CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

1.40a) ontwerpbestemmingsplan Westerhonk (21-0269976)

Gemeenteraad 26 oktober 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Vaststelling van de afhandeling van de Lijst met Ingekomen Stukken (LIS)35.551 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten: «

*

Standstill-beginsel - negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen; Het is belangrijk om water al bij de locatiekeuze en het ontwerp van ruimtelijke ontwikkelingen als ordenend principe te gebruiken. Dat voorkomt het ontstaan van knelpunten achteraf, zoals (grond)wateroverlast of slechte waterkwaliteit; Verbetering - in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut. Het gaat daarbij ook om de relatie tussen de verschillende waterthema's (droogte en wateroverlast, afvalwater, waterkwaliteit en ecologie, waterkeringen). Waterknelpunten en/of problemen met waterkeringen worden niet afgewenteld op de omgeving of verschoven naar de toekomst

De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: * * * « * * * *

Beleidskader omtrent water; Veiligheid en waterkeringen; Waterkwantiteit; Grondwater en voorkomen van (zoet) water te kort; Onderhoud en bagger; Watersysteemkwaliteit en ecologie; Afvalwater en riolering; Klimaatadaptie.

Gemeentelijk beleid Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: ’’Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering

50

Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

WATERPLAN WESTLAND WESTLAND WATER, NU EN LATER

WAT 3''februari 2 Beleid 's Heeren Loo Met het ondertekenen van het Bestuursakkoord klimaatadaptatie hebben het Rijk, gemeenten, provincies en waterschappen op 20 november 2018 afgesproken de schouders te zetten onder een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Zelf heeft 's Heeren Loo in haar Duurzame koers 2018 - 2021 drie beloften gegeven: Goed leven, mooi werk binnen een gezondheidsbevorderende leefomgeving en een duurzame gezonde organisatie.

's Heeren Loo vindt het dan ook vanuit zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid én met het oog op inen externe actuele en toekomstige ontwikkelingen belangrijk om te anticiperen op klimaatverandering. Dit door het Westerhonk klimaatbestendig in te richten en te beheren met oog voor multifunctionaliteit. En waar mogelijk, in afstemming met haar gebiedspartners meekoppelkansen te benutten. Daarom pakt 's Heeren Loo nu de kans om de robuustheid van het huidige watersysteem te verbeteren. Dit door ruimte te reserveren om extra regenwater te bergen en tegelijkertijd de ecologische waterkwaliteit d.m.v. aanleg van natte natuur te verbeteren. Dit komt de bewoners van Westerhonk, de ecologie en de leefomgeving ten goede. Ook waterbewustzijn is een onmisbare schakel voor draagvlak voor een klimaatbestendige (her)inrichting van Westerhonk. Om bewustwording van de rol van het water binnen Het Westerhonk te benadrukken wordt in 2020 onderzocht of het haalbaar is om de huidige natuurspeeltuin met een waterbergende waterspeeltuin binnen watervlak B en F uit te breiden. Deze waterbergende waterspeeltuin is gericht op zichtbaar opvangen en (tijdelijk) bergen van regenwater. Dit gecombineerd met verschillende water- en speelvoorzieningen en een activiteitenprogramma.

3.8.2

Onderzoek

Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van

51

waterkeringen. Om die reden is het van belang dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. Voor de werkzaamheden die worden uitgevoerd en werken die worden aangelegd binnen de zonering van de waterkering is over het algemeen een watervergunning nodig. De definitieve uitwerking moet daarbij voldoen aan de criteria die het Hoogheemraadschap van Delfland stelt, en wordt nader met het Hoogheemraadschap van Delfland afgestemd. De navolgende afbeelding toont Het Westerhonk op de kaart behorende bij de legger van Hoogheemraadschap van Delfland.

Uitsnede leggerkaart regionale waterkeringen Delfland

Binnen Westerhonk zijn verschillende waterstaatwerken met bijbehorende beschermingszones aanwezig. Er zijn enkele ontwikkelingen voorzien die plaatsvinden in beschermingszones van waterstaatswerken. Hierbij gaat het om het graven van water en/of uitloopgebied. Voor het aan te leggen water in het zuidoosten van het Westerhonk bij de Sportlaan heeft afstemming plaatsgevonden en wordt een watervergunning aangevraagd. Verder wordt beoogd in het noordwesten van het gebied nabij de Hoevelaan, aan een bestaande waterpartij, een uitloopgebied te realiseren. Hiervoor wordt de bodem op 30 cm -Mv afgeplagd. Dit vindt mogelijk (deels) plaats in de beschermingszone van een regionale waterkering, waardoor voor de ontwikkeling vergunning van het hoogheemraadschap benodigd is. Het is ook mogelijk dat het uitloopgebied zich buiten de beschermingszone gaat bevinden; er is hier immers nog genoeg onbebouwde ruimte beschikbaar. In dat geval zal de afgeplagde bodem gebruikt worden om een glooiend landschap te creëren ten westen van het uitloopgebied. Deze ophogingen bevinden zich dan wel binnen de beschermingszone, waardoor ook hiervoor een vergunning van het hoogheemraadschap vereist zal zijn.

52

Tevens wordt beoogd bij enkele waterpartijen in het oosten van het plangebied natuurvriendelijke oevers aan te leggen. Ook hiervoor is een vergunning vereist. Mogelijk wordt in de nadere uitwerking van de handelingen besloten de waterpartijen en oevers zo te graven dat ze zich buiten de beschermingszones bevinden. Als er voorts handelingen aan de waterstaatwerken of bijbehorende beschermingszone worden verricht, als de waterstand op een ander peil wordt gebracht dan in het peilbesluit is vastgesteld of als er werken worden geplaatst in het profiel van vrije ruimte, is tevens een vergunning van het bestuur van het hoogheemraadschap benodigd.

