2.2a) Zienswijze herziening omgevingsbeleid provincie Zuid-Holland 2025 [25-0176305]
Tekst van het document
WESTLAND
Postadres: Postbus 150 2670 AD Naaldwijk Bezoekadres: Laan van de Glazen Stad 1 2672 TA Naaldwijk
Provincie Zuid-Holland Postbus 90602
T 14 0174 E info@gemeentewestland.nl
2509 LP DEN HAAG
I www.gemeentewestland.nl
UW BRIEF
UW KENMERK
ZAAK-/PROJECTNR.
DOCUMENTNR.
8IJLAGE(N)
25-0176305 CONTACTPERSOON M. van der Enden
AFDELING Bestuurszaken
TELEFOONNUMMER 06 11 37 04 11
ONDERWERP
zienswijze nerzienmg omgevingsbeleid
DATUM VERZONDEN
- 3 DEC. 2025
provincie Zuid-Holland 2025
Geacht college, Op 4 november 2025 heeft u het ontwerp van de Herziening Omgevingsbeleid 2025 ter inzage ge legd voor een periode van zes weken. Definitieve vaststelling van deze herziening door Provinci ale Staten is voorzien in het tweede kwartaal van 2026. Middels deze brief brengen wij als college van burgemeester en wethouders onze zienswijze in op voornoemd besluit. Alvorens onze ziens wijze kenbaar te maken op de Omgevingseffectrapportage, de Omgevingsverordening, de Omgevingsvisie en het Omgevingsprogramma achten wij het noodzakelijk om een aantal algemene aan dachtspunten aan u mee te geven. Daarna geven wij in een aantal bullets de belangrijkste opmer kingen weer, om vervolgens per document onze zienswijze te geven. Ontwikkeling Vlietwealocatie Wij zijn verheugd om te constateren dat in de voorgenomen herziening van het provinciaal omge vingsbeleid van de provincie de beoogde ontwikkeling op de Vlietweglocatie in Naaldwijk mogelijk wordt gemaakt. Wij zien deze aanpassing als een goed voorbeeld voor de samenwerking tussen de provincie en de gemeente Westland. Wij willen dan ook onze dank uitspreken voor de con structieve samenwerking op dit onderwerp en het mogelijk maken van deze zeer gewenste ontwik keling.
Druk op de ambteliike capaciteit Enerzijds begrijpen we de behoefte van Provinciale Staten aan een helder en eenduidig proces om zo het totaalbeeld integraal te kunnen wegen en overzien, met de huidige herziening van het provinciaal omgevingsbeleid (met een substantiële omvang) als voorbeeld. Anderzijds willen wij u erop wijzen dat een dergelijke (grootschalige gebundelde) herzieningsrondes (de herziening van 2024 was met een omvang van om en nabij 800 pagina’s ook aanzienlijk, evenals de huidige her ziening welke een omvang heeft van om en nabij 1100 pagina’s) een enorm beroep doet op de (beperkte) ambtelijke capaciteit van gemeenten. Daarnaast zijn er, op basis van het provinciale omgevingsbeleid de afgelopen járen diverse gebiedsprocessen opgestart, welke aanvullend hierop ook een enorm beroep doen op diezelfde ambtelijke capaciteit van gemeenten. Wij willen u dit knelpunt meegeven en verzoeken dit knelpunt in de overwegingen rondom het op starten van eventuele volgende herzieningen en op te starten gebiedsprocessen mee te wegen. De rek bij de lokale overheden is er namelijk uit.
PAGINA 2
Gevolgen provinciaal omgevingsbeleid voor qebiedsontwikkeling Als gemeente onderschrijven wij het belang van een groot aantal doelen die in deze herziening van het provinciale omgevingsbeleid extra benadrukt en ingezet worden. Naast cruciale aan dachtsvelden is het ook van belang de juiste ruimtelijke kwaliteit op de juiste locatie in het oog te houden. Juist vanwege de grote druk op onze ruimtelijke omgeving is het van belang om aan te geven waar welke prioriteiten de voorkeur krijgen. Stapeling van doelen, binnen zeer beperkte ruimte leidt ertoe dat bij (binnenstedelijke) gebiedsontwikkeling te weinig ruimte beschikbaar is om alle doelen te behalen. Naast de samenwerking tussen gemeente en provincie is ook de samenwerking met marktpartijen van belang. Dat lijkt nu door de provincie over het hoofd gezien. De marktpartijen beoordelen hun projecten namelijk op basis van ruimtelijke en financiële haalbaarheid. Een positief uitkomst is hierin noodzakelijk om tot daadwerkelijke realisatie te komen. Pas dan kunnen doelen ook daadwerkelijk behaald worden. Door de nu voorgestelde stapeling van doelen, binnen de zeer beperkte ruimte, voorzien wij dat deze haalbaarheid ernstig onder druk komt te staan. Met als gevolg dat projecten niet haalbaar zijn, waardoor er ook geen zicht is op het beha len van de voorgestelde doelen.
Toekomstbestendiqe ruimtelijke ontwikkeling Voor de invulling van de nieuwe module ‘Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling TRO' wordt onder andere ingezet op het steviger beschermen van onbebouwd gebied. Het doel van deze module is met name gericht op het steviger beschermen van onbebouwd ge bied, met als doel het agrarisch verdienvermogen te blijven garanderen en het behoud en herstel van natuurwaarden. Bij de beoordeling op de aspecten rondom landschappelijke kwaliteit en de effecten op natuur waarden in geen significatie verschil op de effecten, waardoor er geen duidelijke voorkeursvariant naar voren komt in het OER. Daarnaast hebben wij onze bedenkingen rondom de beoordeling van het aspect ‘Agrarisch verdienvermogen’, waarbij wij concluderen dat er geen significante verschil len zijn tussen de verschillende alternatieven. De vraag die wij dan ook stellen is waarom er op dit moment al wel een gerichte keuze wordt ge maakt over de toepassing van de module ‘Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling’. De im pact van het doorvoeren van deze module, op dit moment, rekening houdend met de resultaten uit het OER, staat op dit moment niet in verhouding tot wat men wil bereiken. Later in deze ziens wijze staan we hier uitgebreid bij stil.
Wij stellen daarom ook voor om de beoogde aanpassing rondom de module ‘Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling, in deze herziening niet door te voeren en in gesprek te gaan met de be trokken overheden en belangenorganisaties om deze verder gerichter uit te werken naar een al ternatief (en bijbehorende uitvoerbare regeling) en een eventuele nieuwe gedragen regeling pas dan op te nemen in het provinciale omgevingsbeleid. Onze belangrijkste punten op een rii: Naast bovenstaande opmerkingen hebben we onze belangrijkste punten voor de zienswijze hier onder puntsgewijs weergegeven. Daarna volgt een uitgebreide reactie op de herziening van het omgevingsbeleid.
PAGINA 3
GEMEENTE
a.
De juiste aanduiding van locaties te hanteren in de verordening, met name bij het gebied tussen Rusthovenlaan, Rijnsburgerweg en de Plas van Alle Winden (ontwik keling Boerenlaan). Hier de aanduiding ‘beschermingsgebied onbebouwde ruimte' te schrappen;
b.
De regeling voor “een straatje erbij" ook mogelijk te maken binnen de glastuin bouwgebieden van de Greenport West-Holland;
c.
Bij de afstemming van de regionale opgave in te zetten op een samenwerking geba seerd op gelijkwaardigheid in plaats van de hier voorgestelde aanpak en gebruik te maken van de juiste instrumenten en bevoegdheden van de omgevingswet
d.
Zich te realiseren dat bij het creëren van ruimte voor voorzieningen, de daadwerke lijke invulling van deze voorzieningen, zoals bijvoorbeeld de vestiging van een huisarts, niet binnen de invloedssfeer van de gemeente ligt;
e.
Pas over te gaan tot de maximale benutting van de milieugebruiksruimte op bedrij venterreinen op het moment dat alle ruimtelijke en economische effecten volledig in beeld zijn gebracht;
f.
De gebieden ten oosten van de kern Monster, de gronden van de gebiedsontwikkeling Ontwikkelingsbedrijf Westlandse Zoom (OBWZ), in de provinciale omgevingsverordening te voegen bij het bestaand stad- en dorpsgezicht in plaats van deze nog steeds aan te wijzen als glastuinbouwgebied
g.
