CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

Aangepast na amendement - Bestemmingsplan Bedrijventerrein Vlotlaan Monster

Gemeenteraad 22 februari 2023, gemeente WestlandBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Vlotlaan Monster27.493 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Afvalwater en hemelwater afvoer Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse en de beoogde bebouwing zou aannemelijk aangesloten worden op het rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. Binnen het bestemmingsplan wordt een groenstrook geborgd waarmee meer onverhard oppervlak ontstaat. Convenant Klimaatbestendig bouwen De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. De gemeente Westland heeft dit convenant ondertekend.

Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Eén van de convenantafspraken is het ontwikkelen van een instrumentarium om de klimaatbestendigheid van nieuwbouw te beoordelen en te bevorderen. Dit is verwerkt in een Programma van Eisen. Het Programma van Eisen is een compact overzicht van eisen om klimaatbestendig te ontwikkelen en heeft betrekking op de onderwerpen: hevige neerslag, langdurige droogte, hittestress, bodemdaling, groenblauwe structuur en biodiversiteit en overstromingsgevaar. In het ontwerp van de ontwikkeling worden waar mogelijk groene daken toegepast en kunnen parkeerplaatsen halfverhard worden aangelegd. In het midden van het plangebied is daarnaast een zone aangegeven waarvan tenminste 60% onverhard wordt uitgevoerd, dit draagt bij aan de vermindering van hittestress. 3.8.3

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

55

3.9

Bodem

3.9.1

Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. b. c.

het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 3.9.2

Onderzoek

Binnen het plangebied is sprake van een functiewijziging. Daarom dient verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Dit wordt momenteel uitgevoerd. 3.9.3

Conclusie

Bij de aanvraag omgevingsvergunning is het verkennend bodemonderzoek verplicht.

3.10 Ecologie 3.10.1

Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura 2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied.

56

Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.

Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.

57

Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.

Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt

Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.10.2

Onderzoek

Geb iedsb escherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 3.14). Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur

58

(EHS). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen, ligt op een afstand van circa 330 meter. De watergang ten zuidwesten van het plangebied is aangewezen als ecologische verbinding binnen NatuurNetwerk Nederland (zie figuur 3.15).

Figuur 3.14: Plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000 (bron: AERIUS Calculator)

Figuur 3.15: Ligging plangebied (rede cirkel) t.o.v. NNN. (bron: Provincie Zuid-Holland) Het plangebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de ontwikkeling en afstand tot het Natura 2000-gebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Om te bepalen wat de gevolgen voor stikstofdepositie zijn ten gevolge van de ontwikkeling, is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze berekening is toegevoegd in bijlage 6. Hieruit blijkt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr voor de gebruiksfase (2022). Daarnaast is een stikstofberekening uitgevoerd voor de aanlegfase. Deze berekening is toegevoegd in bijlage 9. Op grond van de Wet natuurbescherming voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Soortenb escherming In 2022 is een quickscan ecologie uitgevoerd. Deze is toegevoegd in Bijlage 4. Hieruit blijkt het volgende:

59

Indien werkzaamheden aan het aanwezige struweel tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Indien er tijdens het broedseizoen wordt gewerkt dient er aanvullend onderzoek naar broedvogels met jaarrond beschermde nesten uitgevoerd te worden. Als gevolg van de geplande werkzaamheden kunnen de mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden verstoord door trillingen en hard geluid. Indien als gevolg van de werkzaamheden de bestaande bebouwing wordt aangetast of er gebruik wordt gemaakt van zwaar materiaal direct naast de bestaande bebouwing dient er een aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen uitgevoerd te worden. Het is aan te bevelen om nachtelijke verlichting zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming te voorkomen. In het geval dat er additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast is het wenselijk gebruik te maken van een richtarmatuur zodat strooilicht naar de omgeving wordt voorkomen. Uit het onderzoek blijkt tevens dat de rugstreeppad mogelijk kan voorkomen. Daarom is nader onderzoek naar het voorkomen van deze soort uitgevoerd. Het nader onderzoek is toegevoegd in Bijlage 5.

In de periode juli tot en met augustus 2022 zijn vijf veldbezoeken uitgevoerd om de aanwezigheid van deze soort vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Binnen het projectgebied zijn tijdens alle inventarisaties meerdere volwassen individuen van de rugstreeppad aangetroffen. Dit toont aan dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het landbiotoop van de rugstreeppad. Tijdens de inventarisaties is er geen koorzang waargenomen en zijn er geen larven aangetroffen. De ondiepe waterplas in het projectgebied is als voortplantingswater ongeschikt. Het is mogelijk dat de waterplas in de periode voorafgaand aan de inventarisaties wel geschikt was als voortplantingswater. In dat geval zouden er tijdens de inventarisaties echter juveniele individuen moeten zijn waargenomen. Dit is niet het geval. Het gebruik van het projectgebied door de rugstreeppad als voortplantingsbiotoop is in 2022 uitgesloten. Er is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd, omdat door de ontwikkeling landbiotoop van de rugstreeppad verloren gaat. 3.10.3

Conclusie

Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor het aspect soortenbescherming dient ontheffing te worden aangevraagd.

