CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.09a) Waterkwaliteitsrapportage 2018

Commissie Ruimte en Wonen 30 augustus 2022, gemeente WestlandBij agendapunt: Schrijven college d.d. 30-05-22 inzake waterkwaliteit Westland14.501 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie Concluderend naar de doelen van Delfland, geeft de toetsing aan dat knelpunten in de ecologische waterkwaliteit vooral te vinden zijn in de structuur & habitat en ook het variant-eigen karakter. Dit vindt zijn weerslag vooral bij de waterplanten, maar heeft ook een effect op fytoplankton, macrofauna en vis. Vervolgens is de trofie (de hoge gehaltes aan stikstof en fosfaat) een aspect waar winst te behalen valt. De meststoffen hebben met name effect op het fytoplankton (algen) waardoor water vertroebelt en andere soortgroepen minder goed kunnen ontwikkelen. De saprobie (zuurstofhuishouding) kan ook verbeterd worden. Deze karakteristiek heeft vooral impact op de macrofauna en vis, maar ook op andere soortgroepen, want voor het meeste waterleven is zuurstof onmisbaar.

Kader 4.1: Ecologische toetsing, het hoe en wat Om te toetsen in hoeverre de waterkwaliteit in Delfland al voldoet aan de gestelde doelen is de KRW-toetsing leidend (zie hoofdstuk 5). De KRW-toetsmethode is echter in zijn ontwerp geen diagnostische toets, en geeft enkel weer wat de kwaliteit is van het watersysteem, maar biedt geen inzicht in oorzaken. Het aantal meetpunten van de KRW-toetsing is eveneens gering en liggen enkel in de KRW-waterlichamen, en geeft geen inzicht in het lokale water. Alleen op basis van deze score kunnen daarom geen effectieve maatregelen worden afgeleid, noch adviezen worden gegeven voor het gehele watersysteem. Om dit inzicht in de toestand van de waterkwaliteit in het beheergebied wel te krijgen, en daarmee informatie in te winnen over de achterliggende problemen van een onvoldoende waterkwaliteit, wordt al jarenlang gemeten volgens het protocol van en getoetst met de EBEO-systemen van de STOWA (Ecologische BEOordelings-systemen, 2006). Deze toets-methode geeft op basis van de actuele samenstelling van biologische soortgroepen (zoals waterplanten, kleine waterdieren en fytoplankton) en een aantal chemische waarden (zoals bijv. meststoffen, zuurstof en chloride) een beeld van wat de huidige staat van de ecologische kwaliteit is.

De EBEO-systemen werken met zogeheten ecologische ‘karakteristieken’: aspecten van de leefomgeving (zoals waterkwaliteit, -kwantiteit, hydromorfologie) die leidend zijn voor de uiteindelijke kwaliteit van het ecosysteem dat in die leefomgeving ontstaat. Afhankelijk van het watertype wordt van 4 tot 8 karakteristieken bepaald wat de huidige stand van zaken is. Met deze karakteristieken wordt getoetst op welke vlakken er knelpunten voor de ecologische waterkwaliteit bestaan. De knelpunten kunnen weer vertaald worden naar geschikte maatregelen om de doelen voor de KRW en lokaal water te bereiken. Uit deze karakteristieken wordt uiteindelijk ook de EBEO totaal-score berekend.

24

Figuur 4.1: Totaalscore Beoordelingssystemen (EBEO-toetsing)

Ecologische

De totaalscore van de EBEO-toetsing geeft inzicht in de resultaten van deze toets-methodiek. Voor de meeste locaties wordt een voldoende in de laatste meetcyclus gescoord, met her en der een (zeer) goed of slecht. Legenda totaalscore:

Figuur 4.2: Verandering totaalscore Ecologische Beoordelingssystemen (EBEO-toetsing) De EBEO-toets wordt inmiddels al jaren uitgevoerd, en zodoende kan de ontwikkeling in de tijd in kaart worden gebracht. Vergeleken met de meetcyclus van ongeveer 14 jaar eerder is weinig verandering te zien in de totaalscores, maar is in Oostland enige positieve ontwikkeling te zien, tegenover iets meer negatief in Midden-Delfland en Den Haag/Westland. Legenda verandering totaalscore:

