CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

1.34b) ontwerp bestemmingsplan Van Buerenlaan 31-33 te Kwintsheul (21-0118981)

Gemeenteraad 1 juni 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Vaststelling van de afhandeling van de Lijst met Ingekomen Stukken (LIS)32.137 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Wnb 1.11

Werken conform zorgplicht

n.v.t.

n.v.t.

Zoogdieren Algemene grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen Vleermuizen

Amfibieën/reptielen Algemene amfibieën

Vissen Algemene vissoorten

Overige soorten n.v.t.

1 Wnb = Wet natuurbescherming, artikel 3.1, 3.5, 3.10 en zorgplicht artikel 1.11

3.7.3.1 Advies en vervolgstappen Het woonhuis, garage en kas aan de Van Buerenlaan 33 worden gesloopt. De vervallen stenen schuur blijft gehandhaafd. Op de locatie van de huidige kas wordt een nieuw woonhuis gebouwd. Verder wordt het terrein heringericht met natuurvriendelijke oevers en open gedeeltes. Er worden geen bomen gekapt ten behoeve van het project. Vleermuizen Er wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar omliggend groen en water voorkomen te worden. Ook kan ervoor gekozen worden om in de periode te werken wanneer vleermuizen in winterslaap zijn. De winterslaap van vleermuizen duurt grofweg van oktober t/m maart, maar is afhankelijk van soort en weersomstandigheden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door straatverlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije led armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval toe te passen. Broedvogels Alle in Nederland broedende vogels zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden.

De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden, zoals buizerd en sperwer welke broeden vanaf februari, ook te allen tijde beschermd. In de bomen en het groen in het plangebied broeden hoge aantallen categorie 5-vogelsoorten en algemene vogelsoorten. De geplande werkzaamheden hebben een negatief effect op broedende vogels en hun nesten wanneer gewerkt wordt in de broedperiode. Omdat verstoring niet is toegestaan en het voor zo een hoog aantal broedende vogels niet mogelijk is hier omheen te werken, is het noodzakelijk te werken buiten de genoemde broedperiode. Indien er toch vogelnesten aangetroffen

49

worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest uitgesteld te worden totdat de jongen uitgevlogen zijn of dient een verstoringsvrije zone rond het nest opgesteld te worden. Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Indien dieren aangetroffen worden, moeten de werkzaamheden tijdelijk gestopt worden zodat deze de tijd krijgen te vluchten. Kunnen de dieren dit niet uit zichzelf, dan moeten ze verplaatst worden naar een geschikt habitat in de omgeving, buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: * *

*

* *

De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het woonhuis kan niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk; Indien er bomen of groen verwijderd worden, dient dit eerst afgestemd te worden met de ecoloog. Wanneer de ecoloog bepaalt dat de bomen en/of het groen geschikt is voor roofvogels, algemene vogels en/of boombewonende vleermuizen, is nader onderzoek noodzakelijk. Broedende vogels en hun nesten zijn beschermd en mogen niet verstoord worden tijdens het broeden. Er dient buiten de broedperiode van buizerd, sperwer en overige vogels gewerkt te worden. De broedperiode duurt grofweg van februari t/m juli; De zorgplicht is te allen tijde van kracht; Het optreden van negatieve effecten op de overige (strikt) beschermde soorten in het plangebied is uitges loten.

3.8

Cultuurhistorische aspecten

3.8.1

Wettelijk kader

Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2. De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden.

Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 3.8.2

Onderzoek

Voor dit bestemmingsplan heeft het Archeowest op 26 februari 2020 een verkennend archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd.

50

Het plangebied bevindt zich op de archeologische beleidskaart van de Gemeente Westland in een zone met een lage tot middelhoge archeologische verwachting. De doelstelling van het bureauonderzoek is het formuleren van een archeologische verwachting voor het plangebied op basis van bekende aardkundige, historische en archeologische gegevens. Kansarme zones of zones die niet verstoord zullen worden, worden uitgesloten voor vervolgonderzoek en kansrijke zones die door de werkzaamheden verstoord zullen gaan worden juist geselecteerd worden voor vervolgonderzoek. Uit het bureauonderzoek komt naar voren dat het plangebied ligt tussen een Romeins villacomplex in het noordwesten (o.a. een beschermd AMK-terrein) en een vindplaats uit de Romeinse tijd in het zuiden. Beide vindplaatsen strekken zich uit tot circa 200 meter van het plangebied. Een karterend booronderzoek ten noorden en oosten en een proefsleufonderzoek direct ten oosten van het plangebied hebben geen vindplaats in de directe omgeving aangetoond. Wel zijn bij het proefsleuvenonderzoek geroerde bodemlagen met Romeins materiaal aangetroffen. Ook zijn nabij de huidige Gantel vegetatieniveaus aanwezig, die mogelijk een intact Romeins niveau voorstellen.

