CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

2.09a) Waterkwaliteitsrapportage 2018

Commissie Ruimte en Wonen 30 augustus 2022, gemeente WestlandBij agendapunt: Schrijven college d.d. 30-05-22 inzake waterkwaliteit Westland14.501 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Waterkwaliteitsrapportage 2021

…………………………………………….……………………………….……………………………………………………… Colofon Uitgave van:

Hoogheemraadschap van Delfland Afdeling Monitoring en Wateradvies

Kenmerk: Datum:

2037349 April 2022

1

Inhoud Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Inleiding.............................................................................................................................................................. 5 1 Gewasbeschermingsmiddelen ........................................................................................................................ 6 2 Stikstof en fosfaat ......................................................................................................................................... 11 3 Overige stoffen ............................................................................................................................................. 16 4. Ecologische kwaliteit .................................................................................................................................... 23 5 Toetsing KaderRichtlijn Water ...................................................................................................................... 28 6 Conclusies ..................................................................................................................................................... 34

2

Samenvatting Schoon water is belangrijk voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor de mens en een voorwaarde voor evenwichtige natuurlijke omstandigheden en een rijke biodiversiteit. Als beheerder van de waterkwaliteit beschermt en verbetert Delfland het oppervlaktewater in het beheergebied van Delfland. Onze ambitie voor waterkwaliteit is overal schoon, gezond en levend water, zoals is weergegeven in het bestuursakkoord 2019-2023 ‘Iedereen aan de slag voor water’. De Europese Kaderrichtlijn Water vormt daarbij een belangrijk kader. Deze schrijft voor dat in 2027 een goede fysisch-chemische en ecologische toestand bereikt moet zijn in oppervlaktewater. Het Stroomgebiedsbeheerplan 2016-2021 (SGBP-2) vormt het beleids- en maatregelenkader voor de waterlichamen van Delfland. Om de algemene waterkwaliteit in het gebied te volgen en de voortgang op het halen van de te bereiken KRWdoelen in 2027 in de gaten te houden, monitort en bewaakt Delfland de waterkwaliteit. In dit rapport staan de resultaten van de monitoring in 2021. In de West- en Oostboezem is de concentratie aan totaal-stikstof in het zomerhalfjaar hoger dan in 2020 en wordt met respectievelijk 2,8 (PI 2,4) en 2,1 (PI 2,0) mg N/l niet voldaan aan de opgestelde Prestatie Indicator (PI). Ook in de glastuinbouwpolders was de stikstofconcentratie hoger dan in 2020.

Alleen in de graslandpolders ligt de concentratie lager dan in 2020. De gemiddelde totaal-fosforconcentratie in de Westboezem is in 2021 hoger dan in 2020, terwijl de concentratie in de Oostboezem vergelijkbaar is met 2020. In de glastuinbouwpolders was de totaal-fosfor-concentratie gemiddeld gelijk aan 2020, terwijl het in de graslandpolders een lagere gemiddelde totaal-fosfor-concentratie werd gevonden. Lokaal voldoen veel meetpunten nog niet aan de normen voor stikstof en fosfaat. In 2021 voldoet 14% van de 185 meetpunten aan de norm voor totaal-stikstof en 17% aan de norm voor totaal-fosfor. In 2021 is van 11 gewasbeschermingsmiddelen de norm overschreden. Dit zijn 9 stoffen minder dan in 2020 en evenveel als in 2019. Dit ondanks het feit dat het analysepakket in 2021 met 40 stoffen is uitgebreid. De gemiddelde totale concentratie is in het glastuinbouwgebied veel hoger dan in 2020 maar in de boezem vergelijkbaar met 2020. De gemiddelde concentratie gewasbeschermingsmiddelen bedraagt in de boezem 0,06 µg/l, waarmee de prestatie-indicator uit de begroting voor 2021 (max 0,10 µg/l) wordt gehaald. Het percentage stoffen dat wordt aangetroffen is in 2021 met 6,3% in het glastuinbouwgebied en 3,8% in de boezem lager of gelijk dan in 2020 (resp. 6,2 en 4,4%).

Het percentage wordt bepaald door het aantal metingen van de aangetroffen stoffen te delen door het totaal aantal metingen die op deze stoffen is uitgevoerd. De PI voor 2021 (max 5,0 % in de boezem) wordt hiermee gehaald. Het aantal aangetroffen middelen en de gemiddelde concentratie is in veel glastuinbouwpolders hoger dan in 2020. In 2021 is een nieuwe prestatie indicator (PI) ontwikkeld voor gewasbeschermingsmiddelen. Deze PI is gebaseerd op toxiciteit en is een maat voor het percentage metingen dat geen belemmering vormt voor de ecologie. Alle beschikbare gegevens vanaf 2009 zijn met de landelijke rekentool van de STOWA getoetst. Uit de grafiek is af te lezen dat de toxiciteit vanaf 2009 jaarlijks afneemt met een grote sprong voorwaarts vanaf 2017 waarbij 65% in de klasse uitstekend of goed valt. In 2009 was dat nog maar 17%. In de periode 2017-2020 zet de verbetering door met in 2020 85% van de stoffen in de klasse uitstekend of goed. In 2021 zien we een lichte teruggang naar 81%, waarbij met name de klasse uitstekend is afgenomen. Met 81% wordt de PI voor toxiciteit (90%) niet gehaald. Delfland heeft ook gemonitord op andere belangrijke chemische en fysisch-chemische parameters. Deze geven samen een algemeen beeld van de gezondheid van de wateren.

Het gaat daarbij om verontreinigingen als metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en ecologie-ondersteunende parameters die van invloed zijn op een goed functionerend ecologisch systeem. Bij deze ecologie-ondersteunende parameters gaat het om: zuurstof, doorzicht, temperatuur, ammonium, chloride en de zuurgraad. Over het algemeen zijn van de ecologie-ondersteunende parameters de ammonium-concentratie en het doorzicht nog niet optimaal. PAK’s blijven een probleem op de Schie (Oostboezem) en zijn eenmalig norm overschrijdend aangetroffen in de Verversingskanaal in Den Haag en in het Westland. Van de standaard metalen is er alleen voor zink op één meetpunt (Vlotwatering, Westland) een overschrijding gevonden. Voor de andere standaard metalen liggen de meetwaarden op alle meetpunten onder de norm. In de KRW-waterlichamen zijn aanvullend nog 43 metalen gemeten. Hiervan overschrijden arseen, kobalt, kwik en seleen de norm op alle meetpunten en uranium op een locatie. De KRW-toetsing van de chemie bevestigt de bevindingen hierboven, dat de waterlichamen nog niet voldoen aan de eisen vanuit de KRW voor prioritaire stoffen, specifiek verontreinigende stoffen en fysisch-chemische parameters. Per waterlichaam zijn het andere stoffen die de knelpunten veroorzaken.

Maar omdat het principe “one out, all out” geldt, scoren alle waterlichamen een onvoldoende, ondanks dat ze voor een aantal stoffen en kwaliteitselementen wel voldoen. 3

De monitoring van de ecologische waterkwaliteit is getoetst via de EBEO- en KRW-systematiek. Uit de EBEO-toetsing blijkt dat er vooral knelpunten zijn in de structuur & habitat (weinig leefruimte voor soorten) en het variant-eigen karakter (weinig gebiedseigen soorten en veel menselijke verstoring). Dit vindt zijn weerslag vooral bij de waterplanten, maar heeft ook een effect op fytoplankton, macrofauna en vis. Vervolgens is de trofie (de hoge gehaltes aan stikstof en fosfaat) een aspect waar winst te behalen valt. De meststoffen hebben met name effect op het fytoplankton (algen) waardoor water vertroebelt en andere soortgroepen minder goed kunnen ontwikkelen. De saprobie (zuurstofhuishouding) kan ook verbeterd worden. Deze karakteristiek heeft vooral impact op de macrofauna en vis, maar ook op andere soortgroepen, want voor het meeste waterleven is zuurstof onmisbaar. Uit de KRW-toetsing voor biologie blijkt dat scores voor met name de boezem Westland niet goed zijn.

