1.40a) ontwerpbestemmingsplan Westerhonk (21-0269976)
Tekst van het document
Bij de uitwerking van de buitenruimten gelden de volgende algemene uitgangspunten: *
* « *
* » * *
Alle verhardingen hebben grijze tinten, zandtinten of aardetinten, liggen vlak en zijn goed berijdbaar met rolstoelen, eventueel met uitzondering van (zand) paden in de duinen. In aansluiting op de rest van het terrein bestaat de verharding van wegen en paden voornamelijk uit asfalt, al dan niet afgestrooid met split, met als aanvulling op de bestaande schelpenpaden. De verharding op het plein is anders dan alle andere verhardingen en kan zich in kleurtoon iets onderscheiden. Verharding ten behoeve van ontsluiting rondom nieuwbouw bestaat voornamelijk uit klinkerbestrating, zoals nu ook aan de zuidzijde van de pariculiere woningen het geval is. Parkeren is zo veel mogelijk uit het zicht. De sfeer van de parkeerplaatsen wordt bepaald door hagen, losse struiken en bomen. De verharding van de parkeervakken bestaat uit hoogwaardige halfopen verharding. Parkeervoorzieningen bij de nog te bepalen bouwvolumes/functie: ontwerpen op basis van behoefte en parkeernormen. Water van verharde oppervlakte infiltreerd zo veel mogelijk direct naast de verharding. Daar waar goten en putten noodzakelijk zijn, liggen ze zo vlak mogelijk. Hoogteverschillen worden overbrugd door zwak glooiende hellingen. Waar dat niet dat niet kan worden keermuurtjes gemaakt. Er zijn geen steile hellingen. Het maaibeheer van de grasvelden en duinen kan varieëren er zijn intensief gemaaide vlakken en
29
* *
bloemrijk extensief gemaaide delen. Het verdient de aanbeveling om minder intensieve en meer extensieve zones in groenonderhoud te gaan realiseren. Buitenmeubilair, zoals verlichting en zitelementen, is duurzaam, hoogwaardig en niet fel van kleur. Alleen speelelementen kunnen kleurrijker zijn. De soortenkeuze van bomen en struiken sluit aan bij die van het hele terrein. De inheemse soortenkeuze van overheerst, maar op en rond het plein worden bijzondere soorten aangepland, die opvallen door bloei en/of een mooie herfstkleur.
Bij de uitwerking van het plein gelden de volgende uitgangspunten: *
* * *
Het plein is groot en lang van maat. Om klein binnen groot te ervaren wordt het plein voorzien van groepjes eilanden, verhoogde zitelementen of beplante zones. Ook kunnen speelelementen in deze eilanden gecentreerd worden. Met diverse soorten/ kleuren verharding op het plein, kan een domein zichtbaar gemaakt worden, dat hoort bij de functie (bijvoorbeeld schoolplein) Speciale aandacht voor sociale veiligheid, middels goede duurzame verlichting. Bij uitwerking van het plein dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid om evenementen, zoals buurtmarkten te organiseren op het plein.
j
E.
lit
IS' - -
I
iPs p
\w
Referenties van de beoogde nieuwe bebouwing
30
Hoofdstuk 3 3.1
Zendmast
3.1.1
Wettelijk kader
Onderzoek
Definitieve gezamenlijke uitgangspunten antennebeleid 2 juni 2021 (versie van 27 mei met aanvullingen n.a.v. BCEV vergadering 19 mei 2021)
Aanleiding en doel In 2021 gaat de nieuwe telecomwet in. Deze wet verplicht lokale overheden om technisch geschikte publieke infrastructuur beschikbaar te stellen voor plaatsing van antenne- en opstelpunten. Daarnaast worden er op termijn meer (kleine) antennes verwacht om aan de maatschappelijke behoefte van mobiele data te voldoen. Het Antenneconvenant opgesteld door VNG en mobiele netwerkoperators (zoals KPN en T-Mobile) geeft hier richting aan. Aanvullend hierop worden gemeente aangeraden om het proces van antenneplaatsingen vast te leggen, en om binnen de wettelijke kaders beleidskeuzes te maken over deze plaatsingen. Dit antennebeleid stelt de kaders en het proces voor de plaatsing van vergunningsplichtige en vergunngsvrijeantennesen het medegebruik van gemeentelijke infrastructuur. Een transparant en eenduidig antennebeleid versoepelt de uitrol van 5G in de regio, en bevordert de samenwerking met telecomoperators. Zo kan je als gemeente en regio de regie houden op de buitenruimte in drukke gebieden en zorgen voor goede dekking in rustige gebieden. Het schept duidelijkheid voor bewoners, ondernemers en telecomoperators. Met de komst van zogenaamde small cells voor 5G in 2022 is antennebeleid van groot belang. Omdat het tijd kost om dit beleid in te voeren, is het belangrijk dat gemeenten hier nu al mee beginnen.
Regionale afstemming Door de uitgangspunten van antennebeleid regionaal af te stemmen wordt het voor de individuele gemeente makkelijker. Er is een goed voorbeeld van gemeente Rotterdam die als basis kan dienen, zodat de gemeenten niet allemaal opnieuw het wiel hoeven uit te vinden. Door gezamenlijke uitgangspunten te hanteren, is het aantrekkelijker voor marktpartijen om 5G vlot en efficiënt uit te rollen in het belang van burgers en bedrijven in de regio. Dit helpt om het economisch vestigings- en innovatieklimaat van onze regio te versterken.