In de visie de Flora Campus toe te voegen aan de genoemde campussen;
Nu volgt onze uitgebreide reactie op de herziening: Omqevinqseffect rapportage (OER) Algemene opmerking Er worden in de OER een aantal parameters (beoordelingscriteria) meegenomen, waarvan wij ons afvragen of deze daadwerkelijk tot de toetsingscriteria zouden moeten behoren. Niet duidelijk wordt waarom juist voor deze parameters, zoals 'Agrarisch Verdienvermogen’ (zie ook boven) of een mix van parameters zoals bijvoorbeeld bij ‘Leefbaarheid’ is gekozen, te meer ook omdat op dit laatste criterium niet direct wordt gestuurd. Dit zou onzes inziens beter toegelicht/onderbouwd moeten worden. Daarnaast worden er in de OER veel thema's (energie, water, lucht, natuur) betrokken. Misschien wel te veel. Enerzijds lijkt dit zorgvuldig, maar anderzijds maakt het ook (onnodig) complex, ge zien de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende thema’s en het invloed van de verschil lende thema's op de uiteindelijke beleidskeuze. We zien dit ook terug in de rapportage: De beoordeling van de verschillende thema's wordt in de OER ook sec sectoraal ingestoken, maar het ontbreekt aan een integrale afweging waarbij alle thema’s zodanig met helicopterview worden beoordeeld om zo een juist afwegingskader te kunnen bepalen.
Gezien de verscheidenheid aan thema's en de onlosmakelijke verbondenheid tussen deze thema's is er, met de huidige wijze van beoordeling, op dit moment sprake van appels met peren vergelij ken, waarbij conflicterende thema's (bijvoorbeeld energie/windturbines/woningbouw vs natuur) niet tegen elkaar zijn afgewogen. Hiermee is er dus alsnog sprake van een “arbitrair besluit” dat altijd juridisch aangevochten kan worden.
PAGINA 4
En dit terwijl het, onzes inziens, juist de bedoeling was dat de besluitvorming door een OER transparanter zou worden. Met andere woorden het OER heeft, ondanks dat het nu een verplicht onderdeel van de besluitvorming is, op deze wijze weinig tot geen toegevoegde waarde en maakt het allemaal onnodig complex. Maar leidt dit uiteindelijk wel tot een beperking van de beleids- en afwegingsruimte van de gemeenten. 2.2 Totstandkoming en kwaliteitscontrole Het OER is opgesteld door medewerkers van de Provincie Zuid-Holland. Beoordelingen zijn ook uitgevoerd vanuit de provincie. Het is niet inzichtelijk of er een objectieve scheiding is tussen de stellers van het OER en de beoordelaars van het OER. In het OER zijn de beoordelingen en mo gelijke benodigde aanvullingen en aanpassingen niet inzichtelijk. Wij verzoeken de provincie dan ook om dit te verduidelijken. Dit om te voorkomen dat het beeld ontstaat van een gestuurd OER, waarbij er bij de toetsing sprake zou zijn van een beoordeling met een hoog “Wij van wc-eend ge halte”. Om de objectiviteit van het OER te benaderukken is het wenselijk het OER op deze onderdelen aan te vullen. 5.3
Emissieplafond ammoniak
Hier wordt in de laatste alinea van deze beoordeling terecht een opmerking wordt geplaatst over de herkomst van de stikstofdepositie in Zuid-Holland. Echter trekken wij de legitimiteit van de in deze paragraaf genoemde (mogelijke) maatregelen in dit OER in twijfel. In hoeverre is het gepast dat een de provincie in een effectrapportage maatregelen voorstelt en uitwerkt, waarbij de provin cie zelf al van aangeeft dat zij daar geen significante invloed op kan uitoefenen en dat landelijke wet- en regelgeving noodzakelijk is? Onzes inziens moet dan minstens stellig(er) worden gesteld dat landelijke wet- en regelgeving een harde randvoorwaarde is, of misschien wel benoemen als een harde eis om hier überhaupt toe over te gaan, anders is het een papieren oplossing, welke in de praktijk niet zal leiden tot de gewenste effecten. “Belangrijke kanttekening" is te zwak geformuleerd. 5.4
Drukfactoren N2000
Bij de uitwerking van beleidsalternatieven voor het verminderen van drukfactoren in het Natura2000 gebied zijn 3 verschillende alternatieven opgenomen. Twee van de drie alternatieven hebben betrekking op het aanstellen van een overgangszone (alternatief 2 betreft een zone van 1 kilometer en alternatief 2 spreekt over een zone op maat). In de beschrijving van de verschillende alternatieven wordt ook een mogelijke regeling beschre ven, waarbij een voorstel wordt beschreven om in de overgangszone bepaalde activiteiten te be perken om zo de druk op het Natura2000 gebied te verminderen. Het beperken van al bestaande mogelijkheden zal uiteindelijk leiden tot nadeelcompensatie rich ting de bestaande grondeigenaren dan wel gebruikers. In het OER wordt hier niet verder op inge gaan. Wij willen de provincie verzoeken om bij de verdere uitwerking van deze alternatieven ook het as pect beoogde nadeelcompensatie te betrekken en de haalbaarheid/financierbaarheid hiervan na der te onderbouwen. Daarnaast wordt als denkrichting voorgesteld om het aanplanten van invasieve exoten te verbie den. De vraag is in hoeverre dit uitvoerbaar is. Is het verbod op aanplant van bepaalde invasieve
PAGINA 5
WESTLAND
exoten handhaafbaar? Zolang de handhaafbaarheid van de gestelde regel niet is onderzocht zal dit uiteindelijk alleen maar leiden tot een papieren regel, welke in de praktijk niet zal leiden tot het beoogde resultaat. 5.5 Effecten ZH-PLG verhogen grondwaterstand Bij het beoordelingscriteria bodem, als een van de beoordelingscriteria van het ZH-PLG, is aange geven dat PFAS-bronnen vooral zijn gesitueerd op voormalige vuilstortplaatsen en brandweer(oefenjterreinen en kazernes. Aangezien door stadsuitbreiding deze (in Westland) inmiddels vaak tot de bebouwde kom behoren is het niet aannemelijk dat het wijzigen van het sloot/grondwaterpeil een wenselijke maatregel is. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is aangegeven dat het wijzigen van het sloot/grondwa terpeil een positief effect heeft op de luchtkwaliteit met als argument dat de oorzaak hiervan te rug te vinden is in het feit dat de veehouderijsector geëxtensiveerd. Dat daardoor minder fijnstof ontstaat is een indirect effect. Afgevraagd kan worden of dergelijke indirecte effecten wel meege nomen mogen worden, omdat dit een indirecte en externe factor is. Dit komt gekunsteld over. In feite geldt dit ook voor het beoordelingscriteria voor geur. 6.1
Deelrapport bodem en water sturend
Er lijkt, bij deze beoordeling, alleen gekeken te worden naar nieuwe ontwikkelingen en niet naar (nijpende) bestaande situaties (zoals bodemdaling of de mogelijkheden voor kentering hiervan). De natuurlijke draagkracht van de bodem is mede sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting van het plangebied. Schade door bodemdaling blijft beheersbaar door gebiedsspecifieke keuze van de restzettingseis waarvoor de maatregelen set over de ontwerplevensduur het meest kosteneffectief is. Het zijn nobele woorden voor toekomstige ontwikkelingen, maar het biedt geen houvast rondom de bestaande bodemdalingsproblematiek. Dat zien wij als een gemiste kans. 7.3
Toekomstbestendioe ruimtelijke ontwikkeling
Voor de invulling van de nieuwe module ‘Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling TRO’ wordt onder andere ingezet op het steviger beschermen van onbebouwd gebied, met als doel het agrarisch verdienvermogen te blijven garanderen en tevens in te zetten op het behoud en herstel van natuurwaarden. In het OER zijn een viertal alternatieven onderzocht om dit te kunnen berei ken, namelijk de rode contour, het uitbreiden van de bescherming categorieën ruimtelijke kwali teit, de groene contour en de gebiedsspecifieke kwantitatieve grens. Bij het alternatief ‘de rode contour' komen de agrarische gronden buiten de rode contour te liggen en de gronden met een glastuinbouwinvulling binnen de rode contour, waarbij tevens geopteerd wordt om voor glastuinbouw twee varianten toe te passen, namelijk variant a waarbij het glastuin bouwgebied volledig beschermd wordt en variant b waarbij bepaalde gebieden aangewezen wordt voor transformatie (naar wonen, werken en energietransitie). Bij de beoordeling van het agrarisch verdienvermogen is beoordeeld dat het toepassen van alter natief 1 (de rode contour) kan leiden tot een negatief effect.
