Aangepast na amendement - Bestemmingsplan Bedrijventerrein Vlotlaan Monster
Tekst van het document
31
Figuur 2.3: Impressie beoogde indeling 2.3.2
Stedenbouwkundige randvoorwaarden
De Workyard zal een nieuwe bedrijvencampus worden. De bebouwing wordt georiënteerd langs een centrale as, die aansluit op de Vlotlaan. Aan deze as wordt de ontsluiting en parkeerplaatsen georganiseerd. De gebouwen worden losse objecten in de ruimte, waardoor er verschillende zichtlijnen door de campus ontstaan. Hiermee ontstaat een open en ruimtelijke structuur. Het plangebied zal functioneel bestaan uit twee deelgebieden. Het is gewenst om deze ruimtelijk te verbinden. Daarvoor zal tussen de gebouwen een groene zone worden gerealiseerd. Deze groene zone krijgt de vorm van een trechter en vormt daarmee een verbinding tussen de centrale as van de Workyard naar de Vlotwatering. Hiermee zijn de deelgebieden landschappelijk met elkaar verbonden.
32
Hoofdstuk 3 3.1
Onderzoek
Ladder voor duurzame verstedelijking
Aanleiding Aan de Vlotlaan 535 in Monster ligt het voormalige themapark De Westlandse Druif, dat bestaat uit een bezoekerspaviljoen, een aantal historische druivenkassen en een verouderd kassencomplex. Het plangebied bevindt zich aan de rand van industriegebied Vlotlaan en grenst aan de drukke N211 (Den Haag-Hoek van Holland) en het gebied vouwt zich om 3 woningen. Het totale complex heeft de bestemming Maatschappelijk, waarbij er een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan staat om het te bestemmen naar Bedrijventerrein. Initiatiefnemers hebben de locatie verworven en een plan gemaakt om het gebied te transformeren naar een mix van bedrijvigheid en maatschappelijke functies. Het gebied krijgt twee deelgebieden: The Vineyard - Het deel met de historische kassen en het paviljoen zal breed worden ingezet voor maatschappelijke initiatieven en horeca. De bestaande historische kassen zullen behouden blijven en gebruikt voor o.a. druiventeelt. The Workyard - Het deel met het kassencomplex is/wordt gesloopt. Daar komen bedrijfs(verzamel)gebouwen voor in de plaats met een totaal bedrijfsoppervlakte van circa 6.500 m². Binnen deze bedrijfsunits zullen ook ondergeschikte kantoorruimtes mogelijk worden gemaakt. Uitbreiding of nieuwe functies zijn niet zonder meer mogelijk, omdat sprake moet zijn van 'zorgvuldig ruimtegebruik'.
Ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, moeten daarom worden getoetst aan Artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet de behoefte worden beschreven. Bij stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk gerealiseerd kunnen worden. Wel of geen stedelijke ontwikkeling? De vraag bij de ladder voor duurzame verstedelijking is of de ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in art. 3.1.6 lid 2 Bro. Uit jurisprudentie blijkt dat gewoonlijk ontwikkelingen groter dan 500 m2 bvo en ontwikkelingen met meer dan 11 woningen worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor 'The Vineyard' geldt dat bestaande gebouwen en functies (maatschappelijk) in stand blijven. Binnen de huidige planologische mogelijkheden is horeca (max. 400 m² bvo) ten behoeve van de bestemming reeds toegestaan. Aangezien maximaal 900 m 2 bvo mogelijk wordt gemaakt wordt dit ook niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. Minder dan 500 m 2 bvo toevoeging ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden is geen stedelijke ontwikkeling.
Op de 'The Workyard' is per saldo sprake van een afname van de bedrijfsbebouwing. Het bouwvlak van de huidige bestemming 'maatschappelijk' van circa 8.700 m 2 wordt verkleind naar 3 units met een totale omvang van circa 6.500 m 2 voor 'Bedrijventerrein'. Dit betekent een afname van bebouwingsmogelijkheden. Omdat de functie wijzigt van Maatschappelijk naar Bedrijventerrein is wel sprake van een stedelijke ontwikkeling. De woningen aan de 's-Gravenzandseweg 20, 20a en 22 hebben net als in het geldende bestemmingsplan de bestemming Wonen. Het aantal woningen wijzigt niet, waardoor deze functie niet wordt aangemerkt als stedelijke ontwikkeling.