Figuur 4.3: Verdeling scores per karakteristiek alle meetpunten De biologische karakteristiek brakkarakter scoort het best, er zijn weinig problemen met verzilting. Dit wordt gevolgd door zuurkarakter, er zijn ook weinig problemen met verzuring. Dan volgt toxiciteit, veel locaties scoren zeer goed of voldoende, al zijn er ook zeker wat locaties de slecht scoren. De op gebiedsvreemd water duidende chemische samenstelling (karakteristiek chemie) scoort vooral voldoende, beter wordt amper gehaald omdat er op veel plekken geen sprake is van gebiedseigen water. Saprobie scoort tussen voldoende en slecht, dus een deel van de locaties heeft net voldoende zuurstof, maar bij een deel vormt dit een probleem door de zuurstofvraag die ontstaat door hoge belasting met organische stoffen. Bij trofie ligt de nadruk op slecht, in veel wateren heeft de ecologie last van een overdaad aan voedingsstoffen. Bij variant-eigen karakter ligt de nadruk op een slechte score en bij structuur/habitat zelfs op slecht/zeer slecht, wat betekent dat er weinig ruimte beschikbaar is voor planten en dieren (structuur/habitat), en de beschikbare ruimte sterk verstoord wordt door bijvoorbeeld intensief onderhoud en ander gebruik van het water, waardoor gebiedseigen planten weinig kans hebben (variant-eigen karakter).

25

Figuur 4.4: Verandering per karakteristiek, alle meetpunten Vergeleken met de eerste meetcyclus van 14 jaar geleden (2005, ’06, ’07) zijn de veranderingen in 2019, ’20 en ’21 beperkt. Twee karakteristieken laten enige positieve ontwikkeling zien: trofie en brakkarakter. Dit betekent dat de effecten van te veel voedingsstoffen en verzilting in het gebied iets afnemen. Verandering van leefgebied (structuur/habitat) vormt de voornaamste negatieve ontwikkeling, met zo’n 20% netto afname, wat betekent dat er minder variatie in leefomgeving voor waterorganismen is. Er zijn ook iets meer negatieve invloeden van verzuring (zuurkarakter) en verstoring van buitenaf (variant-eigen karakter) gesignaleerd. Invloed van gebiedsvreemd water (chemie), organische belasting (saprobie) en de giftigheid van het water (toxiciteit) laten netto weinig verandering zien. De uit deze parameters berekende totaal-score laat netto, onder invloed van zowel positief als negatief veranderde karakteristieken, amper verandering zien. Figuur 4.5: Gemiddelde EBEO-score 2019, ’20 en ’21 op KRW-meetpunten Een gemiddelde score per karakteristiek en per KRWwaterlichaam (zie paragraaf 5.2 en figuur 5.1 voor afbakening: nieuwe waterlichamen, nieuwe representatief meetnet), voor de laatste 3 jaar, geeft een eerste inzicht in de problematiek die op de meetpunten in die waterlichamen het meest speelt.

De scores lopen van 1 (zeer slecht) tot 5 (zeer goed). Het betreft hier watertypes kanalen en sloten die liggen in de polder- en boezemwaterlichamen. Duinen worden niet bemonsterd voor de EBEO-toets en zijn weggelaten. Bij de polderwaterlichamen zitten enkel kanalen, en toxiciteit en zuurkarakter wordt door de EBEO-toets in kanalen niet meegenomen, dus die karakteristieken hebben geen resultaat in deze polderwaterlichamen. De resultaten in de polderwaterlichamen zijn gebaseerd op 1 meetpunt per waterlichaam, omdat er niet meer meetpunten in die waterlichamen zijn waar de benodigde gegevens voor een EBEO-toets worden verzameld. Bij de boezemwaterlichamen zitten betrekkelijk weinig sloten, en de waardes voor toxiciteit en zuurkarakter zijn daar op 1 of enkele meetpunten gebaseerd. De boezemwaterlichamen zijn gebaseerd op 7 tot 19 meetpunten. Voornaamste knelpunten vorm karakteristiek structuur/habitat in boezem Westland en boezem Schie. Ook in de meeste andere waterlichamen staat dit onder druk. Daarnaast scoren saprobie en trofie in de meest gevallen onvoldoende, net als variant-eigen karakter. Chemie scoort slecht in met name de polderwaterlichamen, daar is dus relatief veel negatieve invloed van gebiedsvreemd water, maar scoort voldoende in de boezemwateren. Zuurkarakter en toxiciteit scoren voldoende tot zeer goed, en brakkarakter is overal zeer goed.

De totaal-score komt overal tussen de 2.6 en 3.0 uit. Overigens betekent ‘voldoende’ op de EBEO-maatstaf ook nog niet dat KRW-doelen worden behaald, deze zijn niet één op één vergelijkbaar, maar dit geeft wel de meest kritische aspecten weer en inzicht in waar problemen voornamelijk zitten.