3.1.2
Onderzoek
Er worden een aantal algemene uitgangspunten nagestreefd voor met name de plaatsing van nieuwe antennes.
1. Er moet steeds worden gestreefd naar maximale site-sharing;
Het uitgangspunt van de nieuwe outdoor site op het terrein van 's-Heeren Loo in Monster is de levering van mobiele indoordekking in de gebouwen van 's-Heeren Loo, vanwege de huidige klachten van onvoldoende indoordekking en daardoor het ontstaan van onveilige situaties voor het personeel van
31
's-Heeren Loo uitgerust met een mobiel op het KPN netwerk. Om het gehele terrein te kunnen bedekken is de gekozen positie en antennehoogte van wezenlijk belang om te voorkomen dat de mobiele signalen te snel uitdoven vanwege de bomen en bebossing op het terrein. Deze site is niet specifiek bedoeld om de verdere omgeving van mobiele indoordekking te voorzien. Uiteraard sluiten wij site-sharing geenszins uit. 2. De plaatsing op bestaande antennemasten of andere bestaande bouwwerken zoals hoogspanningsmasten, lichtmasten en verkeersportalen heeft nadrukkelijk de voorkeur;
Op deze locatie zijn op dit moment geen andere geschikte bouwwerken beschikbaar. 3. Er moet zoveel mogelijk worden aangesloten bij bestaande bebouwing of elementen;
Dit zal worden meegenomen in het vergunningentraject. 4. Voor het aanbrengen van installaties nabij bestaande masten en reclamezuilen gelden dezelfde beoordelingscriteria als voor de vormgevende aspecten van gebouwen;
De verwachting is dat een buismast zal worden voorgesteld met naast de mast de KPN radio apparatuur. Dit zal worden meegenomen in het vergunningentraject. 5. Het ter beoordeling voor te leggen materiaal dient een volledig inzichtelijk beeld te geven van de beoogde installatie in zijn omgeving, compleet met toebehorende infrastructuur en dient in openbaar gebied te voldoen aan de gemeentelijke richtlijnen (stijl); Dit zal worden meegenomen in het vergunningentraject. 6. Plaatsing zoveel mogelijk uit het zicht; De buismast komt midden op het particulier terrein van 's-Heeren Loo Monster te staan en zal daarom voor omwonenden zo veel mogelijk uit het zicht staan. 7. De installaties dienen zoveel mogelijk te worden geïntegreerd in de architectuur en/of de omgeving; Dit zal worden meegenomen in het vergunningentraject. 8. De installaties mogen geen afbreuk doen aan de visuele kwaliteit van een gebouw en de omgeving; Dit zal worden meegenomen in het vergunningentraject. De verwachting is dat de buismast buiten het terrein (vrijwel) niet zichtbaar zal zijn. 9. Specifieke architectonische kenmerken mogen niet aangetast worden Hier zal rekening mee worden gehouden. 10. Bij in aanmerking komende nieuwbouw dient rekening te worden gehouden met de integratie van de installatie; Hier zal rekening mee worden gehouden. 11.
Een goede vormgeving van installaties en montage- en bevestigingsmethodieken kan de integratie in de omgeving en acceptatie vergemakkelijken; Soortgelijke buismasten zijn ook op andere zorglocaties in andere gemeentes geplaatst voor de levering
32
van mobiele indoordekking op het terrein. Ook hier is rekening gehouden met de omgeving om overlast te voorkomen. 12. De antenne-installaties, alsmede de bijbehorende technische installaties en de bedrading moeten door middel van zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze in de omgeving ingepast worden en te voldoen aan alle wettelijke technische als veiligheidsvoorschriften; De installatie voldoet volledig aan alle wettelijke, technische en veiligheidsvoorschriften. Dit eist KPN voor al zijn installaties in heel Nederland. 13. In alle gevallen moet er een melding gedaan worden van de plaatsing of verwijdering van antennes bij de gemeente. Dit kan voor een individuele antenne of voor meerdere antennes in één keer. Dit sluit aan bij de procedure zoals in het Antenneconvenant beschreven, waarin gemeente via het delen van een plaatsingsplan op de hoogte zijn van de plaatsing van nieuwe antennes of het verwijderen van antennes. Daarbij bestaat de mogelijkheid om een plaatsingsplangesprek aan te vragen wanneer vanuit één van de partijen behoefte aan is; Dit is bekend binnen KPN en KPN zal zich aan de vastgelegde regels houden. 14. Bij plaatsing gestreefd dient te worden naar een zo klein mogelijke impact op de ondergrond. Aansluitingen op ondergrondse infra moet plaatsvinden door zo weinig mogelijk ruimtebeslag in die ondergrond en zo weinig mogelijk graafwerkzaamheden.