33
Figuur 3.1 Bestaande planologische mogelijkheden (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 3.2 Nieuwe planologische mogelijkheden Ligging binnen bestaand stedelijk gebied De beoogde locatie ligt aan de westzijde van het bestaande bedrijventerrein Vlotlaan. Het perceel is onderdeel van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Monster en heeft vrijwel geheel een maatschappelijke bestemming. Het gaat hier om een stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. De locatie heeft al een stedelijke functie en is aan drie zijden omsloten door andere stedelijke functies. De onderzoeksvraag is dan ook of er behoefte is aan bovengenoemde functies die worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling, in dit geval de bedrijfsfunctie. Met het voornemen om bedrijventerrein Vlotweg met 6.500 m² bvo uit te breiden, dat wordt verspreid over drie bedrijfsverzamelgebouwen, is er sprake van een kleinschalige uitbreiding van de bedrijfsfunctie. De transformatielocatie heeft een omvang van circa 1 ha bruto. Hierna wordt de behoefte hieraan beschreven.
34
Beschrijving behoefte Kwantitatieve b ehoefte De kwantitatieve behoefte aan bedrijventerrein blijkt onder meer uit de Behoefteraming bedrijventerreinen Zuid-Holland (oktober 2021). In dit meest recente onderzoek van de Provincie Zuid-Holland is voor de Haagse regio een maximale vraag geconstateerd van 166 ha tegenover een hard planaanbod van 112 ha. Dit komt neer op een tekort van 54 ha. Als de vervangingsvraag door transformatie en intensivering doorzet neemt dit nog toe.
Figuur 3.3 ruimtevraag Haagse regio 2021 tm 2030 (bron: behoefteraming 2021)
Figuur 3.4 Kwantitatieve vraag-aanbodverhouding in netto hectares (bron: behoefteraming 2021) In het onderzoek wordt verwacht dat de bandbreedte van de WLO-scenario’s op de lange termijn overeind blijft als realistisch toekomstbeeld, ondanks de coronacrisis. Vanwege de grote sectorale groeiverschillen en specifieke regionale kenmerken verwacht Rabobank in 2021 ook grote regionale groeiverschillen. Voor de Zuid-Hollandse regio’s is het vooruitzicht daarbij gemiddeld tot goed. Regio Delft en Westland is naar verwachting één van de sterkste groeiers in Nederland. Het aanbod droogt snel op in vrijwel de hele Haagse Regio. Het gebrek aan aanbod in Den Haag valt daarbinnen nog eens op. Lokale bedrijven uit Den Haag zijn aangewezen op locaties aan de rand van Den Haag of zelfs verder weg. Dit is een onwenselijke situatie. Ook in Westland droogde het aanbod recent snel op. Een groot deel van de beschikbare hectares is in het eerste half jaar van 2021 verkocht, of is gereserveerd.
35
Figuur 3.5 Beschikbaarheid lokaal aanbod Haagse regio (bron: behoefteraming 2021) Kwalitieve b ehoefte De uitbreidingsvraag is in de twee scenario’s per werkmilieu afgezet tegen het aanbod dat als geschikt beoordeeld is voor dat werkmilieu. Hierbij kan dus sprake van een dubbeltelling van het aanbod; een terrein kan bijvoorbeeld voor zowel het reguliere werkmilieu als voor grootschalige productie geschikt zijn. Vervangingsvraag is in deze kwalitatieve confrontatie niet meegerekend.