4

Inleiding Schoon water is belangrijk voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor de mens en een voorwaarde voor natuur en biodiversiteit. Als beheerder van de waterkwaliteit beschermt en verbetert Delfland het oppervlaktewater in het beheergebied van Delfland. Delfland heeft zijn beleid om de watersysteemkwaliteit te verbeteren vastgelegd in het Waterbeheerplan 20162021 (Delfland, 2015) en in het KRW-programma Delfland 2016-2021, dat is opgenomen in het Stroomgebiedbeheerplan 2016-2021 Rijn Delta. Tevens vormt het bestuursakkoord 2019-2023 ‘Iedereen aan de slag voor water’ de basis voor de inzet en samenwerking van Delfland voor gezond, schoon en levend water. Het waterkwaliteitsbeleid richt zich op het voorkomen of maximaal terugdringen van verontreiniging en een ecologisch gezond watersysteem. In 2020 is een nieuw Stroomgebiedsbeheerplan (SGBP3, 2022–2027) vastgesteld, waarin de doelstellingen beter passend gemaakt zijn op de gebiedskenmerken van Delfland. Met het huidige Stroomgebiedsbeheerplan 2016-2021, ofwel SGBP2, zijn er KRW-doelen voor 2027 vastgesteld. Deze zijn destijds bepaald op basis van de kennis van het watersysteem van dat moment. Met het vaststellen van het nieuwe SGBP3 zijn de doelen voor 2027 opnieuw bepaald. In combinatie met de blijvende inzet zijn de nieuw vastgestelde doelen daarmee naar verwachting haalbaar.

In SGBP3 zijn tevens maatregelen vastgelegd, die uitgevoerd worden in de periode 2022–2027. Voor 2021 gaan we uit van de strategische doelen voor gezond water, zoals geformuleerd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit zijn: Chemie In 2021 is de chemische waterkwaliteit zodanig dat met een voortgaande ontwikkeling van de ecologische en chemische waterkwaliteit de KRW-doelen in 2027 zijn gehaald. Ecologie KRW-waterlichamen In 2021 zijn de inrichting, het beheer en de waterkwaliteit in de KRW- waterlichamen en in overige delen van het watersysteem zodanig dat met een verwachte voortgaande natuurlijke ontwikkeling de KRW-doelen in 2027 worden gehaald. Vismigratie In 2021 zijn de belangrijkste leefgebieden voor vissen in die mate ontsloten, dat met de verwachte voortgaande ontwikkeling en de renovatie- en nieuwbouwcyclus voor kunstwerken de KRW-doelen voor vissen in 2027 worden gehaald. Lokaal water In de planperiode van het WBP 5 wordt het ambitieniveau voor de waterkwaliteit in de lokale wateren van Delfland vastgesteld en voldoet de waterkwaliteit voor een deel van dit water aan de wensen van burgers, gemeenten en Delfland. Monitoring is nodig om de actuele toestand te bepalen en deze te toetsen aan de normen. Daarnaast volgt Delfland met monitoring de lange termijn ontwikkeling van de watersysteemkwaliteit en het effect van maatregelen.

Dit biedt ook inzicht in de voortgang van de doelen. Monitoring van de watersysteemkwaliteit is wettelijk verplicht, de bepalingen die betrekking hebben op monitoring zijn in de Nederlandse wetgeving opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Ook het Besluit Kwaliteitseisen en Monitoring Water (BKMW) verplicht de waterbeheerder tot uitvoeren van monitoring volgens een monitoringsprogramma. Delfland gebruikt de Ecologische Beoordelingssystematiek (EBEO) voor de ecologische beoordeling van het oppervlaktewater. Omdat de toetsing aan de KRW conform de vanuit de KRW voorgeschreven methodiek wordt gedaan (aan de hand van Ecologische Kwaliteitsratio’s, EKR’s), is deze toetsing als apart hoofdstuk opgenomen. In dit hoofdstuk worden de resultaten van voorgaande hoofdstukken gebruikt om de resultaten van de KRW-toetsing te verklaren. In deze rapportage over 2021 worden de volgende resultaten per hoofdstuk behandeld. 1. 2. 3. 4. 5.

Gewasbeschermingsmiddelen Stikstof en fosfaat Overige stoffen Ecologische kwaliteit Toetsing Kader Richtlijn Water

Het rapport wordt afgesloten met de algemene conclusies. 5

1 Gewasbeschermingsmiddelen In 2021 is van 11 gewasbeschermingsmiddelen de norm overschreden. De gemiddelde concentratie in de glastuinbouwgebieden is veel hoger dan in 2020 maar in de boezem is de gemiddelde concentratie iets afgenomen. We treffen gewasbeschermingsmiddelen nog steeds te vaak en incidenteel in hoge concentraties aan. Dit belemmert op veel plaatsen de ontwikkeling van een gezond ecosysteem. 1.1 Doel Om de effecten van maatregelen te kunnen monitoren zijn twee prestatie-indicatoren (PI) voor 2021 vastgesteld:

De gemiddelde concentratie aan gewasbeschermingsmiddelen (figuur 1.2) is in 2021 met een concentratie van 0,29 µg/l veel hoger dan in 2020 in het glastuinbouwgebied, maar in de boezem- en referentielocaties blijft de gemiddelde concentratie vrijwel gelijk. Verdere analyse van de gegevens laat zien dat de enorme verhoging van de gemiddelde concentratie in het glastuinbouwgebied grotendeels wordt veroorzaakt door vier extreem hoge metingen (zie tabel bij figuur 1.2). Het gaat over de volgende stoffen: daminozide, welke tweemaal is aangetroffen in de Oude Campspolder in een concentratie van 75 en 117 µg/l (norm 76 µg/l), sulfoxaflor (norm niet bepaald) in dezelfde polder in een concentratie van 20 µg/l en in Polder Berkel is propamocarb (norm 710 µg/l) aangetroffen in een concentraties van 108 µg/l. Deze extreem hoge metingen werken niet door in de gemiddelde concentratie in de boezem. De gemiddelde concentratie aan gewasbeschermingsmiddelen in de boezem ligt met 0,06 µg/l ruim onder de gestelde PI van max. 0,10 µg/l (2021).

1. Het percentage aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen in de boezem is 5,0 % of lager. 2. De gemiddelde concentratie van de gewasbeschermingsmiddelen in de boezem is 0,10 µg/l of lager. Deze prestatie-indicatoren gelden nog wel voor 2021, maar komen per 2022 te vervallen. Voor de planperiode 2022-2027 is een nieuwe PI ontwikkeld voor gewasbeschermingsmiddelen. Deze PI is gebaseerd op toxiciteit. De PI voor toxiciteit is een maat voor het percentage metingen dat geen belemmering vormt voor de ecologie. Voor deze nieuwe PI is een tabel gemaakt waarin het percentage metingen dat hieraan voldoet jaarlijks hoger wordt en in 2027 moet voldoen aan 100%. Oftewel dat gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering meer vormen voor de ecologie. Voor 2021 is ook een percentage vastgesteld, namelijk minimaal 90%.

Het percentage stoffen dat wordt aangetroffen (figuur 1.3) is in 2021 met 6,3% in het glastuinbouwgebied en 3,8% in de boezem lager of gelijk dan in 2020 (resp. 6,2 en 4,4%). Het percentage wordt bepaald door het aantal metingen van de aangetroffen stoffen te delen door het totaal aantal metingen die op deze stoffen is uitgevoerd. De PI voor 2021 (max 5,0 % in de boezem) wordt hiermee ruimschoots gehaald.

1.2 Toestand Delfland heeft een meetnet om de waterkwaliteit van het glastuinbouwgebied te monitoren: er zijn 23 meetlocaties in het meetnet voor de glastuinbouw, namelijk op 3 referentielocaties buiten het glastuinbouwgebied, 5 boezemlocaties en 15 locaties in glastuinbouwgebied. Op deze locaties zijn elke maand gewasbeschermingsmiddelen, stikstof en fosfaat gemeten (figuur 1.1). Er worden ook gewasbeschermingsmiddelen gemeten in het kader van de Gebiedsgerichte aanpak in andere gebieden dan hierboven aangegeven. In deze gebieden wordt slechts kortstondig gemeten, waardoor er geen lange reeksen aan gegevens zijn. Omdat we bij voorliggende rapportage vergelijkingen maken met voorgaande jaren, worden de gegevens van de Gebiedsgericht aanpak niet meegenomen. Over de Gebiedsgerichte aanpak verschijnen aparte rapportages. Op de meetpunten in het glastuinbouwgebied komen de hoogste concentraties gewasbeschermingsmiddelen voor en is het aantal gewasbeschermingsmiddelen dat gemiddeld wordt aangetroffen het grootst (figuren 1.2 en 1.3). In de boezemwateren waar de glastuinbouwpolders op afwateren, wordt de verspreiding door het gebied gemeten. Hier zijn de concentraties een stuk lager. De referentiepunten staan niet in contact met glastuinbouwpolders en bevatten de laagste concentraties aan gewasbeschermingsmiddelen.