Daarmee beperk je ook de overlast voor de omgeving; Vandaar de keuze voor een buismast. 15. Exploitanten moeten op verzoek telecomkabels delen die in openbare grond liggen. KPN maakt voor het aansluiten van de buismast gebruik van het huidig telecom kabelnetwerk van KPN. Voor het vergunningentraject zal KPN een eigen verwerver opschakelen die bekend is met alle procedures met de gemeentes voor het verkrijgen van de juiste vergunningen en toestemmingen om een outdoor site te mogen plaatsen.
3.2
Milieueffectrapportage
3.2.1
Wettelijk kader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn.
Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.
3.2.2
Onderzoek & conclusie
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. De m.e.r.-beoordeling is toegevoegd in Bijlage 1 van deze toelichting. Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het project leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
33
3.3
Bedrijven en milieuzonering
3.3.1
Wettelijk kader
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de aanwezige functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.
3.3.2
Onderzoek
Op 13 augustus 2020 is door Buro SRO een onderzoek uitgevoerd naar de milieuzonering.
In de directe omgeving het plangebied is glastuinbouw en woongebied aanwezig, en zijn er tevens enkele bedrijven te vinden. Glastuinbouwbedrijven zijn bedrijven met milieucategorie 2. Hiermee hebben dusdanige bedrijven een zonering van 30 meter. De te realiseren woningen en verblijven vallen hiermee buiten deze zonering, zoals te zien is op navolgende zoneringskaart.
. '"V
r-è -J »i*f M
?Ĵ tŝğà
Ten zuidoosten van het plangebied is een gasdrukregel- en meetstation aanwezig. Hiervoor geldt milieucategorie 2, waarbij een zonering van 30 meter hoort. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 160 meter, waarmee voldaan wordt aan de richtafstand.
Verder is er ten westen van Westerhonk een gaswininstallatie van de NAM aanwezig. Met de vergunning voor milieu neutrale verandering van 9 januari 2017 is een groot deel van de activiteiten (formeel) ten einde gekomen. Het gaat daarbij onder andere om het buiten gebruik stellen van een groot deel van de gasbehandelingsinstallatie, waarmee verschillende geluidsbronnen ten einde komen. Tevens worden enkele risicovolle activiteiten stopgezet, waarmee ook het gevaar afneemt. Met een afstand van circa 300 meter tot Westerhonk kan geconcludeerd worden dat de inrichting geen belemmeringen vormt voor het
34
plan.
Circa 100 meter ten westen van de gaswininstallatie bevindt zich het recent afgebrande zwembad De Boetzelaer. Deze wordt echter teruggebracht in herstelde staat, dus is een beschouwing van milieuzonering noodzakelijk. Een overdekt zwembad beschikt over milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand van 50 meter geldt. Dit is ruim op voldoende afstand van Westerhonk.
3.3.3
Conclusie
Milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Daarnaast hindert het plan op zijn beurt omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering.
3.4
Geluid
3.4.1
Wettelijk kader
Wet geluidhinder Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.
3.4.2
Onderzoek
Op 21 mei 2019 is door Van der Boom advies een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2.
De ontwikkeling ligt buiten de bebouwde kom van Monster binnen de geluidzone van de Haagweg en de Madeweg op ten minste 110 respectievelijk 9 meter uit de as van de weg.
Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt uitgegaan van de verkeersintensiteit in de toekomstige situatie. De wegverkeersgegevens zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Bij de berekeningen is uitgegaan van een prognose voor 2030 van de gemeente Westland.
TABEL III. 1: overzicht weg- en verkeersgegevens 2030 Omschrijving
Haagweg
Madeweg
- etmaalintensiteit 2030
9871
8741
- daguurintensiteit [“/o]
6,58
6,59
- avonduurintensiteit [To]
3,88
3,87
- nachtuurintensiteit [To]
0,68
0,68
95,81/98,06/95,97
95,65/98,26/96,02
perc. middelzware mvt dag/avond/nacht [To]
3,25/1,57/3,18
3,04/1,22/2,78
- perc. zware mvt dag/avond/nacht [To]
0,94/0,37/0,86
1,30/0,53/1,19
60
60
referentie
referentie
- verkeerregelinstallatie binnen 150 m
nee
nee
- obstakel/rotonde binnen 100 meter
nee
nee
- perc. lichte mvt dag/avond/nacht [To] -
- rijsnelheid [km/uur] - type wegdek
35
De op de geplande ontwikkeling invallende geluidbelasting is bepaald met een rekenmodel, volgens het Reken- en Meetvoorschrift Geluid 2012. In deze situatie is binnen de randvoorwaarden gebruik gemaakt van rekenmethode II. Bij de modellering is uitgegaan van de werkinstructie "Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer Omgevingsdienst Haaglanden - Handleiding voor de gemeenten in Haaglanden''.
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de berekende invallende geluidbelasting Lden voor de Madeweg in 2030, na 5 dB aftrek ex art 110g Wgh. De afstand tot de 48 dB en 53 dB contour is weergegeven in tabel III.2.