Figuur 3.6 Vraag-aanbodverhouding per type werkmilieu in Haagse Regio, in netto hectare (bron: behoefteraming 2021) Uit de kwalitatieve confrontatie is voor de Haagse Regio het volgende geconcludeerd: Gemengd stedelijk: planologisch gezien is er voldoende geschikt aanbod voor dit werkmilieu. Echter, een deel van het aanbod is niet direct beschikbaar (’t Haantje en Hooipolder). Bovendien ziet Stec dat er helemaal geen geschikt aanbod is in Den Haag, de grootste stad in dit marktgebied. Eén van de meest aantrekkelijke bestaande werkmilieus (Binckhorst) wordt (gedeeltelijk) getransformeerd naar wonen. Regulier: er is voldoende geschikt aanbod voor het reguliere werkmilieu. Stec merkt daarbij op dat een deel van dit aanbod waarschijnlijk ingevuld gaat worden door grootschalige distributie en/of productie. Ook valt op dat in een stad als Den Haag nauwelijks aanbod meer is aan regulier bedrijventerrein.
36
Grootschalige distributie: In het WLO hoog scenario is er een tekort aan geschikt aanbod voor dit werkmilieu. Het gaat om een tekort van ruim 36 hectare om de autonome uitbreidingsvraag te faciliteren. Daarin is de additionele vraag, waarvoor de Haagse Regio grote potentie heeft, nog niet meegerekend. Een deel van het aanbod (Trade Park Westland Mars) heeft een specifieke bestemming (veilingbedrijf). Grootschalige productie: voor dit werkmilieu is voldoende aanbod aanwezig om in de vraag te voorzien. Hieruit wordt geconcludeerd dat naar verwachting een groot deel van de harde plancapaciteit ingevuld gaat worden door grootschalige distributie en of productie. Ook zal er behoefte zijn vanuit Den Haag, waar vrijwel geen aanbod is. Intensieve benutting van bestaande lokale bedrijventerreinen is daarom belangrijk, omdat er in totaal onvoldoende plancapaciteit is. Strategie Werklocaties 2019-2030 In de Strategie Werklocaties 2019-2030 van de MRDH is aangegeven dat sinds de provinciale raming (Stec april 2017) in Westland 34 hectare is uitgegeven. Voor de periode tot 2030 was in 2019 nog 26 hectare beschikbaar. Uit een raming (2018) van Bureau Stedelijke planning blijkt voor de regio Westland-Hoek van Holland een aanzienlijk tekort aan bedrijventerrein tot 2030.
Als de vervangingsvraag door transformatie en intensivering doorzet is er (zeker in 2035) een fors tekort aan klassiek kleinschalige bedrijventerreinen in de Haagse regio. Dit wordt zelfs benoemd als de belangrijkste uitdaging voor bedrijventerreinen in deze regio. De Vlotlaan wordt getypeerd als een klassiek kleinschalige bedrijventerreinen. Het heeft een bruto oppervlak van 31 ha (24 netto) en geen netto uitbreidingsruimte.
Figuur 3.7 Vraag en aanbod Haagse regio (bron: strategie werklocaties) Omgevingsvisie 2.0, visie op Westland (oktober 2020) Gemeente Westland verwacht tot 2030 een tekort aan bedrijfskavels van 28 tot 33 hectare (Omgevingsvisie 2.0 en B&Wnota Onderbouwing locaties nieuw bedrijventerrein tot 2030).
37
Westland wil toekomstbestendige bedrijventerreinen, met voldoende bedrijvenlocaties en evenwicht in vraag en aanbod van bedrijfskavels en –locaties. De gemeente ziet dat er behoefte is aan duurzame (nieuwe) bedrijvenlocaties en investeert waar nodig in bestaande werklocaties om deze beter te laten aansluiten bij wensen zoals multifunctionaliteit en duurzaamheid. Bedrijventerreinen zijn een belangrijke schakel in het glastuinbouwcluster en met ruim 20.000 arbeidsplaatsen zeer waardevol voor de Westlandse economie. Westland heeft relatief veel goed gefaciliteerde bedrijventerreinen, verspreid over de gemeente. De groei, die de afgelopen jaren vooral plaatsvond op agrologistieke bedrijventerreinen, was drie- tot viermaal hoger dan in andere gemeenten in de regio Haaglanden. Er worden globaal twee typen bedrijventerreinen onderscheiden. Lokale bedrijventerreinen liggen dicht tegen de dorpen aan en hebben vooral kleinere bedrijven met een lage milieucategorie. Op regionale en agrologisitieke terreinen zitten grotere bedrijven met een zwaardere milieucategorie. Bedrijven op agrologistieke terreinen zijn vooral gericht op de logistieke processen van tuinbouwproducten. Het Westlands economisch cluster draait op volle toeren. Er worden meer en meer bedrijfskavels in gebruik genomen en die groei lijkt zich voort te blijven zetten.