Waterkwantiteit Delfland streeft naar een duurzame, robuuste waterstructuur met voldoende mogelijkheden voor waterberging. Dit streven heeft uiteindelijk tot doel wateroverlast voor de nieuwe en de al aanwezige functies in het gebied te voorkomen. Bij het voorkomen van wateroverlast en het verwerken van hemelwater hebben perceeleigenaar, gemeente en Delfland elk een verantwoordelijkheid. De perceeleigenaar moet het hemelwater zoveel mogelijk zelf verwerken en vasthouden bij de plaats waar het valt, bijvoorbeeld een (slimme)regenton. De gemeente draagt zorg voor de inzameling en verwerking van het afstromend hemelwater. Dit betekent dat de gemeente en initiatiefnemers/perceeleigenaren inspanning moeten doen om dit hemelwater vast te houden of terug te brengen in de bodem. Vervolgens kan het (al dan niet na zuivering) worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Delfland is vervolgens verantwoordelijk voor de ontvangst van hemelwater in het oppervlaktewater.

Om te kunnen bepalen wat de wateropgave is dient eerst in beeld te worden gebracht wat de huidige oppervlakteverdeling van verharding en water is. Doordat er beoogd wordt de wateropgave worstcase te benaderen worden de in de praktijk aanwezige oppervlaktes verharding en water als uitgangspunt aangehouden. Tevens wordt een onderscheid gemaakt tussen het boezemdeel, het bovenstroomse deel en het benedenstroomse gedeelte, omdat deze in verschillende peilgebieden liggen. Bij het boezemdeel wordt ook een deel van de huidige polder betrokken, omdat het water in dit gebied op het boezempeil komt te liggen en onderdeel uit gaat maken van dat systeem. Hiervoor wordt een deel van de regionale kering verlegd. De onderverdeling in deelgebieden staat weergegeven op navolgende afbeelding:

Onderverdeling deelgebieden

De oppervlakteverdeling per deelgebied, inclusief de beoogde toekomstige situatie, staat in navolgende tabel weergegeven. Op navolgende afbeelding is te zien hoe de drie deelgebieden zich verhouden tot de bestemmingsvlakken van de toekomstige situatie.

53

Bestemmingsvlakken in deelgebieden (groen omkaderd)

In de bestaande en toekomstige situatie is er per deelgebied een bepaald oppervlak aan water en verharding aanwezig. Aan de westzijde van het plangebied wordt een gedeelte van de regionale waterkering verlegd, zie de navolgende afbeeldingen. Hierdoor wordt 2,2 ha polder onderdeel van de boezem, ook wel ontpoldering genoemd. De procedure voor de benodigde leggerwijziging wordt separaat gevolgd.

NjHHJWdceJ Schram Liùļrst lphJíj BMMŕrt Vţftwrd

ĥr'ilundr

fiwiifYiSitwrd

Síhjyt

1 Jůůû IHHİļ

hŭjfCiivTfra

SKIHUIS

Verharding bestaande situatie in het te ontpolderen gebied

54

OiMrAfTįËabtod Whm at# Bota*™

■Ą m*

L iįçrŕ. muil Bocwn Verhard

GŴrtffHiflmpad

BūŕŕĒfïFļílwJ Schut Url3S»

Verharding toekomstige situatie in het te ontpolderen gebied

De bij de verschillende in het plangebied aanwezige behorende oppervlaktes staan weergegeven in navolgende tabel.

Netto huidig

Netto toekomstig

22.116 m2

22.116 m2

Water

0 m2

2.181 m2

Verharding

8.159 m2

10.183 m2

Totaal

226.618 m2

226.618 m2

Water

11.154 m2

18.744 m2

Verharding

73.090 m2

93.012 m2 150.461 m2

Boezemdeel nieuw ontpolderen gebied)

(te

Totaal

Bovenstrooms (westen)

Benedenstrooms (oosten) Totaal

150.461 m2

Water

7.955 m2

16.653 m2

Verharding

32.304 m2

65.431 m2

Met deze gegevens is de zogenaamde 'Watersleutel' van Hoogheemraadschap van Delfland uitgevoerd. Deze rekentool kan op basis van gegevens over de oppervlakteverdeling aangeven hoeveel extra waterberging en oppervlaktewater er gerealiseerd moet worden. Uit de Watersleutel blijkt dat in het bovenstroomse deel 3.631 m3 aan extra waterberging of 7.471 m2 extra wateroppervlak en in het benedenstroomse deel 4.200 m3 aan extra waterberging of 8.642 m2 aan extra wateroppervlak gemaakt dient te worden. Het waterschap kent de eis dat er voldaan moet worden aan de hoeveelheid extra wateroppervlak of aan de extra waterberging. Voor het wateroppervlak geldt dat dit onderdeel moet zijn van het watersysteem van het waterschap om het als wateroppervlak mee te kunnen tellen. Omdat het uitloopgebied in wordt gericht als plasberm en meedoet in het watersysteem, mag dit bij het wateroppervlak gerekend worden.