TABEL II 1.2 overzicht afstand tot 48 dB contour van de invallende geluidbelasting Lden (dB) in 2030 tgv de Madeweg na aftrek van 5 dB ex art 110g Wgh Contour
1,5 m
4,5 m
48 dB
116 m
125 m
53 dB
55 m
65 m
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de berekende invallende geluidbelasting Lden voor de Haagweg in 2030, na 5 dB aftrek ex art 110g Wgh. De afstand tot de 48 dB en 53 dB contour is weergegeven in tabel III.3
TABEL III.3 overzicht afstand tot 48 dB contour van de invallende geluidbelasting Lden (dB) in 2030 tgv de Haagweg na aftrek van 5 dB ex art 110g Wgh Contour
1,5 m
4,5 m
48 dB
103 m (buiten plangebied)
110 m
53 dB contour
buiten plangebied
buiten plangebied
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de berekende invallende geluidbelasting Lden voor alle wegen samen, zonder aftrek. De afstand tot de 53 dB contour voor de ontsluitingsweg is weergegeven in tabel III.4.
TABEL III.4 overzicht afstand tot 53 dB contour van de invallende geluidbelasting Lden (dB) in 2030 tgv alle wegen samen zonder aftrek Contour
1,5 m
4,5 m
53 dB contour (noordzijde)
106 m
120 m
53 dB contour (zuidzijde)
120 m
125 m
Toetsing wegverkeer De 48 dB contour van de geluidbelasting door de Madeweg ligt ruim binnen de zuidgrens van het plangebied (zie tabel III.2). De 53 dB contour ligt eveneens ruim binnen het plangebied. De 48 dB contour van de geluidbelasting door de Haagweg ligt op 4,5 meter hoogte op de noordgrens van het plangebied (zie tabel III.3). De 53 dB contour ligt buiten het plangebied. De woningen aan de noordzijde kunnen eenvoudig buiten de 48 dB contour geprojecteerd worden.
Indien de woningen aan de zuidzijde binnen de 48 dB contour geprojecteerd worden dient voor deze woningen een hogere waarde te worden aangevraagd. Woningen kunnen alleen binnen de 53 dB
36
contour worden geprojecteerd indien gebruik wordt gemaakt van dove gevels en maatregelen aan de bron en in de overdracht niet mogelijk zijn. Indien de toekomstige ontwikkeling binnen de bebouwde kom valt dan bedraagt de maximale hogere waarde 63 dB. Daar is vooralsnog niet van uitgegaan.
Een hogere waarde voor de geluidbelasting op de Madeweg kan slechts worden vastgesteld als maatregelen tot het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, of als er ernstige bezwaren zijn op het gebied van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.
3.4.3
Conclusie
Maatregelen wegverkeer Hieronder zijn maatregelen beschreven om de geluidbelasting ten gevolge van de Madeweg zo mogelijk tot de voorkeursgrenswaarde te doen afnemen.
Maatregelen aan de bron: stil asfalt De Madeweg is voorzien van een standaard asfalt. Overwogen kan worden de weg over een afstand van ca. 400 meter te voorzien van een dunne geluidreducerende deklaag. Hierdoor daalt de geluidemissie van de weg met ca. 4 dB. Daardoor wordt de afstand tot de 48 en 53 dB contour ongeveer gehalveerd. Deze optie kan in een later stadium nader worden uitgewerkt.
Maatregelen aan de bron: verlagen van de maximumsnelheid De maximum snelheid op de Madeweg bedraagt 60 km/uur. Gezien de functie van de doorgaande weg kan de verkeerssnelheid op deze weg buiten de bebouwde kom niet verder worden teruggebracht.
Afscherming van de woningen: geluidscherm De woningen kunnen in principe van de wegen worden afgeschermd door het aanbrengen van een verdiepinghoge afscherming (geluidscherm) op het eigen terrein aan de zuidzijde. De hoogte van het geluidscherm dient voor een effectieve afscherming van alle woonlagen ca. 4,5 meter te bedragen. Schermen met een dergelijke hoogte op deze locatie zijn echter stedenbouwkundig en landschappelijk ongewenst gezien de aantasting van de ruimtelijke kwaliteit.
Hogere waarden Overwogen kan worden de geluidbelasting door de Madeweg terug te brengen door het toepassen van een dunne geluidreducerende deklaag over een weglengte van ca 400 meter. Afscherming van alle woonlagen met een geluidscherm op het eigen terrein is vermoedelijk landschappelijk/stedenbouwkundig ongewenst. Voor gevels van woningen die gebouwd worden binnen de 48 dB contour van de Madeweg is een hogere waarde nodig, mits de geluidbelasting de maximale hogere waarde van 53 dB niet overschrijdt. De woningen dienen te voldoen aan de criteria uit het hogere waarden beleid van de gemeente Westland.
Toetsing RO Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en van het geluidbeleid van de gemeente. Indien woningen binnen deze toetsingskaders gebouwd kunnen worden zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.
Eis geluidwering Het Bouwbesluit stelt eisen aan de geluidwering van gebouwen. Volgens het Bouwbesluit moet de zgn. karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een nieuwe woning ten minste gelijk zijn aan de invallende geluidbelasting verminderd met 33 dB; voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de geluidwering GA;k. De voorschriften hebben tot doel de geluidbelasting binnenshuis in de verblijfsgebieden van een woning te beperken tot 33 dB. Er worden vanuit het Bouwbesluit eisen gesteld aan de geluidwering van woningen met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek. Indien binnen deze contour wordt gebouwd zijn
37
aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig, die de minimum geluidwering GA;k. van 20 dB te boven gaan.