Gezien de nabijheid van de Romeinse vindplaatsen zowel ten noorden als ten zuiden kunnen binnen het plangebied off-site sporen in de vorm van bijvoorbeeld perceleringssloten in het plangebied verwacht worden. Indien restgeulen van de Gantel aanwezig zijn, kunnen zich hierin archeologische resten bevinden die gerelateerd zijn aan open water, zoals havenstructuren, steigers, visweren, vaartuigen etc. Mogelijk bestond er een verbinding tussen de beide vindplaats op de noordoever en de vindplaats op de zuidoever van de Gantel in de vorm van een brug of verhoogd pad. Archeologische resten worden verwachting dieper dan 0,5 m -mv. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten uit andere perioden dan de Romeinse tijd. Aanbevelingen Het wordt aangeraden om ter plaatse van de diepere graafwerkzaamheden een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek om aard van de natuurlijke ondergrond (restgeul- of kwelderafzetting) te bepalen en na te gaan of zich nog kansrijke archeologische lagen binnen het plangebied bevinden. Hieronder is op basis van de huidige plannen een boorstrategie bepaald. De boringen zijn gepland ter plaatse van de strook intacte grond tussen de sloot en het waterbassin, bij de zuidelijke uitbreiding en ter plaatse van nieuwbouw.

Tevens dient een boorraai (5 boringen) meer naar het oosten, buiten de aanwezige verstoringen om beter inzicht te krijgen in de natuurlijke bodemopbouw.

51

MBS

100 m

75300

77000

! plangrens i nieuwbouw ' watermeuw boorplan Kaart met een boorplan op basis van de huidige plannen en de ligging van de sloten zoals aanwezig in het begin van de 19e eeuw. Het bovenstaande boorplan gaat uit van dertien grondboringen. Deze mogen worden uitgevoerd met een 7 cm Edelman en een guts van 3 cm, waarmee de bodemopbouw goed in kaart kan worden gebracht. De boringen dienen tot tenminste 3,0 m -mv (denk hierbij aan het reliëf op het terrein of ga beter uit van 2,5 m -NAP) te worden doorgezet om te kunnen bepalen of sprake is van een restgeulafzetting of dat er sprake is een kwelder- of oeversituatie, zodat de archeologische verwachting kan worden verfijnd, hetgeen van belang is voor de aard van een eventueel vervolgonderzoek.

52

3.8.3

Conclusie

Het plangebied is aangemerkt als een gebeid met archeologische verwachtingen. Voor het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden, dieper dan 50 cm zal een aanvullend archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. Om deze onderzoeksplicht te borgen wordt in dit bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen. Op het moment dat er grondroerende werkzaamheden plaats vinden met een diepte dieper dan 50cm is een aanvullend onderzoek noodzakelijk. Ondanks dat bepaalde werkzaamheden mogen worden uitgevoerd zonder dat nader archeologisch onderzoek is vereist, blijft te alle tijden de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vind waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (of in deze, bij de gemeente Westland via telnr. 140174, of bij diens archeologisch adviseur via tel. nr. 0620526028. Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden de resten te onderzoeken, documenteren en eventueel veiligstellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit.

53

Hoofdstuk 4

Juridische planbeschrijving

4.1

Planvorm

4.1.1

Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van VROM (SVBP 2008) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (Staatscourant 2008, nr. 377, van 30 oktober 2008). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg. Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

4.1.2

Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012

De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.

4.1.3

Systematiek van de planregels

Opbouw planregels

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: * Inleidende regels; » Bestemmingsregels; « Algemene regels; * Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Begrippen (Begrippen) Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Wijze van meten) Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Bes temmingsregels

De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: » doeleindenomschrijving (gebruiksregels); « bouwregels; * nadere eisen;

54

afwij kingsregels. Gebruiksregels De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen. Afwijkingsregels In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels". Aanleggen of slopen De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling: * * *

het aanlegverbod of sloopverbod zelf; de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies; de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen.

Algemene gebruiksregels In het artikel "Overige regels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken. Overgangs- en slotregels

In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen: * het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen; * en het onderdeel "Citeertitel".

4.1.4

Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen: NL.IMRO.1783.KWIVBUERENL31obp-ON01

55

De dataset bestaat uit: * het GML-bestand van de planverbeelding; * het XML-geleideformulier; * de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie; « de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels. Leeswijzer verbeelding

Wegwijzer via internet Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimteliikeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is. Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan. Analoge verbeelding Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien.

Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Bestemmingsvlak en bouwvlak

Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder). Aanduidingen

Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'. Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'. Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.

4.2

Bestemmingsregeling

De bestaande functies in het plangebied die overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan in dit plan zijn bestemd, zijn de volgende (in alfabetische volgorde van bestemming).

56

4.2.1

Bestemming "Groen"

De gronden ten noorden van de woningen Van Buerenlaan 31-33 is vorozien van de bestemming 'Groen'. De gronden zijn nu al in gericht als waterberging en bosperceel. Het terrein wordt voorzien van een natuurlijke groene invulling met een plas-dras zone. De nog bestaande woning Van Buerenlaan 33 is gelegen in deze bestemming. De woning wordt gesloopt en vervangen door een nieuwe woning, elders op het perceel. 4.2.2

Bestemming "Water"

De watergangen, welke het gebied scheiden van het glastuinbouwgebied en het naastgelegen woongebied De Gouw zijn voorzien van de bestemming 'Water'. Ook de vereeiste waterberging aan de voorzijde is voorzien van de bestemming 'Water'. 4.2.3

Bestemming "Wonen"