55

Het water wordt immers rondgepompt door het uitloopgebied, waardoor het permanent onder water staat. Ook het natte gedeelte van de natuurvriendelijke oevers wordt onderdeel van het watersysteem. Hiervoor is een gemiddelde strook van 1,5 m breed aangehouden. Per deelgebied komt de toename van het wateroppervlak uit op het volgende:

Boezem

Bovenstrooms

Benedenstrooms

Water

1.992 m2

1.684 m2

0 m2

Uitloopgebied

0 m2

4.635 m2

2.958 m2

Natuurvriendelijke oevers

189 m2

1.381 m2

843 m2

Totaal

2.181 m2

7.590 m2

3.801 m2

Voor de toename van boezemland moet ook de waterberging van de boezem vergroot worden. In het boezemdeel komt de totale toename van het wateroppervlak uit op 1.992 m2 + 189 m2 = 2.181 m2. Dat is door Delfland als voldoende beoordeeld, om voor de toename van afwaterend boezemland te compenseren. In het bovenstroomse gedeelte komt de totale toename van het wateroppervlak uit op 1.684 m2 + 4.635 m2 + 1.271 m2 = 7.590 m2. Daarmee wordt voldaan aan het vereiste extra wateroppervlak uit de Watersleutel. In het benedenstroomse gedeelte komt de totale toename van het wateroppervlak uit op 2.958 m2 + 843 m2 = 3.801 m2. Daarnaast wordt er binnen enkele woonbestemmingsvlekken nog extra water aangelegd dat ook meegenomen mag worden in deze berekening. De hoeveelheid water staat als percentage van de woonbestemmingsvlek weergegeven in het kaartenboek. Een voorbeeld hiervan is te zien op navolgende afbeelding.

Voorbeeld woonbestemmingsvlek (bron: kaartenboek p.11)

Het gaat daarbij om 4.897 m2 wateroppervlak. In totaal komt het extra wateroppervlak in het benedenstroomse gedeelte daarmee uit op 8.698 m2. Daarmee wordt ook voor het benedenstroomse gedeelte voldaan aan de uit de Watersleutel voortkomende vereiste compensatie.

Ook van invloed op de waterkwantiteit en het peilbeheer is de situering van aflaat gemalen. Hoogheemraadschap van Delfland heeft de voorkeur uitgesproken een gemaal aan de noordzijde van

56

het Westerhonk te realiseren. Vanwege de huidige ambities met betrekking tot de interne watercirculatie past deze aflaat niet binnen het watersysteem. De huidige plannen maken de eventuele verplaatsing van de aflaat echter niet onmogelijk, waardoor het gemaal mogelijk op een later moment in het systeem betrokken kan worden.

Watersysteemkwaliteit en ecologie In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen.

Het gebied Het Westerhonk omvat 44 ha en kent drie verschillende peilgebieden. Peilgebied 1 boezempeil -0,43 m NAP, peilgebied 2 peilgebied van -0,93 m NAP en peilgebied 3 van -1,08 m NAP. Door middel van een polderinlaat worden peilgebied 2 en 3 van boezemwater voorzien.

De inlaat van boezemwater vindt plaats aan de westzijde van het terrein. Dit water loopt vervolgens via een stelsel van sloten, waterpartijen en een vijver naar de oostzijde van het terrein en gaat daarna onder de boezem door richting het polderwater ten oosten van het Westerhonk. Het boezemwater dat wordt ingelaten is met name gebiedsvreemd water van een mindere chemische en ecologische kwaliteit. Ook wordt er met het inlaten van het boezemwater bodem woelende vis ingelaten zoals brasem en karpers, die een negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit. De bestaande watergangen zijn voorzien van harde kanten en er is weinig diepte, waardoor het water niet goed doorstroomt, is in de feitelijke situatie geconstateerd. Mede daardoor is de biodiversiteit in het water beperkt.

In de toekomstige situatie wordt ingezet op een robuust, ecologisch waardevol watersysteem. Dit wordt gerealiseerd door zo min mogelijk boezemwater in te laten en regenwater zo lang mogelijk circulair vast te houden binnen peilgebied 2 en 3. Om er voor te zorgen dat het water uit het hogere peilgebied niet wegstroomt naar het lagere peilgebied is er tussen de peilgebieden in een nieuwe stuw aangelegd waarin een verstelbare plank, uitgevoerd als damwand, is verwerkt. Zo kan geregeld worden wanneer water doorgelaten wordt. Deze damwand is in december 2018 door het hoogheemraadschap vergund en is inmiddels gerealiseerd. Op navolgende afbeelding is een 3d model van de stuw weergegeven.

57

3d model damwand

Door diverse aanpassingen aan het watersysteem en het graven van nieuw water kan de doorstroming worden verbeterd en neemt de ecologische kwaliteit van het watersysteem sterk toe. Dit heeft een positieve invloed op de biodiversiteit in het water en van de natuur eromheen. Op de navolgende kaart wordt globaal weergegeven waar de opgaven worden gerealiseerd.

Kaart watervlakken (bron: Buisman N&I)

Toekomstige functies watervlak A t/m H (waarbij A t/m D ook als wateruitloopgebied fungeren): « * * * *

locatie A: uitloopgebied/helofytenfilter met als optionele meekoppelkans t.b.v. KRW/aangrenzend boezemwater een vispaaiplaats; locatie B: (duin) uitloop- en infiltratiegebied met optionele waterbergende waterspeeltuin; locaties C en D: vergroten wateroppervlak/uitloopgebied t.b.v. berging/natte natuur; locaties F en G: verbreden bestaande watergang t.b.v. berging/ natte natuur (locatie F optionele waterbergende waterspeeltuin); locatie H: verbinding peilgebied 3 t.b.v. interne watercirculatie.

Het huidige watersysteem bestaat uit ondiepe vijvers en watergangen met beschoeiing, met nauwelijks

58

watergebonden vegetatie en bodem woelende vissen als brasem en karperachtige (zie navolgende foto 1). Eind 2018 is op onderstaande locatie de bestaande watergang aangepast en omgevormd tot een natuurvriendelijke oever (zie navolgende foto's 2 en 3).

F*t8 1

FOtfl 2

ft/íüì

De ambitie is om ook daar waar mogelijk bij het aan te leggen water en bestaande watergangen natuurvriendelijke oevers te realiseren. Op navolgende afbeelding is een impressie van de beoogde situatie weergegeven.