3.5
Luchtkwaliteit
3.5.1
Wettelijk kader
Wet luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
60 ìg/m3
2010 t/m 2014
jaargemiddelde concentratie
40 ìg/irP
vanaf 2015
jaargemiddelde concentratie
48 ìg/irP
jaargemiddelde concentratie
40 ìg/irP
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 75 ìg/irP
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg/irP
fijn stof (PM10)1)
vanaf 11 juni 2011 vanaf 11 juni 2011
1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: * « *
* »
de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: * «
een project heeft een effect van minder dan 10Zo van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.
38
3.5.2
Onderzoek
Op 13 augustus 2020 is door Buro SRO een onderzoek uitgevoerd naar luchtkwaliteit.
In de eindsituatie neemt de huisvestingscapaciteit met circa 34 cliëntplaatsen toe. Voor de dagbesteding ontstaan circa 77 extra plekken. Er komen ten opzichte van de huidige situatie door het voorgenomen plan circa 87 extra verkeersstromen per etmaal op gang als gevolg van de extra huisvesting.
Bijlage 3A van de Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is. Als een woningbouwlocatie met 1 ontsluitingsweg, waarvan bij Het Westerhonk sprake is, minder dan 1.500 woningen worden gerealiseerd, wordt het project per definitie aangemerkt als project NIBM. Doordat de huisvestingscapaciteit en de dagbesteding slechts beperkt toenemen voldoet het aan deze woninggrens. Het project wordt daarmee aangemerkt als project NIBM. Een beschouwing van het effect op de luchtkwaliteit kan achterwege blijven.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) zijn weergegeven in de navolgende tabel:
Wettelijke normen
Advieswaarden GGD/WHO
Feitelijke waarden
PM10
25 pg/irr3
20 pg /m3
17,5 - 17,9 pg /m3
PM25
25 pg/irr3
10 pg /m3
10 - 10,2 pg /m3
no2
40 pg /m3
-
17,5 - 20,8 pg /im5
Zoals blijkt uit de tabel worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. De advieswaarden van de GGD en WHO worden deels gehaald; op enkele plekken wordt immers de advieswaarde voor PM2,5 overschreden. Omdat het gaat om een lichte overschrijding is de verwachting dat door verbetering van de autotechniek er in de toekomst voldaan wordt aan deze waarde. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
3.5.3
Conclusie
Luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
3.6
Stikstofdepositie
3.6.1
Wettelijk kader
In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereeist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijke negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KWD) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzuurde en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Dor middel van het rekeninstrument AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Het rekeninstrument AERIUS is één van de pijlers van het Programma Aanpak Stikstof (PAS), het PAS maakt onderdeel uit van de Crisis- en herstelwet (Chw).
Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent het PAS. Het PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor 'activiteiten'. Hiermee is het PAS buiten werking gesteld. Het systeem van het PAS was erop gebaseerd dat vooruitlopend op toekomstige positieve ontwikkelingen voor beschermde natuurgebeiden toestemming gegeven kan worden voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebeiden door stikstofuitstoot. Die toestemming 'vooraf, zoals het PAS mogelijk maakte, mag niet meer, aldus de RvS. Projecten en of
39
activiteiten dienen, in afwachting van een nieuw PAS, zelfstandig beoordeeld te worden op grond van de Wet natuurbescherming.
In de uitspraak 29 mei 2019 is ook specifiek ingegaan op de AERIUS calculatie. In rechtsoverweging 39.3 is bepaald dat AERIUS nog wel gebruikt kan worden voor de effectbepaling op grotere (meer dan 50 meter) afstand. Voor berekeningen op kortere afstand wordt een tweede berekening met een andere rekenpakket aanbevolen. De onnauwkeurigheid van AREIUS zat voornamelijk in emissie berekeningen bij agrarische bedrijven waar het emmissiepunt zich op enige hoogte bevond. Met de nieuwe relaese van AERIUS is tegemoet gekomen aan de bezwaren van de Raad van State. Met AERIUS kan dus, in het kader van de reguliere voortoets, een berekening gemaakt worden wat de effecten qua stikstof zijn op een Natuara 2000-gebied. Daarmee kan ook een inschatting gemaakt worden of er significante negateve effecten optreden (de voortoets). Indien deze effecten op voorhand uit te sluiten zijn is er geen vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming en kunnen projecten doorgang vinden.
Provinciale Beleidsregels intern en extern salderen De provincies hebben op 8 oktober 2019 de beleidsregels intern en extern salderen vastgesteld. Tussen de Minsiter en de provincies bestond er echter verschil van inzicht over deze beleidsregels. Kort na vaststelling hebben verschillende provincies daarom de beleidsregels weer ingetrokken of ongeschort. Nadat de minister en de provincies begin december 2019 afspraken over de beleidsregels hebben gemaakt, hebben de provincies op 10 december 2019 de nieuwe beleidsregels intern en extern salderen vastgesteld.
Deze beleidsregels stellen voorwaarden aan de instrumenten intern en extern salderen, om te voorkomen dat toestemmingverlening voor nieuwe gewijzigde initiatieven leidt tot een toename van de stikstofdepositie, en om te borgen dat een daling van stikstofdepositie wordt gerealiseerd. Deze beleidsregels worden toegepast bij de beoordeling van aanvragen voor natuurvergunningen waarbij gebruik wordt gemaakt van intern of extern salderen, of een combinatie daarvan. Daarnaast gelden bij die beoordeling uiteraard ook andere regels en voorwaarden die uit de wet en jurisprudentie voortvloeien.