GEMEENTE ť.mH.l.'ľĩ
Het negatieve effect bij dit alternatief zal volgens dit alternatief alleen ontstaan voor het glastuin bouwgebied en alleen als toepassing zal worden gegeven aan variant b. De vraag is echter of dit beschreven negatieve effect ontstaat als gevolg van de toepassing van dit alternatief, met de bijbehorende variant. In hoeverre er een verschil is ten aanzien van de au tonome ontwikkeling is in twijfel te trekken. Dit is namelijk geheel afhankelijk welke gebieden aangewezen worden als transitiegebied, welke omvang deze gebieden hebben en wat de toekomstbestendigheid is van deze mogelijke gebieden. Bij de beoordeling van dit alternatief zijn de effecten van deze glastuinbouwtransitiegebieden het geen bepalend zijn voor de negatieve score. Wij zijn van mening dat uw beoordeling niet correct is, vanwege de totale impact op het agrari sche verdienvermogen de gehele Zuid-Hollandse agrarische sector. Dit wordt versterkt omdat bij de beoordeling de omvang van de glastuinbouwtransitiegebieden niet in beeld is gebracht. Een beoordeling van neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten) zou onzes inziens een pas sendere reactie zijn op dit alternatief. Vervolgens is het opvallend om te constateren dat de effecten van alternatief 2 beoordeeld wor den als neutraal effect (geen of nagenoeg geen effecten).
Bij de toepassing van alternatief 2 wordt het gehele buitengebied van de provincie Zuid-Holland beschermd als onbebouwde ruimte. De enige uitzondering hierop zijn de glastuinbouwgronden van de Greenport West-Holland. In feite zou het effect op het agrarisch verdienvermogen hetzelfde zijn als bij alternatief 2, aange zien in dit geval dezelfde gebieden als zodanig beschermd zijn. Een nadere onderbouwing waarom er een verschil in beoordeling ontstaat tussen alternatief 1 en 2 ontbreekt. Verder trekken wij de beoordeling in twijfel, aangezien bij de toepassing van alternatief 2 de glas tuinbouwgebieden en solitaire glastuinbouwlocaties niet meer beschermd worden. In feite worden de ontwikkeimogelijkheden van die glastuinbouwgebieden, door toepassing van dit alternatief, enorm beperkt, wat overduidelijk een effect heeft op het verdienvermogen van die (glastuinbouw) gebieden. Bij de beschrijving van alternatief 4 (de gebiedsspecifieke kwantitatieve grens) wordt aangegeven dat de kans op (stedelijke) ontwikkelingen midden in een open gebied een enorme bedreiging zal vormen, aangezien dit alternatief de invulling van de bebouwingsmogelijkheden neergelegd bij het gebied (lees de betreffende gemeente). In feite ontstaat er beleidsvrijheid bij de lokale overhe den.
Indien de mogelijke ontwikkelingen plaats zullen vinden in het gebied, zal vanuit de lokale overheid ook een ruimtelijk onderbouwde beleidsafweging moeten plaatsvinden. Een verantwoor delijkheid die de gemeente ook neemt. De beschreven vrees dat ongewenste ontwikkelingen mid den in een gebied kunnen plaatsvinden gaat volledig voorbij aan de verantwoordelijkheid die ge meentes hebben en nemen over de ruimtelijke invulling van hun grondgebied. We lezen alternatief 4 dan ook als een zware diskwalificatie op de rolopvatting van ons als ge meente. Bij de beoordeling op de aspecten rondom landschappelijke kwaliteit en de effecten op natuur waarden is geen significatie verschil op de effecten zichtbaar. Deze onderdelen geven dan ook geen doorslag op de te maken keuzes voor de voorgestelde alternatieven.
PAGINA 7
WESTLAND
De vraag die wij dan ook stellen is waarom er op dit moment al wel een gerichte keuze wordt ge maakt over de toepassing van de module ‘Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling’. De im pact van het doorvoeren van deze module, op dit moment, rekening houdend met de resultaten uit het OER, staat op dit moment niet in verhouding. Wij stellen daarom ook voor om de beoogde aanpassing rondom de module ‘Toekomstbestendige Ruimtelijke Ontwikkeling, in deze herziening niet door te voeren en in gesprek te gaan met de be trokken overheden en belangenorganisaties om deze verder gerichter uit te werken naar een al ternatief (en bijbehorende uitvoerbare regeling) en een eventuele nieuwe gedragen regeling pas dan op te nemen in het provinciale omgevingsbeleid. In aanvulling op het bovenstaande hebben wij nog specifieke opmerkingen en vragen over de an dere beoordelingscriteria. Deze hebben wij hieronder beschreven. Iedere verdichting in de bestaande woonomgeving, betekent meer bebouwing, dus meer bouwacti viteiten, meer productie bouwmaterialen, meer belasting op omgeving, meer (gebruik van) nutsen infrastructuur, hogere belasting op (maatschappelijke) voorzieningen, meer mensen, meer af val, meer mobiliteit (dus ook meer (H)OV), meer slijtage dus ook meer onderhoud.
Zelfs als je alleen zou verdichten voor gezinnen, waarbij de kinderen uit huis gaan, spelen deze aspecten een belangrijke rol. Er komen dan, per saldo, geen extra mensen bij, alleen het aantal huishoudens neemt toe. Wat ook impact heeft. Als je de effecten van de TRO goed wil bepalen zullen ook bovenstaande aspecten meegenomen moeten worden in de effectenbeoordeling. Niet duidelijk is of dat gedaan is. Zal het bevolkingsaantal bij de TRO wel of niet toenemen. Indien deze vraag niet is meegenomen bij de beoordeling van de TRO is er sprake van een onvolledige beoordeling. Met betrekking tot luchtkwaliteit, als beoordelingscriterium voor de TRO, menen we dat u de hui dige situatie onvoldoende als referentiewaarde meeneemt. Want er zal als gevolg van menselijke activiteiten altijd gezondheidsschade plaatsvinden, al dan niet als gevolg van niet natuurlijke bronnen. Dit is dus een open deur. Het meenemen van gezondheidsschade geeft een vertekend beeld bij de beoordeling van dit aspect. Wij stellen voor dit niet mee te nemen in de definitieve beoordeling. Wij kunnen ons niet vinden in de redenatie dat ontwikkelingen binnen de rode contour leiden tot een slechtere luchtkwaliteit en een negatief effect hebben.
En dat het uitsluiten van nieuwe ste delijke ontwikkelingen in open gebieden tot een positief effect leidt als toch aan de woningbouw opgave voldaan moet worden? Dit is onzes inziens niet verklaarbaar en zal daarom nader onderbouwd moeten worden. Met betrekking tot licht(hinder), als beoordelingscriterium voor de TRO is het volgende opgeno men. Er zijn twee varianten binnen het alternatief rode contour: variant a (uitgaan van de huidige be scherming van glastuinbouwgebieden) en variant b (ruimte bieden voor transitie van glastuinbouw naar wonen, werken en energieconversie). Bij variant b, zal volgens het OER mogelijkerwijs een aanvullend positief effect optreden. Kassen zijn, volgens het OER, namelijk een van de grootste factoren in de lichtemissie: worden bestaande kassen vervangen voor woningbouw, dan zal sprake zijn van minder lichtemissie.