De polders waar in 2021 gemiddeld de meeste gewasbeschermingsmiddelen zijn aangetroffen (figuur 1.4) zijn: de Hoefpolder (gemeente Westland), de Boschpolder (gemeente Westland) en de Zuidpolder van Delfgauw (gemeente PijnackerNootdorp. Per meting werden op deze locaties gemiddeld 17 stoffen aangetroffen (in 2020 gemiddeld 14 stoffen). Het gemiddeld aantal aangetroffen middelen in 2021 is in 11 van de 15 glastuinbouwpolders hoger dan het gemiddelde van 2020 en in 4 polders lager of gelijk dan in 2020. In de 5 boezemwateren liggen de waarden dichter bij de metingen van 2020. In 1 boezem is de waarde lager dan 2020, in 3 boezems vergelijkbaar met 2020 en in 1 boezem hoger dan in 2020. Een verklaring dat er meer stoffen worden aangetroffen is vooral te vinden in de uitbreiding van het analysepakket, er zijn in 2021 40 extra stoffen gemeten vergeleken met 2020. Bij de maandelijkse metingen wordt een grote spreiding (min-max) aangetroffen. Zo worden in 6

Noordland minimaal vijf en maximaal 21 gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in 2021.

De grootste overschrijdingen zijn afkomstig van de stoffen deltamethrin (toegelaten), esfenvaleraat (toegelaten) en cypermethrin (toegelaten). Ook zijn er 6 gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in 2021 waar geen milieunormen voor bekend zijn. Dit zijn cyantraniliprole, dimethenamide, flupyradifuron, fosetyl, isopropylanthranilamide en sulfoxaflor.

In de rapportage van 2021 is voor het eerst een grafiek opgenomen met gegevens over de toxiciteit (figuur 1.5). Met de landelijke rekentool van de STOWA is van alle metingen van gewasbeschermingsmiddelen vastgesteld in welke toxiciteitsklasse ze vallen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de klassen uitstekend, goed, matig, ontoereikend, slecht of niet te bepalen. De PI voor toxiciteit is vastgesteld op het percentage metingen dat geen belemmeringen vormt voor de ecologie. Geen belemmering betekent de klasse uitstekend (blauw) of goed (groen) in de score. Alle beschikbare gegevens vanaf 2009 zijn in de rekentool getoetst. Uit de grafiek is af te lezen dat de toxiciteit jaarlijks afneemt met een grote sprong voorwaarts vanaf 2017 waarbij 65% in de klasse uitstekend of goed valt. In de periode 2017-2020 zet de verbetering door met in 2020 85% van de stoffen in de klasse uitstekend of goed. In 2021 zien we een lichte teruggang naar 81%, waarbij met name de klasse uitstekend is afgenomen. Met 81% wordt de PI voor toxiciteit (90%) niet gehaald. Er dient wel te worden vermeld dat de nieuwe landelijke rekentool zowel acute als chronische toxiciteit voor 2021 berekent, waardoor de stoffen strenger beoordeeld worden dan de eerder gebruikte rekenmethode (voor het jaar 2020). Ook de percentages over eerdere jaren komen hiermee ook wat lager uit dan eerder gerapporteerd.

1.3 Bronnen Het water dat in de zomermaanden ingelaten wordt uit het Brielse meer bevat nauwelijks gewasbeschermingsmiddelen. Het water dat het gebied via de boezemgemalen verlaat bevat een veelvoud hiervan. Dit wijst erop dat de bron van gewasbeschermingsmiddelen binnen het beheergebied ligt. Uit de metingen van de waterkwaliteit in het glastuinbouwgebied en uit het project Gebiedsgerichte aanpak, blijkt dat lekkages naar het oppervlaktewater de belangrijkste bron van gewasbeschermingsmiddelen zijn binnen het beheergebied van Delfland. Daarbij spelen bij de glastuinbouw de volgende bronnen een rol: - Lekkage in de substraatteelt (via drainage, CO2, lekke vloer en/of kasvoet) - Volle grondteelt met bodemlekkages (komt uiteindelijk via grondwater in contact met oppervlaktewater) - Rioolstoringen of te weinig buffercapaciteit in het riool. Andere (kleinere) bronnen buiten de glastuinbouw zijn bijvoorbeeld de agrarische sector en particulier gebruik van middelen.

In het meetnet glastuinbouw zijn 11 verschillende gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen die de norm hebben overschreden (figuur 1.6). Dit is 9 stoffen minder dan in 2020 en gelijk aan het aantal van 2019. Opgemerkt moet worden dat het analysepakket in 2021 is uitgebreid met 40 stoffen. Van de stoffen die niet meer zijn toegelaten, worden alleen carbendazim en methiocarb aangetroffen in 2021. Van de overige 16 stoffen die niet meer zijn toegelaten maar die in voorgaande jaren wel werden aangetoond, worden er 14 stoffen niet meer aangetroffen. Alleen lufenuron en thiacloprid worden respectievelijk een en zes keer aangetoond over 276 metingen. Omdat de toetsing met het jaargemiddelde rekent, komen deze stoffen als niet toetsbaar uit de toets. Van de toegelaten stoffen zijn er vanaf 2015 vijf stoffen jaarlijks normoverschrijdend aangetroffen. In 2021 zijn alleen imidacloprid en esvenvaleraat normoverschrijdend en worden abamectine, primicarb en spinosad niet meer normoverschrijdend aangetroffen. De stoffen die op de meeste locaties de norm overschrijden zijn pendimethalin (toegelaten), esfenvaleraat (toegelaten) en imidacloprid (toegelaten onder restricties). •

Conclusie De gemiddelde totale concentratie is in het glastuinbouwgebied veel hoger dan in 2020 maar in de boezem vergelijkbaar met 2020. De gemiddelde concentratie gewasbeschermingsmiddelen bedraagt in de boezem 0,06 µg/l, waarmee de prestatieindicator uit de begroting voor 2021 (max 0,10 µg/l) wordt gehaald. Het percentage aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen in de boezem bedraagt 3,8%, ten opzichte van het totaalaantal gemeten stoffen in de boezem. Dit is lager dan de gestelde prestatie–indicator uit de begroting voor 2021 (max 5,0%). Het aantal gewasbeschermingsmiddelen dat in het oppervlaktewater de norm overschrijdt, is in 2021 lager dan in 2020 en gelijk aan 2019, ondanks dat het analysepakket met 40 stoffen is uitgebreid. Het aantal aangetroffen middelen en de gemiddelde concentratie is in veel glastuinbouwpolders hoger dan in 2019. De PI voor toxiciteit, die is vastgesteld op het percentage metingen dat geen belemmeringen vormt voor de ecologie, wordt met 81% van de metingen die voldoen, niet gehaald.

Carbendazim is een afbraakproduct van thiofanaat-methyl, welke ook in het oppervlaktewater is aangetroffen en een toelating had tot april 2021. Onafhankelijk of de aangetroffen stof carbendazim hier een afbraakproduct betreft: de stof hoort niet in het oppervlaktewater thuis.

7

Figuur 1.1: Glastuinbouwmeetnet Delfland Delfland heeft ongeveer 3500 hectare intensieve glastuinbouw. Het meetnet van Delfland bestaat uit 23 meetlocaties, waarvan er 15 direct in het glastuinbouwgebied liggen. 5 locaties liggen in de boezem om de verspreiding in het gebied te bepalen en 3 locaties op schone referentiepunten.

Figuur 1.2: Gemiddelde concentratie Het verloop van de gemiddelde concentratie van gewasbeschermingsmiddelen in het glastuinbouwgebied (rood), boezem waar het water samenkomt (blauw) en referentielocaties welke niet onder invloed van de glastuinbouw staan (groen). Deze figuur is conform afspraken nog eenmaal opgenomen in de rapportage en wordt in 2022 vervangen door toxiciteit (figuur 1.5) De concentraties van gewasbeschermingsmiddelen zijn elk jaar het hoogst bij de bron (glastuinbouw). In 2021 was de gemiddelde concentratie in het glastuinbouwgebied 0,29ug/l. De gemiddelde concentratie in de boezem is 0,06ug/l en in de referentiewateren 0,03ug/l. De gemiddelde concentratie is gebaseerd op de stoffen die zijn aangetoond boven de detectiegrens. De PI voor de gemiddelde concentratie (stippellijn) is opgesteld voor de boezem (blauw). Uit de grafiek blijkt dat de PI in 2021 ruim wordt gehaald ondanks de toename in het glastuinbouwgebied.

Locatie Datum Oude Campspolder (MD&Wl) 25-2-2021 Oude Campspolder (MD&Wl) 26-5-2021 Oude Campspolder (MD&Wl) 3-8-2021 Polder Berkel (Ll) 5-8-2021

Stof daminozide daminozide sulfoxaflor propamocarb

75 117 20 108

8

ug/l ug/l ug/l ug/l

De gemiddelde concentratie in het glastuinbouwgebied (0,29ug/l) is veel hoger dan in voorgaande jaren. Dit hoge gemiddelde wordt vooral veroorzaakt door 4 uitschieters in de concentratie. Hiervan zijn er 3 in de Oude Campspolder gevonden en een in Polder Berkel.