26

Figuur 4.6: Bedekking emerse planten Vanuit verschillende klasse-indelingen van de KRW voor verschillende watertypes, is ten behoeve van deze analyse een bedekking met 5 tot 30% emerse vegetatie (de boven het water uit groeiende planten) als optimaal afgeleid. Een lagere bedekking is te weinig, een hogere bedekking te veel. De ontwikkeling hiervan is bekeken op een serie monsterpunten die al sinds ’96-’99 iedere meetcyclus zijn gemeten. De bedekking met emerse vegetatie laat enige daling zien (groep goed) vanaf de periode ’07-’09 maar laat een flinke verbetering zien in de laatste periode ’19-’21. De groep ‘te veel’ is altijd slechts marginaal aanwezig, omdat weinig watergangen de kans krijgen echt dicht te groeien (verlanden). Over het geheel bezien is er de laatste jaren een flinke verbetering te zien in het aantal watergangen dat goed scoort voor emerse planten. Een kanttekening die hierbij geplaatst moet worden, is dat 5% een betrekkelijk klein percentage is, en de methode van vegetatieopname nooit zo exact kan zijn als bijvoorbeeld een chemische analyse. Wanneer naar de onderliggende data gekeken wordt, gaat de verbetering om slechts een betrekkelijk kleine verschuiving in de bedekkingspercentages, waarbij veel locaties net over die grens van 5% schuiven.

Figuur 4.7: Bedekking submerse planten Vanuit verschillende klasse-indelingen van de KRW voor verschillende watertypes, is ten behoeve van deze analyse een bedekking met 20 tot 60% submerse vegetatie (de onderwaterplanten) als optimaal afgeleid. Een lagere bedekking is te weinig, een hogere bedekking te veel. De ontwikkeling hiervan is bekeken op een serie monsterpunten die al sinds ’96-’99 iedere meetcyclus zijn gemeten. De bedekking met submerse vegetatie is in het watersysteem de afgelopen 21 jaar veel te laag geweest. De groep ‘te weinig’ overheerst sterk. Op ongeveer 15 tot 20% van de locaties is wel voldoende submerse vegetatie aanwezig. De groep ‘te veel’ neemt enigszins doch met wisselende waarden toe. Wanneer water door afname van nutriënten helderder wordt, krijgen vooral woekerende onderwaterplanten als eerste een kans, aangezien het systeem dan nog altijd voedselrijk is. Vaak slaat het dus om van ‘te weinig’ direct naar ‘te veel’. Pas als nutriëntenafname verder doorzet, komt dit meer in balans met soorten die niet de hele watergang vol woekeren.

27

5 Toetsing KaderRichtlijn Water De toetsing voor de KaderRichtlijn Water (KRW) geeft, op basis van ecologische, fysische en chemische parameters inzicht in de ecologische gezondheid van de KRW-waterlichamen in Delfland. De resultaten van deze toetsing laten zien dat een groot deel van de doelen niet wordt behaald. De scores voor de chemische stoffen vallen vooral in “voldoet niet”, “ontoereikend” of “matig”. Op het vlak van de ecologie schommelen de meeste scores rond het doel, net wel of net niet. In boezem Westland liggen de scores voor fytoplankton, waterplanten en vis wel ruim onder het doel. We hebben de scores vergeleken met zowel de doelen voor SGBP2 als SGBP3. Over bijna de hele linie moet nog werk worden verzet om de doelen te halen. 5.1 Doel De KaderRichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die de lidstaten verplicht om te zorgen voor een goede kwaliteit in hun oppervlaktewater. De lidstaten rapporteren aan de Europese Unie op basis van de zogenaamde KRW-waterlichamen. Binnen het beheergebied van Delfland liggen negen KRW-waterlichamen (de 2 grote boezemwaterlichamen zijn voor SGBP3 beide in tweeën gesplitst). Er wordt gewerkt aan het ecologisch gezond maken van deze waterlichamen volgens de geldende ecologische en chemische normen.

macrofauna, om beter in inzicht te krijgen in de diversiteit van het watersysteem. Dit geeft een robuuster resultaat van hoe een waterlichaam er aan toe is. Dit grotere meetnet wordt niet jaarlijks, maar eens in de 3 jaar bemeten. Op deze manier wordt de meetinspanning niet te groot gemaakt, en kunnen gegevens worden benut uit het EBEO-meetnet, waardoor voor waterplanten en macrofauna ook trends uit het verleden kunnen worden bekeken. Om deze reden vindt de analyse van deze gegevens ook per cyclus van 3 jaar plaats. Voor fytoplankton zijn oudere gegevens niet geschikt om aan de KRW methodiek te toetsen (voor KRW-toetsingen zijn meer monsters per jaar nodig dan voor EBEO), en zodoende kan voor fytoplankton voorlopig de analyse enkel worden uitgevoerd op de oorspronkelijke set meetpunten, en wordt de analyse dus ook per jaar uitgevoerd.

De doelen voor Delfland zijn afgestemd op het watertype en omstandigheden van het betreffende waterlichaam en verschillen dus per waterlichaam. Met een blik op de toekomst, zijn de resultaten ook getoetst aan de doelen van SGBP3. Voor chemie moet de waterkwaliteit voldoen of minimaal in de categorie “goed” vallen (zie volgende paragraaf). Voor de ecologie wordt in de basis een Ecologisch Kwaliteits-Ratio (EKR-score) van 0,6 nagestreefd op een schaal van 0,0 tot 1,0 maar dit doel is voor de nieuwe planperiode in veel gevallen verlaagd naar een haalbaar niveau, dat past binnen de kaders van gebruik en inrichting van dit dichtbevolkte gebied.

