Indien het verbeterplan als redelijk wordt beoordeeld, verwerken wij de gestelde termijn op het dashboard. Nadien kan het IBT-proces doorlopend plaatsvinden. De gemeenten kunnen zelf voorstellen het dashboard aan te passen waarna opnieuw een beoordeling plaatsvindt. Ook vindt een herbeoordeling plaats als een termijn uit een verbeterplan niet wordt gehaald. In 2022 wordt verder gewerkt aan een meer proactief en data-gedreven IBT-proces. Hierover vindt overleg plaats met externe partijen, waaronder de gemeenten en andere provincies. Tabel 1, op de volgende pagina, geeft het IBT-proces voor ruimtelijke ordening weer, met de daarbij behorende stappen op de IBT-ladder en het oordeel zoals dat zal worden gepubliceerd op het IBT-dashboard. Verbeterplan
Een verbeterplan, zoals bedoeld in onderstaand processchema, is vormvrij. Het is wel van belang dat verbeteracties concreet zijn geformuleerd, met termijnen. Denk bijvoorbeeld aan een raadsinformatiebrief, of een passage in de begroting of programmaplan. Binnen het ruimtelijk domein zijn er vaak ambtelijke periodieke overleggen waarbij informeel planningsafspraken worden gemaakt over actualisering van de bestemmingsplannen vanwege IBT. Waar het om gaat is dat de toezichthouder voldoende informatie krijgt om te kunnen beoordelen dat het om een tijdelijke achterstand gaat en dat er vertrouwen is dat er adequate maatregelen worden genomen om binnen een afgesproken termijn de achterstand weg te werken en het proces op orde te hebben.
7
Tabel 1, Proces en beoordeling IBTRuimtelijke ordening IBT-ladder en -oordeel
Toelichting Z acties
0
De gemeente staat niet op de IBTladder, het oordeel is groen.
Periodiek toetst de provincie op basis van data en indicatoren of er mogelijk sprake is van onvoldoende taakuitvoering.
1
De gemeente staat op trede 1 van de IBT-ladder (signaleren), het oordeel is groen.
De provincie kijkt of meer informatie beschikbaar is en stemt dit zo nodig af met de gemeente. Blijkt dat de taak structureel goed wordt uitgevoerd, dan is er geen signaal van taakverwaarlozing en gaat de gemeente van de IBT-ladder af en blijft het oordeel 'groen'.
2
Op basis van data-analyse is er mogelijk sprake van taakverwaarlozing De gemeente staat op trede 2 van de IBT-ladder (informatie opvragen en beoordelen), het oordeel is geel. De provincie heeft meer informatie nodig om goed te kunnen beoordelen in hoeverre er sprake is van taakverwaarlozing.
3a
II
De gemeente staat op trede 3a van de IBT-ladder (ambtelijk afsrpaken maken met termijn), het oordeel is oranje. Er is sprake van taakverwaarlozing en er lijkt onvoldoende voortgang te zijn in het oplossen van de achterstand. De gemeente staat op trede 3b van de IBT-ladder (bestuurlijk afsrpaken maken met termijn), het oordeel is rood.
Tijdens deze stap vindt ambtelijke dialoog plaats. Op basis van aanvullende informatie kan worden vastgesteld of de taak (structureel) goed wordt uitgevoerd. Als dat zo is, dan is er geen sprake van taakverwaarlozing ('groen'). Als dat niet zo is en de achterstand is verwijtbaar, dan stijgt de gemeente een trede op de ladder en wordt het oordeel 'oranje'. Als blijkt dat er al een verbeterplan is (zie de toelichting onder deze tabel), of als er sprake is van een tijdelijke situatie, dan is er mogelijk geen sprake van taakverwaarlozing, maar slechts van een tijdelijke achterstand in de taakuitvoering. In dat geval kan de toezichthouder besluiten dat de gemeente op trede 2 van de ladder blijft (geel). De gemeente blijft op deze trede van de ladder staan zolang de achterstand niet is opgelost en de termijnen van het 'verbeterplan' nog niet zijn overschreden. Als binnen de termijnen van het 'verbeterplan' de achterstand niet is opgelost, dan wordt het oordeel 'oranje'. Er vindt ambtelijke dialoog plaats. Dit moet binnen één jaar na de constatering resulteren in een (aangepast) verbeterplan (afspraken) waarin de gemeente concrete acties zijn vastgelegd met daarbij behorende met de toezichthouder afgestemde termijnen. Op basis van deze concrete afspraken kan de gemeente een stap terug op de ladder en wordt het oordeel weer 'geel'.