Figuur 3.8 Locaties bedrijventerreinen (bron: omgevingsvisie) Bedrijventerrein Vlotlaan, inclusief het plangebied, zijn aangemerkt als lokaal bedrijventerrein. Het intensief benutten hiervan past binnen het beleid en geeft invulling aan de lokale en regionale behoefte. Leegstandsaspecten Vanuit de markt is vraag naar bedrijfsverzamelgebouwen door de groei van het aantal inwoners en de toename aan zzp'ers, kleine zelfstandigen en stadsdistributie. Als de vervangingsvraag door transformatie en intensivering de komende jaren doorzet zal deze vraag snel oplopen.
38
Als gekeken wordt naar het aanbod van leegstaande bedrijfspanden blijkt uit Fundainbusiness dat in de regio Westland begin maart 2022 52 bedrijfshallen worden aangeboden, waarvan 5 in Monster. Er wordt in Monster geen bedrijfsruimte te koop aangeboden. De beschikbare ruimte in de huurpanden varieert van 195 tot 1.360 m 2. In de hele gemeente worden 7 bedrijfshallen te koop aangeboden, waarvan 2 verkocht onder voorbehoud en 1 onder bod. De grootste beschikbare oppervlakte is nog geen 300 m 2. Het effect van de transformatie leidt tot uitbreiding met ca. 1 ha bedrijventerrein op bedrijventerrein Monster is mede gezien de huidige leegstand naar verwachting beperkt. Temeer er in Westland meer en meer bedrijfskavels in gebruik genomen worden en deze groei zich naar verwachting voortzet.
3.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
3.2.1
Wettelijk kader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij\ onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.
3.2.2
Onderzoek en conclusie
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. De m.e.r.-beoordeling is toegevoegd in Bijlage 1. Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het project leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
3.3
Bedrijven en milieuzonering
3.3.1
Wettelijk kader
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 3.3.2
Onderzoek
Voor de westzijde van het plangebied blijft de maatschappelijke bestemming behouden. Hierdoor worden geen meer milieubelastende bedrijven toegelaten met dit bestemmingsplan. Voor het nieuwe bedrijfsperceel wordt milieuzonering toegepast om de hoogste mogelijke toegelaten milieucategorie ter plaatse te bepalen. Voor de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van dezelfde miliezonering die is toegepast op het overige bedrijventerrein in het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Monster'. De milieuzonering wordt toegepast op basis van de ligging van de omliggende woningen. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten woningen: woningen op het bedrijventerrein (inclusief de rijwoningen aan de Emmastraat) en de rustige woonwijk aan de Noordzijde van de 's-Gravenzandseweg.
39
Maatgevend voor de milieuzonering zijn de woningen 's-Gravenzandseweg 22, 's-Gravenzandseweg 20 en de rustige woonwijk aan de overzijde 's-Gravenzandseweg. 's-Gravenzandseweg 20, 20a en 22 Deze woningen bevinden zich binnen het plangebied. Gelet op de ligging van de woningen naast diverse functies op het bedrijventerrein, kan de milieuzonering volgens een 'gemengd gebied' worden aangehouden. Hierbij zijn bedrijven tot en met milieucategorie 1 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten direct naast de woning toegestaan. Bedrijven uit categorie 2 zijn vanaf 10 meter vanaf de woning toegestaan., bedrijven uit categorie 3.1 zijn op een afstand van 30 meter toegestaan en vanaf 50 meter categorie 3.2. Dit is weergegeven op figuur 3.9. Woonwijk Duingeest De rustige woonwijk Duingeest ligt op een afstand van 25 meter van het plangebied en is grotendeels maatgevend voor de milieuzonering. Voor de rustige woonwijk geldt een richtafstand van 30 meter voor categorie 2, 50 meter voor categorie 3.1 en 100 meter voor categorie 3.2. De bedrijfspercelen komen op een afstand van ongeveer 30 meter van de dichtstbijzijnde woninggevel die planologisch mogelijk is volgens het bestemmingsplan 'Duingeest'. Dit is weergegeven op figuur 3.9. Hier zijn bedrijven t/m maximaal categorie 2 mogelijk en is de verdere milieuzonering toegepast in de verbeelding die hoort bij dit bestemmingsplan.