De gronden waar de woning Van Buerenlaan 33, de uitplaatslocatie en de locatie van de vervangende woning Van Buerenlaan 31 zijn bestemd als "Wonen". De uitplaatslocatie is voorzien van een voorwaardelijke verplichting. Ter plaatse kan alleen gebouwd worden als een woonrecht van een voormalige bedrijfswoning is aangeleverd. De locatie van de vervangende woning Van Buerenlaan 31 is voorzien van een bouwaanduiding. De nieuwe vervangende woning kan pas worden gebouwd als de oude woning Van Buerenlaan 31 is gesloopt. De woning kan pas worden gebruikt als de locatie van de oude woning is getransformeerd naar een natuurlijke groeninvulling. Ter plaatse van deze bouwaanduiding is ook een grotere inhoudsmaat voor woningen mogelijk gemaakt dan gebruikelijk. 4.2.4

Dubbelbestemming "Waarde-Archeologie"

Op de gronden waarin mogelijk archeologische waarden liggen, is de dubbelbestemming "Waarde Archeologie" (WR-A) neergelegd. Aan deze bestemming is een aanlegstelsel verbonden. 4.2.5

Dubbelbestemming "Waarde-Natuur"

De gronden met de bestemming 'Groen' zijn ook voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde-Natuur". Binnen dit gebied worden de (toekomstige) natuurlijke waardes in het gebied beschermd. Aan deze bestemming is een aanlegstelsel verbonden.

57

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 Wro is de gemeente verplicht bij vaststelling van een bestemmingsplan of projectbesluit waar in bouwplannen zijn opgenomen als aangewezen in artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.2.1. Bro, een exploitatieplan vast te stellen. Geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld als het verhalen van kosten anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld doordat de gemeente hierover overeenkomsten heeft gesloten met de eigenaren van de binnen het exploitatiegebied gelegen gronden, of doordat de gemeente zelf eigenaar is van bedoelde gronden. Voor het bestemmingsplan is geen exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening opgesteld, omdat de kosten voor het realiseren van het plan, die verhaald dienen te worden, op een andere wijze is voorzien. Met beide grondeigenaren is een anterieure overeenkomst gesloten. Eventuele vergoeding van planschade, als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening, is in de overeenkomst opgenomen.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1

Overleg

In de periode van PM t/m PM heeft over het voorontwerp van dit bestemmingsplan bestuurlijk overleg plaatsgehad als geboden in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij hebben de volgende instanties gereageerd:

De uitkomsten van het overleg, als bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid, onder c., van het Besluit ruimtelijke ordening, zijn opgenomen in Bijlage Inspraak en overleg van deze toelichting. 5.2.2

Zienswijzen

Van PM tot PM heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn PM AANTAL zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage PM van deze toelichting.

58

Bijlagen bij de toelichting

59

Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

60

Bijlage 2 Watertoets

61

Waterstudie Van Buerenlaan 31 en 33 te Kwintsheul

Opdrachtgever Dhr. R.P.A. van der Arend te Naaldwijk

Milieu consultancy

AQUA-TERRA

Watermanagement Ruimtelijke ordening

AQUA-TERRA

Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening

Aqua-Terra Nova BV

Waterstudie Van Buerenlaan 31 en 33 Te Kwintsheul

Zuidweg 79 2671 MP Naaldwijk telefoon 0174 - 625246 www.aquaterranova.nl

Opdrachtgever Dhr. R.P.A. van der Arend te Naaldwijk

"/š

'__

Datum: Rapportnr: Status:

8 maart 2021 181080/Aqua-Terra Eind rapportage

IBAN NL08 RABO 0368 1199 55

Nova 303eWT

.

BTW: NL-8105.67878.B01

.

K.v.K. nr. 27240696

Colofon Titel

: Waterstudie Van Buerenlaan 31 en 33 te Kwintsheul

Opdrachtgever

: dhr. R.P.A. van der Arend

Contactpersoon

: dhr. C. van der Klugt (Areaal Makelaardij)

Projectteam

Projectmanager Contactpersoon Auteur Kwaliteitsborging

: ing. A.P. Wubben : ing. A.P. Wubben : ing. R. Sjoukes : ing. A.P. Wubben

Projectnummer

:181080

Datum vrijgave

Status

8 maart 2021

Eindrapportage

auteur

Vrijgave borger

© 2021 Aqua-Terra Nova B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schríftelijke toestemming van de uitgever.

IBAN NL08 RABO 0368 1199 55

BTW: NL-8105.67878.B01

K.v.K. nr. 27240696

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING....................................................................................................... 1

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 2

WETTELIJK KADER............................................................................................ 4

2.1 2.2 2.3 2.4 3

Aanleiding watertoets....................................................................................................1 Watertoets................................................................................................................... 1 Plangebied................................................................................................................... 1 Procedure..................................................................................................................... 3 Leeswijzer.................................................................................................................... 3 Nationaal beleid............................................................................................................4 Provinciaal beleid ..........................................................................................................4 Waterschapsbeleid ........................................................................................................5 Gemeentelijk beleid.......................................................................................................6

ONDERZOEK..................................................................................................... 7

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

Nieuwe situatie............................................................................................................. 7 Veiligheid en waterkeringen...........................................................................................8 Waterkwantiteit............................................................................................................8 Watersysteemkwaliteit en ecologie...............................................................................10 Onderhoud en bagger..................................................................................................11 Bodem en grondwater..................................................................................................11 Afvalwater en riolering.................................................................................................11 Conclusie....................................................................................................................12

BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5 BIJLAGE 6

FASEN WATERTOETS......................................................................... 13 PROJECTGEBIED HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE.................... 14 LEGGERKAARTEN DELFLAND............................................................. 17 NORMEN BERGINGS- EN AFVOERCAPACITEIT................................... 18 INFORMEEL ADVIES HOOGHEEMRAADSCHAP VANDELFLAND............ 19 LITERATUUR....................................................................................... 21

181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

0

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding watertoets

Dhr. R.P.A. van der Arend is voornemens om een perceel met o.a. kas en een woonhuis met woonbestemming te slopen en een nieuwe woning met woonbestemming verder op de kavel te realiseren aan de Van Buerenlaan 31-33 te Kwintsheul. Hierbij wordt ook groen gerealiseerd en natuurvriendelijke oevers aangelegd. Om de ontwikkeling zoals beoogt mogelijk te maken is er een bestemmingswijziging nodig. Aqua-Terra Nova BV is verzocht de Waterstudie op te stellen die nodig is om de boogde ontwikkelingen mogelijk te maken. 1.2

Watertoets

Bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen is het van belang om de waterhuishouding van het begin af aan mee te nemen in de planvorming. Om dat te waarborgen is een verplichte watertoets in het leven geroepen. Het doel van de watertoets is een goede en evenwichtige afstemming tussen waterbeheer (kwantiteit en kwaliteit) en ruimtelijke plannen te bewerkstelligen en dient invulling te geven aan het thema water in de ruimtelijke paragraaf. In de watertoets komen verschillende waterthema's aan de orde, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw oppervlaktewater. Wanneer knelpunten in de projectvoorbereiding worden gesignaleerd moeten er alternatieve en/of compenserende maatregelen worden genomen in de planontwikkeling en uitvoering. De waterstudie is opgesteld volgens de "Handreiking Watertoets" en de Beleidsnota "Beperken en voorkomen wateroverlast" (2014) van het Hoogheemraadschap van Delfland (www.hhdelfland.nl/watertoets). 1.3

Plangebied

Het projectgebied is gelegen aan de Van Buerenlaan 31-33 in Kwintsheul. In onderstaande afbeeldingen wordt de globale begrenzing van het projectgebied weergegeven.

Poeldijk

De Driesprong

Kwintsheul

Figuur 1.1 Globale ligging projectgebied

Het plangebied van deze watertoets maakt onderdeel uit van een groter gebied van ca. 2,5 hectare. Het plangebied bestaat uit de bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw" en "Wonen" (zie figuur 1.2 en 1.3).

181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

1

Glastuinbouwgebied Westland + + + + ^ f ^ fTTTT1 + + t-"t—- r~*T-~ĩ

gemeente Westland bestemmingsplan onherroepelijk (vastgesteld 2012-12-19) PLEKINFO

\ 4,dW

ì^-kjŗ

ļģļ

DOCUMENTEN

KENMERKEN

+ + ^4 + #

76912.9,448644.8 Enkelbestemming Agrarisch - Glastuinbouw

.4-

+Ť++ 4-4 44-

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie

—i Functieaanduiding specifieke vorm van waarde - 2

+ + + +W + + + + + + + + 4- 4- 4- 4- 4a'4- 4- 4- 4- 4- 4-4-44-4-4-4-^4-4-4-4-4-4-4+ 4-4-4- +XM- + + + + + + 4-4-4-4-4\+4-4-4-4-4-

Figuur 1.2: Uitsnede huidig bestemmingsplan Glastuinbouwgebied Westland (Bron: ruimtelijke plannen.nl) 4 + + + + + + +Z + + + +

Glastuinbouwgebied Westland

4- 4- 4-

+ + + + + + + + + + + +

^A^4^F + + +

gemeente Westland

H + + + + + + + + + + + + + H + + + + + + + + + + + + + + + + + +

bestemmingsplan

H + + + + + + + +

onherroepelijk (vastgesteld 2012-12-19)

+ + + + + + + +J,+' +X + + + + + + + + + + + + -Ì- + + + + + + + + + h ++ + + + + h±-4'-4' + + + + + + + + + + + + + h ++ + + + + + + + + + + + + + + + h ++ + + + + + + + + + + + + + + + h ++ + + + + + + + + + + + + + + + h ++ + + + + + + + + + + + + + + + h ++ + + + + + + + + + + + + + + + h ++ + + + + + + + + + + + + -K h ++ + + + + + + + + + + h ++ + + + + + h ++ + + + + + h ++ h ++ h ++ h ++ h ++ h ++ h ++ h ++ h ++ h ++

PLEKINFO

*

DOCUMENTEN

KENMERKEN

76975.3,448612.3 Enkelbestemming Wonen

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie

—i Functieaanduiding specifieke vorm van waarde - 2 -Ķ..+ 4-

+ + + + + +

-4-^4. Jt-jL-*-

I- + +

h ++ h ++ h ++ h ++

+ +/+/+ + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + + TTTTTTTTTT-TT + V +^ + + + + + + + + + + + + + + + + + + ■ — - + + + + + + + ^ + + + + -^‘t■-^■ + + Figuur 1.3: Uitsnede huidig bestemmingsplan burgerwoning Glastuinbouwgebied Westland (Bron: ruimtelijke plannen.nl) t +X+

181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

2

1.4

Procedure

De eindconcept-rapportage is voorgelegd aan de opdrachtgever en aan het hoogheemraadschap van Delfland. Delfland heeft op 12 maart 2020 informeel advies gegeven op de rapportage, welke zijn verwerkt in deze definitieve versie. Begin 2021 is een aangepast plan gemaakt. 1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 staat het wettelijk kader omschreven. In hoofdstuk 3 wordt het onderzoek weergegeven en worden de aspecten ten aanzien van het beleid en wensen vanuit het waterbeheer beleid vertaald naar het uiteindelijke inrichtingsplan.