Omdat de boezemwaterlichamen zijn gesplitst van 2 naar 4, worden de scores per waterlichaam gebaseerd op een andere verdeling aan meetpunten. Voor deze rapportage zijn de scores van vóór 2020 daarom her-berekend om een goede vergelijking te kunnen maken met het meest recente resultaat. Voor de chemie is een herberekening gedaan van 20112018. Voor macrofauna, waterplanten en fytoplankton is vooralsnog een herberekening gedaan voor de periode 2010-2018, voor vis enkel de meest recente bemonstering. Voor de polder- en duinwaterlichamen zijn geen wijzigingen geweest, maar voor de uniformiteit wordt ook hier 2010 als startdatum aangehouden.

5.2 Methode Vanaf 2020 is besloten de biologische resultaten waar mogelijk in één keer te presenteren met alle voor SGBP3 op handen zijnde aanpassingen, in plaats van dit stapsgewijs te introduceren: nieuwe maatlatten, nieuw meetnet en nieuwe verdeling waterlichamen. In 2021 zijn ook de nieuwe doelen hierin meegenomen. Ter indicatie is ook het doel van SGBP2 in de grafieken weergegeven.

De toetsingen van deze gegevens ten behoeve van de waterkwaliteitsrapportage zijn uitgevoerd met de Aquo-Kit van het Informatiehuis Water. Met de Aquo-Kit worden ook de formele KRWtoetsingen uitgevoerd ten behoeve van rapportage aan het Rijk. De hier gepresenteerde getallen kunnen afwijken van de officieel gerapporteerde resultaten, bijvoorbeeld om de volgende redenen: - De KRW-maatlatten zijn, op basis van voortschrijdend inzicht, onderhevig aan aanpassingen, waardoor verschillen tussen rapportagemomenten kunnen ontstaan. - Eveneens kunnen de normen waaraan wordt getoetst, aangepast worden. - De officieel gerapporteerde scores worden gemiddeld over de 3 meest recente meetjaren. In deze analyse worden de scores per jaar bekeken. - De officiële KRW-rapportage vindt op 1 juli plaats. Voor die tijd ontdekte fouten in de Aquo-kit

Het vaststellen van de waterkwaliteit ten behoeve van de KRW, gebeurt op een aantal vaste meetpunten in acht waterlichamen; Boezem Westland, Boezem Haaglanden, Boezem Schie, Boezem MiddenDelfland, Holierhoekse- en Zouteveense polder, polder Berkel, Zuidpolder van Delfgauw en het duinwaterlichaam Solleveld. Voor de ecologie gebeurt dit op 63 locaties en voor de chemie op 9 locaties verdeeld over de waterlichamen. Het duinwaterlichaam Meijendel en Berkheide (zie figuur 5.1) ligt voor slechts een heel klein deel in Delfland, en zodoende neemt Rijnland de volledige monitoring en rapportage van dit waterlichaam op zich. Voor ecologie is vanaf 2019 een uitgebreider meetnet opgetuigd, met name voor waterplanten en 28

-

worden nog door het Informatiehuis Water verholpen, wat tot verschillen in scores kan leiden. Het officieel gerapporteerde resultaat kan worden bijgesteld aan de hand van een beheerdersoordeel. Dat is hier niet gedaan. Voor een beter eigen begrip van de ecologie, en beter zicht op de diversiteit van de waterlichamen, werkt Delfland sinds kort met een groter aantal meetpunten per waterlichaam dan voor de officiële rapportage richting het rijk wordt gebruikt. Deze extra meetpunten worden gemeten in een cyclus van eens in de 3 jaar in plaats van jaarlijks.

5.3 Toestand De KRW-toetsing van de chemie bevestigt de bevindingen uit hoofdstukken 1 tot en met 3, dat de waterlichamen niet voldoen aan de eisen vanuit de KRW. Per waterlichaam zijn het andere stoffen die de knelpunten veroorzaken, dit wordt in paragraaf 5.4 besproken. Meer informatie, zowel ruimtelijk als in detail, over de verschillende stofgroepen en parameters is in hoofdstukken 1 t/m 3 te vinden. Uit de KRW-toetsing voor ecologie blijkt dat scores veelal rond het doel schommelen, en dat vooral boezem Westland er nog onder zit. De EBEO-toetsing geeft aan dat knelpunten in de ecologische waterkwaliteit vooral te vinden zijn in de structuur & habitat en het variant-eigen karakter. Dit vindt zijn weerslag in de ecologische KRW-scores, waar vooral de EKR’s van de waterplanten en macrofauna laag zijn (los van het gestelde doel).