Impressie streefbeeld natuurvriendelijke oevers Uitloopgebieden Er worden aansluitend op enkele watergangen en -partijen uitloopgebieden aangelegd. Hiervoor wordt de bodem tot een diepte van 30 cm afgeplagd. De functie van de uitloopgebieden A, C en D is naast het zuiveren en bergen van water tevens vispaaigebied. De aanleg van plasberm uitloopgebieden in combinatie met de dubbelfunctie vispaaiplaats levert naar verwachting een kwaliteitsverbetering op ten aanzien van de KRW-doelstellingen. Hierbij kan het westelijke uitloopgebied door middel van kleine tijdelijke aanpassingen fungeren als paaiplaats voor de naastgelegen boezem en het oostelijke uitloopgebied als interne vispaaiplaats. Het eindbeeld van de overloopgebieden is een goed ontwikkelde riet- en biezenoever van minimaal 3-5 m breed. Ze bestaat uit een combinatie van gedeeltelijk overjarig- en jong riet en biezen. Door de relatief lage maaifrequentie groeien hier ook andere soorten in zoals dotterbloem, waterzuring, watermunt en moerasspirea. Belangrijk voor kleine karekiet en rietzanger. Als riet toegankelijk is voor vis, is het riet ook paai- en opgroeigebied voor onder bittervoorn, kleine modderkruiper, rietvoorn en snoek. Navolgende afbeelding geeft een impressie van een plasberm en vispaaiplaats. De uitloopgebieden worden conform dit principe aangelegd.

59

msntkmn

tnsteekmn

r.'àtćrtij/l

K-"X

pasberm

ptasberm

fstud

talud droog

talud nat

waterbpgt m

tabd

talud nat

talud droog

Vanuit de Wateropgave is de primaire functie van de wateruitloop gebieden en plasbermen het binnen de aquatische zone (het terras) borgen van de bergingscapaciteit (zie kaart watervlakken: zone C). De secundaire functie is het ontwikkelen van waternatuur (o.a. het natuurdoeltype "Waterrijk riet- en biezenmoeras") zuiveren van het interne watersysteem en functionele vispaaiplaats, waarbij de aan- en afvoer van het water naar de uitloopgebieden en plasbermen gegarandeerd moet zijn en de bergingscapaciteit door de secundaire functies niet mag worden verminderd. Om ervoor te zorgen dat er geen stilstaand water in het overloopgebied is en dat het water door de aanwezige waterplanten gezuiverd kan worden, wordt er een pomp geïnstalleerd in de aan het uitloopgebied grenzende watergang. Dit is een pomp dat werkt op zonne-energie (zie navolgende foto's van het testmodel/gebruikte materialen).

- 'ïi

iņ

Impressie pomp

Zodra de zon op het zonnepaneel schijnt zal het pomp vanuit de watergang ca. 3.000 liter water per uur (1,2 liter per seconde) naar het verste punt in het overloopgebied pompen. Het opgepompte water zal dan vanzelf weer via het overloopgebied naar de aangrenzende watergang terugstromen.

Onderhoud en bagger Delfland baggert per schouwvak. Het schouwvakkensysteem heeft een doorlooptijd van 8 jaar. Dit houdt in dat elk schouwvak eens in de 8 jaar, indien nodig, gebaggerd wordt. Het watersysteem (conform de

60

legger) wordt binnen het Westerhonk ook meegenomen in de gebruikelijke baggercyclus (zie navolgende doorsnede: zone B). Baggeren vindt vanuit de onderhoudsstrook plaats vanaf de kant d.m.v. een mobiele kraan (zie navolgende doorsnede: zone A). De schone bagger wordt niet conform Delflands Algemene Keur, artikel 85b landinwaarts, minimaal 0,5 m achter de insteek gedeponeerd. Met het oog op behouden en bevorderen van de biodiversiteit wordt de bagger intern binnen een tijdelijk depot gerijpt en in eigenbeheer hergebruikt.

Doorsnede uitloopgebieden en plasbermen

Naast het borgen van de bergingscapaciteit binnen de uitloopgebieden en plasbermen is ook voor natuurvriendelijk onderhoud baggeren noodzakelijk. Dit om de aquatische zone op het op het terras op de vastgestelde minimale diepte van 40 cm (en voedselarm) te houden. Uiteraard wordt er alleen gebaggerd als dat echt noodzakelijk is, eens per 3-8 jaar. Indien mogelijk zal er gefaseerd worden gewerkt, zodat er in de uitloopgebieden en plasbermen altijd ongestoorde delen aanwezig zijn. Baggeren van de uitloopgebieden en plasbermen vindt plaats vanaf de kant d.m.v. een mobiele kraan met graaf- en of knijpbak. De onderhoudsstrook langs de uitloopgebieden en plasbermen zal minimaal 4 meter breed zijn (zie doorsnede: zone A1). De vrijgekomen bagger wordt, inclusief de aanwezige vegetatie intern gecomposteerd en hergebruikt. Bij de aanleg van de overloopgebieden en de plasberm worden deze afgeplagd op peil 0. Om de gebieden ook op maximum peil 0 te houden wordt onderhoud gepleegd. De biezen worden onderhouden door maximaal een keer per twee jaar te maaien. Vaker is niet nodig, want dan verdwijnen den biezen. Het beste tijdstip om te maaien/schonen is laat in het jaar. In september/november maaien leidt tot een soortenrijkere vegetatie (die nog wel erosiebestendig is).

Het maaien kan gebeuren met een mobiele kraan met maaikorf (aangepast materiaal om oevers niet te beschadigen, de kraan heeft dubbele banden). Het uitkrabben van de rietoever (eens per 10 jaar) gebeurd met eenzelfde kraan.

