CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Commissie Wonen en Flora 8 oktober 2025, gemeente Westland41.962 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Artikel 6.27a risico's van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. Toetsing Om de risico's van klimaatverandering te beperken zijn er voor dit plan maatregelen genomen ten aanzien van de bouwhoogte, vergroening en de bestrating. Door minimale bouwhoogtes voor constructies aan te houden, wordt de kans op overstromingsrisico's geminimaliseerd. Binnen het projectgebied wordt verder veel aandacht besteed aan vergroening: er zullen groene ruimtes en beplanting worden aangelegd om hitte-eilandeffecten te verminderen en verkoelende schaduw te bieden. Voorts wordt er waterdoorlatende bestrating gelegd om waterophoping bij hevige regenval te verminderen. 2.1.4

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & AMvB ruimtelijke ordening Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

18

Doelen In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.

Figuur - Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur Nationale b elangen De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in de AMvB ruimtelijke ordening. De AMvB omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met de AMvB Ruimte maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij de AMvB kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het projectgebied zijn geen nationale belangen in het geding. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de komst van de Omgevingswet, is het van belang dat de ruimtelijke opgave in lijn is met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De eerste NOVI is vastgesteld in 2021. De NOVI bestaat uit één Rijksvisie op de leefomgeving. Het uitgangspunt van dit beleidsdocument is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in een samenhangend geheel. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050.

Om dit te realiseren is collectieve verantwoordelijkheid van alle overheden van belang. Het Rijk benoemt in de NOVI 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid en vermeldt hierbij de opgaven en de rol van het Rijk bij het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven worden samengebracht in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: Naar een duurzame en concurrerende economie; Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving;

19

Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving; Naar een waardevolle leefomgeving. Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen. De omvang van de vraag is afhankelijk van de het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen. Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk. Deze locaties moeten goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken.

Toetsing De NOVI geeft geen concrete beleidslijnen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. De bouw van 172 logiesunits voor arbeidsmigranten is niet in strijd met de belangen en opgaven van de Nationale Omgevingsvisie. Vooraanstaande landbouwclusters (zoals de greenports) zijn verspreid over heel Nederland te vinden. Het projectgebied is onderdeel van de greenport West-Holland. Het huisvesten van arbeidsmigranten is noodzakelijk voor het goed functioneren van de greenports. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridisch bindende vertaling van de Omgevingsvisie naar lagere overheden. Onder de vlag van de Omgevingswet wordt dit Besluit vervangen door zogenoemde instructieregels, maar vooralsnog geldt het Barro. Hiermee wordt de visie, waarmee op Rijksniveau een toekomstperspectief wordt geschetst, vertaald in bindende regels waar lagere overheden zich bij het opstellen en vergunnen van plannen aan te houden hebben. Toetsing Het Barro kent geen concrete kaders die op het voorliggende project van toepassing zijn. 2.1.5

Conclusie

De ontwikkeling voor het realiseren van 172 tijdelijke logiesunits voor arbeidsmigranten op het perceel Burgemeester van der Goeslaan nabij Oostbuurtseweg 53 te De Lier is in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden.

2.2

Ruimtelijk-functionele structuur

2.2.1

Huidige situatie

Het projectgebied is gelegen nabij de Oostbuurtseweg 53 in De Lier. De grenzen van het projectgebied worden gevormd door de Burgemeester Van der Goeslaan ten noorden en de Oostbuurtseweg ten oosten en ten zuiden. Het projectgebied heeft een totale oppervlakte van 29.105 m² (2,91 ha) en is omringd door water en groen. Het projectgebied is kadastraal bekend bij de gemeente onder sectie A, nummers 4980 en 6394. Het projectgebied is weergegeven in onderstaande figuur.

20

Projectgebied (b ron: Google Maps). Op dit moment bestaat het projectgebied uit kassen ten behoeve van glastuinbouw. Verder staan er een viertal vervallen silo's op het terrein. Ten oosten van het projectgebied is een woning gesitueerd welke zal blijven bestaan. In figuur 2.2 is een Satellietbeeld van de huidige locatie gegeven met de twee kadastrale kavels en kassencomplexen. Figuur 2.3 geeft een beeld van de vervallen silo's met daarachter de kassen. Figuur 2.4 geeft een beeld vanaf de Burgemeester van der Goeslaan.