In deze rapportage wordt niet naar het eindoordeel van de KRW-toetsing, maar naar de verschillende componenten van de toetsing gekeken. Dit om een beeld te krijgen welke stoffen, parameters en kwaliteitselementen van de ecologie een knelpunt vormen voor het behalen van de KRW-doelen. Toetsing chemie Omdat vanaf 2011 voor de chemie voldoende betrouwbare gegevens beschikbaar zijn om de KRW te toetsen, zijn de chemische gegevens vanaf dat jaar getoetst volgens de recente normen. Voor de KRW-toetsing van de chemische parameters worden drie aparte groepen beoordeeld: 1. Prioritaire stoffen: stoffen die aangewezen zijn door de EU als probleemstoffen in Europa. 2. Specifiek verontreinigende stoffen: stoffen die in Nederland als probleemstoffen zijn aangegeven. 3. Fysisch chemische parameters: parameters die bepalend zijn voor de ecologie; zoals zuurstof en meststoffen.

In paragraaf 5.4 wordt per waterlichaam ingegaan op de toetsingsresultaten van de stoffen, parameters en de ecologie per waterlichaam. In de figuren zijn de toetsresultaten aan de hand van de meest recente maatlatten voor de waterlichamen weergegeven. De volgende gehanteerd:

De meeste stoffen uit de stofgroepen die ook in hoofdstukken 1 tot en met 3 zijn beschreven, zijn over deze drie groepen verdeeld. Er zijn dus bijvoorbeeld gewasbeschermingsmiddelen die onder de prioritaire stoffen vallen, anderen vallen onder de specifiek verontreinigende stoffen. Niet alle gewasbeschermingsmiddelen die Delfland monitort, zijn in een categorie ingedeeld en kunnen dus niet voor de KRW worden getoetst.

legenda’s

worden

in

de

figuren

Score (kleur is t.o.v. van doel 2027) KRW-doel 2027 KRW-doel 2021 (geen lijn = doel ’21 en ’27 gelijk) Trendlijn

Voor de twee probleemstofgroepen wordt voor beide een oordeel gegeven: voldoet wel of voldoet niet. Dit volgens het one-out, all-out principe. Voor de groep fysisch-chemische parameters wordt een klasse toegekend van slecht tot zeer goed. Toetsing ecologie 2010 is als startjaar in deze analyse genomen. De beschikbare ecologische gegevens zijn voor zo ver mogelijk, voor de periode 2010 t/m 2021, getoetst volgens de meest recente maatlatten. Deze toetsing is uitgevoerd voor 4 soortgroepen, zogeheten kwaliteitselementen: fytoplankton, macrofauna, waterplanten en vis. Het resultaat is een Ecologisch Kwaliteits-Ratio (EKR) tussen 0 en 1 voor ieder kwaliteitselement, waarbij 0 de slechtste score is en 1 de beste, en 0.6 normaliter het minimale doel is.

Figuur 5.1: Herverdeelde KRW-waterlichamen

29

5.4 KRW-toetsing Boezem Schie Chemie: Het beeld van de chemie voor de Boezem Schie is voor de probleemstoffen (prioritaire stoffen en specifiek verontreinigende stoffen) constant over de jaren. Aan de eisen voor beide probleemstofgroepen wordt niet aan voldaan. Het oordeel wordt bepaald door de stof die het slechtste scoort (“one out, all out”) De slechte score wordt veroorzaakt door verschillende PAK’s en metalen. De fysisch chemische parameters scoren matig. Dit wordt veroorzaakt door de concentratie fosfaat. Ecologie: Het fytoplankton bevindt zich met enige schommeling hoofdzakelijk in de klasse goed doordat er weinig tot geen algenbloei van negatieve indicatorsoorten aanwezig was en de algehele hoeveelheid fytoplankton laag, maar in recente jaren trekt het wat omlaag. De waterplanten scoren matig. Uit de EBEOscores (figuur 4.5 in hoofdstuk 4) blijkt dat dit komt omdat er weinig ruimte beschikbaar is voor planten en dieren, en dat de beschikbare ruimte sterk verstoord wordt. Hierdoor zijn er weinig planten in en langs het water te vinden. De scheepvaart op de Schie speelt ook een grote rol. De macrofauna scoort net goed op het doel van SGBP3, doordat er veelal een beperkt aantal soorten is, met een relatief hoog aandeel negatief scorende indicator-soorten.