Figuur 1.3: Percentage stoffen aangetroffen Het percentage stoffen dat is aangetroffen in het glastuinbouwgebied (rood), boezem waar het water samenkomt (blauw) en referentielocaties welke niet onder invloed van de glastuinbouw staan (groen). Het percentage aangetroffen stoffen zijn het hoogste bij de bron (glastuinbouw) met 6,3%. In de boezem is het percentage aangetroffen stoffen 3,8% en in de referentiewateren 1,3%. De PI voor gewasbeschermingsmiddelen is opgesteld voor de metingen in de boezem. De waarde in 2021 ligt met een percentage van 3,8% ruim onder de PI van 5,0%. Het percentage wordt bepaald door het aantal metingen van de aangetroffen stoffen te delen door het totaal aantal metingen die op deze stoffen is uitgevoerd.

Figuur 1.4: Aantal Gewasbeschermingsmiddelen per glastuinbouwpolders (oranje), boezem (blauw) en referentielocaties (groen). De gekleurde box geeft de spreiding (max-min) van het aantal middelen per meting die zijn aangetroffen in de betreffende polders. De horizontale rode streep is het gemiddeld aantal aangetroffen middelen in 2021. De horizontale zwarte streep is het aantal in 2020. Het gemiddeld aantal aangetroffen middelen in 2021 is in 11 van de 15 glastuinbouwpolders hoger dan het gemiddelde van 2020 en in 4 polders lager of gelijk aan 2020. In de 5 boezemwateren liggen de waarden dichter bij die van 2020. In 1 boezem is de waarde lager dan 2020, in 3 boezems vergelijkbaar met 2020 en in een boezem hoger dan in 2020. Bij de maandelijkse metingen wordt een grote spreiding (min-max) aangetroffen. Zo worden in Noordland minimaal vijf en maximaal 21 gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in 2021.

Figuur 1.5: Toxiciteit Deze grafiek is in 2021 voor het eerst opgenomen in de waterkwaliteitsrapportage. Vanaf 2009 tot en met 2021 is weergegeven welk percentage van de metingen in de 5 verschillende toxiciteitsklassen vallen (blauw; uitstekend, groen: goed, geel; matig, oranje; ontoereikend, rood; slecht, grijs: niet te bepalen). De PI voor toxiciteit is vastgesteld op het percentage metingen dat geen belemmeringen vormt voor de ecologie. Voor 2021 is dit percentage vastgesteld op 90 %. Geen belemmering betekent uitstekend (blauw) of goed (groen) in de score. Dit komt in 2021 uit op 81% waarmee de PI niet wordt gehaald.

9

Figuur 1.6: Overzicht aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen boven de norm sinds 2015 De toetsing van de aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen vindt plaats op basis van de normen uit de KRW: het jaargemiddelde en de MAC-waarde (maximaal aanvaardbare concentratie). Indien deze voor de betreffende stof niet bestaan is het 90-percentiel getoetst aan de MTR (maximum toelaatbaar risico). Vanwege verandering in de normen en toetsingsregels, zijn ook alle voorgaande jaren opnieuw getoetst. Hierdoor kunnen sommige stoffen in een andere categorie zitten dan bij de toetsing in vorige jaren. Zo werd in de WKR2020 gesproken over 18 normoverschrijdende stoffen, maar door de nieuwe normen en toetsingsregels is dit aantal verhoogd naar 20 stoffen. Uit de tabel blijkt dat in het meetnet van het glastuinbouwgebied in 2021 11 verschillende gewasbeschermingsmiddelen zijn aangetroffen die de norm hebben overschreden. Dit zijn er 9 minder dan in 2020 en evenveel als in 2019. Ook is het analysepakket uitgebreid met 40 stoffen t.o.v. 2020 en is er in 2021 op 254 verschillende stoffen geanalyseerd. Van de stoffen die niet meer zijn toegelaten maar wel zijn aangetoond in de periode 20152021 (nr 1-18) worden alleen carbendazim en methiocarb normoverschrijdend aangetroffen in 2021. Vijf van de toegelaten stoffen (nr 19-23) zijn ook in 2020 normoverschrijdend aangetroffen.

Vier stoffen (nr 24-27) worden in 2021 norm overschrijdend aangetroffen, terwijl dit in 2020 niet zo was. Drie stoffen (nr 28-30) zijn voor het eerst sinds 2015 niet meer normoverschrijdend aangetroffen. Ook 4 andere stoffen (nr 31-34) die in 2020 wel normoverschrijdend waren worden in 2021 niet aangetroffen. De laatste 12 stoffen (nr 35-46) in de tabel worden al twee jaar of langer niet meer normoverschrijdend aangetroffen. voldoet niet toetsbaar overschrijding niet gemeten

10

2 Stikstof en fosfaat De gemiddelde zomerhalfjaarconcentraties van totaal-fosfor stabiliseren zich de laatste monitoringsjaren (2018-2021) in alle bemeten sectoren. Te weten: boezemwateren, graslandwateren, zomers inlaatwater (Brielse Meer) en in het glastuinbouwgebied. In 2021 neemt de gemiddelde zomerhalfjaarconcentratie van totaal-stikstof in zowel de Oost- als de Westboezem licht toe vanaf 2019. Hetzelfde geldt voor het water in het glastuinbouwgebied en voor het zomerse inlaatwater (Brielse Meer). Alleen in de graslandwateren is bij het totaalstikstof-gehalte een licht positieve trend te zien. Lokaal voldoen veel meetpunten nog niet aan de norm voor totaal-stikstof en totaal-fosfaat. 2.1 Doel Om de effecten van het beleid te kunnen monitoren zijn prestatie-indicatoren opgesteld. Voor 2021 was de prestatie-indicator (PI) voor totaal-stikstof een maximale zomergemiddelde concentratie van max 2,4 mg N/l in de Westboezem en van max 2,0 mg N/l in de Oostboezem. Deze prestatie-indicatoren worden elk jaar lager, met uiteindelijk in 2027 de waarde van de norm voor totaal-stikstof (max 1,8 mg N/l). Omdat de fosfaatemissie moeilijk te sturen is, heeft Delfland voor totaal-fosfor geen prestatie-indicator opgesteld. Voor het jaar 2021 zijn de prestatie-indicatoren vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021 om uiteindelijk in 2027 aan de KRW-doelstellingen te voldoen.

Voor stikstof en fosfor geldt in deze planperiode (2015-2021) een concentratie van maximaal 1,8 mg N/l voor totaal-stikstof en maximaal 0,3 mg P/l voor totaal-fosfor. Voor de nieuwe planperiode 2022-2027 (SGBP3) zijn aangepaste doelen voor stikstof en fosfor vastgesteld, welke we vanaf 2022 gaan hanteren. De norm voor totaal-stikstof (≤1,8 mg N/l) is afgeleid en vastgesteld op een concentratie waaronder er met grote zekerheid gesteld kan worden dat de nutriëntconcentratie niet belemmerend is voor het halen van een goede ecologische toestand van het watersysteem. Voor totaal-fosfor is de emissie moeilijk te sturen. Daarom is gekozen om in te zetten op stikstof-limitatie. Hierdoor is de norm voor totaalfosfor hoger (≤0,30 mg P/l) dan de landelijke richtwaarde van ≤0,15 mg P/l en de totaal-stikstof norm lager dan de landelijke norm van ≤2,2 mg N/l. De Delflandse norm is vastgesteld op basis van de visbiomassa en het doorzicht: deze moeten voldoende scoren in ons gebied (technische achtergrondrapportage KRW). 2.2 Toestand Delfland heeft een basismeetnet om de oppervlaktewaterkwaliteit in het beheergebied te volgen. Hierin zijn onder andere locaties opgenomen uit het hoofdwaterstelsel van Delfland, de boezem. De boezem is onderverdeeld in de Oost- en de Westboezem. Op deze locaties worden elke maand onder andere stikstof en fosfor gemonitord.