3.11 Cultuurhistorische aspecten 3.11.1

Wettelijk kader

In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het

60

archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. 3.11.2

Onderzoek

Binnen het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke monumenten of rijksmonumenten. De historische druivenkassen langs de 's-Gravenzandseweg blijven behouden. Voor een deel van het plangebied geldt een archeologische verwachtingswaarde. Bij werkzaamheden die op een aaneengesloten oppervlakte groter dan 1000 m² en waarbij graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm noodzakelijk zijn, dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Deze dubbelbestemming is overgenomen op de verbeelding en in de regels. 3.11.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.12 Bezonning 3.12.1

Wettelijk kader

Ten aanzien van de bezonning of beschaduwing bestaan geen wettelijke eisen waaraan een nieuw te bouwen gebouw dient te voldoen. Om deze reden zijn er geen landelijk geldende normen opgesteld voor bezonningsstudie. In de praktijk wordt bij bezonningsstudies veelal gebruik gemaakt van de door TNO opgestelde richtlijn voor bezonning. De TNO-richtlijn vindt zijn oorsprong in het Woonwaarderingsstelsel uit 1962, waarbij er een 'lichte norm' (twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober op de vensterbank in de woonkamer) of een 'strenge norm' (drie mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 21 januari tot 22 november op de vensterbank in de woonkamer) kan worden gehanteerd. In dit onderzoek is voor de beoordeling van de bezonningsstudie uitgegaan van de lichte norm van de TNO-richtlijn, zoals gangbaar in de praktijk. 3.12.2

Onderzoek

Op 19 december 2022 is een bezonningstudie opgesteld door Wns Architecten. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 8. De belangrijkste wijzigingen in het bestemmingsplan die schaduwwerking verrichten op de omgeving bevinden zich aan de 's-Gravenzandseweg (N211). De bouwhoogte langs de 's-Gravenzandseweg (N211) heeft momenteel een maximale goothoogte van 3,5m en een maximale bouwhoogte van 6.0m. In het nieuwe bestemmingsplan wordt voorgesteld om de maximale bouwhoogte te verhogen naar 11,5m. Voor de bezonningsstudie is uitgegaan van de worstcase scenario. Het bebouwingsvlak is in het model geheel bebouwd tot de maximale bouwhoogte. Voor de bestaande scenario is de maximale goothoogte

61

gehandhaafd, gevolgd door een dakhelling van 45° tot de maximale bouwhoogte. De resultaten van de bezonningsstudie laten zien dat het verhogen van de maximale bouwhoogte tijdens de donkere ochtenduren een nadelige schaduwwerking vormt voor de woningen aan de Tweetandschelp 52 t/m 46 en de woning aan de ‘s-Gravenzandseweg 22. De woningen ervaren echter geen hinder tijdens de middag- en avonduren waardoor de bezonningsstudie voor de woningen voldoet aan de lichte TNO-richtlijn. In de avonduren vormt er een nadelige schaduwwerking voor de woningen aan de ‘s-Gravenzandseweg 20 en 20A. De woningen ervaren geen hinder tijdens de ochtend- en middaguren, waardoor de bezonningsstudie voor de woningen voldoet aan de lichte TNO-richtlijn. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het verhogen van de maximale bouwhoogte voldoet aan de lichte TNO-richtlijn. 3.12.3

Conclusie

Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

62

Hoofdstuk 4

Juridische planbeschrijving

4.1

Planvorm

4.1.1

Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

4.1.2

Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012

De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.

4.1.3

Systematiek van de planregels

Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels Begrippen (Begrippen) Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Wijze van meten) Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Bestemmingsregels De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: doeleindenomschrijving (gebruiksregels); bouwregels; nadere eisen;

63

afwijkingsregels. Geb ruiksregels De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen. Afwijkingsregels In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels". Aanleggen of slopen De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening.

De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling: het aanlegverbod of sloopverbod zelf; de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies; de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen. Algemene geb ruiksregels In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken. Algemene wijzigingsregels In Artikel 15 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bestemming 'Maatschappelijk' kan worden gewijzigd naar 'Bedrijventerrein'. Overgangs- en slotregels In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen: het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen; en het onderdeel "Citeertitel".