21

2.2.2

Toekomstige situatie

Het voorgenomen initiatief betreft het realiseren van verschillende tijdelijke logiesgebouwen voor het tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten. Daarmee transformeert de huidige glastuinbouwlocatie tijdelijk naar een verblijgsgebied voor arbeidsmigranten. Er komen zes gebouwen die elk twee of drie lagen hebben en ruimte bieden om 688 arbeidsmigranten te huisvesten. Er komen in totaal 172 units met een gemiddelde bezetting van vier personen. De gebouwen worden verspreid over het projectgebied. Tussen de gebouwen zal ruimte worden gecreëerd voor recreatieve doelen, zoals sportvelden. Aangrenzend aan de Oostbuurtseweg zal parkeergelegenheid mogelijk worden gemaakt.

22

Masterplan De hoofdentree van het gebied zal aan de ventweg van de N213 worden gerealiseerd. Verder zullen er twee calamiteitenuitgangen worden gerealiseerd die uitsluitend in geval van nood kunnen worden gebruikt voor evacuatie of als toegangsweg voor hulpdiensten.

Impressie van de inrichting (b ron: BAS1S Architecten). Op de hoek van de Burgemeester Van der Goeslaan en de Oostbuurtseweg komt een iconisch hoekaccent. Onder één 'dak' zullen hier diverse voorzieningen worden gerealiseerd. Hier is ruimte voor faciliteiten zoals een receptie, fietsenberging, beheerdersruimte, wasserette en dergelijke.

23

2.2.3

Verkeer

Toetsingskader Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikb aar Westland Op 10 december 2019 is de Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland vastgesteld door de gemeenteraad. Het gemeentelijk mobiliteitsbeleid was tot de vaststelling van deze Mobiliteitsvisie gebaseerd op het Westlands Verkeer- en Vervoerplan 2005-2015 (WVVP) en de Structuurvisie Westland 2025. Veel van de in het WVVP opgenomen doelstellingen en uitvoeringsprogramma's zijn gerealiseerd, dan wel waren aan herziening toe. Na vaststelling van de Mobiliteitsvisie is het WVVP komen te vervallen. Er komt steeds meer verkeer in Westland. Om ervoor te zorgen dat we nu en in de toekomst nog vlot tussen dorpen en van dorp naar steden kunnen reizen, maken we plannen en nemen we maatregelen. De volgende mobiliteitsdoelen zijn opgenomen in de Mobiliteitsvisie 2040: Logistieke bereikbaarheid; De auto minder dominant; Volwaardige alternatieven voor de auto; Westland verkeersveilig; Duurzaam Bereikbaar Westland. Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018 In de vergadering van burgemeester en wethouders van 16 januari 2018 is de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018' vastgesteld. Hiermee vervalt de verwijzing naar het WVVP. In het beleid is de parkeernormering van de gemeente Westland geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de meest recente kerncijfers van het CROW (landelijke richtlijnen).

Onderzoek Goudappel B.V. heeft voor het initiatief een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek wordt hieronder beschreven. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. In het kader van de omgevingsvergunning wordt niet langer uitgegaan van de functie ‘wonen’, maar van de functie ‘logies’. Uit de oplegnotitie, die is opgenomen in bijlage 2.1, blijkt dat dit geen effect heeft op de parkeerbehoefte dan wel de verkeersgeneratie. De conclusies uit het verkeerskundig onderzoek blijven daarmee van kracht. Parkeren De parkeernorm van de gemeente Westland is 0,3 parkeerplaats per bed. Dit komt overeen met het maximale parkeerkencijfer uit publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' van het landelijk kennisinstituut CROW. Er is daarmee gerekend met een parkeernorm die aansluit bij actuele landelijke parkeerkencijfers.Er worden maximaal 688 arbeidsmigranten verwacht. De parkeerbehoefte is daarmee: 688 x 0,3 = 206,4 (207) parkeerplaatsen. Voor de beheerders van het park worden twee parkeerplaatsen gerealiseerd. De totale parkeerbehoefte is daarmee 209 parkeerplaatsen. Op eigen terrein worden 211 parkeerplaatsen aangelegd. Er is daarmee sprake van een goede parkeersituatie op eigen terrein conform het paraplubestemmingsplan Parkeernormen.

Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie is gekoppeld aan de parkeerbehoefte: als uitgegaan wordt van het maximum parkeerkencijfer, dan wordt ook het maximum verkeersgeneratiekencijfer gebruik. De gehanteerde verkeersgeneratie is 1,2 motorvoertuigbewegingen per weekdag. Voor de werkdag wordt dit verkeersgeneratiekencijfer conform de rekenregels uit de CROW publicatie 381 vermenigvuldigd met 1,11 = 1,332 motorvoertuigbewegingen per bed. De totale verkeersgeneratie is daarmee: 916 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. In de spitsuren wordt uitgegaan van een verkeersgeneratie van 74 mvt/uur gedurende de ochtendspits en 83 mvt/uur gedurende de avondspits.