181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

3

2

WETTELIJK KADER Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: - Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: - Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); - Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); - Waterwet. - Nationaal waterplan Provinciaal: - Provinciaal Waterplan; - Visie Ruimte en Mobiliteit; - Verordening Ruimte en de waterverordening Zuid-Holland.

2.1

Nationaal beleid

Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: - Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; - Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; - Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; - Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; - Nederlanders leven waterbewust.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De structuurvisie sluit aan op de uitgangspunten van het Nationaal Waterplan en vult deze op onderdelen aan. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de waterkwaliteit, het voorkomen van wateroverlast, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. 2.2

Provinciaal beleid

Het provinciaal waterbeleid voor de periode 2016-2021 bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) 2016 - 2021 en onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015. In de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) zijn de ruimtelijke componenten opgenomen van het waterbeleid. Hoofdstuk 4 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid: - de ambitie om een duurzaam, concurrerende en leefbare Europese topregio te zijn. De Provincie bevordert de transitie naar een water -en energie efficiënte samenleving. Daar spelen het verbeteren van toekomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde een belangrijke rol; - aan het watersysteem worden grote uitdaging gesteld door verzilting, klimaatverandering, inklinking, veranderd ruimtegebruik en de daarbij passende veranderingen van het watersysteem; - het beter benutten van de kansen en natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de ondergrond is tevens een speerpunt van het provinciaal waterbeleid; - tenslotte door een verandering naar een duurzame voorziening in de energiebehoefte kan worden ingezet op een energie-efficiënte samenleving. 181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

4

De doelen, maatregelen en afspraken voor de kwaliteit van het water van grond- en oppervlakte water zijn opgenomen het Stroomgebied beheerplan Rijn-West 201-2015 (SGB-1). Voor opvolgende periode 2016-2021 is het SGB-2 op 22 december 2014 gereedgekomen. De invulling van de verantwoordelijkheid in dit SGB-2 is vastgelegd in de KRW 2016-2021. Het Waterplan Zuid-Holland 2015 was van kracht tot 22 december 2015. Op grond van artikel 48 Waterwet moet het plan om de zes jaar door de Provinciale Staten worden herzien. Het is niet noodzakelijk om een nieuw plan vast te stellen. Voldaan kan worden met het nemen van een planherzieningsbesluit. Dit besluit is genomen op 29 juni 2016 en bekend gemaakt op 8 juli 2016. De onderdelen 'Waarborgen waterveiligheid (hoofdstuk 4)' en 'Realiseren mooi en schoon water (hoofdstuk 5)' en 'operationeel grondwaterbeleid (bijlage 7)' van het Waterplan 2015 blijven van kracht. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (Visie Ruimte en Mobiliteit), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (Verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (Uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn bijvoorbeeld regels opgenomen met betrekking tot regionale keringen in bestemmingsplannen.

Daarnaast is de Waterverordening Zuid-Holland van belang. Daarin zijn onder meer veiligheidsnormeringen voor regionale keringen en waterkwantiteitsnormen opgenomen. De waterkwantiteitsnormen geven aan, waar de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit op ingericht moeten zijn. Deze normen definiëren de gemiddelde overstromingskans vanuit het oppervlaktewater per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. Het beschermingsniveau verschilt per vorm van landgebruik en is gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachten schade bij overstromingen. De waterkwaliteitsnormen zijn gerelateerd aan het landgebruik en daarmee bepalend voor de mogelijkheden, die het bestemmingsplan biedt. De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kan versterken. Het project Westlandse Waterlijnen heeft de provincie in samenwerking met heel veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet.

Verder is in de Visie Ruimte en Mobiliteit aangegeven dat de juridische borging en versterking van het vaarnetwerk overgedragen is aan de gemeenten die hierop hun lokale beleid en bestemmingsplannen moeten aanpassen. 2.3

Waterschapsbeleid

Het Hoogheemraadschap Delfland heeft haar waterbeleid vastgelegd in het Waterbeheersplan 2016-2021 'Strategie richting een toekomstbestendig en samenwerkingsgericht waterschap'. In dit Waterbeheerplan 5 (WBP 5) heeft het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland) zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Het WBP 5 is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het WBP 5 staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: -

de waterveiligheid; het waterbeheer; de waterkwaliteit; het zuiveren van afvalwater.

Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen. Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Het is een uitdaging om bij de uitvoering van die taken aan te sluiten bij de beleving en de behoeften van de maatschappij. Waterbewustzijn vormt de onmisbare schakel voor draagvlak. Delfland wil dat mensen zich in de komende planperiode bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag. Het vergroten van waterbewustzijn is daarom verweven in alle programma's en handelingen van Delfland in de komende planperiode.