Er wordt bestuurlijk opgeschaald. Zo nodig of desgewenst kan ook eerder al een bestuurlijke dialoog worden gestart.
De ambtelijke dialoog resulteert binnen één jaar na plaatsing op trede 3a niet in verbeteringen. De gemeente staat op trede 4 van de IBT-ladder (vooraankondiging sanctie), het oordeel is rood. De gemeente geeft onvoldoende invulling aan de in de vorige stap gemaakte afspraken.
Er vindt bestuurlijk overleg plaats. De provincie stuurt een vooraankondiging van de geplande interventie (indeplaatsstelling) en geeft de gemeenten de gelegenheid om binnen een in die brief gestelde termijn alsnog een concreet verbeterplan in te dienen.
8
5. Omgevingsrecht 5.1 Wet- en regelgeving Op grond van de volgende wetten houdt de provincie toezicht op de uitvoering van wettelijke taken door gemeenten op het gebied van omgevingsrecht: Wet Vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Besluit omgevingsrecht (Bor) Ministeriële richtlijn omgevingsrecht (Mor) Met ingang van 1 juli 2022 ziet het IBT voor het toezichtgebied omgevingsrecht toe op de medebewindstaken en naleving van wet- en regelgeving, gebaseerd op de Omgevingswet. Omdat de inhoud met de Omgevingswet niet wezenlijk veranderd zijn de kaders in dit uitvoeringsprogramma al gebaseerd op de Omgevingswet. Het doel van IBT Omgevingsrecht is gemeenten ertoe te bewegen de beleidscyclus voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) op orde te krijgen. De procescriteria zijn momenteel nog opgenomen in het Besluit Omgevingsrecht en worden onder de Omgevingswet opgenomen in het Omgevingsbesluit. De procescriteria zijn de eisen die worden gesteld aan de beleidscyclus bij de taken van vergunningverlening, toezicht en handhaving en kunnen worden gevonden in de artikelen 13.5 tot en met 13.11 van het Omgevingsbesluit. Ze geven de elementen aan die minimaal aanwezig moeten zijn. Daarnaast moeten de criteria worden gebruikt bij het inrichten van de organisatie.
De volgende procescriteria worden onderscheiden: de uitvoeringsstrategie (artikel 13.5 en 13.6) de handhavingsstrategie (artikel 13.5 en 13.6) het uitvoeringsprogramma VTH (artikel 13.8) de uitvoeringsagenda (artikel 13.6) de uitvoeringsorganisatie (artikel 13.9) de borging van middelen (artikel 13.10) de evaluatierapportage (artikel 13.11)
5.2 Indicatoren Uit bovenstaande procescriteria zijn een viertal documenten geselecteerd waarover een gemeente in ieder geval moet beschikken: Uitvoeringsstrategie Handhavingsstrategie Uitvoeringsprogramma Evaluatierapportage De beschikbaarheid van deze documenten is daarom opgenomen in de IBT-indicatoren van Omgevingsrecht: 1)
Uitvoerings- en handhavingsstrategie
a) b) c)
2)
De uitvoerings- en handhavingsstrategie kan een meerjarig document zijn met een langere looptijd. Het is actueel, dus vigerend. Binnen twee maanden na vaststelling is de raad geïnformeerd. Dit geldt ook bij verlenging van de huidige beleidskaders. Binnen twee maanden na vaststelling is de provincie geïnformeerd door toezending van de raadsinformatiebrief over de vaststelling of de verlening.
Uitvoeringsprogramma VTH
a) b)
Het uitvoeringsprogramma is voor 1 februari van het jaar waarop het programma betrekking heeft door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Voor 15 juli van het jaar waarop het programma betrekking heeft is de raad geïnformeerd. 9
c)
3)
Voor 15 juli van het jaar waarop het programma betrekking heeft is de provincie geïnformeerd door toezending van het collegebesluit en de raadsinformatiebrief over de vaststelling.
Evaluatierapportage
a) b) c)
De evaluatierapportage is voor 15 juli van het jaar dat volgt op het jaar waarop de rapportage betrekking heeft door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Voor 1 oktober van het jaar dat volgt op het jaar waarop de evaluatierapportage betrekking heeft is de raad geïnformeerd. Voor 1 oktober van het jaar dat volgt op het jaar waarop de evaluatierapportage betrekking heeft is de provincie geïnformeerd door toezending van het collegebesluit en de raadsinformatiebrief over de vaststelling.