Bodem en grondwater Bij de bouw van nieuwe gebouwen wordt rekening gehouden met het bouwpeil en het grondwaterpeil. Zo wordt er bij de nieuwbouw goed gekeken wat het peil ter plaatse is en wordt de grond eventueel opgehoogd. Omdat dit locatie specifiek beschouwd dient te worden kunnen de maatregelen in voorliggend bestemmingsplan nog niet geconcretiseerd worden. Hier zal in de uitvoering richting aan gegeven worden. Verder worden er geen ondergrondse werken die van invloed kunnen zijn op het grondwaterpeil gerealiseerd.

Afvalwater en riolering De bestaande woningen zijn aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse en ook de nieuwbouw wordt aangesloten op het rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. Bij de uitvoer van de nieuwbouw worden voornoemde maatregelen in beschouwing genomen.

61

3.8.3

Conclusie

Met de herontwikkeling van Westerhonk worden verschillende ingrepen aan het watersysteem beoogd die de kwaliteit van het watersysteem verbeteren. Ook wordt ervoor gezorgd dat de waterbalans in overeenstemming is met het beleid van Hoogheemraadschap Delfland (Watersleutel). Daarnaast worden er kaders gesteld waarmee bij de uitvoer van de nieuwbouw rekening moet worden gehouden. Geconcludeerd kan worden dat de herontwikkeling van Het Westerhonk uitvoerbaar is wat betreft het aspect water.

3.9

Bodem

3.9.1

Wettelijk kader

Wet bodembescherming De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling.

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht.

3.9.2

Onderzoek

Op 4 juni 2019 is door Grondslag bodemkwalitietsbureau een onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 5.

Het onderzoek heeft tot doel na te gaan in hoeverre activiteiten in het verleden mogelijk ter plaatse verontreiniging van grond en/of grondwater kunnen hebben veroorzaakt. Hierbij is een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Daarnaast heeft het onderzoek als doel inzicht te verkrijgen in de te verwachtte algemene milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.

Ter plaatse van de locatie zijn voor zover bekend zichtbaar aan het maaiveld geen (puin) verhardingslagen in het verleden aangebracht. Op basis van het historische en huidige gebruik van de locatie kunnen op het perceel geen voor bodemverontreiniging verdachte (deel)locaties worden aangewezen. Op de locatie hebben in het verleden enkele potentiële bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden. Deze historische bedrijfsactiviteiten worden beschouwd als niet asbestverdacht.

Op basis van voorgaande bodemonderzoeken kunnen op de locatie hooguit licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, mineralen oliën en EOX (diverse vluchtige en niet vluchtige stoffen) in de bodem (grond en grondwater) worden verwacht.

Aanbevelingen De algemene milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is afdoende bekend. Echter dient te worden opgemerkt dat de voorgaande bodemonderzoeken verouderd zijn en deze mogelijk geactualiseerd dienen te worden. Het is van belang dat op de locatie waar herontwikkeling (en met name bij nieuwbouwlocaties van woningen, scholen en andere verblijfsruimten) plaatsvindt de bestaande

62

bodemonderzoeken dienen te worden geactualiseerd.

Ter plaatse van voorziene ontgravingen (bijvoorbeeld waterpartijen) voldoen de bodemonderzoeken in het kader van hergebruik van de vrijkomende grond vermoedelijk niet meer. Het is aan te bevelen om voorafgaand aan deze ontgravingswerkzaamheden de kwaliteit van de grond opnieuw te onderzoeken en te beoordelen conform Besluit Bodemkwaliteit.

Aanbevolen wordt om grond die eventueel tijdens de bouw vrijkomt her te gebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond naar verwachting licht verontreinigd is en conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit moet worden onderzocht ten behoeve van de afvoer. Bij een hergebruik binnen de regio kan eventueel onder voorwaarde grondverzet plaatsvinden op basis van de Bodemkwaliteitskaart. In dat geval geldt een vrijstellingsregeling voor een keuring van de grond.

De kwaliteit van het asfalt is bekend en zal niet zijn gewijzigd ten opzichte van voorgaande bodemonderzoeken. Mogelijk zijn echter de acceptatienormen gewijzigd. Het is aan te bevelen om voorafgaand aan de verwijdering van het asfalt in overleg te treden met de acceptant van het vrijkomende asfalt.

De puinverhardingslagen op de locatie zijn enkel visueel beoordeeld op het voorkomen van asbest. Het is derhalve aan te bevelen om de puinverharding ter plaatse van de herontwikkeling nader te onderzoeken conform NEN 5898, asbestonderzoek in puin.

3.9.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

3.10 Ecologie 3.10.1

Wettelijk kader

Natuurnetwerk Nederland Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied.

Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.

63

In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes:

* * »

Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.

Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. van de Wnb.

vogels vn

Vertod sŭepaüng

Dieren Hra Planter Hrv BūftrVBefii

BornVBem

Dieren

PJanten

mainipaan fnaijonaan

Pieren of pllinten: Doden of vangen

3 tC T a

3.1 A (ténaij

Stwerii'vers^ren

3 1 5) PJOKfcen. verzamelen. afsnijden, onlwrţelen

3 lū 1.C

of vernielen Onder zich fiel)hen of vervoeren

Plaatsen: vernielen, beschadigen of wegnemen resten Beschadigen of vermelen

3 ID 1 b [vaslė vp]

Beschadigen of vermelen rus:p natsen

3.10.1 .c [vaste rpt

Eieren Vernielen (of-Vr- !jeschĵdiļen;i

Onder ach hel hen Toelichting

Codes vawyzen naar wetsadikeien Wet natuurtjoschemung Oranje

verìxHlsbepalmg geld: alleen wanneer sprake is van opze:

verbod sisepa:.rg geld' in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de jįülÈ

Vrijstellingen In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.

64

Zorgplicht De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.

Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt

Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.