24

Verkeersontsluiting Voor de verkeersontsluiting zijn twee varianten bekeken. Variant 1: de toekomstige situatie, waarbij enkel gebruik wordt gemaakt van de ventweg van de Burgemeester van der Goeslaan en variant 2: de hypothetische situatie, waarbij tevens de calamiteiteningangen illegaal zullen worden gebruikt. Dit betreft echter een hypothetische situatie en deze situatie wordt als zeer onwaarschijnlijk geacht in verband met het nodige hang- en sluitwerk, waardoor deze beschermd zijn tegen illegaal gebruik. Verkeersveiligheid Goudappel heeft middels een Wegenscan een analyse uitgevoerd naar de verkeersveiligheid. Hieruit blijkt dat er sprake is van een verkeersveilige verkeersdruk op de ventweg van de Burgemeester van der Goeslaan in de plansituatie in het jaar 2040 (met park). 2.2.4

Conclusie

Het aspect parkeren en verkeer staat de ontwikkeling niet in de weg. Op eigen terrein worden voldoende parkeerplaatsen aangelegd conform de parkeernormen van de gemeente Westland. De parallelweg van de Burgemeester van der Goeslaan en de Oostbuurtseweg hebben voldoende capaciteit om het extra verkeer van het park op een verkeersveilige wijze af te wikkelen. Uit de uitgevoerde kruispuntberekening blijkt dat in de plansituatie (met park de rotonde Woudseweg – Oostbuurtseweg het verkeer op een goede wijze afgewikkeld kan worden

2.3

Gebiedsvisie

2.3.1

Stedenbouwkundig advies

De locatie Oostbuurtseweg 53 bevindt zich relatief ver van woonkernen, aan de rand van De Lier in het glastuinbouwgebied van buurtschap Oostbuurt. Het plangebied grenst aan de noordwestzijde aan de Burgemeester van de Goeslaan, de N223, en is straks als eerste zichtbaar komend vanaf Den Hoorn/Delft waardoor de nieuwe bebouwing de entree van het Westland vormt. Aan de zuidoostzijde grenst de locatie aan de Oostbuurtseweg, een rustieke oude smalle tuindersroute begeleid door gras, bomen, waterloop en aan weerszijden veelal vrijstaande woningen met schuren en kassen. De locatie wordt ontsloten vanaf de ventweg langs de provinciale weg, aangesloten op de Oostbuurtseweg ter hoogte van de rotonde. Daarmee wordt de Oostbuurtseweg zo veel mogelijk ontlast. De locatie is niet meer duurzaam inzetbaar voor de (herstructurering van) glastuinbouw en behoort tot de 'prioritaire locaties'. De locatie is specifiek aangewezen door het college voor het realiseren van duurzame, hoogwaardige (tijdelijke) huisvesting voor arbeidsmigranten conform de woonvisie 2020-2030. De komende 15 jaar zal Tradiro op deze plek het tijdelijke ''Tradiro park de Lier' realiseren en exploiteren voor ca. 688 tijdelijke bewoners met ondersteund personeel.

Het terrein zal worden afgesloten door hekwerken waar natuurlijke begrenzing niet volstaat zodat het gebied alleen toegankelijke is voor bewoners, werknemers en bezoekers. De locatie kent twee gezichten. Aan de rotonde en de N223 vormt de locatie een belangrijke zichtlocatie, de entree van het Westland. Aan de andere Oostbuurtseweg vormt ze echter een onderdeel van het intieme, kleinschalige, groene milieu van de Oostbuurt. Deze twee locatie kenmerken vormen het uitgangspunt voor de stedenbouwkundige visie die ten grondslag ligt aan het ontwerp van het park. De omvang van de locatie biedt de mogelijkheid het programma in een parkachtige setting te realiseren passend bij gewenste verblijfskwaliteit, duurzaamheidsdoelstellingen en behoefte aan buiten recreatie mogelijkheden voor de bewoners op eigen terrein. Aan de rotonde op de hoek Oostbuurtseweg Burgemeester van de Goeslaan wordt met een ruimtelijk kunstwerk over het gelede entreegebouw, waarin de collectieve ondersteunende functies zijn