3.6.2
Onderzoek
Op 18 november 2020 is door Buro SRO een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 3.
De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 200 tot 800 meter van de beschermde Natura2000-gebieden 'Solleveld & Kapittelduinen' en 'Westerpark & Wapendal'. Daarom moet in beeld gebracht worden wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de stikstofdepositie op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Indien er een toename van de stikstofdepositie wordt veroorzaakt, dan is toestemming van het bevoegd gezag nodig. Indien er geen verhoging van de stikstofdepositie optreedt dan is er geen toestemming (of vergunning) nodig en kan het project doorgang vinden.
De onderstaande afbeelding laat de locatie zien ten opzichte van de omliggende Natura 2000-gebieden.
40
JBf
ca. 3,7 km .Ïűrt-'vfjwa KňĵXtUtiumřH
^ ca. 0,2 km
\ ca. 0,8 km
Ligging plangebied ten opzichte van de omliggende Natura 2000 gebieden
Op de planlocatie worden verschillende panden gesloopt en gebouwd, waarvoor verschillende werkzaamheden vereist zijn.
Bij de gebruiksfase is uitgegaan van een toename van verkeersgeneratie van 157 voertuigbewegingen per etmaal. 1000Zo valt onder 'licht verkeer'. In scenario 1 worden het grootste deel van de nieuwe gebouwen gasloos gebouwd waardoor deze niet mee behoeven te worden genomen in de berekeningen. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van een NOx emissie van 34,84 kg/j en een NH3 emissie van < 1KGj Na saldering blijkt dat er voor verschillende rekenpunten rekenresultaaten van 0,00 mol/ha/j zijn. Met de ontwikkeling worden de kritische depositiewaarden op omliggende Natura 2000-gebieden niet overschreden.
In scenario 2 worden de gebouwen middels gas verwarmd. Dit brengt uitstoot van stikstof met zich mee. Omdat er ook gebouwen gesloopt worden, wordt dit verbruik afgezet tegen het toekomstige verbruik (salderen). Uit deze berekening blijkt dat er voor verschillende rekenpunten rekenresultaten van 0,00 mol/ha/j zijn. Met de ontwikkeling worden na saldering de kritische depositiewaarden op omliggende Natura 2000 gebieden niet overschreden.
Voor de bouwfase is een ruime schatting gemaakt voor de mobiele werktuigen die nodig zijn voor de sloop van de huidige gebouwen en de realisatie van de nbieuwe. Daarnaast is ook ver vervoer van personeel en materialen meegenomen in de berekening. De bouwfase is intern gesaldeerd met de gebruiksfase van de te slopen gebouwen. Uit de AERIUS-berekening blijkt uit de verschilberekening dat er in totaal sprake is van een toename aan NOx van 343,11 kg/j en een afname aan NH3 emmissie van 44,30 kg/j. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn.
3.6.3
Conclusie
Ondanks dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significate gevolgen heeft voor de Natura 2000 gebieden, geldt in het kader van de Wet natuurbescherming bij intern salderen een vergunningsplicht. Uit de 'Beslisboom Toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activitieten' blijkt dat een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb-vergunning) nodig is. Ondanks deze vergunningsplicht kan het bestemmigsplan op basis van deze AERIUS-berekening vast worden gesteld, omdat er (na intern salderen) geen depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j plaatsvindt.
41
3.7
Externe veiligheid
3.7.1
Wettelijk kader
Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen, het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de daarop gestoelde regelingen vereist. Op grond van de regels voor externe veiligheid moeten afstanden in acht worden genomen tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten. In de betreffende regelgeving wordt uitgegaan van een risicobenadering - en niet het volledig uitsluiten van het risico - waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het risico kan op een afbeelding zichtbaar worden gemaakt door een (iso)risicocontour die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt. Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met dodelijke slachtoffers plaatsvindt. Het drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting, als bedoeld in de Wet milieubeheer, of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet onderzocht - en verantwoord - worden omdat ook buiten de genoemde risicocontour van het plaatsgebonden risico nog letale effecten kunnen optreden in het invloedgebied van de risicovolle activiteit en groepen personen slachtoffer kunnen worden van een calamiteit.
3.7.2
Onderzoek
Inleiding Externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waardoor de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het ruimtelijk besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met het oog op de Modernisering Omgevingsveiligheidsbeleid van het Rijk wordt het accent verlegd van de risicobenadering naar een effectbenadering. Vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet zijn in dat verband de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations (Stcrt. 2016, 31453) en
42
de Circulaire externe veiligheid LNG-tankstations (Stb. 2015, 3125) gepubliceerd en in werking getreden.
Op 18 november 2020 heeft Kragten een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid in en rondom het plangebied. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4.