Daarnaast beschikt Delfland over een roulerend meetnet volgens een driejarige meetcyclus, waar elk jaar één van de drie deelgebieden Oostland, MiddenDelfland of Haagland & Westland gemonitord wordt op stikstof en fosfor. In 2021 betrof dit het deelgebied Oostland. 11

Omdat de prestatie-indicatoren zijn opgesteld voor de Oost- en Westboezem worden deze wateren jaarlijks gevolgd. In de Oostboezem worden 4 meetpunten gebruikt om het zomerhalfjaargemiddelde te bepalen en voor de Westboezem 3 meetpunten. Omdat de boezemwateren gevoed worden door de verschillende polders zijn ook van de glastuinbouwpolders (10 meetpunten) en graslandpolders (5 meetpunten) de zomerhalfjaargemiddelden bepaald. In figuur 2.1 en 2.2 zijn de zomerhalfjaargemiddelden voor respectievelijk totaal-stikstof en totaal-fosfor uitgezet van 2010 tot en met 2021. Hierin zijn ook de waarden van het Brielse Meer opgenomen omdat er met name in de zomermaanden water wordt ingelaten vanuit het Brielse Meer. Uit figuur 2.1 valt op te maken dat de gemiddelde zomerhalfjaarconcentratie voor totaal-stikstof in de Oostboezem met 2,1 mg N/l net boven de waarde van de prestatie indicator van max 2,0 mg N/l en boven de richtwaarde voor totaal-stikstof (max 1,8 mg N/l) ligt. De gemiddelde zomerhalfjaarconcentratie in de Westboezem ligt met gemiddeld 2,8 mg N/l boven de PI van max 2,4 mg N/l. Hiermee is de PI voor stikstof in 2021 niet gehaald. De gemiddelde concentratie van de glastuinbouwmeetpunten is met 5,4 mg N/l hoger dan in 2020 (5,1 mg N/l). De meetpunten uit het grasland hebben een gemiddelde waarde van 2.4 mg N/l (2020: 3,1 mg/l). De toename in het glastuinbouwgebied wordt o.a.

veroorzaakt door het meetpunt in de Boschpolder met gemiddeld 8,2 mg N/l (2020 Boschpolder: 10,3 mg N/l). Het Brielse Meer (2,1 mg N/l) heeft in 2021 een waarde die boven de richtwaarde van max 1,8 mg N/l ligt. In figuur 2.2 zijn de zomerhalfjaargemiddelden voor totaal-fosfor opgenomen. Uit de grafiek valt op te maken dat de gemiddelde waarde voor de Westboezem met 0,75 mg P/l hoger ligt ten opzichte van 2020 (0,53 mg P/l). De Oostboezem vertoont al jaren een min of meer constant zomerhalfjaargemiddelde van circa 0,5 mg P/l. Dit is nog wel boven de richtwaarde van max 0,3 mg P/l voor totaal-fosfaat. De gemiddelde concentratie in de glastuinbouw is in 2021 met 0,80 mg P/l vergelijkbaar met 2020. Het gemiddelde in het grasgebied is in 2021 met 1,2 mg P/l lager dan in 2020 (1,4 mg P/l). De totaal-fosfaat-concentratie in het Brielse Meer ligt met 0,06 mg P/l ruim onder de richtwaarde van maximaal 0,3 mg P/l.

Lokaal water Al het water dat niet in de KRW-waterlichamen ligt, wordt aangeduid met de term “lokaal water”. Om een algemeen beeld te hebben van de totaalstikstof en totaal-fosfor-concentraties in het gebied van Delfland is een overzicht gemaakt van alle metingen uit 2021 van het gehele gebied. In 2021 is op 185 locaties onder andere totaal-stikstof en totaal-fosfor gemeten. Een groot deel van de meetpunten is afkomstig uit het roulerend meetnet. Daarom liggen veel meetpunten in de regio Oostland. Van alle gemonitorde locaties in 2021 (n=185) voldoet 14% in het beheergebied aan de KRW-norm van ≤1,8 mg N/l voor stikstof en 17% voldoet aan de fosfornorm van ≤0,3 mg P/l (figuren 2.3 en 2.4).

N.B. Deze rapportage geeft alleen de 14 polders weer die in het standaardmeetnet zitten. Het project van de Gebiedsgerichte aanpak is inmiddels in meer polders ingezet, maar deze vallen buiten deze rapportage. 2.3 Bronnen De afname van de stikstof- en fosfaatconcentraties in de boezem in de jaren 2014/2015 waren mede te danken aan het extra doorspoelen met Brielse Meerwater. Naast de glastuinbouw zijn er ook andere bronnen van meststoffen zoals uitspoeling van meststoffen uit agrarische gronden, nalevering van meststoffen uit de waterbodem, nutriëntrijke kwel en incidentele riooloverstorten. Lokaal spelen kleinere diffuse bronnen ook een rol (bladval, afspoeling van hondenpoep, vogelpoep en visvoer).

De laagste concentraties stikstof en fosfor zijn voornamelijk te vinden in de duinwateren, de Delftse Hout en in het water van het Brielse Meer, dat wordt ingelaten in het beheergebied van Delfland. In het Brielse Meer is de verblijftijd lang, waardoor het zelfreinigend vermogen van het water hier goed benut wordt. Oftewel: de nutriënten kunnen worden opgenomen en worden omgezet vanuit het water. De stikstofconcentratie van het Brielse-Meer-water schommelt al jaren rond de norm voor stikstof.

Conclusie De gemiddelde stikstofconcentratie in de Westboezem is met 2,8 mg N/l hoger dan in 2020 (2,3 mg N/l) en voldoet niet aan de prestatie-indicator (2021) van ≤2,4 mg/l. In de Oostboezem bedroeg in 2021 de gemiddelde stikstofconcentratie 2,1 mg N/l en daarmee is de prestatie-indicator voor 2021 van ≤2,0 mg N/l niet gehaald. In de glastuinbouwpolders is de stikstofconcentratie hoger dan in 2020. In de graslandwateren is de stikstofconcentratie lager dan in 2020.

De grootste categorie van meetpunten (68%) bevat een totaal-stikstofconcentratie van 1-2 x de norm. De hoogste concentratie aan stikstof (>5x norm) wordt op 1 meetpunt in het gebied aangetroffen. Voor totaal-fosfor zitten de meeste meetpunten in de categorie 2-5 x de norm (48%) en op 8 meetpunten (4%) worden concentraties aangetroffen van > 5x de norm.

De gemiddelde totaal-fosfor concentratie in de Westboezem is in 2021 met 0,75 mg P/l hoger dan in 2020 (0,53 mg P/l), terwijl de concentratie in de Oostboezem vergelijkbaar is met 2020. In de glastuinbouwpolders bleef het gehalte gelijk. In de graspolders werd een lagere gemiddelde totaalfosfor-concentratie gevonden.

Figuur 2.5 geeft de stikstof-concentraties in de glastuinbouwpolders, de boezem en op de referentielocaties van 2021 ten opzichte van 2012. Dit is het jaar voordat het project “Gebiedsgerichte Aanpak” begon. In de figuur komt naar voren dat in vrijwel alle polders de stikstofconcentratie in 2021 lager is dan bij de start in 2012. Alleen in de Heen-& Geestvaartpolder is de gemiddelde concentratie hoger dan in 2012.

Lokaal voldoen veel meetpunten nog niet aan de richtwaarden voor stikstof en fosfor. In 2021 voldoet 14% van de 185 meetpunten aan de norm voor totaal-stikstof en 17% aan de norm voor totaalfosfor.

12

Figuur 2.1: Stikstof concentratie (mg N/l) ; Zomerhalfjaargemiddelden over 2010-2021

De concentraties in de West- en Oostboezem én de Glastuinbouw zijn met respectievelijk 2,8 ;2,1 én 5,4 mg N/l hoger dan in 2020 en liggen alle boven de streefwaarde van 1,8 mg N/l. De concentratie in het grasland (2,4 mg N/l) ligt in 2021 lager dan in 2020, maar ook boven de streefwaarde van 1,8 mg N/l. De concentratie in het Brielse Meer (2,1 mg N/l) ligt in 2021 weer boven de streefwaarde van 1,8 mg N/l.

Figuur 2.2: Fosfor concentratie (mg P/l) ; Zomerhalfjaargemiddelden over 2010-2021

Het zomerhalfjaargemiddelden lijken zich de laatste jaren min of meer te stabiliseren, met enig variatie per monitoringsjaar. De zomerhalfjaargemiddelden liggen op het Brielse Meer na allen boven de streefwaarde van 0,30 mg P/l. • Het Brielse meer heeft in 2021 een gemiddelde concentratie van 0,06 mg P/l. • In de Oostboezem schommelt de waarde rond de 0,5 mg P/l. • In de Westboezem schommelt de waarde rond de 0,7 mg/l. • In de Glastuinbouw schommelt de waarde rond de 0,8 mg P/l. • In het grasland schommelt de waarde rond de 1,4 mg P/l.

13

.