Met de milieuzonering kan ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woonen leefklimaat worden gegarandeerd.
Figuur 3.9: Milieuzonering binnen het plangebied 3.3.3
Conclusie
De milieuzonering is geborgd in de regels van de bestemming Bedrijventerrein en op de verbeelding. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
40
3.4
Verkeer & parkeren
3.4.1
Wettelijk kader
De parkeerbehoefte van de ontwikkeling wordt bepaald op basis van de Parkeernormering 2018. De parkeernormen van de gemeente Westland zijn opgenomen in de beleidsregels Parkeernormering gemeente Westland 2018. Volgens de gebiedsindeling in de beleidsregel valt het plangebied binnen ; Schil dorpscentrum / 2e schil hoofdcentrum. 3.4.2
Onderzoek en conclusie
Verkeersgeneratie De totale bedrijfsoppervlakte bedraagt circa 6.500 m 2. Uitgaande van het kencijfer van een bedrijfsverzamelgebouw, rest bebouwde kom, matig stedelijk geldt hier 7,35 mvt/etmaal per 100 m 2 bvo. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 478 mvt/etmaal in totaal op een gemiddelde weekdag. Het verkeer van de Workyard wordt met een nieuwe ontsluiting aan de zuidoostzijde ontsloten op de Vlotlaan. In bijlage 7 is een memo over de afwikkeling van de verkeersgeneratie toegevoegd. Hieruit blijkt dat de verkeerstoename niet leidt tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling op de omliggende wegen. Parkeren Binnen het plangebied wordt ruimte voor parkeren gereserveerd. Parkeren is geborgd in de regels met een voorwaardelijke verplichting in artikel 16, lid 16.3. In aanvulling hierop zal het aantal parkeerplaatsen voor de bestemming 'Maatschappelijk' behouden blijven. De reeds bestaande 61 parkeerplaatsen voorzien in de behoefte bij de bestendiging van het bestaande gebruik. Bij de ontwikkeling van nieuwbouw van de Workyard binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' zal getoetst worden aan de gemeentelijke parkeernorm en worden de benodigde parkeerplaatsen aangelegd. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.5
Geluid
3.5.1
Wettelijk kader
Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.
3.5.2
Onderzoek
In voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. In paragraaf 3.3 is de milieuzonering beschreven. Hiermee is ook voor industrielawaai geen nader onderzoek benodigd. Geluid op bestaande woningen In de memo in bijlage 7 staat de verkeersgeneratie beschreven. Op de 's Gravenzandseweg neemt de
41
verkeersgeneratie toe met circa 191 mvt/werkdag. De 's-Gravenzandseweg kent in de autonome situatie een verkeersintensiteit van circa 13.900 mvt/werkdag. Dit is een toename van 1,38%. Kwalitatief kan hiervoor worden beoordeeld of de toename van verkeersgeluid door de verkeerstoename van de ontwikkeling ten opzichte van de situatie zonder ontwikkeling akoestisch aanvaardbaar is. Een vuistregel is dat de geluidtoename akoestisch verwaarloosbaar is als de verkeersintensiteit op een weg of wegvak minder dan 40% toeneemt. Een toename van 40% komt dan overeen met een toename van 1,5 dB, zijnde het reconstructiecriterium uit de Wet geluidhinder. Een toename van de geluidsbelasting met 1,5 dB wordt vanuit de optiek van 'akoestische herkenbaarheid' als niet significant gezien, omdat dit net hoorbaar is. Een geluidtoename van meer dan 1,5 dB is net waarneembaar met het menselijk gehoor. De toename van het verkeer over de 's Gravenzandseweg ten gevolge van de ontwikkeling is 1,38%. Dit ligt onder de grens van 40% en is daarmee aanvaardbaar. 3.5.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.6
Luchtkwaliteit
3.6.1
Wettelijk kader
Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
60 ìg/m³
2010 t/m 2014
jaargemiddelde concentratie
40 ìg/m³
vanaf 2015
jaargemiddelde concentratie
48 ìg/m³
jaargemiddelde concentratie
40 ìg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/m³
fijnstof (PM10)1)
vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011
1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing
(volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).
42
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. 3.6.2
Onderzoek
De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersgeneratie van 566 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Uit de NIBM-tool blijkt dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en vrijgesteld is van toetsing aan de grenswaarden.
Figuur 3.10: NIBM tool
3.6.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.7
Externe veiligheid
3.7.1
Wettelijk kader
Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt)
43
kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit. 3.7.2
Onderzoek
Inleiding Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden. Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10 -6 per jaar.
Binnen de 10 -6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10 -6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van
44
explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt. Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations. Volgens de risicokaart van Nederland liggen in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen. Verder worden met het bestemmingsplan geen nieuwe risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute.
Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd. Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling.
Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 m van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid).
Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd.
45
Op basis van de risicokaart van Nederland zijn in de omgeving geen wegen aanwezig die aangewezen zijn onder het Basisnet weg. Wel blijkt uit de bestemmingsplannen in de omgeving dat over de N211 gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied ligt langs de N211. De N211 heeft een PR 10 -6 contour van 0 meter waar het plangebied buiten ligt. Voor het bestemmingsplan Duingeest is het groepsrisico van de N211 bepaald. Hieruit blijkt dat ter hoogte van het centrum van de woonkern Monster het groepsrisico het hoogst is en 0,001 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Bedrijven hebben over het algemeen een lage bevolkingsdichtheid. Met de beoogde ontwikkeling zal de bevolkingsdichtheid niet of nauwelijks toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Een overschrijding van 0,1 maal de oriëntatiewaarde is dan ook uitgesloten. Voor de beoogde ontwikkeling volstaat een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan.
Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in b estemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.
Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100% letaliteitszone en de 1% letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 10% toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.
Op basis van de risicokaart liggen in de omgeving geen buisleidingen die een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Explosieven Op basis van de explosievenkaart Westland zijn binnen het plangebied geen verdachte locaties aanwezig.
46
Figuur 3.11: Uitsnede Explosievenkaart Westland 3.7.3
Beperkte verantwoording groepsrisico
In het kader van het wettelijk vooroverleg is voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de veiligheidsregio. Bestrijdb aarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Bereikb aarheid Het plangebied wordt ontsloten via de Vlotlaan. Via de Vlotlaan kan de N211 bereikt worden. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via de Vlotlaan en via het Vlotwateringpad van de bron af worden gevlucht. Zelfredzaamheid Ter plaatse van het plangebied worden bedrijven mogelijk gemaakt. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn.
Indien verminderd zelfredzame personen aanwezig zijn wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.
47
Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS), het luchtalarm. Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. De veiligheidsregio heeft advies gegeven met betrekking tot bluswatervoorzieningen en calamiteitenroute. De bluswatervoorziening zal worden gerealiseerd en de calamiteitendoorgang wordt door de initiatiefnemer afgestemd met de Veiligheidsregio. 3.7.4
Conclusie
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de N211. Vanwege de beperkte bevolkingsdichtheid en doordat het groepsrisico in de huidige situatie ver onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt vormt het groepsrisico geen beperkingen voor het bestemmingsplan. Uit de beperkte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de omgeving geen relevante risicobronnen aanwezig voor het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering.
3.8
Water
3.8.1
Wettelijk kader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Nationaal waterplan Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland. Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water.
Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld;
48
Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving.
De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen.
Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet.
Verder is in de Visie Ruimte en
49
Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij.
Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1.
2.
3.
4.
In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden.
Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.
In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten:
50
Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: Beleidskader omtrent water; Veiligheid en waterkeringen; Waterkwantiteit; Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwater en riolering; Klimaatadaptie. Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland.
Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ”Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie“, worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.
51
3.8.2
Onderzoek
Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. In het plangebied komen geen waterkeringen voor. Er zijn geen risico's voor de waterveiligheid als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Waterkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid.
De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draag zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent, dat de gemeente in eerste instantie en initiatiefnemers/perceel eigenaren inspanning moet doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater.
52
Het betreft een herontwikkeling van het gebied waarbij de hoeveelheid verharding afneemt. De benodigde compensatie is berekend aan de hand van de watersleutel zie bijlage 3. De beoogde ontwikkeling valt onder een kruimelgeval waarbij geen watercompensatie noodzakelijk is. In de huidige situatie is 7.976 m 2 verhard en in de toekomstige situatie is dit 7.005 m 2 verhard oppervlakte aanwezig. Dit is weergegeven in figuur 3.12 en 3.13. Wel dient voor de nieuwe toegangsweg (met duiker) over de secundaire watergang een watervergunning aangevraagd te worden.
Figuur 3.12: Verharding in de huidige situatie
Figuur 3.13: Verharding in de toekomstige situatie Watersysteemkwaliteit en ecologie In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen
53
moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. De ontwikkeling bestaat uit de wijziging van gronden van maatschappelijk naar bedrijventerrein.
In het bestemmingsplan worden op delen maximaal milieucategorie 3.2 bedrijven toegestaan, het grootste gedeelte van het plangebied worden bedrijven t/m maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Dit sluit aan bij het bestaande bedrijventerrein grenzend aan deze gronden. Ook worden activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit mer in de regels uitgesloten zoals genoemd in kolom 2 van de bijlage van het Besluit mer. De nieuwe bedrijven dienen zich te houden aan het activiteiten besluit en hebben geen negatieve invloed op de waterkwaliteit. Er worden geen bedrijven mogelijk gemaakt die negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit. Onderhoud en bagger Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken.
Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn). voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. Binnen het plangebied wordt rekening gehouden met de volgende onderhoudsstroken: De Vlotwatering heeft een onderhoudsstrook van 4 meter. Voor de secundaire watergang (die door en langs het plangebied loopt) geldt; een onderhoudstrook van 4 meter aan de zijde waar onderhoud plaatsvindt en 1 meter vanwaar geen onderhoud plaatsvindt.
Op de verbeelding is in het huidige ontwerp een groenstrook (bestemming groen) van 4,5 meter aan één zijde en 3 meter aan de zijde van de nieuwe bedrijfspercelen aangehouden. Hiermee blijft onderhoud mogelijk.
54
Bodem en grondwater Bij nieuwe ontwikkelingen/initiatieven is het van belang om rekening te houden met een voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. Het bouwpeil moet daarom hoog genoeg boven het waterpeil liggen. Een voldoende hoog bouwpeil helpt niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast algemeen. Delfland adviseert om rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, maar met een minimum van 1,0 m. Voor zo ver is op te maken uit de leggerkaart (HHD) en Hoogtekaart is het waterpeil vastgesteld op -0.43 NAP, huidig maaiveld is ca. +0.40 NAP, maakt ca. 83 cm drooglegging. Vloerpeil van de nieuwe bedrijven zou dan op minimaal 17 cm boven maaiveld moeten komen. Gebruikelijk is ca. 20 cm ophoging daarmee is de drooglegging van de nieuwbouw hoger dan 1 meter. Bedoeling is om uitkomende grond voor de bouwvlakken en evt. cunetten op de locatie te houden, dus het maaiveld zal mogelijk verder verhoogd worden. Voor de nieuwbouw in het plangebied zal aan de geadviseerde drooglegging voldaan worden. Daarnaast kan het zijn, dat de ontwikkeling juist effecten op het grondwater of het watertekort heeft. Hier moet bijvoorbeeld gedacht worden aan ondergrondse constructies die ervoor zorgen dat bijvoorbeeld de grondwaterstroming wordt afgekapt. In de huidige ontwikkeling worden geen ondergrondse werken gebouwd.