3.10.2

Onderzoek

Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: glad biggenkruid en kleine wolfsmelk. Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Mogelijke sloop van bebouwing of verwijderen van groenstructuren leidt aannemelijk niet tot de aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. De beschermde glad biggenkruid groeit op zonnige, warme en open plaatsen. Het voorkomen van de soort is bekend ten noordwesten van het plangebied, in het duingebied aan de kust. Binnen het plangebied is de soort aannemelijk niet aanwezig. Kleine wolfsmelk is ook bekend als pioniersvegetatie. Derhalve wordt het voorkomen in de huidige vorm op het plangebied ook niet verwacht. Indien gedurende de ontwikkelingen het plangebied voor langere tijd braak komt te liggen, wordt de kans groter dat beide soorten zich binnen het plangebied kunnen vestigen. Ter zijne tijd dienen er dan maatregelen getroffen te worden. Het risico dat beschermde flora mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is uitgesloten.

Grondgebonden zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is de aanwezigheid van beschermde soorten vastgesteld: bosmuis, bruine rat, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF, 2009-2019). Voor de eekhoorn geldt dat deze beschermd is en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Eekhoorn Eekhoorns leven in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Er is 1 waarneming bekend in de omgeving, circa 1,2 km ten noordoosten van het plangebied aan de overzijde van de Monsterseweg. Hier is ruim voldoende functioneel leefgebied aanwezig in de vorm van aaneengesloten gemengd bos. Gelet op de inrichting van de directe omgeving en de potentie voor eekhoorn is het aannemelijk dat onderdelen van de planlocatie een lage potentie heeft voor de soort gedurende het foerageren, migreren en sociale interactie. Binnen het plangebied zijn geschikte groenelementen aanwezig, maar er is ook sprake van een relatief hoge mate van verstoring en er zijn wegens het landgebruik in de omgeving weinig tot geen geschikte migratieroutes. Derhalve is de kans klein dat binnen het plangebied een duurzame populatie eekhoorns aanwezig is. Eventuele grootschalige kap leidt mogelijk tot afname van geschikt leefgebied of aantasting van nestlocaties van de eekhoorn. Om in te kunnen schatten wat de functie van het plangebied heeft voor eekhoorns kan een gerichte nestinventarisatie uitgevoerd worden. Een geschikt inventarisatiemoment voor nestbomen rode eekhoorn is midden in de winter, waarbij de kroon van de bomen goed valt te inventariseren.

Bij het vinden van eventuele nestbomen van eekhoorn dient mogelijk ontheffing aangevraagd te worden indien

65

er effecten op de eekhoorn te verwachten zijn. Het risico dat de eekhoorn mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag. De planlocatie heeft naast de strikter beschermde soorten zeer waarschijnlijk een functie voor een breed scala aan algemene soorten. Dit betreft met name soorten als egel, gewone bosmuis, haas, konijn, veldmuis en vos. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat, bij beperkte ontwikkelingen, in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocumenten Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Ruige dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als habitatrichtlijnsoorten beschermd. Van de vleermuizen die voorkomen in de omgeving van het plangebied komen zowel gebouw- als boombewonende soorten voor.

Gebouwbewonende vleermuizen In de bebouwing op de planlocatie is het mogelijk dat er eventuele openingen aanwezig zijn als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Bij het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw of een afgesloten ruimte in het dak is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Zo'n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Binnen het plangebied is in twee gebouwen al bekende verblijfplaatsen van vleermuizen bekend (figuur 3). In 2018 is een vleermuisonderzoek uitgevoerd door adviesbureau E.C.O. Logisch (Bouma, 2018). De aangetroffen verblijfplaatsen betreffen kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen. Naast deze bekende gebouwen is het niet geheel duidelijk of álle bebouwing reeds geïnventariseerd is op de potentie en/of de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen. Door Blom Ecologie B.V. is in 2018 een oriënterende onderzoek flora en fauna uitgevoerd, waarbij voor verschillende gebouwen potentie voor gebouwbewonende vleermuizen is vastgesteld (Soethout, 2018; tabel 1).

Ten aanzien Vijverweg 1 t/m 9 wordt gedurende het veldseizoen 2019 vleermuisonderzoek uitgevoerd.

66

Groenendaal 25

Potentie’' onwaarschijnlijk

Vijverweg 1 t/m 9

ja

Tuinlaan 3-5

onwaarschijnlijk

Tuinlaan 15-17-19

Ĵa

Bosweg 1 t/m 15

Ĵa

*

Beschrijving Open stootvoegen (niet op hoogte), opening dilatatievoeg Open stootvoegeiì op hoogte, kantpannen toegankelijk, openingen loodslabben, vleermuiskasten, bomen met holten Open ventilatiegaten onder trespaplaten, geen stootvoegen, daktrim toegankelijk, holte in bomen aanwezig Open stootvoegen op hoogte, kierende daktrim Open stootvoegen op hoogte, openingen daktrim, ontbrekende specie voegen, bomen met holten

Overtreding** onwaarschijnlijk mogelijk

onwaarschijnlijk

mogelijk mogelijk

Potentie: geen - onwaarschijnlijk — mogdijk - ja

** Overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming

Het risico dat gebouwbewonende vleermuizen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is hoog.

Boombewonende vleermuizen Het plangebied wordt gekarakteriseerd als een beboste omgeving. In de wat oudere, hogere en bredere bomen kunnen boomholten aanwezig zijn die potentie hebben tot vaste rust- en/of verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Een geschikte boomholte voor een verblijfplaats is naar boven toe ingerot, waardoor de vleermuizen aan de bovenzijde van de holte veilig en droog zitten. Inrotting naar beneden toe is niet geschikt, aangezien er aan de onderzijde nog sprake is van inregenen. Bij het kappen van bomen dient te worden vastgesteld of er bomen met holten aanwezig zijn en of deze boomholten geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Mocht dit niet uitgesloten kunnen worden dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden, middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode mei - oktober, om vast te stellen welke functie de bomen voor vleermuizen hebben. Het risico dat boombewonende vleermuizen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is hoog.