Figuur 2.3: Zomergemiddelde stikstof in 2021. In 2021 is op 185 meetpunten in het gebied van Delfland stikstof gemeten, waarbij veel meetpunten uit het roulerend gebied Oostboezem komen. 14% van de meetpunten (26 van de 185) voldoet aan de KRW-norm van ≤1,8 mg N/l. 68 % van de meetpunten (125 van 185) zit in de categorie 1-2 x de norm 18% van de meetpunten (33 van de 185) zit in de categorie 2-5 x de norm. 1 meetpunt van de 185 meetpunten zit in de categorie > 5x de norm.

Figuur 2.4: Zomergemiddelde fosfor in 2021. In 2021 is op 185 meetpunten in het gebied van Delfland stikstof gemeten, waarbij veel meetpunten uit het roulerend gebied Oostboezem komen 17% van de meetpunten (31 van de 185) voldoet aan de KRW-norm van ≤0,3 mg N/l. 31% van de meetpunten (58 van 185) zit in de categorie 1-2 x de norm 48 % van de meetpunten (88 van de 185) zit in de categorie 2-5 x de norm. 4% van de meetpunten (8 van de 185) zit in de categorie > 5x de norm.

14

Figuur 2.5: Totaal-stikstof per polder: Boezem (blauw), Glastuinbouwpolders bezocht (rood), Referentie locaties (groen) In alle polders, op één na, is de totaalstikstofconcentratie lager vergeleken met 2012 (zwarte streep). Alleen in de Heen- & Geestvaartpolder ligt het zomerhalfjaargemiddelde in 2021 hoger dan in 2012.

15

3 Overige stoffen Behalve op stikstof, fosfaat en gewasbeschermingsmiddelen heeft Delfland ook gemonitord op andere belangrijke chemische en fysisch-chemische parameters. Deze geven met de nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen een algemeen beeld van de gezondheid van de wateren. Het gaat daarbij om verontreinigingen als metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en parameters die van invloed zijn op een goed functionerend ecologisch systeem. Bij deze zogenaamde ecologie-ondersteunende parameters gaat het om: doorzicht, temperatuur, ammonium, chloride en zuurgraad. Over het algemeen zijn van de ecologie-ondersteunende parameters de ammonium-concentratie en het doorzicht nog niet optimaal. PAK’s blijven een probleem op de Schie en metalen vertonen overschrijdingen van met zink. 3.1 Doel Voor de metalen, PAK’s en ammonium gelden de normen uit de KRW-lijst voor prioritaire stoffen of de landelijke lijst van specifiek verontreinigende stoffen (zie hiervoor ook het BKMW). Voor de andere ecologie-ondersteunende parameters houdt Delfland de waarden aan die per watertype in de KRWmaatlatten zijn opgenomen. Om de effecten van het beleid te kunnen monitoren is een prestatie-indicator opgesteld voor doorzicht in de KRW-waterlichamen. Delfland heeft voor 2021 een doorzicht van minimaal 0,65 m ten doel gesteld.

Doorzicht KRW-lichamen De prestatie-indicator voor doorzicht (>0,65m) wordt in twee van de zeven KRW-waterlichamen gehaald (figuur 3.7). Voor één KRW-waterlichaam (Oostboezem) is het doorzicht verbeterd ten opzichte van 2016. Voor twee KRW-waterlichamen is het doorzicht verslechterd (Polder Berkel en Solleveld). PAK’s Het aantal PAK’s (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen) dat de norm overschrijdt, is ten opzichte van 2020 gestegen. Waar in 2019 en 2020 zeven PAKs de norm overschreden, overschrijden er in 2021 negen PAKs de norm. Net als voorgaande jaren blijven de hoge PAKconcentraties op de Schie opvallen (figuur 3.8). Nieuw is dat de PAKs in 2021 eenmalig in de maand maart normoverschrijdend zijn aangetroffen in het afwateringskanaal te Den Haag (Oostboezem). Ook in de Westboezem (Westland) zijn normoverschrijdingen van PAKs aangetroffen in juni 2021; zij het niet zulke hoge gehaltes als in de Oostboezem (figuur 3.8).

3.2 Toestand Per stofgroep wordt de huidige toestand beschreven. Metalen In 2021 zijn op 40 locaties de standaard metalen gemonitord (Cd, Cr, Cu, Ni, Pb en Zn). Naast de jaarlijkse basismeetpunten is er in 2021 gemonitord in het deelgebied Oostboezem (1x/3 jaar). Cadmium, chroom, koper, nikkel en lood worden niet norm-overschrijdend aangetroffen. Zink (figuur 3.1) overschrijdt op 1 van de 40 locaties de norm in 2021. Andere metalen In de KRW-lijst met prioritaire stoffen en specifiek verontreinigende stoffen zijn ook andere metalen opgenomen. Om te bepalen of deze metalen een probleem vormen zijn in 2021 op 9 KRW-locaties 43 extra metalen gemonitord. Van deze metalen overschrijden 4 metalen op alle locaties de vigerende norm. Dit zijn arseen (As), kobalt (Co), kwik (Hg) en seleen (Se). Uranium (U) overschrijdt de norm op een locatie. Van 17 metalen zijn geen milieukwaliteitsnormen vastgesteld en kunnen derhalve niet getoetst worden. De overige 21 metalen worden niet normoverschrijdend aangetroffen. Zie voor het totaaloverzicht tabel 3.2.

Andere microverontreinigingen Bij andere microverontreinigingen moet worden gedacht aan medicijnresten, brandvertragers en stoffen zoals Gen-X en PFAS. Voor deze stoffen zijn er slechts sporadisch normen voor oppervlaktewater. Deze stoffen worden niet regulier binnen Delfland gemonitord. In 2021 heeft er geen monitoring op dit gebied plaatsgevonden.

3.3 Bronnen Regenwaterriolen en riooloverstorten vormen significante bronnen van normoverschrijdingen van o.a. metalen binnen Delfland (emissieregistratie 2017). Landelijk wordt nader onderzocht wat de herkomst in het oppervlaktewater is voor stoffen voor de KRW die landelijk een probleem vormen, zoals metalen, PAK’s en ammonium. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie IenW en RWS.

Ecologie-ondersteunende parameters De concentratie aan ammonium (figuur 3.3) voldoet bij veel meetpunten (86%) niet aan de norm. De zuurgraad of pH (figuur 3.4) scoort op 184 van de 210 locaties (88%) zeer goed tot goed. Op slechts 2 van de 211 gemonitorde locaties (1%) scoort de watertemperatuur matig (98-percentiel > 25oC) (figuur 3.5). De chlorideconcentratie (figuur 3.6) overschrijdt de norm van 300 mg/l op 3 van de 185 gemonitorde locaties (2%). 16

Metalen Bronnen van metalen zijn regenwaterriolen, waarvan het verkeer en vervoer, bouwmaterialen, straatmeubilair en kassen weer de belangrijkste bronnen zijn. Bij verkeer en vervoer zijn slijtage, lekkage en gebruik van voertuigen(onderdelen) de belangrijkste oorzaak. Een andere route is via riooloverstorten, waarbij ongezuiverd afvalwater in het oppervlaktewater terecht kan komen. Behalve de afspoelingen vanaf land, is er ook een significante bron in het water, namelijk de coatings van schepen. En via afspoeling in het landelijk gebied, door bijv. (kunst)mest, kunnen metalen in het milieu komen.

Ecologie-ondersteunende parameters De ecologie-ondersteunende parameters zijn niet overal optimaal voor ecologische ontwikkeling. Te weinig doorzicht (figuur 3.6) is op veel plaatsen belemmerend voor de ontwikkeling van waterplanten. Te hoge ammoniumconcentraties kunnen zorgen voor toxische omstandigheden of een slechte zuurstofhuishouding voor waterorganismen. Bronnen van de meststoffen stikstof en fosfor zijn beschreven in hoofdstuk 2. Ammonium (NH4) komt voor een deel niet direct uit antropogene (menselijke) bronnen, maar is vaak een afbraakproduct van andere stikstofverbindingen die wel direct uit antropogene bronnen afkomstig zijn (www.emissieregistratie.nl, RWS, Waterdienst, Bert Bellert, 2011). Daarbij speelt de afbraak van organisch materiaal in onder meer slib een belangrijke bron. Hoge ammoniumconcentraties leiden tot een hoge zuurstofonttrekking aan het water omdat het wordt omgezet naar nitraat (NO3). Daarnaast kan ammonium als meststof uit- en afspoelen in landelijk gebied of geloosd worden vanuit glastuinbouwbedrijven. Tevens kunnen riooloverstorten en atmosferische depositie een bron vormen van ammoniak (NH3), dat kan worden omgezet naar ammonium (NH4). De overschrijdingen van ammonium worden in 2021 gebiedsbreed aangetroffen.