PAGINA 8
WESTLAND
Uw stellingname is erg kort door de bocht. Door innovatie in de glastuinbouwsector is er sprake van een significante reductie van lichthinder vanuit glastuinbouwbedrijven. Het gebruik van schermdoeken om lichthinder te reduceren zijn in de sector gemeengoed. Er lijkt onzes inziens sprake van een doelgerichte beoordeling van dit criterium, waarbij volledig voorbijgegaan wordt aan de feiten en omstandigheden. Wij trekken hiermee de onafhankelijkheid van OER, in ieder ge val op dit criterium, in twijfel. Met betrekking tot geur(hinder), als beoordelingscriterium voor de TRO is het opgenomen dat bij het herintroduceren van de rode contour er sprake is van binnenstedelijke verdichting en dat dit kan leiden tot een toename van geuroverlast, vooral wanneer nieuwe woningen gerealiseerd wor den nabij bestaande geurbronnen zoals industrie, horeca en infrastructuur. Deze stellingname is niet correct aangezien dit (milieutechnisch) helemaal niet mogelijk is in het kader van de ETFAL (Evenwichtige Toedeling van Functies en Activiteiten aan Locaties). Beweegvriendelijke leefomgeving, als beoordelingscriterium voor de TRO is onzes inziens een non-issue. De redenatie is dat alles verdichten binnen de rode contour een positief effect oplevert aangezien men zich dan lopend of fietsend naar de gewenste bestemming zal verplaatsen. De vraag is of deze stellingname correct is.
Deze is niet onderbouwd. Daarbij wordt tevens de denk fout gemaakt dat men alleen vervoersbewegingen heeft welke lopend en fietsend zullen plaatsvin den. Buiten de grote steden, waar de TRO juist het meeste effect op heeft, vinden de vervoersbewe gingen juist gemotoriseerd plaats vanwege de grotere afstanden richting werk en voorzieningen. Dit beoordelingsaspect is alleen bekeken vanuit de invalshoek van de grote stad. Er is sprake van een eenzijdige beoordeling, welke geen representatief beeld geeft van de effecten op de gehele provincie. Ook de genoemde kanttekening dat een zorgvuldig ontwerp voor een TRO nodig is, omdat anders de beweegvriendelijkheid van de omgeving in het geding kan komen (door onvoldoende plaats voor sport en spel te hebben in de buitenruimte) is bedenkelijk. Wat heeft (makkelijke) bereik baarheid te maken met het aanwezig zijn van sportvelden? Is de intentie dat alleen bestaande ge bouwen sprake is optoppen/verdichten of is de intentie ook de (binnenstedelijke) sportvelden vol te bouwen? Leefbaarheid, als beoordelingscriterium voor de TRO is, volgens het OER lastig in te schatten. De effecten die de TRO met zich meebrengt op leefbaarheid zijn afhankelijk van de implementatie en eventuele mitigerende maatregelen die worden getroffen.
Aangezien dit aspect niet te beoordelen is op de effecten, is de vraag waarom dit aspect onderdeel uitmaakt van het OER en in hoeverre dit betrokken wordt bij een uiteindelijke beleidskeuze. Voorgesteld wordt om het beoordelingscriterium leefbaarheid uit het OER te verwijderen. 8.4 Boerenerfmolens De gemeente Westland heeft op dit moment géén raadsbesluit genomen dat expliciet instemt met het toestaan van kleine windturbines tot 30 meter hoogte. Wel volgt de gemeente de ontwikkelin gen binnen het provinciale beleid van Zuid-Holland, dat ruimte biedt voor pilots met hogere erfmolens.
PAGINA 9
GEMEENTE
Windturbines, ook kleinere boerenerfmolens, kunnen ecologische effecten hebben op flora en fauna, met name door verstoring van leefgebieden, barrièrewerking en risico op aanvaringen. Bij grotere windparken is dit goed gedocumenteerd, maar ook bij kleinere turbines zijn er aandachts punten. Vogels en vleermuizen zijn het meest kwetsbaar. Vleermuizen kunnen bijvoorbeeld gedes oriënteerd raken door luchtdrukveranderingen rond de rotorbladen, wat kan leiden tot sterfte zon der directe aanvaring. Voor Westland is het van belang dat dat bij het plaatsen van een dergelijke boerenerfmolen, de impact vóóraf wordt geanalyseerd op de flora en fauna. Dit is een zorgpunt voor de gemeente. De Wet natuurbescherming vereist dat de gunstige staat van instandhouding van soorten niet in gevaar mag komen. Dat betekent dat bij elke aanvraag voor een windturbine, ook een kleine boe renerfmolen, moet worden aangetoond dat er geen significante negatieve effecten zijn op be schermde soorten. Als dat risico wel bestaat, moeten maatregelen genomen worden om de impact te beperken, zoals aanpassing van locatie, hoogte, of gebruiksuren. Aanvullend hierop willen wij de provincie meegeven dat glastuinbouwondernemers reeds geïnves teerd in zonnepanelen op de daken, die overdag stroom leveren.
Het is voor gemeente Westland van belang dat duurzame stroom geproduceerd kan blijven worden, waarbij glastuinbouwonderne mers ook een positieve businesscase hebben en hier dus financieel wat aan overhouden. Onze voorkeur gaat wel uit naar het éérst plaatsen van zonnepanelen, óók indien technisch mogelijk op de waterbassins. Als hierna blijkt dat meer vermogen nodig is, wil de gemeente meedenken over boerenerfmolens, mits deze ruimtelijk goed worden ingepast en er rekening wordt gehouden met de flora en fauna van het gebied. Vooralsnog lijkt hier geen sprake van. 10_____Windenergie Uit de OER Rapportage blijkt dat binnen gemeente Westland weinig tot geen potentie is om nieuwe windturbines langs de A20 te plaatsen. Gemeente Westland heeft zich constructief opge steld in deze procedure, óók omdat zoeklocatie voor winturbines in de Lier onbespreekbaar is voor de gemeente. Dit op basis van de aanwezige flora en fauna in het zoekgebied rondom de Lier (gruttoplas). Gezien uit de potentiescan blijkt dat langs de A20 weinig potentie is voor nieuwe windturbines, heeft de OER A20 studie weinig impact op gemeente Westland. 13,9,3 Beweeqvriendeliike leefomgeving Voor het beoordelen van de beweegvriendelijke omgeving gebruikt de provincie informatie van het Mulier Instituut. Deze geeft voor het Westland geen waarheidsgetrouw beeld.
Het Mulier Instituut zegt hier zelf over “Als databron voor deze sport- en speelplekken gebruiken wij de Basisregistra tie Grootschalige Topografie (BGT) van het Kadaster/BZK. Dit is de meest complete (openbare) databron van sport- en speelplekken in Nederland. Maar gemeenten hoeven hun speelplekken hier niet verplicht in te registeren. Het overzicht in de BGT is dan ook niet compleet, waardoor de be oordeling geen objectief representatief beeld weergeeft. Omqevinqsverordeninq Natuur Netwerk Nederland Artikel 2.11 aanwijzing en geometrische begrenzing Natuur Netwerk Nederland (NNN)
PAGINA 10
De 'Poelzone’ betreft één van de NNN verbindingen binnen onze gemeente. Een gedeelte van deze NNN is gerealiseerd in het project 'Waelpark'. De ligging van de gerealiseerde NNN wijkt af van de NNN op de kaart. Verzocht wordt de kaart aan te passen en de gerealiseerde NNN als zo danig aan te duiden. Voor de gewenste aanpassing wordt verwezen naar onderstaande afbeel ding.
Klimaat adaptief ruimtelijk ontwikkelen
Artikel 7.23 risico’s van klimaatverandering In artikel 7.23 is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de ri sico's van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van water overlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte, droogte, alsmede de effecten van de ge volgen op het risico van bodemdaling. Verzocht wordt het bovenstaande te verduidelijken. Omdat de hardheid van dit artikel onduidelijk is. Is rekening houden met een verplichting? In hoeverre is dit concreet toetsbaar? En per wan neer moet de gemeente zover zijn. Toekomstbestendiae ruimtelijke ontwikkeling Onder de titel ‘toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling’ wordt de regeling ‘beschermingsgebied onbebouwde ruimte' geïntroduceerd. De regeling is van toepassing op het gebied gelegen buiten het bestaand stads- en dorpsgebied, met uitzondering van de glastuinbouwgebieden van de Greenport West-Holland. De provincie wil hiermee de onbebouwde ruimte beschermen en beperkt hiermee de bouwmogelijkheden.