25

ondergebracht, een bijzonder hoekaccent gecreëerd: de markante entree van het Westland. De hoofdentree van het park, aan de ventweg, vormt de overgang tussen het entreegebouw, de toegang tot de parkeervoorzieningen en de logiesbebouwing. Zes samengestelde 'bouwblokken' van 4-6 geclusterde logiesgebouwen zijn gesitueerd langs de Provincialeweg. De korrel van de bouwblokken past bij de het grootschalige profiel van de Burgemeester van de Goeslaan. De reeks van bouwblokken variëren in hoogte - twee of drielaags- en gevelkleur/materiaal. De blokken worden tevens onderbroken door waterlopen omgeven met groen, de uitlopers van recreatieve routes die het plangebied in de dwarsrichting doorsnijden. Daardoor ontstaat zowel langs de Provinciale weg als binnen in het plangebied een gedifferentieerd aanzicht. Tussen de bouwblokken, in het hart van het plangebied, ligt een in de lengte van het plangebied een doorgaande parkzone. Deze vormt de landschappelijke verbinding tussen de bouwblokken, de dwars over het terrein lopende groenblauwe zones en de entree. Het park is een attractieve plek waar de logiesunits gesitueerd zijn en waaraan wordt gewandeld, verpoosd en gesport kan worden door de bewoners. Langs de Oostbuurtseweg en de aangrenzende percelen wordt een robuuste groene buffer gecreëerd.

Deze omzoomt de hier gesitueerde parkeervoorzieningen en schermt het park op een natuurlijke manier af, passend bij het karakter van de oude tuindersroute. Aan de Oostbuurtseweg liggen de nooduitgangen van het park die allen mogen worden gebruikt in geval van calamiteiten zodat deze weg niet wordt belast met dagelijks verkeer. Geluidsschermen Vanuit Stedenbouwkundig en menselijk oogpunt is het belangrijk dat het terrein van de arbeidsmigranten woningen niet als een 'omsloten eiland' in de omgeving komt te liggen. Onze tijdelijke arbeidsmigranten maken volwaardig onderdeel uit van de Westlandse samenleving. Zichtbaarheid van de bebouwing op het park vanuit de openbare ruimte én voldoende (uit)zicht vanuit het Tradiro park naar de omgeving zijn daarbij belangrijke stedenbouwkundige voorwaarden. In de situatie tekening zijn, nieuw ten opzichte van de vergunde tekeningen, op enkele noodzakelijke plekken 2 tot 2,25 meter hoge geluidschermen opgenomen, zie geluidsrapport voor onderbouwing positie geluidsschermen. De hoogte van de schermen is beperkt tot ongeveer de hoogte van een reguliere erfafscheiding tussen woonpercelen. Ter plaatse van bestaande bebouwing genereren de geluidschermen, met hun beperkte hoogte, de gewenste wederzijdse privacy. De continue bomenrij langs de oever vormt een natuurlijke coulisse voor deze hoge hagen.

Door uitvoering van de geluidschermen in kokosmattenhekwerken in het hart van de beukenhagen (aan weerszijden ingeplant met een robuuste beukenhaag) zijn de geluidschermen visueel uit het oog onttrokken en in hun verschijningsvorm een integraal onderdeel van de hagenstructuur rondom de parkeerterreinen. De 2,25 meter hoge hekwerken met hagen worden op een klein grondtalud geplaatst zodat kan worden volstaan met uitvoering in 2 meter hoge standaard kokosmattenhekwerken. Door beperkte plaatsing van de geluidschermen, en plaatsing nabij de bestaande woningen wordt de wederzijdse zichtbaarheid naar en vanuit het park voldoende gewaarborgd. De overige hagen op het parkeerterrein worden zo veel mogelijk in hoogte beperkt tot 1,2 m waardoor in staande positie over de hagen kan worden heen gekeken ten behoeve van overzicht, toezicht en de zichtbaarheid van de bomen en het groen rondom het terrein vanaf de parkeerterreinen en het binnen gebied.

26

Stedenbouwkundige ligging projectgebied.

Stedenbouwkundige opzet projectgebied.

27

Hoofdstuk 3

Onderzoek

3.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

3.1.1

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten. 3.1.2

Onderzoek

De onderhavige ontwikkeling is qua aard en omvang zodanig dat de drempelwaarden In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. De bouw van meerdere logiesgebouwen met respectievelijk 688 bedden, is niet m.e.r.-plichtig. Wel dient een vormvrije mer-beoordeling uitgevoerd te worden. In Bijlage 4 is de vormvrije m.e.r. beoordeling weergegeven. Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status ligt. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk. Er zijn geen potentiële effecten. Rekening houdend met de mitigerende maatregelen en gelet op: de aard en relatieve omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten kan worden geconcludeerd dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde kunnen zijn die het opstellen van een MER nodig maken.