5.3 Toelichting op de indicatoren De provincie hecht er groot belang aan dat de gemeenteraad tijdig wordt geïnformeerd over de beleidscyclus VTH. Om dit vast te stellen vraagt de provincie om desbetreffende raadsinformatie brieven en/of collegebesluiten aan haar toe te zenden. Op basis van de hierin vermelde informatie kan de provincie beoordelen in hoeverre de gemeente voldoet aan de wet- en regelgeving. Vervolgens kan de provincie het IBTdashboard actualiseren. De wet schrijft voor dat een gemeente altijd dient te beschikken over een vigerende uitvoerings- en handhavingsstrategie. Vanuit hun controlerende en toezichthoudende rol is het daarom van belang dat de gemeenteraad en de provincie hierover geïnformeerd worden. Het jaarlijkse uitvoeringsprogramma VTH is van belang omdat hierin wordt beschreven hoe de visie en prioriteiten, die zijn opgenomen in de uitvoerings- en handhavingsstrategie, concreet worden vertaald naar uitvoeringsgerichte acties. Het is belangrijk dat het uitvoeringsprogramma aan het begin van het kalenderjaar door het college wordt vastgesteld omdat er dan gedurende het jaar voldoende tijd is voor de realisatie daarvan. Daarom moet het programma vóór 1 februari zijn vastgesteld. Met deze datum wordt ook aangesloten bij de andere provincies die veelal een vergelijkbare termijn hanteren.
Het college informeert de gemeenteraad vóór 15 juli over het uitvoeringsplan. De datum van 15 juli sluit aan bij de datum waarop de jaarstukken door de raad moeten zijn vastgesteld. Het is aan de individuele gemeente om het uitvoeringsprogramma gelijktijdig met de jaarstukken aan te bieden aan de raad, of om hiervoor een ander traject te doorlopen. Nagenoeg alle gemeenten rapporteren aan de gemeenteraad over de behaalde (VTH) resultaten. Waar voorheen nog werd gevraagd om een jaarverslag is dit nu losgelaten. Een evaluatierapportage, waarbij wordt ingegaan op de behaalde resultaten van het afgelopen jaar en wat er verbeterd zou kunnen worden in het nieuwe jaar, ontbreekt echter vaak. Om de gemeenten te stimuleren een evaluatierapportage te maken en hier aandacht aan te besteden wordt de evaluatierapportage expliciet benoemd als indicator. Voor wat betreft de termijnstelling is ook hier de datum van 15 juli opgenomen. Ditmaal om de gemeente voldoende tijd te geven om een evaluatierapportage te maken aan de hand van de beschikbare (VTH) informatie van het voorgaande jaar. Het college informeert na vaststelling de gemeenteraad vóór 1 oktober.
5.4 Landelijk afstemming en uniformering Vier keer per jaar komt een ambtelijke landelijke werkgroep IBT voor het domein Omgevingsrecht samen waarbij kennis en ervaring uitgewisseld worden. Het doel van deze overleggen is om bij te dragen aan een goed interbestuurlijk toezicht op basis van de uitgangspunten van de Wet revitalisering generiek toezicht en de Agenda Toekomst van het (interbestuurlijk) Toezicht. Ook wordt in de werkgroep besproken en onderzocht in welke mate de provincies de uitvoering van IBT op het domein Omgevingsrecht op elkaar af kunnen stemmen en uniformeren.
10
We zien dat de decentralisatie van IBT-taken naar provincies en gemeenten gepaard gaat met grote mate van beleidsvrijheid. Hierdoor is er sprake van differentiatie tussen prioriteitstelling en de uitvoeringspraktijk. Hoewel er verschillen tussen provincies zijn, wordt gestreefd naar uniformiteit in de toegepaste methodiek en de indicatoren die worden gebruikt. De landelijke overleggen dragen ook bij aan reflectie op de Zuid-Hollandse IBT-uitvoeringspraktijk.
5.5 Het proces Tabel 2 geeft het IBT-proces voor omgevingsrecht weer, met de daarbij behorende stappen op de IBT-ladder en het oordeel zoals dat zal worden gepubliceerd op het IBT-dashboard. Proportioneel toezicht
Het toezicht is proportioneel. Dit houdt onder andere in dat het te laat informeren van de raad op zichzelf niet kan resulteren in de sanctie indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing. De gemeente kan wel op trede 2 van de IBT-ladder (geel) worden geplaatst. Voor verdere escalatie is de tekortkoming niet ernstig genoeg. Ook als stukken wel aanwezig zijn, maar te laat werden vastgesteld, leidt dit niet tot indeplaatsstelling. Wel kan de gemeente op trede 3 (oranje) van de IBT-ladder worden geplaatst. Als een gemeente de beleidscyclus voor langere tijd niet op orde heeft en de stukken zijn niet aanwezig, dan is verdere escalatie wel een mogelijkheid. Tijdens dit hele proces zoeken de gemeente en de provincie samen naar oplossingen. Verbeterplan
In een verbeterplan, zoals bedoeld in onderstaande processchema, geeft een gemeente aan hoe wordt toegewerkt naar het op orde krijgen van de beleidscyclus. In dit plan staan concrete maatregelen, afspraken en termijnen die zijn afgestemd met de toezichthouder. De toezichthouder wordt door de gemeente actief geïnformeerd over de voortgang van de gemaakte afspraken.