PAGINA 11
GEMEENTE
Artikel 7.41 aa Begrenzing ‘beschermingsgebied onbebouwde ruimte’ Het gebied rondom de Rusthovenlaan, Rijnsburgerweg en Plas van Alle winden is voorzien van de aanduiding 'beschermingsgebied onbebouwde ruimte' (zie onderstaande afbeelding).
De woonpercelen Rijnsburgerweg 120 en 130 maken onderdeel uit van de grootschalige buiten stedelijke bouwlocatie Gantel de Baak en zijn in het Omgevingsplan Westland ook voorzien van de functie ‘Wonen’. Verzocht de aanduiding 'beschermingsgebied onbebouwde ruimte’ van de be treffende twee percelen te verwijderen en binnen de begrenzing van het bestaand stads- en dorpsgebied te betrekken. Daarnaast is het gebied geleggen tussen de Rusthovenlaan, Boerenlaan en de Enthovenlaan voorzien van de aanduiding ‘beschermingsgebied onbebouwde ruimte'. De regeling is van toepassing op gebieden gelegen buiten het bestaand stads- en dorpsgebied, met uitzondering van de glastuinbouwgebieden van de Greenport West-Holland. Op basis van de intentie van de regeling en de uitleg welke gebieden als zodanig aangewezen worden, zou bovengenoemd gebied niet als zodanig aangeduid moeten worden. Wij verzoeken de provincie de abusievelijke opgenomen aanduiding van het bovengenoemde gebied te herstellen en de aanduiding te verwijderen. Er is immers, ter plaatse, geen sprake van onbebouwde ruimte. Het gebied is namelijk nagenoeg geheel voorzien van bebouwing en verharding. Aan het einde van de Hofzichtlaan te De Lier is om en nabij 1 hectare voorzien van de aanduiding ‘beschermingsgebied onbebouwde ruimte' (zie onderstaande afbeelding).
De desbetreffende gron den maken echter onderdeel uit van het ter plaatse aanwezige glastuinbouwbedrijf en zijn ingezet ten behoeve van waterbassins, watersilo's en de energievoorziening. Het is passender de desbe treffende locatie te voorzien van de aanduiding ‘Glastuinbouw’.
PAGINA 12
van het genoemde perceel aan te passen.
Ter hoogte van Noord-Lierweg 65 te De Lier is om en nabij 3000m2 voorzien van de aanduiding ‘beschermingsgebied onbebouwde ruimte' (zie onderstaande afbeelding). De desbetreffende gron den maken echter onderdeel uit van het ter plaatse aanwezige glastuinbouwbedrijf en zijn ingezet ten behoeve van teeltareaal, bedrijfsruimte en voorterrein. Het is passender de desbetreffende locatie te voorzien van de aanduiding ‘Glastuinbouw’. Wij verzoeken de provincie de aanwijzing van het genoemde perceel aan te passen.
Artikel 7.41 bb Prioritaire ontwikkelingen In artikel 7.41 bb, lid 2 geeft de provincie aan wat prioritaire ontwikkelingen zijn, waarbij in sub a een ‘toekomstbestendige en veerkrachtige landbouwsector’ genoemd is. Aangezien grote delen van de Zuid-Hollandse glastuinbouwgebieden wel zijn aangemerkt als 'beschermingsgebied onbe bouwde ruimte’ zou deze prioritaire opgave dus niet alleen toegespitst moeten zijn op de land bouwsector, maar ook, daar waar deze aanwezig is, de toekomstbestendige en veerkrachtige glastuinbouwsector.
PAGINA 13
WESTLAND
Artikel 7.41 cc Meervoudig ruimtegebruik In artikel 7.41cc is bepaald dat een omgevingsplan rekening moet houden met meervoudig ruimte gebruik en het zo min mogelijk toevoegen van verharding en bebouwing. Het is niet inzichtelijk of het hier planologisch mogelijk gemaakte verharding en bebouwing betreft of feitelijk aanwezige verharding en bebouwing. Artikel 7.41 ee Straatje erbij In artikel 7.41ee wordt de regeling voor “een straatje erbij" geconcretiseerd. De regeling voor een straatje erbij is gekoppeld aan de regeling voor 'beschermingsgebied onbebouwde ruimte'. De glastuinbouwgebieden van de Greenport West-Holland zijn niet als zodanig aangeduid. Met als indirect gevolg dat de mogelijkheid voor een straatje erbij niet van toepassing is op de glastuin bouwgebieden van de Greenport West-Holland. en Westland. Wij vinden dit onwenselijk. Wij willen de provincie dan ook verzoeken om de regeling voor “een straatje erbij" ook mogelijk te maken binnen de glastuinbouwgebieden van de Greenport West-Holland. Wij verzoeken dan ook om artikel 7.41ee ook toe te voegen aan artikel 7.54 (glastuinbouwgebied). In sub a (van artikel 7.41ee) is opgenomen dat het gaat om een eenmalige ontwikkeling bij een kern met een inwonertal tussen de 250 en 10.000 inwoners, voor zover bij die kern geen groot schalige buiten stedelijke bouwlocatie ontwikkeld kan worden.
Aangezien het maar om één straatje erbij gaat per kern wordt verondersteld dat de provincie een register bij gaat houden waarbij de ‘straatjes erbij' geregistreerd en gemonitord worden. Wij zijn benieuwd hoe de provincie dit gaat aanvliegen. Zeker omdat sub b. het combineren van twee straatjes erbij mogelijk maakt. Daarnaast zijn de criteria van het samenvoegen van twee straatjes erbij niet inzichtelijk. Dienen de twee kernen binnen dezelfde gemeente te liggen en is er ook sprake van een maximale afstand tussen de twee kernen? Daarnaast is bepaald dat er ook geen sprake mag zijn van een grootschalige buiten stedelijke bouwlocatie bij de desbetreffende kern. Het is niet duidelijk of dit nieuwe (nog niet gerealiseerde) buiten stedelijke bouwlocaties betreft of dat ook de al gerealiseerde grootschalige buiten stede lijke bouwlocatie meegewogen worden. Artikel 7.41 ff klimaat adaptief ruimtelijk ontwikkelen De gemeente Westland heeft, net als alle andere Nederlandse gemeentes, vanuit het rijk een in spanningsverplichting om de openbare ruimte in bestaand gebied klimaatadaptief in te richten. Hiernaast is er binnen de provincie Zuid-Holland tussen gemeente, waterschappen, bouwers en ontwikkelaars een convenant klimaatadaptief bouwen gesloten. Hiermee is gezamenlijk aan een set richtlijnen en eisen gewerkt voor nieuwbouwlocaties.
Dit heeft voor een gelijk speelveld ge zorgd “voor bouwers en ontwikkelaars". Gemeenten waren vrij om dit op hun eigen manier te bor gen. De toevoegingen in dit artikel schetsen een beleid vanuit de provincie waarin de stap van zo genoemd “zacht beleid" naar “hard beleid" in een slag wordt gemaakt. Hiermee lijkt het provinci aal beleid strenger dan het beleid dat het rijk op dit moment voorschrijft. Daarnaast geeft de provincie hier invulling aan de rol die hen is voorgeschreven in het Deltaprogramma van het Rijk. Deze beschrijft dat de provincie een coördinerende en strategische rol speelt binnen het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie, vooral bij regionale visievorming, be sluitvorming en het verbinden van lokale en nationale belangen.
PAGINA 14
WESTLAND
Met betrekking tot het bovenstaande voorzien wij op dit moment in het algemeen een tweetal knelpunten. De directe gevolgen voor de vereiste grondexploitaties en mogelijke klimaatarmoede. Indien de prestatieeisen uit deze verordening, omgevingsprogramma en het OER bij elkaar opgeteld moeten worden stapelen de randvoorwaarde, eisen en voorwaardes zich op. Er wordt een gigantische claim gelegd op de openbare ruimte. In een gemeente waar de haalbaarheid van de grondexploi tatie onder druk staat, zullen deze aanvullende regels alleen maar leiden tot moeilijker haalbare grondexploitaties. Betaalbaarheid van woningen in uitbreidingslocaties zijn hiermee financieel niet meer haalbaar. Tenzij er vanuit Rijk, of provincie een bijdrage beschikbaar komt om deze nieuwe onrendabele top de financieren. Inwoners die weinig te besteden hebben krijgen zo niet de kans om in een klimaatadaptieve nieuwbouwwijk of woning te wonen. Zij zijn toegewezen tot de (oudere) woonwijken waar de kans op klimaatschade relatief hoger is. Ten tweede zal deze nieuwe regelgeving leiden tot knelpunten bij het aanpassen van het omge vingsplan en een verhoging van de werkdruk op de organisatie. In de verordening staat dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de risico's van klimaatverandering. Op dit moment is er binnen onze organisatie geen capaciteit om dit op korte termijn te borgen.