De vis scoort matig vanwege lage aantallen migrerende en plantminnende soorten, met name in het drukbevaren kanaal zelf. Plantenrijke zijtakken scoren beter. Boezem Midden-Delfland Chemie: Het water van de Boezem Midden-Delfland voldoet niet aan de eisen van de prioritaire stoffen, dit ligt aan de overschrijding van de norm voor kwik en cypermethrin. Bij de specifiek verontreinigde stoffen voldoen enkele metalen nog niet aan de norm. Voor de fysische chemische parameters zijn er ook aandachtspunten. Het oordeel ontoereikend wordt hier bepaald door de concentratie fosfaat en zicht. Ecologie: Het fytoplankton scoort tussen matig en goed. Dit wordt veroorzaakt doordat de totale hoeveelheid fytoplankton vrij hoog is, en er treden wat algenbloeien op van negatieve indicatorsoorten. De waterplanten scoren vooral matig. Uit de EBEO-scores (figuur 4.5 in hoofdstuk 4) blijkt dat dit komt omdat er weinig ruimte beschikbaar is voor planten en dieren, en dat de beschikbare ruimte sterk verstoord wordt. Hierdoor zijn er weinig planten in en langs het water te vinden. De macrofauna scoort vooral matig tegen goed aan, ook op het doel van SGBP3, doordat er relatief veel soorten zijn die negatief scoren bij dominantie. Kenmerkende soorten zijn beperkt aanwezig. De vissen scoren matig, met name vanwege lagere aantallen plantminnende soorten en verhoogde biomassa karper en brasem.

30

Boezem Westland Chemie: Voor de chemie worden alle doelen niet gehaald. Hier liggen de problemen verspreid over de stofgroepen meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en metalen. Voor de prioritaire stoffen is kwik een probleem. Bij de specifiek verontreinigende stoffen komen een aantal metalen en ammonium als normoverschrijdende probleemstoffen naar voren. Voor fysisch chemische parameters is de score slecht door fosfaat. Ecologie: Het fytoplankton scoort tussen matig en ontoereikend. Dit wordt veroorzaakt doordat de totale hoeveelheid fytoplankton vrij hoog is, en in mindere mate door bloei van negatieve indicatorsoorten. De waterplanten scoren vooral slecht en ontoereikend. Uit de EBEO-scores (figuur 4.5 in hoofdstuk 4) blijkt dat dit komt omdat er weinig ruimte beschikbaar is voor planten en dieren, en dat de beschikbare ruimte sterk verstoord wordt. Hierdoor zijn er weinig planten in en langs het water te vinden. De macrofauna scoort matig doordat er relatief veel soorten zijn die negatief scoren bij dominantie. Soorten die positief scoren bij dominantie, zijn in mindere mate aanwezig. De vissen scoren matig en ontoereikend, met name vanwege lage aantallen plantminnende en migrerende soorten. Boezem Haaglanden Chemie: Voor de chemie worden alle doelen niet gehaald. Voor de prioritaire stoffen zijn enkele PAK’s en het metaal kwik een probleem.

Bij de specifiek verontreinigende stoffen komen ammonium, PAK’s en een aantal metalen als normoverschrijdende probleemstoffen naar voren. Voor fysisch chemische parameters liggen de aandachtspunten bij de concentratie fosfor. Ecologie: Het fytoplankton scoort tussen matig en goed. Dit wordt veroorzaakt doordat de totale hoeveelheid fytoplankton meestal vrij laag is, en er beperkt algenbloei van negatieve indicatorsoorten optreedt. De waterplanten scoren vooral matig. Uit de EBEOscores (figuur 4.5 in hoofdstuk 4) blijkt dat dit komt omdat er weinig ruimte beschikbaar is voor planten en dieren, en dat de beschikbare ruimte sterk verstoord wordt. Hierdoor zijn er weinig planten in en langs het water te vinden. De macrofauna scoort vooral matig, doordat er relatief veel soorten zijn die negatief scoren bij dominantie, en weinig die positief scoren bij dominantie. De vissen scoren matig, met name vanwege lage aantallen plantminnende en migrerende soorten, en in enige mate door een hoge biomassa karper en brasem.

31

Holierhoekse- en Zouteveensepolder Chemie: Het water van de Holierhoekse- en Zouteveensepolder voldoet vanwege het metaal kwik niet aan de eisen van de prioritaire stoffen. Bij de specifiek verontreinigde stoffen voldoen ammonium en een aantal metalen nog niet aan de norm. Voor de fysische chemische parameters zijn er meer aandachtspunten. Het oordeel slecht wordt hier bepaald door de concentratie fosfaat. Ecologie: Het fytoplankton scoort tussen goed en matig. De waterplanten scoren matig tegen goed op het doel van SGBP3, doordat er weinig planten aanwezig zijn, en wat er is heeft een vrij lage bedekking, maar er dus wel enige begroeiing aanwezig is. Op te merken valt dat in delen van het waterlichaam de bedekking met planten toeneemt, maar dit uit zich nog niet heel erg op de meetpunten. De macrofauna scoort matig tot goed doordat het aandeel positief scorende soorten relatief groot is. De visstand is in de jaren verbeterd en scoort goed.