11
Tabel 2, Proces en beoordeling IBTOmgevingsrecht IBT-ladder en -oordeel
Toelichting Z acties
0
De gemeente staat niet op de IBTladder, het oordeel is groen.
1
De gemeente staat op trede 1 van de IBT-ladder (signaleren), het oordeel is groen.
Op basis van bij de provincie beschikbare gegevens wordt periodiek beoordeeld of de stukken aanwezig zijn en tijdig zijn vastgesteld en aangeleverd aan de gemeenteraad. De provincie houdt dit bij in een database. Als stukken ontbreken kijkt de provincie of meer informatie beschikbaar is en stemt dit zo nodig af met de gemeente. Indien informatie nog ontbreekt wordt de gemeente in kwestie verzocht om ontbrekende collegebesluiten en/of raadsinformatiebrieven binnen één maand alsnog aan te leveren.
Niet alle stukken zijn toegestuurd, of uit de gegevens kan niet worden vastgesteld of aan de termijnen is voldaan.
2
Als niet voldaan is aan de termijnen wordt nagevraagd waarom de stukken niet tijdig waren vastgesteld en/of waarom de raad niet tijdig is geïnformeerd, en of dit volgend jaar wel binnen de termijnen mogelijk is. Blijkt dat het aanleveren van informatie structureel voldoende wordt uitgevoerd, waarbij ook wordt teruggekeken naar het afgelopen jaar, dan is er geen signaal van taakverwaarlozing en blijft het oordeel 'groen'.
De gemeente staat op trede 2 van de IBT-ladder (informatie opvragen en beoordelen), het oordeel is geel.
Tijdens deze stap wordt contact gezocht met de gemeente. Op basis van aangeleverde aanvullende informatie kan worden vastgesteld of de taak (structureel) goed wordt uitgevoerd.
Na een maand is de nodige informatie nog niet aanwezig, of er is geen goede reden om de documenten buiten de termijnen vast te stellen en/of de raad te informeren.
Als er naar het oordeel van de provincie geen sprake is van een structureel probleem, dan blijft de gemeente op deze trede van de ladder totdat volledig aan de indicatoren is voldaan, dan staat de gemeente niet meer op de IBT-ladder (dit is 'groen'). Er is seen sprake van een structureel probleem als bijvoorbeeld termijnen eenmalig niet zijn gehaald. In dit laatste geval kan er ook voor gekozen worden de gemeente op trede 1 van de IBT-ladder (groen signaleren) te plaatsen, het aannemelijk is gemaakt door de gemeente dat de termijnen volgend jaar wel gehaald zullen worden. Als er naar het oordeel van de provincie sprake is van een verwijtbaar structureel probleem bij het vaststellen van de beleidsstukken, omdat deze helemaal niet zijn vastgesteld en/of veel te laat worden vastgesteld, dan wordt de gemeente op de volgende trede van de IBT-ladder (trede 3a oranje) geplaatst en daarover geïnformeerd. Wanneer de stukken wel aanwezig zijn en vastgesteld zijn, maar de raad wordt keer op keer te laat geïnformeerd, is er sprake van een structureel probleem. De gemeente blijft dan op trede 2 van de IBT-ladder (geel), totdat de raad tijdig is geïnformeerd.
3a
De gemeente staat op trede 3a van de IBT-ladder (ambtelijk afsrpaken maken met termijn), het oordeel is oranje. De stukken worden structureel niet tijdig vastgesteld of ontbreken.
Er vindt ambtelijke dialoog plaats. Als stukken ontbreken wordt de gemeente geacht een verbeterplan vast te stellen. Afhankelijk van het verbeterplan en de ernst van de situatie besluit de toezichthouder of de gemeente op trede 3a (oranje) blijft of teruggeplaatst wordt op 2 (geel), totdat alle stukken wel aanwezig zijn. Bij het ontbreken van een concreet verbeterplan of als er na één jaar op plaatsing van trede 3a geen verbeterplan is vastgesteld, dan wordt er bestuurlijk opgeschaald (trede 3b IBT-ladder/ rood). Ook in geval dat de vaststellingstermijnen structureel worden overschreden wordt er van de gemeente verwacht dat ze een verbeterplan vaststelt. Als de gemeente met het verbeterplan aannemelijk maaktn dat het vaststellen van de documenten volgend jaar wel aan de termijnen voldoet, kan de toezichthouder de gemeente terugplaatsen op trede 2 (geel) van de IBT-ladder.
12
3b
IBT-ladder en -oordeel
Toelichting 7 acties
De gemeente staat op trede 3b van de IBT-ladder (bestuurlijk afsrpaken maken met termijn), het oordeel is rood.
Als ambtelijke dialoog binnen één jaar na plaatsing op trede 3a (oranje) op de IBT-ladder niet resulteert in verbeteringen wordt er bestuurlijk opgeschaald. Zo nodig of desgewenst kan ook eerder al een bestuurlijke dialoog worden gestart.
De ambtelijke dialoog resulteert binnen één jaar na plaatsing op trede 3a niet in verbeteringen. De gemeente staat op trede 4 van de IBT-ladder (vooraankondiging sanctie), het oordeel is rood. De gemeente geeft onvoldoende invulling aan de in de vorige stap gemaakte afspraken.
Er vindt bestuurlijk overleg plaats. De provincie stuurt een vooraankondiging van de geplande interventie (indeplaatsstelling) en geeft de gemeenten de gelegenheid om binnen een in die brief gestelde termijn alsnog een concreet verbeterplan in te dienen.
13
6. Monumentenzorg en archeologie 6.1 Inleiding IBT op monumentenzorg en archeologische monumentenzorg Overgangsjaar
Het jaar 2022 moet worden gezien als een overgangsjaar. Of onderstaande werkwijze werkt moet immers nog blijken. Samen met de gemeenten wordt de komende tijd onderzocht op welke manier het beste kan worden vastgesteld of er sprake is van voldoende taakuitoefening. Nadat hiermee ervaring is opgedaan in 2022 zal een evaluatiebijeenkomst worden georganiseerd met de gemeenten, waarna wordt besloten of de werkwijze nog aanpassing behoeft. Ook andere onderdelen van de Omgevingswet kunnen hierbij worden betrokken. Beleidsdoel
Het beleidsdoel van monumentenzorg is om te voorkomen dat monumenten worden beschadigd of verwaarloosd dan wel om corrigerend op te treden als dit al heeft plaatsgevonden. Voor archeologische monumentenzorg is het beleidsdoel om te voorkomen dat archeologische waarden en monumenten ongezien worden vernietigd, beschadigd of verwaarloosd dan wel om corrigerend op te treden indien dit al heeft plaats gevonden. Risicogericht en proportioneel
Bij monumentenzorg hebben de gemeenten tot taak om te zorgen voor de vergunningverlening met relevante voorwaarden wat gepaard gaat met deskundig toezicht en handhaving zodat monumentale waarden niet verloren gaan, dan wel hersteld worden. Hierbij is een belangrijke randvoorwaarde dat er zicht is op de staat van de monumenten in de gemeente, waarbij de kwetsbare en verwaarloosde monumenten in beeld zijn. Dit vergt beleidsmatige inzet. Uit gesprekken met gemeenten blijkt dat het grootste risico zit in het voldoende uitvoeren van toezicht en handhaving op monumentenzorg en archeologische monumentenzorg. Dit vergt immers een pro-actieve houding, deels gericht op preventie. Bij onvoldoende invulling bestaat een kans dat waardevolle monumenten en archeologisch erfgoed verloren gaan. De provincie zal bij het interbestuurlijk toezicht kijken naar de taakuitvoering in brede zin maar het accent leggen op de uitvoering van toezicht en handhaving.
6.2 Wet- en regelgeving Erfgoedwet (Ew, 2016), Monumentenwet 1988 (Monwet '88), Wet ruimtelijke ordening (Wro 2008), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2008). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor vergunningverlening, toezicht op en de bestuurlijke handhaving van het verbod op beschadiging van gebouwde monumenten. Hiervoor dient men gegevens te verzamelen, te registreren en klachten te behandelen over de naleving. Men dient te beschikken over een toezichts- en handhavingsbeleid, een uitvoeringsprogramma en een uitvoeringsorganisatie met de borging van middelen, monitoring en een rapportage (evaluatie). Ook zijn gemeenten verantwoordelijk voor toezicht en handhaving op in omgevingsvergunningen voorgeschreven archeologische onderzoeksverplichtingen.