Foerageergebied en vliegroute Tussen de bebossing, langs bomenlanen, boven open gebieden en in de luwte van de gebouwen kunnen migratie en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens mogelijke sloop-, kap- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens mogelijke ontwikkelingen dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Mocht er sprake zijn van kapwerkzaamheden die essentiële foerageergebieden en/of vliegroutes beschadigen, dient hier ook aanvullend onderzoek naar uitgevoerd te worden. Het risico dat foerageergebieden en/of vliegroutes mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag.

Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied.

67

Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van boomkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en rugstreeppad (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF 2009-2019). Voor boomkikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Het is zeer aannemelijk dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming).

Boomkikker De boomkikker is waargenomen in het duingebied ten westen van de Haagweg. Op en nabij het plangebied bevindt zich oppervlaktewater. Voor de boomkikker is het van belang dat binnen een straal van circa 300 m de combinatie van potentieel voortplantingswater en overwinteringslocaties aanwezig zijn. Tussen deze essentiële habitatonderdelen dienen er gunstige migratieroutes aanwezig te zijn. Wegens de drukke Haagweg worden goede migratieroutes niet verwacht. Stedelijke- en hoogveengebieden worden gemeden. De boomkikker heeft een voorkeur voor braamstruwelen, aangezien de soort goed op kan warmen op de grote bladeren en de stekels een belemmering vormen voor mogelijke predatoren. Mochten er nabij geschikt oppervlaktewater goede braamstruwelen staan, is het mogelijk dat boomkikkers voorkomen binnen het plangebied. Hier dient rekening mee gehouden te worden bij het verwijderen van de groenstructuren. Het risico dat boomkikker mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag.

Rugstreeppad De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties. Desalniettemin kan de rugstreeppad opduiken wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graaf- en bouwwerkzaamheden (bijlage 2). Er is een waarneming van een rugstreeppad minder dan 3 jaar geleden binnen 1 km afstand. Hiermee bestaat er een reële kans dat kolonisatie door rugstreeppadden op kan treden. Om alle mogelijke effecten ten aanzien van de soort te voorkomen dienen er maatregelen getroffen te worden om vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie te voorkomen. Dergelijke maatregelen betreffen het tegengaan van het ontstaan van geschikt voortplantingswater (regenwaterplassen) en het voorkomen van vergraafbaar zand en langdurige materiaalopslag binnen het plangebied.

Daarnaast kan door het plaatsen van schermen het plangebied ontoegankelijk gemaakt worden (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad 2017). Het risico dat rugstreeppad mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is matig.

Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Reptielen leven over het algemeen in weinig verstoorde gebieden waar aanwezigheid van ruigtevegetatie, water en geschikte overwinteringslocaties van belang is. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van zandhagedis (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF 2009-2019). Voor deze soort geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Zandhagedis Zandhagedissen leven in zandige, droge en open terreinen als heide en duinen (BIJ12 kennisdocument Zandhagedis, 2017). De aanwezigheid van zonnige open plekken en zand waar eieren in afgezet kunnen

68

worden is van groot belang. Zandhagedissen overwinteren in (muizen)holletjes in de periode september - april. Het dieet bestaat hoofdzakelijk uit insecten, spinnen en andere ongewervelden. Binnen het plangebied is geen functioneel leefgebied van zandhagedissen aanwezig. Het voorkomen van de soort op de planlocatie wordt uitgesloten. Het risico dat zandhagedis mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is uitgesloten.

Vissen In het plangebied bevindt zich oppervlaktewater. Het is momenteel onduidelijk of er watergangen worden gedempt of er overige werkzaamheden aan het water beoogd zijn. Daarnaast is het voorkomen van beschermde vissen in de omgeving van het plangebied niet bekend. Effecten op (beschermde) vissen worden niet verwacht. Het risico dat beschermde vissen mogelijk belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is, afhankelijk van de ingreep, laag.

Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. In de nabije omgeving is voorkomen bekend van grote vos en gevlekte witsnuitlibel. De grote vos is een zwervende dagvlinder die gebonden is aan (hoge) houtige vegetatie in een bosrijke omgeving. Exemplaren die worden aangetroffen zijn aannemelijk zwervers uit het buitenland of onregelmatige populaties (Vlinderstichting grote vos, 2019). De verwachting is dat de grote vos als standvlinder al is uitgestorven in Nederland, hoewel deze het afgelopen jaar vaker wordt waargenomen. De gevlekte witsnuitlibel komt voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen (Vlinderstichting gevlekte witsnuitlibel, 2019). Hier leven de larven tussen de waterplanten in de verlandingszone. Binnen het plangebied zijn deze habitatstructuren afwezig en wordt het voorkomen van de soort derhalve uitgesloten. Het risico dat beschermde insecten, libellen en andere ongewervelden mogelijk belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is laag.

Vogels De planlocatie biedt een variatie aan nestlocaties voor een breed scala aan algemene soorten, in zowel vegetatie als bebouwing. Binnen de streng beschermde Vogelrichtlijnsoorten wordt onderscheid gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) en vogels waar de nesten alleen jaarrond beschermd zijn wanneer er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen (cat. 5). Daarnaast zijn alle broedgevallen van Nederlandse vogels beschermd gedurende de periode dat de jongen aan het nest gebonden zijn. Binnen het plangebied zijn jaarrond beschermde nesten bekend (zie figuur 6) en is een ruime hoeveelheid aan groenstructuren aanwezig. Het risico dat vogels met jaarrond beschermde nesten mogelijk belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is hoog.

69

\^ìţV\ade^eS

L ^0 Fivuur 6

Bekende risico s vogels (NDFF 2009-2019). Data niet openbaar maken. Broedkolonie aalscholvers (algemene broedvogel): Nest boomvalk (jaarrond beschermd); Nest havik (jaarrond beschermd); Waarnemingen huismus (jaarrond beschermd); Broedende ooievaar (jaarrond beschermd); Nest ransuil (jaarrond beschermd); Slaapplaats ransuil (jaarrond beschermd); Waarneming nestindicatie sperwer (jaarrond beschermd).

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4)

Nesten in bomen Het plangebied biedt met de bebossing potentiële nestlocaties voor vogels met jaarrond beschermde nesten die in bomen broeden. Soorten met de hoogste potentie, gezien de aanwezige habitatonderdelen, verspreiding en waarnemingen, zijn: boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer. Op het perceel staan op veel locaties bomen die mogelijk geschikt zijn voor de voorgenoemde soorten. Deze nesten kunnen aanwezig zijn nabij bosranden, in solitaire bomen en in dichte bebossing. Van enkele soorten met jaarrond beschermde nesten zijn zelfs nestlocaties bekend (figuur 5). Bij eventuele kap van bomen dient allereerst geïnventariseerd te worden of er nesten van vogels aanwezig zijn met een jaarrond beschermd nest. Het inventariseren van deze nesten kan het beste gebeuren in de winter, wanneer de bomen kaal zijn en de boomtoppen goed te overzien zijn. Bij het aantreffen van mogelijke horsten van roofvogels of uilen dienen deze gemonitord te worden gedurende het respectievelijke broedseizoen van de soort om de aanwezigheid van daadwerkelijke broedgevallen vast te stellen.

Nesten in/nabij gebouwen Huismus Huismussen nestelen hoofdzakelijk onder pannendaken met dakgoot. Sporadisch is de soort ook onder golfplaten daken te vinden. In de directe omgeving van het nest dienen jaarrond groene heggen aanwezig te zijn, alsmede zand, grind, badwater en voldoende foerageergebied (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Geschikte ruimtes voor nestlocaties zijn onder daken met dakpannen. Ongeschikte daken betreffen met name platte daken of daken zonder dakbeschot. Het voorkomen van nestlocaties van huismus in deze bebouwing kan uitgesloten worden. Bij sloop of werkzaamheden van de gebouwen waar huismussen niet uitgesloten kunnen worden, kunnen er negatieve effecten op huismussen

70

ontstaan. Er zijn al enkele waarnemingen van huismussen bekend binnen het plangebied (figuur 5). Aannemelijk zijn in de nabije omgeving (M00 m) nesten van de soort aanwezig in de bebouwing. Bij het aantasten van essentiële onderdelen van het functioneel leefgebied van huismussen, o.a. jaarrond groene heggen, kan er ook sprake zijn van overtreding Wet natuurbescherming. In deze situaties kan het nodig zijn om aanvullend onderzoek uit te voeren naar huismussen middels 2 gerichte veldbezoeken in de periode april - mei. Daarnaast is het mogelijk om middels een inspectie naar nestlocaties buiten het broedseizoen nesten te inventariseren. Gedurende het broedseizoen 2019 wordt door Blom Ecologie B.V. aan de Vijverweg 1 t/m 9 al gericht onderzoek naar huismussen en gierzwaluwen gedaan.

Gierzwaluw De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. De ligging van het plangebied is aannemelijk ongeschikt voor gierzwaluwen, aangezien deze over het algemeen meer gebonden zijn aan dichte concentraties van bebouwing. Het voorkomen van de soort wordt niet verwacht, maar kan niet geheel uitgesloten worden. Gedurende het broedseizoen 2019 wordt door Blom Ecologie B.V. aan de Vijverweg 1 t/m 9 al gericht onderzoek naar huismussen en gierzwaluwen gedaan.

Ooievaar Binnen het plangebied is een bekend broedgeval van de ooievaar bekend (https://www.wos.nl/broedend-ooievaarspaar-op-het-westerhonk-in-monster/nieuws/item71126614). Daarnaast zijn er nog twee ongebruikte nesten aanwezig. Er is één ooievaarspaal en er zijn twee nesten gebouwd op afgezaagde populieren. Voor de ooievaar is het van belang dat de nestlocaties behouden en functioneel blijven en dat er voldoende foerageergebied in de omgeving aanwezig blijft.

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in ruim voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en/of de Strategische reservering natuur. Op een afstand van 200 m ligt het Natura 2000-gebied Solleveld à Kapittelduinen (figuur 7). De planlocatie ligt op een afstand van circa 50 m ten zuiden van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 8). De planlocatie maakt geen onderdeel van een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur (figuur 9). Momenteel is het nog onduidelijk wat de exacte beoogde ontwikkelingen zijn. Derhalve is het ook moeilijk om in te schatten wat de effecten op omliggende natuurgebieden is, waarvan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op 200 m afstand ligt. Mogelijke sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). Bij de realisatie van nieuwbouw op de plaats van oude bebouwing is over het algemeen sprake van een relatief lage(re) uitstoot door hogere isolatiewaarden. Dit is afhankelijk van het type en de hoeveelheid bebouwing dat verdwijnt of wordt gerealiseerd. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. De drempelwaarde stikstofdepositie voor negatieve effecten ten opzichte van kwetsbare natuurgebieden is 0,05 mol/hectare.

Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat, gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, er afhankelijk van de beoogde ingreep mogelijk effecten kunnen optreden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de

71

verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing kan door bevoegd gezag het wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren.

Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) b) c) d) e) f) g) h)

houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; houtopstanden op erven of in tuinen; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=efb85dab-f9ea-43b5-a0c3-a883d221e706