3.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

3.2.1

Toetsingskader

Uitbreiding of nieuwe functies zijn niet zonder meer mogelijk, omdat sprake moet zijn van 'zorgvuldig ruimtegebruik'. Ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, moeten daarom worden getoetst aan Artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet de behoefte worden beschreven. Bij stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk gerealiseerd kunnen worden 3.2.2

Onderzoek

Wel of geen stedelijke ontwikkeling De vraag bij de ladder voor duurzame verstedelijking is of de ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in art. 3.1.6 lid 2 Bro. Op basis van de huidige jurisprudentie kan worden gesteld dat vanaf 500 m2 bvo sprake is van een stedelijke ontwikkeling (zie hiervoor ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het ontwikkelen van logies voor het huisvesten van arbeidsmigranten met 688 bedden. De omvang is groter dan 500 m2 bvo. In dit geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Toetsing en conclusie In de ladderonderbouwing (Bijlage 5) uitgevoerd door Sweco, is de behoefte en locatieafweging onderzocht. Daarin wordt het volgende geconcludeerd. In het onderzoeksgebied is momenteel al sprake van een grote behoefte waarin het plan op de

28

Oostbuurtseweg voor een deel in kan voorzien. Tot 2030 is een (conservatief ingeschatte) behoefte van circa 3.466 – 4.596 huisvestingsplekken in de gemeente Westland. Ook voor de lange termijn (de periode 2030-2040) is de verwachting dat de behoefte aan arbeidsmigranten groot blijft als gevolg van economische ontwikkeling en afnemende beroepsbevolking door vergrijzing. Er bestaat in het onderzoeksgebied geen alternatief voor de voorgenomen ontwikkeling van 688 huisvestingsplekken binnen het bestaand stedelijk gebied. Het huisvesten van arbeidsmigranten in reguliere woningen is onwenselijk, omdat dit betekent dat circa 86 woningen niet beschikbaar zijn voor reguliere woningzoekenden. De ontwikkeling van de huisvesting voor arbeidsmigranten voldoet hiermee aan de eisen van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Bovendien sluit de ontwikkeling goed aan op de beleidskaders, waarin wordt ingezet op het realiseren vanhuisvesting voor arbeidsmigranten. Daarnaast draagt het plan bij aan het terugdringen van onveilige (informele) leefomstandigheden door het vergroten van kwalitatief hoogwaardig aanbod voor arbeidsmigranten met een tijdelijk verblijf.

3.3

Bedrijven en milieuzonering

3.3.1

Wettelijk kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 3.3.2

Onderzoek

Aqua-Terra Nova heeft een onderzoek naar externe veiligheid en een BMZ-toets uitgevoerd (zie Bijlage 6). Voor het aspect bedrijven en milieuzonering (BMZ-toets) is nagegaan welke bedrijfsactiviteiten binnen een straal van 100 meter van het plangebied bestemd zijn. In figuur 4.3 zijn per bedrijfsmilieu categorie de bestemmingsplanvlakken gearceerd weergegeven. Het gedeelte van de bestemmingsplanvlakken waarvan de afstand tot het bouwvlak in het plangebied kleiner is dan de richtafstand zijn in onderstaande figuur volledig ingekleurd weergegeven.

29

Figuur 4.3: Bestemde milieucategorieën bedrijven binnen 100 m logiesunits in projectgebied (achtergrond BAG en luchtfoto) De volgende milieuzones (richtafstanden) van de bestemde bedrijfsactiviteiten de logiesunits in het plangebied overlappen: bestemming “Agrarisch-Glastuinbouw”. Glastuinbouwbedrijven zijn ingedeeld in milieucategorie 2 (locatie nr. 1 in figuur 4.3); bestemming “Bedrijf”. Hier zijn bedrijven t/m milieucategorie 2 (locatie nr. 2 in figuur 4.3) en t/m milieucategorie 3.1 toegestaan (locatie nr. 3 in figuur 4.3). Voor de bestemde bedrijfsactiviteiten t/m milieucategorie 2 waarvan de richtafstanden het plangebied overlappen is bepaald wat de werkelijke bedrijfsactiviteiten zijn. Geconcludeerd wordt dat op de beschouwde locaties geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. De aanwezige kleine paardenbak voor hobbymatig gebruik zal niet leiden tot een aantasting van een goed woon- en leefklimaat bij de logiesunits in het plangebied. Ten aanzien van de bestemde bedrijfsactiviteiten t/m milieucategorie 3.1 kan worden geconcludeerd dat naar verwachting de te slopen schuur niet meer in gebruik is en er geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaatsvinden. Er is tevens een sloopvergunning verleend voor de schuur. Ook hier geldt dat de schuur niet zal leiden tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat

30

3.3.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

3.4

Geluid

3.4.1

Wettelijk kader

Wet geluidhinder De Wet geluidhinder vormt het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen. Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat 3.4.2

Onderzoek

Door AV-consultancy BV is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 7). De onderhavige situatie betreft een tijdelijke situatie met tijdelijke bouwwerken voor een periode van maximaal 15 jaar. Het gaat om logiesunits voor arbeidsmigranten die daar periodiek, maximaal zes maanden, zullen verblijven. De Wet geluidhinder is in dit geval niet van toepassing. Omdat er in het kader van het Bouwbesluit 2012 wel aan de geluidseisen ten behoeve van de gevelgeluidwering getoetst dient te worden, is het noodzakelijk om eerst de geluidsbelasting te berekenen die op de gevels invalt. Het wegverkeerslawaai zal daarbij maatgevend zijn. Er dient er in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om hier een uitspraak over te kunnen doen is het noodzakelijk om de geluidsbelasting op de gevels van de logiesfuncties te bepalen. Het wegverkeerslawaai zal hierbij maatgevend zijn. Het binnenniveau in de logiesfuncties kan een overwegingscriterium zijn bij het bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai, die op de gevels van de logiesfuncties invalt, maximaal 67 dB Lden bedraagt (zonder toepassing van de aftrek op grond van art. 110 Wet Geluidhinder).

Omdat het logiesfuncties betreft is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Wel dient er in het kader van een zorgvuldige ruimtelijke ordening een overweging te worden gemaakt over de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ten aanzien van de te realiseren logiesfuncties. Woon- en leefklimaat De geluidsbelasting op de logiesfuncties aan de noordwestzijde ligt tussen 65 en 67 dB uitgedrukt als Lden waarde.Indien de Lden-waarden in dB omgerekend worden naar LAeq-waarden in dB(A) dan liggen de waarden nog circa 2 dB hoger, dus circa 67 tot 69 dB(A). De logiesfuncties aan de noordwestzijde liggen volgens de “methode Miedema” in de geluidsbelastingsklasse “slecht”. De logiesfuncties in het midden van het plangebied vallen in de geluidsklassen “matig” tot “tamelijk slecht”. De logiesfuncties aan de zuidoostzijde vallen in de geluidsklasse “redelijk” tot “matig”. Geluidwering gevels Door te zorgen voor een goede geluidwering van de gevels van de te realiseren logiesfuncties kan, ondanks de hoge geluidsbelasting die invalt op de gevels aan de buitenzijde, toch een goed binnenniveau verkregen worden in de logiesfuncties. Door te zorgen voor een laag binnenniveau kan er in de logiesfuncties toch een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden verkregen. Dit kan als een positieve overweging meegenomen worden in de beoordeling over de kwaliteit van het woon- en

31

leefklimaat. Akoestisch onderzoek gevels Omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) wordt overschreden, is er door AV-consulting BV (zie Bijlage 8) een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de geluidwering van de gevels van de tijdelijke logiesunits. In dit onderzoek worden geluidwerende voorzieningen voorgesteld. In een volgend onderzoek (Bijlage 9) naar de geluidemissie en de verkeersaantrekkende werking van de tijdelijke logiesunits is gebleken dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een binnenniveau van 38 dB. Dit binnenniveau kan worden gerealiseerd door het plaatsen van een akoestisch ontkoppeld (zwevend) plafond. Uit de berekeningen van de onderzoeken blijkt dat daarmee aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012, het Activiteitenbesluit en de geluidseisen van de VNG richtlijn kan worden voldaan. 3.4.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

3.5

Luchtkwaliteit

3.5.1

Wettelijk kader

Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

60 ìg/m³

2010 t/m 2014

jaargemiddelde concentratie

40 ìg/m³

vanaf 2015

jaargemiddelde concentratie

48 ìg/m³

jaargemiddelde concentratie

40 ìg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³

fijn stof (PM10)1)

vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing

(volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

32

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.5.2

Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling betreft het bouwen van logiesunits voor arbeidsmigranten. Deze ontwikkeling zorgt voor enige verkeersaantrekkende werking. Uit paragraaf 4.1 blijkt dat de verkeersgeneratie 916 mt/etmaal betreft (werkdaggemiddelde). In figuur 4.1 is de NIBM-tool ingevuld (versie 23-04-2022). Hierbij is worst-case het werkdaggemiddelde aangehouden in plaats van de weekdaggemiddelde. Daarnaast is uitgegaan van 2023 voor het jaar van planrealisatie en een aandeel vrachtverkeer van 1%. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,58 µg/m³ en van fijnstof van 0,14 µg/m³. Beide toenames zijn onder 1,2 µg/m³. Met de NIBM-tool is berekend of de toename niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) 2022 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Burgemeester van der Goeslaan, grenzend aan het projectgebied. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. 3.5.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

33

3.6

Externe veiligheid

3.6.1

Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt.

Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.6.2

Onderzoek

Aqua-Terra Nova heeft een onderzoek naar externe veiligheid en een BMZ-toets uitgevoerd (zie Bijlage 6). De locatie is in dit onderzoek getoetst op aanwezigheid van risicorelevante activiteiten die de ontwikkelingen binnen het projectgebied zouden kunnen belemmeren Inleiding Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.

In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

34

Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen.

Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations. De meest dichtbij zijnde risicovolle inrichtingen (Bevi-inrichtingen) op de risicokaart zijn een LPG-tankstation gelegen op 1,9 km afstand en een Gasontvangstation gelegen op 1,6 km afstand. Het projectgebied is gelegen buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen.

De aanwezigheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen (Bevi-inrichtingen) vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het projectgebied. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd.

Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in

35

werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd. De planlocatie bevindt zich op 23 meter afstand van een provinciale weg N223, die is vrijgesteld voor het transport van gevaarlijke stoffen in bulk. De omvang van het invloedsgebied van de N233 bedraagt 880 m (vanwege het transport van toxische vloeistoffen, stofcategorie LT2). Het projectgebied is daarmee gelegen binnen het invloedsgebied van de N223. Conform het Bevt moet er onderzoek plaatsvinden naar het groepsrisico wanneer een ontwikkeling zich binnen 200 meter van deze route plaatsvindt. De afstand tussen de bebouwing in het projectgebied en de N223 is kleiner dan 200 meter. Voor de N223 is nader onderzoek naar het groepsrisico noodzakelijk. De N223 is gelegen op 23 meter afstand van het plangebied en 25 meter van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing in het plangebied (gerekend vanaf het hart van de N223).

De nieuwe logiesunits in het plangebied zijn gelegen op een afstand van 28 meter van het hart van de N223. Gehanteerde telgegevens N223 Een actueel overzicht van de uitgevoerde telgegevens wordt bijhouden door Rijkswaterstaat in een Excel-bestand. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de meest recente versie (juni 2019). Voor het betreffende wegvak van de N223 zijn geen telgegevens bekend. Voor het aansluitende wegvak van de N223 zijn telgegevens bekend uit 2017 (digitale telling gedurende 14 dagen, wegvak Z188, gelegen op ca. 4,5 km afstand ten westen van het plangebied). Deze telgegevens zijn weergegeven in tabel 4.1 in het onderzoek. Voor de verdere toetsing is uitgegaan van deze telgegevens. Groepsrisico De ontwikkelingen in het plangebied zijn gelegen binnen het invloedsgebied van een provinciale weg die is vrijgesteld voor het transport van gevaarlijke stoffen in bulk (N223). Langs de N223 is geen PR-10-6 contour aanwezig. De normen voor het plaatsgebonden risico vormen geen belemmering voor de planlocatie. Het groepsrisico is berekend met RBMII. Door de ontwikkeling in het plangebied neemt het groepsrisico toe van 0,015 tot 0,04 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico blijft onder 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Op grond van artikel 8 van het Bevt is een verantwoording van het groepsrisico niet vereist.