Een complex proces omdat de verschillende kernen en polders binnen Westland om andere randvoorwaarden vragen. Inzake wateroverlast worden een aantal neerslaggegevens opgenomen. Binnen onze DPRA-werkregio gebruikt de gemeente Westland voor het opstellen van regionale doelen een bui van 140 millimeter in 48 uur. De provincie strooit hier met een tweetal andere buien. Dit is vreemd aangezien de provincie intensief bij dit proces betrokken is. Het zou beter op elkaar aansluiten als de lokale overheden, de werkregio DPRA en de provincie Zuid-Holland de zelfde maatstaven hanteren en aanhouden. Daarnaast beschrijft de provincie het volgende. Op grond van thema ‘wateroverlast 3’ is het de bedoeling dat minimaal 50 millimeter van de neer slag die direct valt op privaat terrein, op het private terrein zelf of in daarvoor bestemde voorzie ningen in de directe omgeving van de ruimtelijke ontwikkeling of binnen de watersysteemgrenzen worden vastgehouden en geborgen, zodat het niet direct in het regionale watersysteem terecht komt. De berging moet 60 uur na de neerslag weer beschikbaar zijn om opnieuw minimaal 50 mil limeter van de neerslag op te kunnen vangen. Het vasthouden en bergen van neerslag op privaat terrein mag ook in de directe omgeving van de ruimtelijke ontwikkeling zolang dit geen negatief effect heeft op het watersysteem.
De gemeente Westland heeft sinds 1 januari 2024 zelf een hemelwaterverordening voor nieuw bouw. Hierin is uw eis 50 mm-60 uur-50 mm al geborgd. Wel constateren we een verschil in de tijd dat de berging weer beschikbaar moet zijn. Voorgesteld wordt om de maatstaven met harde cijfers uit de verordening te halen. Zo ontstaat er bij ons meer beleidsvrijheid met het invullen van hun eigen hemelwaterverordening die past bij de kenmerken van ons gebied. Wij zullen op basis van uw verordening de onze ook strenger moeten maken. Met de bouwopgave die voor ons voorzien we problemen met, financiële haalbaarheid van een ontwikkeling dat woningbouw laat stagneren. Artikel 7.41 gg toekomstbestendig bouwen
PAGINA 15
GEMEENTE WESTLAND
Bij een wijziging van het omgevingsplan die nieuwe bedrijfsmatige activiteiten mogelijk maakt die kan leiden tot toename werkgelegenheid dient in beeld wordt gebracht wat de extra huisvestingsbehoefte van werknemers is en op welke wijze hierin zal worden voorzien. Hieraan is toegevoegd dat het wenselijk is dit regionaal af te stemmen. Het is echter niet duidelijk wat de provincie verstaat onder regionale afstemming. Welke regio's hanteert de provincie en op welke manier deze afstemming dient plaats te vinden. Wij verzoeken de provincie dan ook om dit te verduidelijken. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit over energie Artikel 7.43a Zonnevelden In artikel 7.43a is bepaald dat zonnevelden alleen geplaatst mogen worden op restgronden of infrastructuurzones, mits landschappelijk ingepast. De definitie van restgronden is niet duidelijk met als risico dat tuinbouwgronden oneigenlijk gebruikt kunnen worden voor de opwekking van energie. Een heldere definitie van wat de provincie verstaat onder restgronden is essentieel. Wij zien zon op kasdaken is ongewenst tenzij het aantoonbaar niet leidt tot oneigenlijk gebruik van glastuinbouwbestemming. Geothermieclusters moeten rekening houden met bodemkwaliteit en landschappelijke impact.
Wij willen de provincie erop wijzen dat het rijk is bevoegd gezag voor de winningsvergunningen en de rijksoverheid toetst aan de door hun opgestelde wet- en regelgeving, waaronder op het aspect voor bodemkwaliteit. Aanvullende provinciale regelgeving leidt alleen maar tot een verdere com plexiteit rondom de vergunning traject van geothermiebronnen. Daarnaast is opgenomen dat netverzwaring en (energie)opslag visueel en functioneel moeten wor den afgestemd op de kasstructuur. Ook hier pleiten wij voor het beperken van regeldruk en indien er toch gekozen wordt voor extra aanvullende regels, deze dan ook concreet toetsbaar dienen te zijn, aangezien termen als visueel en functioneel afstemmen leiden tot multi- interpretatie en on duidelijkheid. Stedeliike ontwikkelingen Uw uitgangspunt is dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen zo veel mogelijk plaats vinden in de be staande steden en dorpen, waarbij gezondheid, kwaliteit en veiligheid voorop staan. De provincie zet in op groen en gezond intensiveren. Het is niet duidelijk hoe de provincie dit zich in de praktijk voor zich ziet. Ontwikkelingen binnen de bestaande steden en dorpen zijn alleen mogelijk op locaties die nu nog niet benut zijn. Dit zijn vaak de groene open ruimtes van een stad of dorp.
Door ook deze ruimtes, vanwege het tekort aan alternatieve beschikbare uitleglocaties, te benutten voor stedelijke ontwikkelingen is er juist meer sprake van intensiveren van bebouwing, waardoor minder ruimte beschikbaar is voor groen in en om de stad en dorpen. De aanwezigheid van groen in de bestaande steden en dorpen zorgt voor een kwalitatieve leefom geving. Door deze insteek zal er op termijn juist sprake zijn van vermindering van groen in en om de stad.
PAGINA 16
GEMEENTE WESTLAND
Artikel 7.44 afgestemde regionale opgave In artikel 7.44 wordt de regionale afstemming geregeld. De provincie stelt dat een stedelijke ont wikkeling bovenlokale effecten heeft en dat daardoor regionaal overleg noodzakelijk is. De vraag is of elke stedelijke ontwikkeling bovenlokale effecten heeft. Dit is namelijk geheel afhankelijk van de omvang, invulling en locatie van de beoogde ontwikkeling. Om te voorkomen dat elke ont wikkeling regionaal afgestemd dient te worden verzoeken wij de provincie deze stellingname te nuanceren. Daarnaast is, in de bijbehorende toelichting, aangegeven dat de provincie verwacht dat in ieder geval voor wonen, bedrijventerreinen en kantoren verwacht wordt dat de gemeente gezamenlijk regionale visies opstellen en deze periodiek actualiseren. De provincie heeft een verwachting dat dit in gang wordt gezet. Mocht bovenstaande verwachting niet waargemaakt worden dan dreigt de provincie een desbetref fende zelf visie vast te stellen. Wij zien dit niet als een coöperatieve samenwerkende provincie. Wij ervaren dit meer als een dreigement, waarbij wij ons afvragen of dit past binnen uw rolopvatting en de bevoegdheden die de provincie van de rijksoverheid heeft gekregen. Daarnaast geeft de provincie ook aan dat een omgevingsplan rekening moet houden met een door de provincie vastgestelde visie dan wel programma.
Wij willen u er op wijze dat alleen de provinciale omgevingsverordening voor een gemeente bin dend is. De provinciale omgevingsvisie en de provinciale omgevingsprogramma's zijn alleen voor de provincie zelfbindend. Indien een omgevingsplan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsverordening, maar niet met een provinciaal omgevingsprogramma en de provinciale omgevingsvisie dan kan er geen sprake zijn van een omgevingsplan wat niet in overeenstemming is met, voor de gemeente gel dend, provinciaal beleid. Er is op dat moment ook geen beletsel om het desbetreffende omge vingsplan vast te stellen. Artikel 7.45h functiemenging en meervoudig ruimtegebruik In artikel 7.45h wordt ingezet op functiemenging en meervoudig ruimtegebruik. De provincie geeft aan dat functiemenging en meervoudig ruimtegebruik nodig is om ruimte voor werken absoluut noodzakelijk is. Deze noodzakelijke ruimte wordt, door toepassing van deze re geling, belegd bij ontwikkelingen in het al intensief benutte bestaande stads- en dorpsgebied. Het nog meer toevoegen van functies, binnen dit al intensief gebruikte gebied, heeft effect op het aantal te realiseren woningen en de economische haalbaarheid van stedelijke ontwikkelingen.