181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

5

De werkzaamheden en projecten die de komende zes jaar geïnitieerd worden zijn terug te brengen tot de volgende vier speerpunten van het waterschap: 1. In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. Delfland werkt bij het bestendigen van het beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering; 2. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van ons watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Dit betekent de kans op natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeteren en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen; 3. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. De samenwerking in het waterbeheer is pluriform van karakter.

Het waterschap speelt hierop in door goed omgevingsmanagement en door op basis van transparantie en vertrouwen de samenwerking te zoeken en structureel te onderhouden. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden; 4. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer, maar dogma's zijn er niet. Dit betekent dat er in de werk- en beleidsprocessen van de ambtelijke organisatie en bij bestuurlijke besluitvorming binnen de wettelijke mogelijkheden voldoende ruimte moet zijn om maatwerk te leveren. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. In 2007 (herzien in oktober 2018) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De toelichting van bestemmingsplannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen.

Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten: - beleidskader omtrent water; - waterkeringen; - waterkwantiteit; - waterkwaliteit en ecologie; - afvalwater en riolering; - bodem en grondwater; - onderhoud en bagger; - klimaatadaptatie. 2.4

Gemeentelijk beleid

Het Waterplan Westland , met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2027 en de daarbij horende uitvoeringsplan 2015 tot 2018 beschreven. De thema's: "Toekomstig ruimtelijk beleid, Duurzaamheid, Schoon water, waterkeringen, Droge voeten, Afvalwaterketen Beheer en onderhoud, Zoetwatervoorzieningen en grondwater, Recreatie", worden hierin uitgewerkt. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart gebracht. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

6

3

ONDERZOEK

3.1

Nieuwe situatie

In de beoogde situatie komt er op het perceel van 25.538 m2 een woonhuis op de locatie waar nu kassen staan en wordt de huidige woning op het perceel gesloopt. De bestemming "Wonen" waar de huidige woning van ca. 146 m2 staat, wordt meegenomen naar de locatie van het perceel van de nieuw te bouwen woning (zie figuur 3.1). De nieuw te bouwen woning wordt groter dan de huidige woning en komt in het gebied dat nu de bestemming "Agrarisch-glastuinbouw" heeft. Naast de bestemming Wonen zal het overige deel van het perceel de bestemming Groen met natuuraanduiding krijgen. Het aanwezige water blijft behouden waarbij ook natuurvriendelijke oevers worden gerealiseerd. De aanwezige glastuinbouw wordt gesloopt. Aan de voorzijde wordt een watergang gegraven welke aansluit op een bestaande watergang. Voor deze omzetting zal een bestemmingswijziging nodig zijn en daarvoor is deze watertoets opgesteld. De waterstudie richt zich op het gehele plangebied.

-K + .+. + .-i4- 4 + 4-

■4v4 ^ 4-T+

4 +T+T+

Tr4- 4-T+ 4 4- 4+J.4-v4v4 4 4,4

L+1+I+J 4 +T+ 4-

47+74,

447444

47+74-74-74,4144L+J+J +

4 4 + 4 + 4

7-7+7+74,47+7+74 4 4 +7- 4 +7+T+ +I+Ĵ3-T+

4 L+ L~tr

4,4|4|4|4j4

ť4 4 +T-47+74 4 .4.4.414.4.4.4.4.4.4.4,44.4.4.4,4.-4.4.4, -4,4.4.4,4 4 4,4

-I-

V4i'4-V+

+7+T+ K,. ■f.'f .7i+.'f .7

4 — ,4į4[4i A4- 4.4 + İ+ 4,44,4 Jj

Figuur 3.1 Toekomstige situatie bestemmingsplan (bron: Visie). Het projectgebied is rood omlijnd.

In de toekomstige situatie wordt er een woning komen met een oppervlak van ca. 604 m2 gerealiseerd. Het totale verhardoppervlak van de woning, oprit, garage en terrassen is ca. 1.685 m2, zie bovenstaand figuur 3.1.

181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

7

3.2

Veiligheid en waterkeringen

Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor de veiligheid van haar beheergebied. Het bouwen en opslaan op waterkeringen mag niet zonder meer en hierop is de Keur Delfland toepassing. Met de Keurbepalingen wil Delfland voorkomen dat de stabiliteit of het functioneren van de waterkering wordt beïnvloed. Tevens moet de waterkering in de toekomst, indien nodig, opgehoogd of verbreed kunnen worden. In het plangebied is gelegen in het boezemgebied. Het plangebied ligt niet in de directe omgeving van binnenwaterkeringen of regionale waterkeringen (zie figuur 3.2), maar valt buiten de beschermingszone.

Regionale waterkering Traject

186

Poldercode

POL401A

Poldemaam

Eshofpoider

Gemeente

Den Haag

Onderwaterde loop 1:2 Kruinhoogte

NAP

Kruin breedte

2

Binnenbeloop

1:3

0 10m

Bovenwaterbeloop 1:1 Profetvariant Bijlagen 9.pdf Zoomen naar

\

V/

Figuur 3.2: Weergave waterkeringen in en om het plangebied (Bron: Leggerkaart Delfland)

3.3

Waterkwantiteit

Het plan dient te voldoen aan de provinciale normen voor bergings- en afvoercapaciteit. De planlocatie is gelegen in de boezem. Voor dit peilgebied geldt een waterpeil van -0,43 m NAP en een maximale peilstijging van 0,2 meter. Conform de Handreiking Watertoets en de beleidsnota Beperken en voorkomen wateroverlast van Delfland (https://www.hhdelfland.nl/) mag de waterhuishoudkundige situatie niet verslechteren als gevolg van de ontwikkeling, het zgn. stand-still beginsel. Voor dit project is toetsing aan de bergings- en afvoernormen het belangrijkste uitgangspunt. Bij planologische omzetting geldt de maximale inspanning voor de norm van de waterberging (zie bijlage 4) met toepassing van een effectgerichte, gebiedsgerichte en marktgerichte aanpak. Het stand-still beginsel betekent dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ontwikkeling. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast. Versnelde afvoer door meer verharding voldoet daarmee niet aan het stand-still beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd.