Aannemelijk is dat het neerslagtekort in 2020, de strenge winter van ‘20’21, het koude en droge voorjaar van ’21 in combinatie met extreme buien in de zomer van ’21 hebben geleid tot pieken aan ammonium-nalevering uit de bodem naar het oppervlaktewater toe.

PAK’s Gebiedsbreed kunnen verhoogde concentraties aan PAK’s in het oppervlaktewater ontstaan uit verbrandingsprocessen door onder meer gebouwverwarming en uitlaatgassen van het verkeer. Via de atmosfeer slaan deze PAK’s neer en komen in het oppervlaktewater en de waterbodem terecht. Ook afspoeling van wegen zijn diffuse bronnen van PAK’s. In de Schie worden ieder jaar verhoogde gehaltes aan PAK’s aangetroffen. Nader onderzoek in de Schie heeft geen eenduidige bron naar voren gebracht. Wel is er in een haventje (zijtak van de Schie) een laag slib gevonden dat verhoogde concentraties PAK bevat. Dit is gemeld bij de Provincie die verantwoordelijk is voor het onderhoud in de Schie.

17

Metalen

Tabel 3.1: Toetsing 6 basismetalen 2021

In 2021 zijn op 40 locaties de 6 basismetalen (Cd, Cr, Cu, Ni, Pb en Zn) gemonitord. Deze 6 metalen zijn getoetst aan de vigerende milieukwaliteitsnormen, Hiervan overschrijdt alleen zink (Zn) op één locatie: (OW058-001; KRW-boezemwater de Vlotwatering Westduinlaan te Monster/Westland). Een locatie in het Westlandse kassengebied met verzinkte kassenconstructies. Een maximale waarde gemeten van 76 µg/l waarbij een norm geldt van maximaal 16,6 µg/l. Een overschrijding van 4,5x de norm.

18

3.2: Andere metalen In 2021 zijn op 9 locaties in de KRW-waterlichamen 43 overige metalen gemonitord. Van deze 43 metalen kennen 25 metalen een milieukwaliteitsnorm. Er zijn 4 metalen die de jaargemiddelde norm overschrijden op alle 9 de locaties; te weten: • Arseen (As) • Kobalt (Co) • Kwik ( Hg) en • Seleen ( Se) Metaal

Arseen (As) Kobalt (Co) Kwik ( Hg) Seleen ( Se)

Landelijke achtergrondconcentratie µg/l 0.5 0.1 0.01 0.04

Aangetroffen bereik µg/l 0.7 – 8.5 0.2 – 1.2 0.0002 – 0.002 0.1 – 0.4

Voor kwik (Hg) liggen alle aangetroffen gehaltes onder de landelijk vastgestelde achtergrondconcentratie voor oppervlaktewater. Op de normen-site van het RIVM wordt geadviseerd om kwik (Hg) te meten in biota (blankvoorn) in plaats van rechtstreeks in het oppervlaktewater. Uranium (U) overschrijdt de jaargemiddelde norm op één locatie. OW111-000 (Holierhoekse en Zouteveense Polder; slinksloot). Jaargemiddelde = 0.99 µg/l. Norm bedraagt 0,97 µg/l De overschrijding is gebaseerd op de resultaten zonder de novembermeting; dit omdat deze ten tijde van het opstellen van het rapport de novemberresultaten nog niet gerapporteerd zijn. De overige 21 metalen die een milieukwaliteitsnorm kennen overschrijden niet en nergens Van 17 metalen zijn er geen milieukwaliteitsnormen vastgesteld. (grijze velden). Bij 4 van deze 17 metalen zonder milieukwaliteitsnorm is er een landelijke achtergrondconcentratie vastgesteld. . Metaal Landelijke Aangetroffen achtergrondbereik concentratie µg/l µg/l Cesium (Cs) 0.03 0.01 – 0.05 Lithium (Li) 3.5 5 – 17 Rubidium (Rb) 2.3 2.2 – 5.5 Strontium (Sr) 110 188 - 565 Bij een aanname dat er geen lokale puntbronnen voor deze 4 metalen zijn in het beheergebied van Delfland, lijkt de regionale achtergrondconcentratie van de metalen Li, Rb en Sr hoger te liggen dan de landelijke achtergrondconcentratie.

19

Tabel 3.2: Oordeel 43 overige metalen (onvolledig)

Figuur 3.3: Ammoniumconcentratie (NH4) In 2021 voldoet het ammoniumgehalte in 14% van de gemonitorde locaties aan de milieukwaliteitsnormering. Zie onderstaande tabel.

NH4 overschrijdt in 2021 op meer locaties de norm dan in de 3 voorafgaande jaren (2018-2020). Een fenomeen dat zich ook bij andere waterschappen (o.a. Rivierenland en Rijnland) in 2021 voordeed.

Figuur 3.4 Zuurgraad (pH) In het merendeel van de in 2021 gemonitorde watergangen voldoet de zuurgraad (pH) aan de norm; 174 van de 210 locaties (83%) scoren zeer goed tot goed.

20

Figuur 3.5: Temperatuur In 2021 is op 211 locaties de watertemperatuur gemonitord. Dankzij een gemiddeld ‘normale’ zomer is de watertemperatuur in 99% (n=209) van de gevallen niet boven de 25oC gestegen. Dit is de KRW-klassegrens voor een uitstekende (MEP) of goede (GEP) score. In 1% van de gevallen (n=2) ligt de maximale watertemperatuur in 2021 boven de 25oC (tot aan een maximum van 25,7oC.). Deze 2 wateren scoren ‘matig’ volgens de KRW-normeringen. N.b. vanwege een clustering van meetpunten is het 2e gele bolletje niet zichtbaar op de kaart, maar ligt bij de rode pijl.

Figuur 3.6 Chloride Het beeld van 2021 is vergelijkbaar met de metingen in voorgaande monitoringsjaren. In de kaart zijn de drie meest recente monitoringsjaren weergegeven (2019 t/m 2021), zodat een gebiedsdekkend beeld ontstaat. In 2019 vrnl. Westland en Haaglanden gemonitord (vierkantjes) In 2020 vrnl. Westboezem gemonitord (driehoekjes) In 2021 vrnl. Oostboezem gemonitord (rondjes) Langs de randen van het beheergebied van Delfland ligt het chloridegehalte structureel hoger dan in de rest van het beheergebied. Het brakke karakter van de ten zuiden gelegen Nieuwe-Waterweg en het Scheur én het zoute water van de Noordzee zijn debet aan deze hogere chloridegehaltes.

21

Figuur 3.7 Doorzicht PI: Het hoogheemraadschap wil dat het doorzicht in de KRWwateren, en achterliggend water op hetzelfde peilniveau, zich in 2021 zal hebben verbeterd ten opzichte van 2010. Het doorzicht is getoetst aan de norm van <0,65m voor de verschillende KRW-waterlichamen. Voor 2 van de 7 waterlichamen voldoet het doorzicht in 2021. T.o.v. 2010 is er in 2021 slechts in één KRW-waterlichaam een blijvende verbetering te zien (Oostboezem). In twee KRWwaterlichamen is het doorzicht in 2021 slechter dan in 2010 (polder Berkel en Solleveld). In vier KRW-waterlichamen blijft het doorzicht onveranderd. SGBP1 #n KRW lichaam

KRW code 2010

6 Oostboezem

NL15_01

6 Westboezem

NL15_02

Prestatie-Indicator Doorzicht SGBP2 2016

2017

2018

2019

2020

2021

4 Holierhoekse en Zouteveense PolderNL15_04 4 Polder Berkel

NL15_05

4 Zuidpolder van Delfgauw

NL15_06

1 Solleveld

NL15_07

1 Meijendel

NL15_08

Figuur 3.8: PAK’s In 2021 zijn 16 PAK’s gemonitord op 10 oppervlaktewater-locaties (zie naastliggende figuur). In de tabel hieronder staan de eindoordelen per PAK per monitoringslocatie gepresenteerd. Acenaftyleen (AcNy) is nergens aangetroffen. Antraceen (Ant), Fenantreen (Fen), Fluoreen (Fle) en Naftaleen (Naf) zijn niet normoverschrijdend aangetroffen. Acenafteen (AcNe) en Indeno(1,2,3-cd)pyreen (InP) hebben geen milieukwaliteitsnorm en kunnen niet worden getoetst. De 9 overige PAKs kennen overschrijdingen van hun specifieke milieukwaliteitsnorm; waarbij fluorantheen (Flu) op alle 10 de locaties overschrijdend wordt aangetroffen. Net als voorgaande jaren worden wederom in de Schie (tussen Delft en Rotterdam) hoge gehaltes waargenomen. Opvallend in 2021 is dat ook in het Verversingskanaal te Den Haag (KRW-waterlichaam Boezem Haaglanden) hoge PAKs-gehaltes zijn gemeten in de maand maart; zelfs hoger dan in boezem Schie. Tevens worden in Boezem Westland verhoogde PAK-resultaten waargenomen in juni; zij het niet zo hoog als in Boezem Haaglanden en in Boezem Schie. In 2018-2020 heeft er bronnenonderzoek naar PAKs in Boezem Schie plaatsgevonden; dit heeft niet geleid tot het aantreffen van een eenduidige bron. .