Artikel 7.45j ruimte voor voorzieningen In artikel 7.45j is bepaald dat een omgevingsplan voor bestaand stads- en dorpsgebied en voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen rekening gehouden wordt met voldoende ruimte voor voorzieningen, met het oog op de beschikbaarheid, nabijheid van deze voorzieningen. Het is echter niet inzichtelijk welke parameters de provincie hierbij hanteert. Verzocht wordt dit te verduidelijken.
PAGINA 17
GEMEENTE WESTLAND
De provincie geeft weliswaar aan dat er voldoende ruimte binnen stedelijke ontwikkelingen moet zijn om deze behoefte vraag op te vangen, maar gaat niet verder in op hoe die behoefte feitelijk ingevuld kan worden. Los van de effecten op de economische haalbaarheid van een stedelijke ontwikkeling door toe passing van deze regeling is de vraag of deze regeling ook het gewenste resultaat op zal leveren. Een stedelijke ontwikkeling heeft effect op de vraag naar bepaalde voorzieningen. Het planolo gisch mogelijk maken van de bedoelde voorzieningen zegt niets over de daadwerkelijke realisatie die afhankelijk is van financiële haalbaarheid. Maar al het bovenstaande houdt op geen enkele manier rekening met het (zeer beperkte) beschikbare aanbod. Er kan behoefte zijn aan bijvoor beeld een extra huisarts. Deze praktijk kan planologisch vastgelegd worden in een omgevings plan. Daarnaast kan deze praktijkruimte ook gebouwd worden, maar als er geen huisarts beschik baar is? Wat is dan de effectiviteit van deze regeling? De provincie geeft in haar nadere toelichting een uitleg over wat een stedelijke ontwikkeling is, namelijk ook stadsparken, begraafplaatsen, sportvelden en volkstuinen. De gemeente Westland heeft, met name op dat laatste onderdeel, behoefte aan een nadere uitleg.
Ziet de provincie volkstuinen/ moestuinen in een kas ook als een stedelijke ontwikkeling? De ge meente is namelijk voornemens beleid te ontwikkelingen voor moestuinen/volkstuinen in kassen. Deze zijn gelegen in het door de provincie aangewezen glastuinbouwgebied. De nadere verduide lijking kan namelijk significant effect hebben op het nog te ontwikkelen beleid rondom moestui nen/volkstuinen in kassen. Daarnaast wordt de indruk gewekt dat bij een omgevingsplan, waarbij de bestaande planologische rechten geconsolideerd worden, ook rekening gehouden moet worden met het bovengenoemde. De vraag is hoe de provincie hier mee om gaat indien er sprake is van een geconsolideerd omge vingsplan, waarbij er niet voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden. U geeft aan dat nog “niet gerealiseerde plancapaciteit" niet in alle gevallen zonder meer opnieuw opgenomen kan worden bij de herziening van een omgevingsplan. Met andere woorden, u wil op nieuw een afweging maken of een ontwikkeling nog nodig, passend, actueel en realistisch is. Aan de gronden is, op basis van bestaande rechten, door de gemeente een functie toebedeeld. Op het moment dat er, op basis van bovenstaande uitgangspunten, een nieuwe functie toebedeeld moet worden, moet wel inzichtelijk zijn welke functie dat dan moet zijn. Tevens is er dan, in bijna alle gevallen, sprake van nadeelcompensatie.
De provincie heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe men dat denkt te borgen. Wij verzoeken de provincie hier dan ook meer duidelijkheid in te ver schaffen. Ook vragen we u hoe u tegen dit aspect aankijkt als betrouwbare overheid. Ruimtelijke kwaliteit Artikel 7.43 definitie soort ruimtelijke ontwikkeling In artikel 7.43 wordt de borging van ruimtelijke kwaliteit vastgelegd. In de begripsdefinities is bepaald dat onder inpassen wordt verstaan dat “de ruimtelijke ontwikke ling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en niet voorziet in structuurverandering, past bij de aard en schaal van het gebied en zich afspeelt op niveau van een kavel".
PAGINA 18
GEME ENTEQUimj
Het is niet duidelijk wat de provincie verstaat onder gebiedsidentiteit. Zolang niet duidelijk is wat verstaan wordt onder gebiedsidentiteit is het ook niet mogelijk om te beoordelen of een inpassing wel of niet passend is. Daarnaast stellen wij vraagtekens bij de gestelde schaal. De vraag is of inpassing binnen een gebied, welke een ruimtebeslag heeft wat groter is dan één kavel, van een dusdanige ruimtelijke impact is dat dit het provinciaal belang schaadt. Artikel 7.43a Borging ruimtelijke kwaliteit In artikel 7.43a is in lid 1 opgenomen dat een omgevingsplan die een nieuwe ruimtelijke ontwikke ling mogelijk maakt alleen is toegestaan als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijkt blijft. Wij vragen ons af of dit objectief toetsbaar is. Bij een ontwikkeling is altijd sprake van een aanpassing van de bestaande situatie. Volgens deze regeling moet de oude situatie vergeleken worden met de nieuwe situatie, waarbij beoordeeld moet worden of de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijkt blijft. Onzes inziens is dit appels met peren vergelijken, waarbij er een subjectieve beoordeling volgt. Groenblauwe netwerk Artikel 7.43p aanwijzing groenblauwe netwerk en geometrische begrenzing grote groene eenhe den en groenblauwe ontwikkellijnen In artikel 7.43p worden de groenblauwe netwerken opgenomen.
De NNN verbindingen de ‘Poelzone' en ‘Van Zee tot Zweth’ staat aangegeven. Wij constateren dat de groenblauwe verbinding 'De Gantelzone', die de groenblauwe verbinding vormt tussen de ‘Poelzone’ en de verbinding ‘Van Zee tot Zweth', ontbreekt op de kaart. Wij verzoeken dan ook deze ontbrekende verbinding op te nemen. Voor de exacte ligging van de op te nemen verbinding wordt verwezen naar de onderstaande afbeelding.
Herijking grote stedeliike bouwlocaties Bij het onderdeel bedrijventerreinen is aangegeven dat de aanduiding als grote stedelijke bouwlo caties voor het project Bovendijk Kwintsheul verwijderd wordt aangezien het omgevingsplan,
PAGINA 19
GEMEENTE WESTLAND
welke deze ontwikkeling mogelijk maakt, onherroepelijk is. Deze stelling is ook correct. De desbe treffende aanduiding dient ook verwijderd te worden, maar als gevolg hiervan, ook de desbetref fende locatie aangewezen te worden als bedrijventerrein. Wij verzoeken de provincie dan ook om de uitbreiding van het bedrijventerrein Bovendijk Kwinstheul aan te merken als bedrijventerrein. Voor het opnemen van de ontwikkellocatie Vlietweg te Naaldwijk zijn in de toelichtende beschrij ving door de provincie voorwaarden gesteld. Hierin is onder andere opgenomen dat bij de ontwik keling van deze locatie tevens voorzien dient te worden in uitplaatswoningen. Echter is het aantal uitplaatswoningen niet beschreven. Wij verzoeken de provincie hier duidelijkheid over te ver schaffen. Artikel 7.45b dichtheid en verscheidenheid woningbouw In artikel 7.45b is opgenomen dat een omgevingsplan voor stedelijke ontwikkelingen rekening houdt met een zo hoog mogelijke woningdichtheid, waarbij het uitgangspunt is dat de woningdichtheid minimaal 33 woningen per hectare bedraagt. Betekent dit dat de provincie met de invoering van deze regel afscheid heeft genomen van de rosetta-uitgangspunten en het principe van dorpswonen heeft losgelaten en alleen nog maar opteert voor een hoog stedelijk woonmilieu? Ook in kleine kernen en dorpen.