181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

8

AHN2 Hoogte (m): 0.324 Zoomen near

Figuur 3.3. Hoogtekaart (bron: https://ahn.arcgisonline.nl

Delfland heeft de Watersleutel ontwikkeld, een rekentool waarbij op basis van een aantal relevante kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem wordt bepaald hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd. Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren, kan ook een modelstudie worden uitgevoerd. Voor veel ontwikkelingen, waaronder het projectgebied, kan worden volstaan met een eenvoudigere methode om inzicht te krijgen in de benodigde watercompensatie. In bijlage 5 staat op basis van de gegevens in deze rapportage de uitgangspunten voor de berekening van de watercompensatie van het project: - De huidige en toekomstige verharding van zowel terrein verharding als bebouwing; - huidige en toekomstig maaiveldhoogte; - maatgevend peil en gemiddelde drooglegging; - toelaatbare peilstijging. In onderstaande tabel staan de huidige en toekomstige oppervlakten in m2 weergegeven (zie ook bijlage 2). Tabel 1.1: Oppervlakten huidige en toekomstige situatie Stedelijk Glastuinbouw Z Natuur Wateroppervlak totaal

Verhard Onverhard Verhard Onverhard

Bestaand 146 0 1.050 18.504 5.838

Nieuw 1.685 0 0 18.015 5.838*

25.538

25.538

*In de watertoets wordt uitgegaan van minimaal hetzelfde wateroppervlak als de huidige situatie, hierin is nog niet de nieuwe watergang aan de voorzijde van het perceel meegenomen.

In bijlage 5 staat de analyse op basis van de Watersleutel van Delfland weergegeven. De verharding en ook het beschermingsniveau (van glastuinbouw naar stedelijk) neemt in de nieuwe situatie toe, waardoor er een wateropgave ontstaat. Deze is voor de ontwikkeling 40 m3, dit staat gelijk aan 135 m2 wateroppervlak. Voor de berekening van Klimaat 2050 is er een extra waterberging van 188,8 m3, dit staat gelijk aan 636 m2. Dit geeft een totale wateropgave van 228,8 m3, dit staat gelijk aan 770 m2. In totaal dient er in de nieuwe situatie 6.608 m2 aan wateroppervlak te zijn. Er wordt extra gegraven aan de voorzijde van de woning, zie ook afbeelding 3.1. Hiermee zal voldaan worden aan de wateropgave. 181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

9

Ten aanzien van het stand-still beginsel wordt met name naar 3 onderdelen gekeken: - Kans op wateroverlast mag niet toenemen; dit zal in de nieuwe situatie niet gebeuren aangezien het wateroppervlak gaat toenemen op basis van de normen; - structuur van het watersysteem mag niet verslechteren; dit is niet het geval. Voor de veranderingen aan de watergangen op de rest van het perceel dient wel nog een watervergunning aangevraagd te worden; - beheerbaarheid van het watersysteem mag niet achteruit gaan; een groot deel van de bestemming verander van glastuinbouw naar groen en waar de bestemming gaat veranderen van Agrarisch naar Wonen zijn geen watergangen. Zorgplicht

De initiatiefnemer dient maatregelen of voorzieningen te treffen om te voldoen aan de zorgplicht. Hierbij kan onderstaande stroomschema gebruikt worden om tot de goede maatregel te komen. Compensatie opgave door toename verharding?

Graven open water iņ planeebied moge líjk?

Graven van open water in peilvak mogelijk?

Compensatie in oppervlaktewater

Compensatie in vasthoudmaatregel, conform deze richtlijn

Vasthoudmaatregelen ten behoeve van klimaatadaptatie zijn wenselijk, de richtlijn is ondersteunend bii het keuzeproces.

Figuur 3.4: Stroomschema toepassen van vasthoudmaatregelen (Bron: Richtlijn toepassen vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding in het watertoetsproces, Delfland)

In bovenstaande stroomschema wordt ook naar klimaatadaptieve maatregelen verwezen. Wateroverlast door hoosbuien is een steeds vaker voorkomend probleem. Om overlast te kunnen voorkomen moet water vast gehouden worden en langzaam worden afgevoerd. Hieraan kan iedereen bijdragen door bijvoorbeeld aan de volgende maatregelen te denken: ^ afkoppelen van hemelwaterafvoer van het riool en dit water laten infiltreren ^ platte en/of groene daken ^ waterberging onder parkeerplaatsen ^ waterberging in parkeerkelders ^ grindkoffers onder de verharding ^ in wadi's en andere vormen van groenvoorzieningen ^ vijvers en watertonnen Een aantal van de bovenstaande maatregelen wordt toegepast en geadviseerd wordt dit waar mogelijk (extra) toe te passen. 3.4