Polder Berkel Chemie: Polder Berkel voldoet niet aan de normen voor prioritaire stoffen. Het metaal kwik en de PAK fluorantheen zijn hier normoverschrijdend. Bij de specifiek verontreinigende stoffen komen ammonium en een aantal metalen als normoverschrijdende probleemstoffen naar voren. Ook hier wordt de status “matig” van de fysisch chemische parameters bepaald door fosfaat en doorzicht. Ecologie: Fytoplankton scoort rond de matig tot goed. Vis scoort goed, doordat het aandeel plantminnende en migrerende vis goed is, en het aandeel brasem en karper juist laag. De waterplanten scoren matig, vooral omdat de bedekking met planten en het aantal soorten vrij laag is, maar er dus wel enige begroeiing aanwezig is.De macrofauna scoort matig tot goed.

32

Zuidpolder van Delfgauw Chemie: De Zuidpolder van Delfgauw voldoet in 2021 niet aan de normen van de prioritaire stoffen. Dit wordt veroorzaakt door het metaal kwik. Voor de specifiek verontreinigende stoffen voldoet de Zuidpolder van Delfgauw ook niet. Dit wordt veroorzaakt door de normoverschrijdingen van ammonium, imidacloprid en een aantal metalen. De fysisch chemische parameter die maakt dat de status ontoereikend is, is wederom fosfaat. Ecologie: Het fytoplankton scoort matig tot goed, net als de waterplanten. De status in dit waterlichaam is nogal wisselend, met jaren waarin er vrijwel geen planten staan, en jaren waarin er in delen te veel woekerende soorten staan. Macrofauna scoort matig tot goed op het doel van SGBP3, vanwege weinig positieve scorende (kenmerkende) en relatief veel bij dominantie negatief scorende soorten. De score voor visstand is iets teruggevallen van goed naar matig.

Solleveld Chemie: Voor de prioritaire stoffen voldoet het duinwaterlichaam Solleveld in 2021 niet aan de normen. Dit komt door de normoverschrijding van kwik. De specifiek verontreinigende stoffen voldoen niet door ammonium en een drietal metalen. Voor de fysischchemisch parameters wordt de klasse “ontoereikend” bepaald door de concentratie stikstof. Ecologie: Macrofauna scoort goed op het doel van SGBP3. Fytoplankton scoort goed, de waterplanten inmiddels ook. Vis was in 2019 goed, maar in 2021 niet meer, met een heel lage score in één van de twee plassen. Een kanttekening hierbij: voor de drinkwaterfunctie worden de plassen soms drooggezet en schoongemaakt, wat met name de vissen hard kan treffen. Meijendel (later met Berkheide) is jarenlang als representatief waterlichaam voor de staat van Solleveld gezien, conform de regels die de KRW daarvoor stelt. De beperkt aanwezige kennis uit de praktijk liet zien dat dit echter niet terecht was. Daarom is die (administratieve) koppeling verbroken. In 2019 is een hernieuwde meetinspanning opgestart. Zodoende zijn er nu weer recente gegevens, alleen is de historische kennis beperkt. Meijendel en Berkheide Meijendel en Berkheide zijn enige tijd geleden samengevoegd tot 1 waterlichaam. Het areaal van dit samengevoegde waterlichaam ligt voor een zeer groot dele in beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Zodoende is de monitoring van dit waterlichaam volledig overgegaan naar Rijnland. 33

6 Conclusies Om de algemene waterkwaliteit in het gebied te volgen en de voortgang op het halen van de KRWdoelen in 2027 in de gaten te houden, monitort en bewaakt Delfland de waterkwaliteit. De ambitie voor waterkwaliteit is overal schoon, gezond en levend water, zoals is weergegeven in het bestuursakkoord 2019-2023 ‘Iedereen aan de slag voor water’. De Europese Kaderrichtlijn Water vormt daarbij een belangrijk kader, er moet een goede fysischchemische en ecologische toestand bereikt worden in de oppervlaktewateren. Het Stroomgebiedbeheerplan 2016-2021 vormt het beleids- en maatregelenkader voor de waterlichamen van Delfland. Delfland heeft voor de periode 2016-2021 gekozen om condities te creëren op basis waarvan in 2027 de KRW-doelen kunnen worden gehaald. Het maatregelenpakket voor de KRW is daarop gericht. In dit rapport staan de resultaten van de monitoring in 2021.