Wij vragen de provincie dit te verduidelijken en de effecten van deze keuze beter in beeld te brengen. Artikel 7.45 Ladder voor duurzame verstedelijking De provincie verwacht van gemeenten dat zij een passende afweging maken over de woningdicht heid bij plannen en zich voldoende inspannen voor een hogere dichtheid. Het is echter niet inzichtelijk hoe deze onderbouwing dient plaats te vinden. Wij verzoeken de provincie om dit nader toe te lichten. In het verleden werd de zogenaamde steen van Rosetta gebruikt waarbij de stads en dorpsomgeving werd benoemd op basis van ruimtelijke uitstraling, dichtheid, kwaliteit en dergelijke. Zo heeft de provincie destijds ook onderbouwd dat de ontwikkellocatie 'Wateringen Noord’, gezien de ligging tegen Den Haag, onder matig stedelijk woonmilieu viel en een woningdichtheid diende te hebben van minimaal 45 woningen per hectare en bijvoorbeeld het project 'Uitbreiding Heen weg’ viel onder dorpswonen en een dichtheid van tussen de 20 en 30 woningen per hectare ac ceptabel is. Met de verandering van BSD in stedelijk gebied en een minimale woningdichtheid van 33 wonin gen per hectare voor alle woningbouwontwikkelingen is deze sturing op verschil in ruimtelijke kwaliteit op basis van ligging in een groter gebied nagenoeg geheel verdwenen. Dit staat in feite lijnrecht tegenover een goede ruimtelijke ordening.
Waarom is er niet geopteerd voor een her overweging van de uitgangspunten van de steen van Rosetta? Bijvoorbeeld de dichtheid aan de onderzijde opvoeren maar de kwalitatieve omschrijving van de stedelijke en dorpse typologieën behouden? Wij willen de provincie dan ook verzoeken dit nader toe te lichten. Bedrijventerreinen Artikel 7.51b aanwijzing en geometrische begrenzing (watergebonden) bedrijvengebieden, grote ruimtevragers en campussen.
PAGINA 20
GEMEENTECSiima
De gemeente Westland vindt de begrenzing voor kleinschalige bedrijvengebieden te rigide. Bin nen de gemeente Westland maken we onderscheid in diverse bedrijvengebieden waarbij verou derde terreinen met vooral lokale bedrijvigheid in aanmerking willen brengen voor functiemenging of transformatie. Ook duidt de provincie in de verordening locaties aan als “bedrijvengebied" die slechts 1 bedrijf omvatten. We stelden in onze omgevingsvisie in 2021 al vast dat de transforma tie van enkele bedrijfslocaties, onder andere nabij de Lierweg in De Lier, en in het centrum van Wateringen, tot een serieuze mogelijkheid behoren. Om deze reden verzoeken we de provincie dan ook op de onderstaande gebieden niet als bedrijvengebied aan te merken: De locatie CM Staal en de voormalige Rabobank Wateringen
Cr
De locatie Stolze, Lierweg 34a te De Lier
PAGINA 21
WESTLAND
Artikel 7.52 functiewijziging bedrijventerrein anders dan voor zware bedrijven Er wordt, door de provincie, voorgesteld om functiemenging op bedrijventerreinen toe te staan, maar dan wel onder een aantal strikte voorwaarden zoals dat de beschikbare ruimte voor bedrij ven per saldo gelijk blijft door meervoudig ruimtegebruik. In het dichtbebouwde Westland is het nauwelijks mogelijk om bedrijven met en zware milieucategorie te faciliteren. Meervoudig ruimte gebruik kan die milieuruimte en daarmee de bedrijfsactiviteiten beperken. Om deze reden ver zoeken we de provincie af te zien van meervoudig ruimtegebruik bij hoge milieucategorieën. Artikel 7.52a milieugebruiksruimte voor zware bedrijven De provincie Zuid-Holland wil de schaarse ruimte voor bedrijventerreinen beter benutten. Omdat uitbreiding nauwelijks mogelijk is, richt het beleid zich op het intensiever gebruiken van be staande terreinen. Veel plekken worden nu ingenomen door lichte bedrijven die er niet per se hoeven te zitten. Daarom worden nieuwe regels ingevoerd die de vestiging van lichte bedrijven op zwaardere bedrijventerreinen beperken. Bestaande lichte bedrijven mogen blijven, maar nieuwe vestigingen zijn niet meer toegestaan. Het valt op dat u geen definitie geeft voor zware bedrijven of een zwaar bedrijventerrein. We verzoeken de provincie deze definitie te verduidelijken.
De rol die de provincie voor zichzelf ziet in de sturing op bedrijventerreinen achten wij te ver gaand. Het is niet gewenst dat bedrijven die niet volledig gebruik maken van de maximale milieu gebruiksruimte volledig worden uitgesloten van bedrijventerreinen. We verzoeken de provincie mogelijk te maken om lokaal maatwerk te kunnen blijven toepassen zodat we in kunnen spelen op de lokale situatie, en het economische profiel. De gebiedsgerichte uitwerking van de Provincie Zuid-Holland en de programmalijn 'Toekomstbestendige economie' van de NOVEX-ZR, waarin lokale afwegingen en regionale strategieën worden meegenomen, is nog niet door vertaald in deze verordening. Daardoor wordt nu generiek beleid
PAGINA 22
GEMEENTE WESTLAND
toegepast met vergaande ruimtelijke en economische gevolgen, zonder dat daarbij voldoende re kening wordt gehouden met de specifieke lokale situatie. Het volledig weg-bestemmen van lichte bedrijvigheid zal naar verwachting leiden tot veel leeg stand. De factoren die bedrijven meewegen in hun beslissing om zich ergens te vestigen reiken verder dan alleen de toegestane milieuruimte. Bestaande bouwwerken op zijn bijvoorbeeld vaak ongeschikt voor zware bedrijvigheid. Ook het profiel van een bedrijventerrein, de kwaliteit van de omgeving, de ligging, de bereikbaarheid en de aanwezige van andere bedrijven zijn voorbeelden van factoren die bedrijven meewegen. Het reserveren van ruimte voor bedrijven die veel milieu ruimte nodig hebben zorgt er niet automatisch voor dat dergelijke bedrijven zich ook daadwerke lijk vestigen op een dergelijke locatie. De enige structurele oplossing voor leegstand onder dit be leid is een grootschalige herstructurering van bedrijventerreinen. Dit heeft verstrekkende financi ële gevolgen welke niet betrokken zijn bij de gemaakte beleidskeuze. Op veel bedrijventerreinen vervullen lichtere bedrijfsactiviteiten een ondersteunende of faciliterende rol voor zwaardere bedrijven. Deze verwevenheid is essentieel voor een goed functionerend economisch ecosysteem.
Daarnaast kan functiemenging op bedrijventerreinen juist bijdragen aan levendigheid en kwaliteit. Op basis van de omgevingsverordening is wel maatwerk mogelijk voor andere functies dan zware bedrijvigheid, zolang deze ondersteunend zijn aan het profiel van het bedrijventerrein. Echter, dergelijke profielen, zoals de bedrijventerreinenstrategie van de MRDH, zijn niet geïntegreerd in het provinciale omgevingsbeleid. Het volledig weg-bestemmen van lichte bedrijvigheid brengt daarnaast een aanzienlijk financieel risico met zich mee. Het wegbestemmen van lichte bedrijvigheid heeft tot gevolg dat er sprake is van nadeelcompensatie. Echter is niet inzichtelijk wat de omvang is van de ontstane nadeelcompensatie en of de hoogte van deze nadeelcompensatie te verantwoorden is ten aanzien van het blijkbaar aanwezige probleem wat hiermee wordt opgelost. Op basis van gemeentelijke ervaring met nadeelcompensatie en het extrapoleren hiervan naar alle relevante bedrijventerreinen in de provincie Zuid-Holland is hierbij sprake van een zeer groot financieel risico voor de provincie. Dit risico is bovendien nu extra groot, omdat de Omgevingswet pas recent in werking is getreden, en op onderdelen nog onduidelijkheid bestaat over hoe onder delen van de Omgevingswet moeten worden uitgelegd. De benodigde jurisprudentie die daarover duidelijkheid moet verschaffen, ontbreekt nog.