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. In zijn algemeenheid is bij het omzetten van glastuinbouw naar wonen en natuur sprake van minder uitstoot van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, waardoor de waterkwaliteit zou kunnen verbeteren. Belangrijk onderdeel is het natuurvriendelijk oeverprincipe (NVO). Aangezien er het plangebied in het boezemgebied ligt, bebost is en veel water herbergt is in overleg met het hoogheemraadschap en de gemeente gekeken naar de mogelijkheden bij deze oevers. Besloten is om deze ook in het gebied te realiseren. De NVO's bestaan onder meer uit een flauwe oever, 181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

10

moeras en rietoevers. De NVO's voorzien in meerdere ecologische functies. Het natte profiel heeft naast zijn ecologische en visuele functie op meerdere locaties ook en belangrijke functie als bypass voor de omliggende vaarten. Het afstromend hemelwater vanaf het plangebied kan een gering positief effect op de waterkwaliteit hebben. Door de infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage eveneens een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater. 3.5

Onderhoud en bagger

Delfland is verantwoordelijk voor het onderhoud van het primaire watersysteem en de waterkeringen. Voor secundair boezemwater en polderwateren zijn veelal andere partijen (gemeente, grondeigenaar) onderhoudsplichtig. Onderhoudsplichtigen zijn in de Legger Delfland vastgesteld. Onderhoud aan water en waterkering betekent dat deze toegankelijk moeten zijn voor onderhoud. Ook houdt Delfland ruimte die eventueel nodig is voor dijk- of kadeverzwaring, vrij van andere, conflicterende functies. Het beheer en onderhoud van het watersysteem binnen het plangebied is vastgelegd in de Keur Delfland en Legger Delfland. Voor onderhoud van watergangen is het van belang rekening te houden met de benodigde onderhoudsstroken. Onderhoudsstroken zijn noodzakelijk voor onderhoudsmateriaal en werkruimte, en er kan bagger op de onderhoudsstroken worden gezet. Er gelden de volgende criteria: » als er sprake is van 'varend' onderhoud van watergangen, natuurvriendelijke oevers en waterkeringen zijn de dimensionering van het doorstromingsprofiel en van de kunstwerken aan specifieke ontwerpeisen gebonden, bijvoorbeeld een vaardiepte en doorvaarthoogte van 1,0 m en een minimale doorvaarbreedte van 3,1 m bij bruggen. Dit is zeker het geval bij een breedte van meer dan 10 m (gemeten op de waterlijn).

» voor onderhoudsdoeleinden langs primaire watergangen is aan weerszijde een onderhoudsstrook (4 m) vrij van bebouwing en obstakels. Is de primaire watergang 5 m of smaller, dan kan in veel gevallen volstaan met een strook van 5 m aan één zijde en 1 m aan de andere zijde. » voor natuurvriendelijke oevers langs watergangen, bijvoorbeeld in verband met de Kaderrichtlijn Water, is ruimte nodig om onderhoud te plegen. Hierbij geldt hetzelfde als voor primaire watergangen. De volgende watergangen grenzen aan het projectgebied en moeten volgens beleid onderhouden worden door verschillende partijen (zie bijlage 3 met de leggerkaarten): - Primaire watergang ten noorden van het projectgebied, onderhoud door Delfland. Aan de primaire watergang zullen weinig veranderingen plaatsvinden, de wijze van onderhoud kan hetzelfde blijven. De watergang is breed genoeg maar zal ook diep genoeg moeten zijn om dit varend te doen; - Secundaire watergangen op en rondom het projectgebied, onderhoud door aanliggende eigenaar, dit zal deels varend (met voldoende profiel) en deels vanaf de kant (met een voldoende brede strook) worden uitgevoerd. Voor onderhoud vanaf de kant zullen onderhoudsstroken moeten worden ingericht. Bij uitwerking van de NVO's dient ook duidelijk te worden op welke manier onderhoud wordt gepleegd. Een en ander zal in overleg met Delfland plaatsvinden. 3.6

Bodem en grondwater

Bij het bouwen van de nieuwe woningen moet rekening gehouden worden met voldoende drooglegging om grondwateroverlast te voorkomen. In een waterhuishoudingsplan voor Westland wordt standaard uitgegaan van minimaal 1 m. Overigens helpt een voldoende hoog bouwpeil niet alleen tegen grondwateroverlast, maar ook tegen wateroverlast en vochtproblemen algemeen. Het maaiveldhoogte bedraagt momenteel ca. 0,32 m NAP volgens de hoogtekaart (zie figuur 3.3). De drooglegging (zie bijlage 5) zit daarmee op 0,75 m. Delfland adviseert een minimale drooglegging van 1.0 m. Hieraan wordt niet voldaan en er wordt derhalve nadrukkelijk geadviseerd om bij de ontwikkeling na te gaan en inzicht te geven in hoeverre het maaiveld nog omhoog kan worden gebracht. 3.7

Afvalwater en riolering

De woningen worden volgens het Verbreed GRP 2011 - 2015 van gemeente Westland aangesloten op het gescheiden gemeentelijke rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. 181080/Aqua-Terra Nova303eWT Eind rapportage 8 maart 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=b0c8cc89-14d2-4ece-8819-23186fc77104