De normen voor het groepsrisico in het Bevt vormen geen belemmering voor deze ontwikkeling. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de N223 moet op grond van artikel 7 van het Bevt in de toelichting van het omgevingsbesluit worden in gegaan op: de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp met gevaarlijke stoffen op de N223, en; voor zover het plan of de vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt

36

kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. Deze aspecten zijn in de rapportage beschouwd. Beknopte verantwoording Scenario’s brandbare gassen Door een externe beschadiging van een tankwagen met GF3-stoffen (zoals propaan of LPG) kan de tank openscheuren waardoor de gehele inhoud aan brandbaar gas direct vrijkomt. Als dit direct ontsteekt ontstaat er een vuurbal en een drukgolf (zogenaamde koude BLEVE). Als dit gas later ontsteekt ontstaat er een gaswolkexplosie of wolkbrand. Als een tankwagen met GF3 -stoffen betrokken raakt bij een brand kan na enige tijd de tank bezwijken waardoor de gehele inhoud aan brandbaar gas direct vrijkomt en ontsteekt (zogenaamde warme BLEVE). Als maatgevend scenario wordt voor wegen (vanwege de hogere kans) uitgegaan van een koude BLEVE. Bij dit scenario kunnen tot een afstand van 200 meter personen die buiten aanwezig zijn komen te overlijden door de optredende (kortdurende) warmtestraling. Het optreden van een koude BLEVE kan door de optredende kortdurende warmtestraling bij de gebouwen in het plangebied leiden tot een afstand van 80 meter tot onherstelbare schade aan de gebouwen in het plangebied en op een afstand van meer dan 80 meter tot gemiddelde schade aan gebouw (brandhaarden, vervorming van hout en kunststof, breuk dubbelglas).

Bestrijdbaarheid Het optreden van een koude BLEVE is een snel scenario dat direct plaatsvindt. Voor dit scenario zijn ervan uit bestrijdbaarheidsperspectief geen mogelijkheden om dit scenario te voorkomen. Bij de dreiging van een warme BLEVE door brand rondom/nabij een tankwagen met brandbare gassen bestaat er voor de brandweer gedurende enige tijd de mogelijkheid om de tankwagen te koelen met water om een warme BLEVE te voorkomen. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Na het optreden van een koude of warme BLEVE kunnen in het plangebied branden ontstaan die door de brandweer kunnen worden geblust. Hierbij is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het plangebied wordt ontsloten via drie ontsluitingen (1 op de ventweg langs de N223 en 2 ontsluitingen via de Oostbuurtseweg) De locatie is bereikbaar vanuit zuidwestelijke richting en noordoostelijke richting. De bereikbaarheid van de locatie is voldoende. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen De personen in de logiesunits zullen zelfredzaam zijn.

Bij een ontvluchting vanuit de logiesunits of preventieve ontruiming van de logiesunits bij een dreigende calamiteit met een LPG-tankwagen op de N223 kunnen de bewoners zelfstandig het gebouw ontvluchten naar veilig gebied. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Het optreden van een koude BLEVE is een snel scenario waarbij er geen tijd beschikbaar is om te kunnen vluchten. Bij het optreden van een warme BLEVE is voorafgaand in beginsel voldoende tijd aanwezig om de betreffende gebouwen te ontruimen. Indien bij een dreigende BLEVE door de hulpdiensten wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen, van de bron af (in zuidoostelijke richting), kunnen vluchten. De aanwezige ontsluitingen aan de Oostbuurtseweg bieden voldoende mogelijkheden voor ontvluchting/ontruiming. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als

37

ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.

Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.

In de omgeving van het projectgebied bevinden zich 3 hoge druk aardgasbuisleidingen van Gasunie: Buisleiding A-617 (79 bar, 12,76 inch) heeft een invloedsgebied van 200 meter en is gelegen op ca. 445 meter van het plangebied. Het projectgebied is gelegen buiten het invloedsgebied van buisleiding A-617. Buisleiding A-517-07 (66,2 bar, 30 inch) heeft een invloedsgebied van 380 meter en is gelegen op ca. 575 meter van het projectgebied. Het projectgebied is gelegen buiten het invloedsgebied van buisleiding A-517-07. Buisleiding W-522-04(40 bar, 15,98 inch) heeft een invloedsgebied van 170 meter en is gelegen op ca. 840 meter van het projectgebied. Het projectgebied is gelegen buiten het invloedsgebied van buisleiding W-522-04. De aanwezigheid van buisleidingen met gevaarlijke stoffen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen op de projectlocatie. Explosieven Met de beschikbare informatie kan gesteld worden dat er zich geen ongeëxplodeerde explosieven in het projectgebied bevinden. Nader onderzoek hiernaar is niet nodig. Naast bovenstaande zijn er geen aanvullende veiligheidsaspecten aan het licht gekomen.

38

Uitsnede Explosievenkaart Westland 3.6.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect Externe Veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.7

Water

3.7.1

Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Nationaal waterplan Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in

39

het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.

Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1).

Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=5f2ee49f-3a48-4098-9387-5dfeb523e748