22

4. Ecologische kwaliteit De Ecologische Beoordelingsmethodiek (EBEO) van de STOWA geeft op basis van leidende aspecten van de waterkwaliteit, karakteristieken genoemd, inzicht in de knelpunten die spelen in de KRWwaterlichamen en het lokale oppervlaktewater van Delfland. Vooral de ruimte die wordt geboden aan waterplanten, en daarmee de structuur die dit geeft aan andere organismen om tussen te leven, staat onder druk. De hoge concentraties aan stikstof en fosfaat en de hoge zuurstofvraag door afbraak van organisch materiaal vormen ook een belemmering voor de ecologie. In de karakteristiek structuur/habitat is een achteruitgang te zien, terwijl duidelijke vooruitgangen zich minder aftekenen. Ondanks alle belemmeringen geeft de EBEO-totaalscore op de meeste locaties ‘voldoende’, wat overeenkomt met de Provinciale norm. In de tijd verandert de totaalscore vrij weinig. 4.1 Doel In het waterbeheerplan van Delfland voor de periode 2016-2021 zijn doelen voor de ecologie geformuleerd, waarvan de volgende relevant is in dit hoofdstuk: Ecologie Kaderrichtlijn water – In 2021 zijn inrichting, beheer en de waterkwaliteit in de KRW-waterlichamen en in overige delen van het watersysteem zodanig dat met een verwachte voortgaande natuurlijke ontwikkeling de KRW-doelen in 2027 worden gehaald.

Op basis van in de afgelopen jaren opgedane kennis zijn in het Ontwerp KRW-programma 2022-2027 deze doelen bijgesteld. Daarbij is uitgegaan van wat realistisch gezien haalbaar is in het intensief gebruikte watersysteem van Delfland. Voor de ecologische waterkwaliteit van heel Delfland is, al voordat de KRW in beeld kwam, op Provinciaal niveau de norm vastgesteld dat de totaal-score volgens de provinciale toetsing (EBEO-systemen) minimaal het niveau ‘voldoende’ moet behalen. Momenteel is, zolang er geen nieuwe doelen voor lokaal water vastgesteld zijn, deze norm nog vigerend voor lokaal water. Voor lokaal water is in het Waterbeheerplan 20162021 het ambitieniveau voor de waterkwaliteit in de overige wateren van Delfland voor 2021 vastgesteld: “In 2021 voldoet de waterkwaliteit in een deel van lokaal water aan de wensen van burgers, gemeenten en Delfland.” Naast deze in beleid vastgelegde doelen is voor het uitvoeren van de taak van waterkwaliteitsbeheerder, een goed begrip van de werking van het eigen watersysteem van cruciaal belang. Het uitvoeren van een brede ecologische toetsing in het hele beheergebied, creëert een basis van waaruit dit begrip kan worden opgebouwd. Dit hoofdstuk geeft, middels een diagnostische toetsing van de ecologische kwaliteit, inzicht in de knelpunten die een ecologisch gezond watersysteem in de weg staan.

4.3 Toestand In het overgrote deel van de meetpunten wordt de Provinciale norm ‘voldoende’ behaald, zoals te zien in figuur 4.1. Een klein aantal meetpunten scoort goed of zeer goed, en een vergelijkbaar aantal scoort slecht. Figuur 4.2 laat zien dat in de tijd de totaalscores weinig veranderen. In de karakteristieken achter de totaalscore is terug te zien waar geen problemen zijn, en waar de knelpunten zitten. Dit is weergegeven in figuur 4.3 en wordt hieronder toegelicht. De karakteristiek chemie geeft op basis van de chemische samenstelling van het water aan hoe gebiedseigen het water is, en of er problemen zijn die veroorzaakt worden door gebiedsvreemd water (er worden hier geen chemische paramaters getoetst aan normen, dat wordt behandeld in hoofdstukken 1, 2 en 3). Deze karakteristiek scoort vooral voldoende. Structuur en habitat geeft aan of er voldoende leefgebied voor soorten is, in ruimte en variatie. Deze karakteristiek scoort vooral (zeer) slecht, wat wil zeggen dat er weinig ruimte is voor planten om tot ontwikkeling te komen. Er zijn weinig verschillende substraten voor andere organismen om tussen en op te leven. De saprobie beschrijft de zuurstofhuishouding en geeft daarmee aan of er voldoende zuurstof in het water beschikbaar is. Deze karakteristiek scoort voldoende tot slecht.

Wanneer saprobie slecht scoort, komen bepaalde soorten die goed tegen zuurstofloosheid kunnen massaal voor. Soorten die juist profiteren van veel zuurstof, en dat zijn ook vaak soorten die worden geassocieerd met een goede waterkwaliteit, verdwijnen. De trofie geeft inzicht in de nutriëntenhuishouding (aanwezigheid van meststoffen). Deze karakteristiek scoort vooral voldoende en deels slecht. Soorten die zich thuis voelen in voedselarmere wateren krijgen weinig kans tussen de dominant aanwezige soorten van voedselrijk water, waardoor de leefgemeenschappen meestal eentonig zijn. De karakteristiek toxiciteit scoort vooral voldoende en zeer goed (de klassen goed en zeer slecht bestaan in deze karakteristiek overigens niet), wat betekent dat op veel locaties weinig effecten van toxische stoffen op de levensgemeenschap waargenomen worden, maar op sommige juist wel. Het brakkarakter geeft indicatie of er ongewenst verzilting plaats vindt. Deze karakteristiek scoort vooral goed tot zeer goed, wat betekent dat er weinig problemen met verzilting zijn.

4.2 Methode Een meetnet van 236 meetpunten wordt gebruikt om de ecologische kwaliteit in Delfland met deze methode vast te stellen. Deze meetpunten liggen verspreid over het hele beheergebied, zowel in de KRW-waterlichamen, als in lokaal water. De ecologische kwaliteit is vastgesteld aan de hand van de methode van de EBEO-systemen van de STOWA (2006). Achtergronden met betrekking tot verschillende toets-methoden wordt gegeven in kader 4.1. 23

Het variant-eigen karakter geeft aan hoe gebiedseigen de vegetatie is, en daarmee welke mate van (menselijke) verstoring er plaats vindt. Deze karakteristiek scoort voornamelijk slecht. Dit betekent dat er weinig vegetatie aanwezig is die typisch is voor de omgeving en het bodemtype en dit geeft aan dat er veel verstoring is, zoals overmatig maaibeheer. Het zijn veelal zeer algemene plantensoorten die relatief goed om kunnen gaan met die verstoring.

meegenomen, omdat een dergelijke reeks niet gemaakt kan worden vanwege een aanpassing in de opname-methodiek tussentijds. De bedekking met vegetatie is vaak niet voldoende. Slechts op een deel van de locaties staat er wel voldoende, op een deel zelfs te veel vegetatie waardoor het water overwoekerd raakt. Door de jaren heen zijn er, bij zowel de submerse als emerse vegetatie wat schommelingen in de score. Met name bij de emerse vegetatie is er in de laatste periode een toename in het aantal locaties dat goed scoort.

Figuur 4.4 laat zien hoe de karakteristieken op alle meetpunten veranderd zijn vergeleken met ongeveer 14 jaar eerder (meetcyclus 2019, ’20 en ’21 vergeleken met 2005, ’07 en ’08). Vooral structuur/habitat laat een negatieve ontwikkeling zien, terwijl positieve ontwikkelingen minder uitgesproken zijn. In figuur 4.5 wordt ingezoomd op de scores op KRWmeetpunten per waterlichaam, met een gemiddelde score over de laatste 3 jaar per karakteristiek. Dit geeft inzicht in specifiek de problematiek in de KRWwaterlichamen. Informatie over de aanpassingen aan de waterlichamen is te vinden in hoofdstuk 5. Een belangrijke ecologische maatstaf die als knelpunt naar voren komt, is de bedekking met vegetatie in en om het water. Waterplanten vormen een zeer belangrijke leefomgeving voor dieren in het water. In figuur 4.6 en 4.7 is voor zowel de boven het water uitgroeiende planten (emers) als onderwaterplanten (submers) een grafiek gegeven van de bedekking in de afgelopen 22 jaar. De drijfbladvegetatie is niet

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=64a29937-68c5-45fa-aa93-955b201bc228