Risicovolle inrichtingen In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn milieukwaliteitseisen geformuleerd ter bescherming van de mens tegen de kans om te overlijden als gevolg van het vrijkomen of ontstaan van gevaarlijke stoffen bij een ongeval in een bedrijf of ander risicovol object. Voor het PR geldt volgens het Bevi een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten op een niveau van 10-6 per jaar. Binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour mogen dan ook geen nieuwe kwetsbare functies mogelijk worden gemaakt. Uitsluitend om gewichtige redenen mogen nieuwe beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour gerealiseerd worden. Daarnaast bevat het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR. De aan te houden veiligheidsafstanden zijn voor nader beschreven situaties vastgelegd in de Regeling externe veiligheid inrichtingen. Voor overige gevallen dient de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour te worden berekend. Tot risicovolle inrichtingen behoren ook mijnbouwinrichtingen en inrichtingen voor de opslag van explosieven. In de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations wordt onderscheid gemaakt tussen (beperkt) kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten. De effectafstanden zijn respectievelijk 60 m en 160 m, gerekend vanaf het LPG-vulpunt.
Tot de zeer kwetsbare objecten behoren verblijfsfuncties voor mensen die beperkt zelfredzaam zijn zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven. De circulaire is niet van toepassing op het vaststellen van een conserverend bestemmingsplan. De circulaire geldt evenmin voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten die al binnen de betreffende contouren aanwezig zijn. De effectafstanden voor LNG-tankstations zijn afhankelijk van de aanwezige veiligheidsvoorzieningen. De systematiek is vergelijkbaar met die voor LPG-tankstations.
Met behulp van de risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de onderstaande afbeelding is de ligging van de relevante inrichtingen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Installatie contour 10 6 Inrichting contour 10 6
Ueihglieidsofstnnd r»c tn/it «Mtenhesliiit
overig
Icrreingrcns
«oejeiam ^tlPtND^,L ^nnenhof
MftOEWEG
Locatie NAM Locatie Gasuni
Monster 3 Ten westen van het plangebied en ten noorden van de Madeweg is een inrichting van de NAM gelegen,
43
bedoeld voor de winning en bewerking van aardgas. De risicokaart geeft de PR 10-6-contour (berekend met behulp vban Safeti). Deze reikt niet tot aan het plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Gasontvangststation Gasunie W457 Aan de Madeweg 70a is een gasontvangststation van de Gasunie gelegen. Het betreft een gasstation met een ontwerp capaciteit van 40.100 Nmrô/h. Voor dit gasontvangststation gelden vaste afstanden volgens het Activiteitenbesluit. Voor een type C inrichting (boven 40.000 Nmrô/h) dient tot de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten een afstand van respectievelijk 25 en 4 meter te worden aangehouden. Aan deze afstanden wordt ruimschoots voldaan.
De risico's als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.
Vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 zijn de Wet basisnet en het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. De Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is daarmee komen te vervallen. De wegen in beheer bij het Rijk zijn aangewezen als basisnetroute. Het bevoegd gezag neemt bij het vaststellen van een besluit dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten, de basisnetafstand in acht en houdt daarmee rekening ten aanzien van nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De basisnetafstand volgt uit bijlage I van de Regeling basisnet. In regio Haaglanden zijn voor de A4, tussen Knooppunt Ypenburg en de gemeentegrens tussen Leidschendam-Voorburg en Zoeterwoude (wegvakken Z8 en Z7), en de A13, tussen knooppunt Ypenburg en Deft-Zuid (wegvakken Z29 en Z113), basisnetafstanden vastgelegd. Daarnaast worden voor daartoe aangewezen rijkswegen binnen een zone van 30 meter vanaf de rand van de rijksweg beperkingen opgelegd vanwege eventuele plasbranden (plasbrandaandachtsgebied). De aanwijzing volgt eveneens uit bijlage I van de Regeling basisnet. Het betreft dezelfde wegvakken als hierboven genoemd.
Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een plasbrandaandachtsgebied zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Voor het gedeelte van het plan dat binnen 200 meter van een weg ligt waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (transportroute), moet in de toelichting het groepsrisico worden verantwoord. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevt situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan.
Met een beperkte verantwoording kan worden volstaan wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft. In de toelichting moet worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg (bestrijdbaarheid). Deze verplichting geldt ongeacht of het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen het invloedsgebied van de betreffende transportroutes. Op het vraagstuk zelfredzaamheid moet worden ingegaan wanneer (beperkt) kwetsbare bestemmingen binnen het invloedsgebied van een dergelijke weg zijn geprojecteerd.
44
Transport over waterwegen Ten aanzien van de veiligheidsrisico's in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water zijn uitsluitend waterwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan.
Binnen een afstand van 1.070 meter zijn geen waterwegen aanwezig waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Geconcludeerd kan worden dat de risico's als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over waterwegen geen belemmering vormen voor de planvorming.
Transport over wegen Ten aanzien van de veiligheidsriso's in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg zijn uitsluitend de transportassen van belang waar strcutureel vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. In beginsel zijn dit de A- en N- wegen.