voor de ecologie. Met 81% wordt de PI voor toxiciteit (90%) niet gehaald. Delfland heeft ook gemonitord op andere belangrijke chemische en fysisch-chemische parameters. Deze geven samen een algemeen beeld van de gezondheid van de wateren. Het gaat daarbij om verontreinigingen als metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en ecologieondersteunende parameters die van invloed zijn op een goed functionerend ecologisch systeem. Bij deze ecologie-ondersteunende parameters gaat het om: zuurstof, doorzicht, temperatuur, ammonium, chloride en de zuurgraad. Over het algemeen zijn van de ecologieondersteunende parameters de ammoniumconcentratie en het doorzicht nog niet optimaal. PAK’s blijven een probleem op de Schie (Oostboezem) en zijn norm overschrijdend aangetroffen in de Verversingskanaal in Den Haag en in het Westland. Van de standaard metalen is er alleen voor zink op één meetpunt (Vlotwatering, Westland) een overschrijding gevonden. Voor de andere metalen liggen de meetwaarden op alle meetpunten onder de norm. In de KRW-waterlichamen zijn aanvullend nog 43 metalen gemeten. Hiervan overschrijden arseen, kobalt, kwik en seleen de norm op alle meetpunten en uranium op een locatie.

In de West- en Oostboezem is de concentratie aan totaal-stikstof in het zomerhalfjaar hoger dan in 2020 en wordt met respectievelijk 2,8 (PI 2,4) en 2,1 (PI 2,0) mg N/l niet voldaan aan de opgestelde Prestatie Indicator (PI). Ook in de glastuinbouwpolders was de stikstofconcentratie hoger dan in 2020. Alleen in de graslandpolders ligt de concentratie lager dan in 2020. De gemiddelde totaal-fosforconcentratie in de Westboezem is in 2021 hoger dan in 2020, terwijl de concentratie in de Oostboezem vergelijkbaar is met 2020. In de glastuinbouwpolders was de totaalfosfor-concentratie gemiddeld gelijk aan 2020, terwijl het in de graslandpolders een lagere gemiddelde totaal-fosfor-concentratie werd gevonden. Lokaal voldoen veel meetpunten nog niet aan de normen voor stikstof en fosfaat. In 2021 voldoet 14% van de 185 meetpunten aan de norm voor totaalstikstof en 17% aan de norm voor totaal-fosfor.

De KRW-toetsing van de chemie bevestigt de bevindingen hierboven, dat de waterlichamen nog niet voldoen aan de eisen vanuit de KRW voor prioritaire stoffen, specifiek verontreinigende stoffen en fysisch-chemische parameters. Per waterlichaam zijn het andere stoffen die de knelpunten veroorzaken. Maar omdat het principe “one out, all out” geldt, scoren alle waterlichamen een onvoldoende, ondanks dat ze voor een aantal stoffen en kwaliteitselementen wel voldoen. Ecologie: De monitoring van de ecologische waterkwaliteit is getoetst via de EBEO- en KRW-systematiek. Uit de EBEO-toetsing blijkt dat er vooral knelpunten zijn in de structuur & habitat (weinig leefruimte voor soorten) en het variant-eigen karakter (weinig gebiedseigen soorten en veel menselijke verstoring). Dit vindt zijn weerslag vooral bij de waterplanten, maar heeft ook een effect op fytoplankton, macrofauna en vis. Vervolgens is de trofie (de hoge gehaltes aan stikstof en fosfaat) een aspect waar winst te behalen valt. De meststoffen hebben met name effect op het fytoplankton (algen) waardoor water vertroebelt en andere soortgroepen minder goed kunnen ontwikkelen. De saprobie (zuurstofhuishouding) kan ook verbeterd worden. Deze karakteristiek heeft vooral impact op de macrofauna en vis, maar ook op andere soortgroepen, want voor het meeste waterleven is zuurstof onmisbaar.

Uit de KRW-toetsing voor biologie blijkt dat met name de boezem Westland laag scoort. De andere waterlichamen schommelen veelal rond de grens matig-goed.

In 2021 is van 11 gewasbeschermingsmiddelen de norm overschreden. Dit zijn 9 stoffen minder dan in 2020 en evenveel als in 2019. Dit ondanks het feit dat het analysepakket in 2021 met 40 stoffen is uitgebreid. De gemiddelde totale concentratie is in het glastuinbouwgebied veel hoger dan in 2020 maar in de boezem vergelijkbaar met 2020. De gemiddelde concentratie gewasbeschermingsmiddelen bedraagt in de boezem 0,06 µg/l, waarmee de prestatieindicator uit de begroting voor 2021 (max 0,10 µg/l) wordt gehaald. Het percentage aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen in de boezem bedraagt 3,8%, ten opzichte van het totaalaantal gemeten stoffen in de boezem. Dit is lager dan de gestelde prestatie–indicator uit de begroting voor 2021 (max 5,0%). In 2021 is een nieuwe prestatie indicator (PI) ontwikkeld voor gewasbeschermingsmiddelen. Deze PI is gebaseerd op toxiciteit en is een maat voor het percentage metingen dat geen belemmering vormt 34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=64a29937-68c5-45fa-aa93-955b201bc228