4.1.4

Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

64

De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen: NL.IMRO.1783.BTMONVLOTLAANobp-VA01 De dataset bestaat uit: het GML-bestand van de planverbeelding; het XML-geleideformulier; de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels. Leeswijzer verbeelding Wegwijzer via internet Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie).

Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan. Analoge verbeelding Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Bestemmingsvlak en bouwvlak Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen.

Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder). Aanduidingen Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.

65

4.2

Bestemmingsregeling

De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming). 4.2.1

Bestemmingen

Artikel 3 Bedrijventerrein Het te ontwikkelen deel is als Bedrijventerrein bestemd. Binnen de bouwvlakken is bebouwing toegestaan. Toegangswegen en parkeervoorzieningen zijn binnen de gehele bestemming mogelijk. Op de verbeelding en in de regels is een milieuzonering aangegeven. Artikel 4 Groen De groenstroken zijn bestemd met Groen. Binnen deze bestemming is bebouwing niet toegestaan. Artikel 5 Maatschappelijk Het deel van het plangebied dat ontwikkeld wordt als de Vineyard, is bestemd als maatschappelijk. Binnen deze bestemming zijn diverse maatschappelijke voorzieningen mogelijk. Daarnaast is met de aanduiding 'horeca' aangegeven waar horeca is toegestaan. Artikel 6 Tuin Het voorerfgebied van de bestaande woningen hebben de bestemming Tuin. Artikel 7 Verkeer - Verblijfsgebied De twee ontsluitingen zijn bestemd als Verkeer - Verblijfsgebied. Ook de bestaande vrachtwagenparkeerplaats is opgenomen in het bestemmingsplan, dit is met een aanduiding aangegeven. Artikel 8 Water De bestaande watergangen in het plangebied zijn bestemd als Water. Dit is de Vlotwatering en de watergang aan de noord en oostzijde van het plangebied. Artikel 9 Wonen De woningen aan de 's-Gravenzandseweg 20, 20a en 22 hebben net als in het geldende bestemmingsplan de bestemming Wonen. Met een bouwvlak is de locatie van het hoofdgebouw weergegeven. 4.2.2

Dubbelbestemmingen

Artikel 10 Waarde - Archeologie Ten behoeve van de bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden in de grond, is deze dubbelbestemming opgenomen.

66

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een ontwikkeling. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de bedrijven. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat is als 'bouwplan' aangemerkt.

Voor dit plan is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd. Er hoeft geen exploitaiteplan vastgesteld te worden.In de overeenkomst zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade.

5.2

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1

Vooroverleg

Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan heeft bestuurlijk overleg plaatsgevonden als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd: Provincie Zuid-Holland Hoogheemraadschap van Delfland Veiligheidsregio Haaglanden De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. 5.2.2

Participatie

In het kader van participatie wordt de ontwikkeling besproken met de eigenaren binnen het plangebied. 5.2.3

Zienswijzen

Van 28 oktober tot en met 8 december 2022 heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn twee zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar

67

Bijlage 10 van deze toelichting. In bijlage 11 is een overzicht van de wijzigingen in het vastgestelde bestemmingsplan weergegeven.

68

Bijlagen bij de toelichting

69

Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

70

6 september 2022

6 september 2022 20211702 Bedrijvencampus Vlotlaan M. Boiten Vastgoedprofs

Rho adviseurs voor leefruimte

20210560

Inhoud

Rho adviseurs voor leefruimte

20210560

Rho adviseurs voor leefruimte

20210560

Vlakbij de kust van Monster bevindt zich het voormalig themapark de Westlandse Druif. Dit themapark was opgericht ter herinnering aan de Westlandse druiventeelt. Ter plaatse werden druiven geteeld en in een bijbehorende winkel verkocht. Ook konden er bijeenkomsten worden gehouden en kon de tuin bezocht worden door middel van rondleidingen. In 2019 zijn de activiteiten van de Westlandse Druif beëindigd. In 2021 is het complex verkocht met het voornemen te herontwikkelen naar een mix van bedrijvigheid en maatschappelijke functies. Dit is echter slechts gedeeltelijk mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de transformatie van maatschappelijk, wonen en tuin naar bedrijvigheid. Per abuis is op de verbeelding de verkeerde zone wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Dit betekent dat een nieuw bestemmingsplan moet worden opgesteld. In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D 11.2 van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het nieuwe bestemmingsplan voorziet het wijzigen van bestemmingen met een oppervlakte minder dan 100 hectare.

Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’. Dit document bevat deze beoordeling.

In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten:  de plaats van het project;  de omvang van het project;  de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

5/17

Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie:  beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project;  licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe;  geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling. Bij de analyse in hoofdstuk 2 en 3 is gebruik gemaakt van informatie uit de onderzoeken welke te vinden zijn in het bestemmingsplan en de bijlagen daarbij.

6/17

Het plangebied wordt aan de noordwestzijde begrensd door de 's-Gravenzandseweg en aan de zuidwestzijde door de Vlotwatering. Aan de zuidoostkant vormt de Vlotlaan de grens van het plangebied en aan de noordwestzijde scheidt de watergang het plangebied en de daarbovengelegen bedrijfspercelen.

Figuur 2.1: Ligging plangebied (rood omkaderd) op luchtfoto’s (bron: Arcgis luchtfoto 2021)

7/17

In de huidige situatie was het naar bedrijven te ontwikkelen deel van het plangebied tot voor kort bebouwd met kassen. Deze kassen besloegen nagenoeg het gehele perceel. Ook zijn drie waterbassins aanwezig. Het plangebied wordt via het zuiden ontsloten op de Vlotlaan. Aan deze zijde bevindt zich ook een vrachtwagenparkeerterrein. Aan de noordzijde ligt de N211 met daarboven de woonbebouwing van de kern Monster. Aan de westzijde van het plangebied, langs de 's-Gravenzandseweg, bevinden zich historische druivenkassen en een horecapaviljoen waar voorheen het themapark 'De Westlandse Druif' was gevestigd. Dit themapark is inmiddels gesloten. De historische kassen worden nog wel gebruikt voor druiventeelt. Het paviljoen zal een maatschappelijke en horeca invulling krijgen. Daarnaast bevinden zich binnen het plangebied drie woningen, deze woningen blijven tevens bestaan. Vanwege de ruimtelijke inpassing zullen deze woningen meegenomen worden in het bestemmingsplan. Bijzondere gebieden en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu De planlocatie bevindt zich niet in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status (figuur 2.3-2.5).Het plangebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Solleveld en Kapittelduinen. Dit gebied ligt op een afstand van circa 330 meter (figuur 2.2).

De watergang ten zuidwesten van het plangebied is aangewezen als ecologische verbinding binnen NatuurNetwerk Nederland (figuur 2.3). De planlocatie en de omgeving maken geen onderdeel uit van door de provincie vastgestelde milieubeschermingsgebieden (figuur 2.4 en 2.5).

Figuur 2.2 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)

8/17

Figuur 2.3 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Zuid-Holland)

9/17

Figuur 2.4 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden (bron: Atlas Leefomgeving)

10/17

Figuur 2.5 Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van stiltegebieden (bron: Atlas Leefomgeving) Archeologie en cultuurhistorie Voor een deel van het plangebied geldt een archeologische verwachtingswaarde. Bij werkzaamheden die op een aaneengesloten oppervlakte groter dan 1000 m² en waarbij graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm noodzakelijk zijn, dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Volgens het huidige bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Monster' en de Cultuurhistorische Atlas van de provincie ZuidHolland zijn er binnen het plangebied of in de nabije omgeving geen monumenten aanwezig. Verder maakt het plangebied geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied.

11/17

gebied met een mix tussen bedrijvigheid en maatschappelijke functies. Deze bedrijvencampus zal bestaan uit de deelgebieden "Workyard" en de "Vineyard". Met voorliggend bestemmingsplan wordt de ontwikkeling van de "Workyard" mogelijk gemaakt, teven wordt het deelgebied Vineyard van een passende planologische regeling voorzien. Workyard Het oostelijk deel van het plangebied wordt getransformeerd naar een bedrijvencampus. De bestaande kassen zijn recent gesloopt. Daar komen bedrijfs(verzamel)gebouwen voor in de plaats. Binnen deze bedrijfsunits zullen ook ondergeschikte kantoorruimtes mogelijk worden gemaakt. Het plangebied sluit aan bij het bestaande bedrijventerrein Vlotlaan en is een logische uitbreiding. De zichtzijde aan de s'Gravenzandseweg geeft de kans om een blikvanger te zijn van het achterliggende bedrijventerrein. Vineyard Het gebied Vineyard betreft het voormalige themapark De Westlandse Druif. De bestaande historische kassen zullen behouden blijven en gebruikt voor o.a. druiventeelt. Het paviljoen zal net als in de bestaande situatie voor verschillende functies gebruikt gaan worden, zoals maatschappelijke activiteiten, maar ook horeca. Rondom het paviljoen wordt ruimte geboden voor een terras.

Figuur 2.6: Impressie beoogde indeling

12/17

Gebruik natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Afvalstoffen zullen slechts ontstaan tijdens de aanlegfase. Afvalstromen zullen zoveel mogelijk worden gescheiden ten behoeve van hergebruik. Verontreiniging, hinder, risico van zware ongevallen en rampen, risico’s voor de menselijke gezondheid Deze thema’s komen mede aan bod in het volgende hoofdstuk. Cumulatie met andere projecten Voor zover bekend zijn er geen redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen in de buurt waarmee cumulatie verwacht kan worden.

13/17

In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op de informatie uit het bestemmingsplan dat voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld.

Verkeersgeneratie en ontsluiting De totale bedrijfsoppervlakte bedraagt circa 6.500 m2. Uitgaande van het kencijfer van een bedrijfsverzamelgebouw, rest bebouwde kom, weinig stedelijk geldt hier 8,7 mvt/etmaal per 100 m2 bvo. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 566 mvt/etmaal in totaal op een gemiddelde weekdag. De omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om dit op te vangen. Het verkeer van de Workyard wordt met een nieuwe ontsluiting aan de zuidoostzijde ontsloten op de Vlotlaan. Vanuit het aspect verkeer kunnen significante negatieve effecten uitgesloten worden.

Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Ook worden er geen geluid producerende bedrijven mogelijk gemaakt. Vanuit het aspect geluid kunnen significante negatieve effecten uitgesloten worden.

Bodem Binnen het plangebied is sprake van een functiewijziging. Daarom dient verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Dit wordt momenteel uitgevoerd. Water Het plangebied maakt geen deel uit van een grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering. Het betreft een herontwikkeling van het gebied waarbij de hoeveelheid verharding afneemt. De benodigde compensatie is berekend aan de hand van de watersleutel zie bijlage 2. Voor de beoogde ontwikkeling is geen watercompensatie noodzakelijk. In de huidige situatie is 7.976 m2 verhard en in de toekomstige situatie is dit 7.005 m2 verhard oppervlakte aanwezig. Wel dient voor de nieuwe toegangsweg (met duiker) over de secundaire watergang een watervergunning aangevraagd te worden.. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt gedurende de bouwfase. Negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen uitgesloten worden.

14/17

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de ontwikkeling en afstand tot het natura 2000-gebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Om te bepalen wat de gevolgen voor stikstofdepositie zijn ten gevolge van de ontwikkeling, is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze berekening is toegevoegd in de bijlagen bij het bestemmingsplan. Hieruit blijkt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr voor de gebruiksfase (2022). Op grond van de Wet natuurbescherming voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Vanuit dit aspect worden geen negatieve effecten verwacht. Soortenbescherming In 2022 is een quickscan ecologie uitgevoerd. Deze is toegevoegd in de bijlagen bij het bestemmingsplan. Indien werkzaamheden aan het aanwezige struweel tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Uit het onderzoek blijkt tevens dat de rugstreeppad mogelijk kan voorkomen. Daarom is nader onderzoek naar het voorkomen van deze soort uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlagen bij het bestemmingsplan.

In de periode juli tot en met augustus 2022 zijn vijf veldbezoeken uitgevoerd om de aanwezigheid van deze soort vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Binnen het projectgebied zijn tijdens alle inventarisaties meerdere volwassen individuen van de rugstreeppad aangetroffen. Dit toont aan dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het landbiotoop van de rugstreeppad. Tijdens de inventarisaties is er geen koorzang waargenomen en zijn er geen larven aangetroffen. De ondiepe waterplas in het projectgebied is als voortplantingswater ongeschikt. Het is mogelijk dat de waterplas in de periode voorafgaand aan de inventarisaties wel geschikt was als voortplantingswater. In dat geval zouden er tijdens de inventarisaties echter juveniele individuen moeten zijn waargenomen. Dit is niet het geval. Het gebruik van het projectgebied door de rugstreeppad als voortplantingsbiotoop is in 2022 uitgesloten. Er is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd, omdat door de ontwikkeling landbiotoop van de rugstreeppad verloren gaat. Voor broedvogels geldt: Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen (globaal van half maart tot half juli), mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden.

De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersgeneratie van 566 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Uit de NIBM-tool blijkt dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en vrijgesteld is van toetsing aan de grenswaarden.

Externe veiligheid Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N211. Vanwege de beperkte bevolkingsdichtheid en doordat het groepsrisico in de huidige situatie ver onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt vormt het groepsrisico geen beperkingen voor het bestemmingsplan. Uit de beperkte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de omgeving geen relevante risicobronnen aanwezig voor het plangebied. Een significant negatief effect is dan ook uitgesloten.

15/17

Risico’s op rampen door klimaatverandering Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen nemen risico’s op rampen door klimaatadaptatie niet toe. Risico’s voor de menselijke gezondheid Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, bodem, externe veiligheid en luchtkwaliteit. Een significant negatief effect op de risico’s voor de menselijke gezondheid is daarmee uitgesloten.

Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen bestaande monumentale of cultuurhistorisch waardevolle gebieden aanwezig. De historische druivenkassen langs de 's-Gravenzandseweg blijven behouden. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de cultuurhistorische waarde. Archeologie Voor een deel van het plangebied geldt een archeologische verwachtingswaarde. Bij werkzaamheden die op een aaneengesloten oppervlakte groter dan 1000 m² en waarbij graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm noodzakelijk zijn, dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Deze dubbelbestemming is overgenomen op de verbeelding en in de regels. Hiermee worden de archeologische waarden in de grond beschermd.

Tijdens de bouwwerkzaamheden kunnen milieueffecten optreden. Zo nodig worden maatregelen te worden getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Dit dient bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de relatief beperkt omvang van het project kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.

De volgende mitigerende maatregelen dienen genomen te worden:  in verband met mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels is het van belang om werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten of te starten als vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden;  in verband met de aanwezigheid van de rugstreeppad wordt een ontheffing aangevraagd. De maatregelen die uit de aanvraag volgen dienen uitgevoerd te worden.

16/17

Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en beperkte omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen mits de genoemde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.

17/17

Bijlage 2 Nota beantwoording reacties vooroverlegpartners

88

NOTA VAN BEANTWOORDING REACTIES 3.1.1 BRO OVERLEG BESTEMMINGSPLAN " Bedrijvencampus Vlotlaan Monster "

1.

Instantie

Reactie

Beantwoording

Provincie Zuid Holland

Op 23 juni 2022 heeft de PZH via het E -formulier aangegeven akkoord te zijn met het plan. De

Ter kennisgeving aangenomen.

voorgestelde wijziging is niet in strijd met het provinciale beleid. 2.

Hoogheemraadschap van Delfland

Op 28 juli 2022 heeft het HHD per brief hun advies gegeven over de wateraspecten in het plan.

Het advies is verwerkt in de waterparagraaf 3.7.2 in de toelichting van het bestemmingsplan.

Paragraaf 3.7.2 Waterkwantiteit dient aangepast te worden met een extra onderbouwing over de watersleutel, de waterkwaliteit, het onderhoud en bagger en afvalwater en riolering. 3.

Veiligheidsregio Haaglanden

Op 26 juli 2022 heeft de VRH per email aangegeven

De adviezen met betrekking tot de

dat de ontwikkeling een lage intensiteit van transport van gevaarlijke stoffen over de N211 heeft

bluswatervoorziening en de calamiteitendoorgang zijn doorgegeven aan de ontwikkelaar. De

en dus wordt verwezen naar de notitie ‘Advisering EV VRH’ van 11 mei 2021. De bereikbaarheid van

bluswatervoorziening wordt gerealiseerd en over de calamiteitendoorgang vindt overleg plaats met de

bluswatervoorzieningen is onvoldoende en een tweede ontsluitingsroute of calamite itendoorgang

VRH.

wordt geadviseerd.

Bijlage 3 Watersleutel

90

ÿ 123456748347 ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ 94 44 ÿ8565ÿ45ÿ4 54ÿ5ÿ3473 ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ 9728 4ÿ246ÿ8774ÿ58ÿ45746ÿÿ8234 ÿ ÿ ÿ ÿ  !"##$ÿ%ÿ$& '()("* ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ,-./.,0,, ÿÿ 1 '2342&!2 #!(ÿ5##&&26(& ÿ ÿ 78ÿ89ÿ0ÿ0ÿ:: ÿ ÿ;"!<(==2("*ÿ& '22 #!(3=2&!ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ >#!&?&!$ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ @ABCDEFGADHDI JK$ ÿ ÿ ÿ ÿ LDIMMBNM@MNOPDOP IIFDPIMMB QRST ÿ ÿ @DOBLDGODC UVVWX YYQZZ[J\5ÿ]^_ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ `aa)2#=!)_2("*ÿa2#"*b(_ ÿ ;c]d]Y e`f4`51e]Y ÿ ÿ ÿ ghijiklmn ÿ ÿ ÿÿ ÿ oDEpMECÿOqrEMsPEtFGDGAuvOqL Iw ÿ [x[T [ZZy ÿ ÿ AqoDEpMECÿsPDCDBO€| Iw ÿ QxR QQTy ÿ ÿ ÿ ‚ƒ„„l†‡ˆÿƒk†h‰lŠ‹Œ‰ ÿ ÿÿ ÿ oDEpMECÿLBMsLDGODC Iw ÿ Z Z ÿ ÿ AqoDEpMECÿLBMsLDGODC Iw ÿ Z Z ÿ ÿ ‚ƒ„„l†‡ˆÿƒ„†Žÿnni„‹Œ‰ŽÿŠ h‰‰„ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ oDEpMECÿBMqCDBO€| Iw Z Z ÿ ÿ AqoDEpMECÿBMqCDBO€| Iw ÿ Z Z ÿ ÿ ÿ  hi„ ÿ ÿ ÿÿ Iw Z ÿ ÿ ÿ puOCOLÿMMqvDHOLÿvMPDE Z ÿ Œh k ÿ ÿ ÿ ÿÿ A@@DEoBM|PDÿ@BMqLDGODC Iw xQ[Z xQ[Z  ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ Yb(_&="$=" ;c]d]Y e`f4`51e]Y ÿ ÿ LDIOCCDBCÿIMMOoDBC ‘’“ÿI ZSRZ ZSRZ ÿ ÿ ÿ IMMPLDoDqCÿ@DOB ‘’“ÿI ^ZSR” ^ZSR”ÿ ÿ ÿ LDIOCCDBCDÿCEAALBDLLOqL I ZS˜” ZS˜”ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ `aa)2#=!<#!ÿ("ÿ$™ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ e!##2 `"!<(==2("* 42($##!ÿQZyZ ÿ ÿ |EuOIDBLDoMBÿ ÿ išh„ÿhiÿ„i kl†i„iŠ T .,/› ,//ÿ ÿ Z 0 ÿ ˆ‰ljlƒÿ Šiœlƒ ÿ ÿÿ ÿ ÿ hŒh kÿhiÿ„i kl†i„iŠ ÿ T .,/› ,//ÿ ÿ MMqCDDBÿ@BMqLDGODCÿ 07ž .›,ž ›,ž ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ >#!b*("*ÿ("ÿ$Ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ e!##2

`"!<(==2("* 42($##!ÿQZyZ ÿ ÿ |EuOIDBLDoMBÿ ÿ išh„ÿhiÿ„i kl†i„iŠ S˜ .8-0 888ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ

ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿzuOCOL{ÿMNPuDDBÿ|BOIMMP{ÿ}~ ÿÿ ÿ ÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿÿ ÿ ÿ ÿ

•qPvO||DBOqL{ÿ|BOIMMPÿ–—{

ÿ

ÿ

ÿ

ÿ

ÿ

ÿ

EMrOD|DqÿCODqDqÿMBBDDqÿPDEÿoDE

44

19

46

21

48

27

p hel

sc

rt Ha

33 35

rts Ha

54

26

23

29

p hel tsc Ha r

50 52

22

16

p chel

ch elp

36

30

28

7

5 Emm

9

astr

e Tw

dseweg

l che nds

40

38

15 17

's-Gra 11

eta

32

sweg

Station

p

34

19

42

43

aat

venzan

13

39

25

's-Grave

3B-3C

34

30

27

eg nzandsew

1 5

28

37

3A

nds

eta Twe

3

26

31

eweg

s enzand

's-Grav

21

ch elp

36 38

23

401

40

Ta

p hel

tsc

pij ts

Ha r

42

25

29

44 44 46

48

29A

50

52

56

20 403-403D

Tw eet

103-133

46

and sch elp

45-77

18

24

32

41

24

22

20

54 20A 402-507

31-101

9

eg

w se

nd za en

412-521

v ra

G 's-

sel

Mos pad 22

532 523

534 556

108 536

554 552 550 548 546

106 104

202-568 535

220

A 39

5

218

232

24

g

r te

se

we

230

212-216

ns

Totale oppervlakte: 9270 m2

228

Mo

Verhard: 7976 m2

226 210-224

Onverhard: 1294 m2

207 201-578

209 211 246-252

213 215

GEMEENTE ESTLAND

Bedrijvencampus Vlotlaan verharding huidige situatie

308-318

217-661

1

figuur PROJECT

20211702

FORMAAT

A2

SCHAAL

1:1000

Definitief

KAART

1/1

Voorlopig

GETEKEND

K. Heijmeriks

Concept

RHO ADV SE RS

info@rho.nl www.rho.nl

N

44

19

46

21

48

27

p hel

sc

rt Ha

33 35

rts Ha

54

26

23

29

p hel tsc Ha r

50 52

22

16

p chel

ch elp

36

30

28

7

5 Emm

9

astr

e Tw

dseweg

l che nds

40

38

15 17

's-Gra 11

eta

32

sweg

Station

p

34

19

42

43

aat

venzan

13

39

25

's-Grave

3B-3C

34

30

27

eg nzandsew

1 5

28

37

3A

nds

eta Twe

3

26

31

eweg

s enzand

's-Grav

21

ch elp

36 38

23

401

40

Ta

p hel

tsc

pij ts

Ha r

42

25

29

44 44 46

48

29A

50

52

56

20 403-403D

Tw eet

103-133

46

and sch elp

45-77

18

24

32

41

24

22

20

54 20A 402-507

31-101

9

eg

w se

nd za en

412-521

v ra

G 's-

sel

Mos pad 22

532 523

534 556

108 536

554 552 550 548 546

106 104

202-568 535

220

A 39

5

218

g

r te

se

we

Totale oppervlakte: 9270 m2

232

24

Totale oppervlakte: 1026 m2

230

212-216

s on

Onverhard: 616 m2 Verhard: 410 m2

228

M

226

Totale oppervlakte: 8244 m2

210-224

Onverhard: 1649 m2 Verhard: 6595 m2

207 201-578

209 211 246-252

213 215

GEMEENTE ESTLAND

Bedrijvencampus Vlotlaan verharding nieuwe situatie

308-318

217-661

1

figuur PROJECT

20211702

FORMAAT

A2

SCHAAL

1:1000

Definitief

KAART

1/1

Voorlopig

GETEKEND

K. Heijmeriks

Concept

RHO ADV SE RS

info@rho.nl www.rho.nl

N

Bijlage 4 Quickscan ecologie

94

QUICKSCAN VLOTLAAN TE MONSTER Conceptrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 11-3-2022

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail: Uitvoering: Adres:

Rho adviseurs I. Penning Adviseur Planvorming Weena 505 3013 AL Rotterdam (Delftse Poort) 010-2018536 iris.penning@rho.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com

Projectleider:

ing. D. Withagen

Auteur: Kwaliteitscontrole:

A.J. Bik MSc. ing. J. Koorevaar

Projectcode: Status: Datum:

RANA2245 Concept 11-3-2022

Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.

Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

SAMENVATTING

De initiatiefnemer is voornemens de realisatie van nieuwbouw uit te laten voeren. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. In het projectgebied is braakliggend terrein en oppervlaktewater aanwezig welke mogelijk kunnen dienen als leefgebied voor de rugstreeppad. Tevens is in het projectgebied een jaarrond beschermd nest aanwezig. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën, broedvogels en zoogdieren voorkomen. De werkzaamheden kunnen leiden tot de aantasting en vernieling van geschikt voortplantingswater en landbiotoop van de rugstreeppad. Het jaarrond beschermd nest kan worden verstoord als gevolg van de werkzaamheden. Tevens kunnen nestlocaties van algemene broedvogels worden verstoord en vernield. Individuen van de rugstreeppad en broedvogels kunnen worden verstoord en gedood. In het projectgebied kunnen mogelijk algemene, provinciaal vrijgestelde amfibieën en zoogdieren aanwezig zijn. Overige beschermde soorten worden door het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht in het projectgebied voor te komen. Er worden geen directe negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden op Natura 2000-gebieden en het NNN verwacht.

Indirecte negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen als gevolg van de geplande werkzaamheden niet op voorhand worden uitgesloten. In artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming is een partiele vrijstelling geïntroduceerd van de Natura 2000-vergunningsplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. De gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door aangewezen activiteiten (o.a. bouwen, slopen, vernieuwen, veranderen en vergroten) van de bouwsector worden buiten beschouwing gelaten. Voor de realisatiefase is derhalve geen vergunning benodigd. De nieuwbouw in het projectgebied kan tijdens de gebruiksfase mogelijk leiden tot een jaarlijkse toename in stikstofemissie. Er wordt geen significant effect op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden verwacht. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan hierover uitsluitsel bieden. Het is noodzakelijk aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad uit te voeren alvorens men met de werkzaamheden kan beginnen. Indien tijdens het broedseizoen gewerkt wordt kan het potentieel jaarrond beschermd nest worden verstoord en dient er aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde nesten uitgevoerd te worden.

Indien aanvullende onderzoeken aantonen dat het projectgebied functies voor beschermde soorten bevat en verstoring niet kan worden voorkomen, dient er een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Het is aan te bevelen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) plaats te laten vinden. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen mogelijk aanwezige gebouwbewonende vleermuizen worden verstoord door trillingen en hard geluid. Indien als gevolg van de werkzaamheden de bestaande bebouwing wordt aangetast of er gebruik wordt gemaakt van zwaar materiaal direct naast de bestaande bebouwing dient er een aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen uitgevoerd te worden. Het is aan te bevelen om nachtelijke verlichting zo veel mogelijk te beperken om verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming te voorkomen.

Indien er additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast is het wenselijk gebruik te maken van een richtarmatuur zodat strooilicht naar de omgeving wordt voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. Er vinden geen kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet noodzakelijk. 3

INHOUDSOPGAVE

1 Inleiding ...................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel .................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 5 1.2.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 5 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................. 6 1.2.3 Ontheffing en gedragscode ................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer ................................................................................................................................ 7 2 2.1 2.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=c8cd35b6-8556-495c-96fc-c9c5501e70cb