De dichtstbij gelegen weg die is opgenomen in Basisnet is de autosnelweg A4. Deze ligt op circa 7,5 km van het plangebied en is daarmee niet relevant voor de voorgenomen planontwikkeling. Van de provinciale wegen N211, N213 en N464 zijn geen recente gegevens bekend. Uit de jaarintensiteiten van vervoer gevaarlijke stoffen over de weg blijkt dat in 2018 op de N211 sprake was van LF1-, :LF2- en GF3transporten. In het overzicht zijn geen gegevens over de N213 en de N464 opgenomen. Echter, aangezien de N213 en de N464 aansluiten op de N211 zal ook op deze wegen geen sprake zijn van andere dan de genoemde transporten. Het invloedsgebied van deze wegen bedraagt daarmee 355 meter. Het plangebied is op grotere afstand gelegen, warmee transport over de provinciale wegen geen belemmering voor de planontwikkeling vormt.
Transport over het spoor Ook ten aanzien van de veiligheidsrisico's in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor zijn uitsluitend spoorwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Het meest nabij gelgen spoortraject waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt betreft de spoorlijn Rotterdam Blijdorp-Gouda (traject 30Z) op circa 20km van het plangebied. Gezien de afstand is geen sprake van relevantie voor het plangebied.
Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking (Bevb) getreden. Voor nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten geldt dan een richtwaarde van 10-6 per jaar. Langs buisleidingen moeten belemmeringenstroken in acht worden genomen waarbinnen geen bebouwing (zowel boven- als ondergronds) of ondergrondse tanks zijn toegestaan. Daarnaast hanteert de Gasunie de Algemene
VELIN voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten. De noodzaak voor het verantwoorden van het groepsrisico wordt beoordeeld op grond van de inventarisatieafstanden zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 6 van het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen - Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen van maart 2010. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico onderscheidt het Bevb situaties waarin een 'volledige' verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is en situaties waarin met een beperktere verantwoording kan worden volstaan. Er zijn twee situaties waarin volstaan kan worden met een beperkte verantwoording: 1. 2.
Indien het bestemmingsplan betrekking heeft op het gebied tussen de 100Zo letaliteitszone en de 1Zo letaliteitszone van de buisleiding, of Wanneer het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde (OW) bedraagt of het groepsrisico (uitgedrukt in relatie tot de OW) met minder dan 100Zo toeneemt en tevens onder de oriëntatiewaarde blijft.
Lokale buisleidingen
45
Eventuele risico's van buisleidingen zijn pas relevant indien de effecten van een ongeval het plangebied kan overschrijden. Om inzicht te krijgen van de bandbreedte van het invloedsgebied van buisleidingen is het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen-handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen (gectualiseerde versie 2016) geraadpleegd, waarin uit tabel 5.1 10Zo -letaliteitsgrens bij hogedrukaardgastransportleidingen blijkt dat de grootst mogelijke 1%-letaliteitsafstand van een buisleiding 580 meter bedraagt. Voor plannen op meer dan 580 meter afstand van en buisleiding kan dan ook wordne geconcludeerd dat geen beperkingen gelden voor het plan. De berekening van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde.
Op basis van de risicokaart is geconstateerd dat in de omgeving van het plangebied enkele buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn gelegen.
A-Ó17
"
I
W-509-02
NM-412041
Ligging buisleidingen ten opzichte van het plangebied
Op basis van de informatie van de risicokaart zijn onderstaand de relevante gegevens van deze buisleidingen samengevat. Buisleiding
Diameter inch]
Druk [bar]
leta 1 ifeitsaFstand [m]
IX
100S letaliteitsafstand [m]
Afstand tot plangebied [m]
NM-412041
2,99
44
20
20
460
A-617
12,76
80
200
90
130
W-509-02
15,98
40
170
80
200
Op grond van de bovenstaande tabel blijkt dat het plangebied binnen de 10Zo letaliteitsafstand van de buisleiding A-617 is gelegen. De invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico moet kwantitatief inzichtelijk woden gemaakt en het groepsrisico verantwoord te worden.
46
44 V
Vo
^ ļí’W
grens plangebied
Ljř Invloed: 0 Letaliteit = 100 %
H
01 «Ä <= Letaliteit < 100 % H
0 100 tMi
H
bí»
H
Invloedsgebied buisleiding
Het plangebied ligt binnen de 1% letaliteitsafstand van een hogedruk aardgasleiding (A-617). De beoogde verblijfslocaties liggen echter buiten het invloedsgebied van de buisleiding, waardoor de planontwikkeling geen invloed heeft op het groepsrisico van wege de buisleiding. Uit de berekeningen met behulp van het programma CAROLA blijkt dat voor genoemde buisleiding geen PR 10-6 risicocontour ter hoogte van het plangebied wordt berekend. Gezien het voorgaande is bepaling van de hoogte van de groepsrisico en verantwoording niet noodzakelijk.
3.7.3
Conclusie
Het aspect Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
3.8 Water 3.8.1
Wettelijk kader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: * Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); * Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); * Waterwet. * Nationaal waterplan Provinciaal: * * *
Provinciaal Waterplan; Visie Ruimte en Mobiliteit; Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.
47
Nationaal beleid Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.
Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: * » « * *
Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.
Provinciaal beleid Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015.
In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: *
* * «
de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving.
De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021.
Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016.
De onderdelen Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water
48
(hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht.
De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen. Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt.
De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet. Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen.
Waterschapsbeleid Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: * * » «
de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater.
Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode. De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1.
2.
In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit
49
betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; 3.
4.
Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter. Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt.