CConstaterende datWestland
Koppel je AI →
Document · PDF

1.19a) Jaarrapportage waterkwaliteit Delfland 2020 (21-0212907)

Gemeenteraad 21 september 2021, gemeente WestlandBij agendapunt: Vaststelling van de afhandeling van de Lijst met Ingekomen Stukken (LIS)15.369 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Kader 4.1: Ecologische toetsing, het hoe en wat Om te toetsen in hoeverre de waterkwaliteit in Delfland al voldoet aan de gestelde doelen is de KRW-toetsing leidend (zie hoofdstuk 9). De KRW-toets-methode is echter in zijn ontwerp geen diagnostische toets, en geeft enkel weer wat de kwaliteit is van het watersysteem. Het aantal meetpunten van de KRW-toetsing is eveneens gering, en geeft geen inzicht in het lokale water. Alleen op basis van deze score kunnen daarom geen effectieve maatregelen worden afgeleid, noch adviezen worden gegeven voor het gehele watersysteem. Om dit inzicht in de toestand van de waterkwaliteit in het beheergebied wel te krijgen, en daarmee informatie in te winnen over de achterliggende problemen van een onvoldoende waterkwaliteit, wordt al jarenlang gemeten volgens het protocol van en getoetst met de EBEO-systemen van de STOWA (Ecologische BEOordelings-systemen, 2006). Deze toets-methode geeft op basis van de actuele samenstelling van biologische soortgroepen (zoals waterplanten, kleine waterdieren en fytoplankton) en een aantal chemische waarden (zoals bijv. meststoffen, zuurstof en chloride) een beeld wat de huidige staat van de ecologische kwaliteit is.

De EBEO-systemen werken met zogeheten ecologische 1karakteristieken': aspecten van de leefomgeving (zoals water­ kwaliteit, -kwantiteit, hydromorfologie) die leidend zijn voor de uiteindelijke kwaliteit van het ecosysteem dat in die leef­ omgeving ontstaat. Afhankelijk van het watertype wordt van 4 tot 8 karakteristieken bepaald wat de huidige stand van zaken is. Met deze karakteristieken wordt getoetst op welke vlakken er knelpunten voor de ecologische waterkwaliteit bestaan. De knelpunten kunnen weer vertaald worden naar geschikte maatregelen om de doelen voor de KRW en lokaal water te bereiken. Uit deze karakteristieken wordt uiteindelijk ook de EBEO totaal-score berekend. Momenteel wordt met de uitwerking van een nieuw diagnostisch toets-systeem, de Ecologische Sleutel Factoren (ESF's), door de STOWA gewerkt aan een vervanging van de enigszins verouderde EBEO-systemen. Aangezien de Sleutelfactoren nog verder worden uitgewerkt, wordt in deze waterkwaliteitsrapportage gewerkt met de EBEO-systemen._______________________________

25

Figuur 4.1: Totaalscore Beoordelingssystemen (EBEO-toetsing)

Ecologische

De totaalscore van de EBEO-toetsing geeft inzicht in de resultaten van deze toets-methodiek. Voor de meeste locaties wordt een voldoende in de laatste meetcyclus gescoord, met her en der een (zeer) goed ofslecht. Legenda totaalscore: o0o ooQo G xqoQd

0U0C

Score EBEO: Totaal

ŴĈC0

ţ

Zeer goed

O

G oed

O

4řm

Q

Q 00 OM

ĽD MIDDEN DELFLAND 2020 HAAG LAN D/WESTLAND 2019 a OOSTLAIMD 2018

Voldoende

O

Slecht

9

Zeer slecht

O

Niet getoetst

Figuur 4.2: Verandering totaalscore Ecologische Beoordelingssystemen (EBEO-toetsing)

SR ğ5

o

De EBEO-toets wordt inmiddels al jaren uitgevoerd, en zodoende kan de ontwikkeling in de tijd in kaart worden gebracht. Vergeleken met de meetcyclus van ongeveer 12 jaar eerder is weinig verandering te zien in de totaalscores, maar is in Oostland enige positieve ontwikkeling te zien, tegenover wat meer negatief in Midden-Delfland en Den Haag/Westland.

9d«İ

G

•Sufeo0,

î-o o

Legenda verandering totaalscore: Verandering EBEO: Totaal

Score per karakteristiek

N et oeocī d ■ Zee'goed ■ Goed Va doende Secnt ■ Zeers ecnt

Z /V

26

O

1 punt omhoog

O

Gelijk gebleven

O

1 punt omlaag

MIDDEN DELFLAND 2020 |

| HAAG LAN D/WESTLAND 2019 ĵ 00STLAND 2018

Figuur 4.3: Verdeling scores per karakteristiek alle meetpunten De karakteristiek brakkarakter scoort het best, er zijn weinig problemen met verzilting. Dit wordt gevolgd door zuurkarakter, er zijn weinig problemen met verzuring. Dan volgt toxiciteit, veel locaties scoren zeer goed of voldoende, al zijn er ook zeker locaties de slecht scoren. De op gebiedsvreemd water duidende chemische samenstelling (karakteristiek chemie) scoort vooral voldoende, beter wordt amper gehaald omdat er op veel plekken geen sprake is van gebiedseigen water. Saprobie scoort tussen voldoende en slecht, dus een deel van de locaties heeft net voldoende zuurstof, maar bij een deel vormt dit een probleem. Bij trofie ligt de nadruk ook op slecht, in veel wateren heeft de ecologie last van een overdaad aan voedingsstoffen. Bij variant-eigen karakter ligt de nadruk op een slechte score en bij structuur/habitat zelfs op slecht/zeer slecht, wat betekent dat er weinig ruimte beschikbaar is voor planten en dieren (structuur/habitat), en de beschikbare ruimte sterk verstoord wordt waardoor gebiedseigen planten weinig kans hebben (variant-eigen karakter).

Verandering per karakteristiek Periode: 12 jaar

Poatief veranderd (K)

Negatief veranderd M) -Netto K

Karakterisťeke

Boezem Westland

2.6

3.0

1,4| 2.6

2.2

3.4

4.7

1.9

3.4

Boezem Midden-Delfland

2.6

2.7

1.6

2.3

2.2

3.7

4.7

2.1

3.7

Boezem Haaglanden

2.6

2.7

4.0

5.0

1.9

5.0

2.S

2.7

1.6 2.4 i.s| 2.5

2.1

Boezem Schie

2.7

5.0

4.9

2.2

3.0

Holierhoekse 8iZouteveense pld.

3.0

2.0

3.0

2.0

2.0

5.0

3.0

Polder Berkel

3.0

2.0

2.0

2.0

2.0

5.0

4.0

Zuidpolder van Delfgauw

2.0

2.0

1.0

2.0

2.0

5.0

1.0

27

Figuur 4.4: Verandering per karakteristiek, alle meetpunten Vergeleken met eerdere tussenstanden, vlakken positieve ontwikkelingen dit jaar wat af. Netto ligt er geen één karakteristiek boven de 10% toename. Enige positieve verandering is te zien bij trofie, toxiciteit en brakkarakter. Dit betekent dat het effecten van te veel voedingsstoffen, verzilting in het gebied, en het toxische effect van gewasbeschermingsmiddelen op waterplanten en -dieren iets afnemen. Verandering van structuur/habitat vormt de voornaamste negatieve ontwikkeling, met zo’n 20% netto afname, wat betekent dat er minder variatie in leefomgeving voor waterdieren is. Er zijn ook iets meer invloeden van verzuring gesignaleerd. Invloed van gebiedsvreemd water (chemie) en verstoring door invloeden van buitenaf (variant-eigen karakter) laten ook enige negatieve ontwikkeling zien. Saprobie laat netto weinig verandering zien. De uit deze parameters berekende totaal-score laat netto, onder invloed van zowel positief als negatief veranderde karakteristieken, met slechts enkele procenten verschuiving ook weinig verandering zien.

Figuur 4.5: Gemiddelde EBEO-score 2018, ’19 en ’20 op KRW-meetpunten Een gemiddelde score per karakteristiek en per KRWwaterlichaam (zie paragraaf 5.2 en figuur 5.1 voor afbakening: nieuwe waterlichamen, nieuwe representatief meetnet), voor de laatste 3 jaar, geeft een eerste inzicht in de problematiek die op de meetpunten in die waterlichamen het meest speelt. De scores lopen van 1 (zeer slecht) tot 5 (zeer goed). Het betreft hier watertypes kanalen en sloten die liggen in de polder- en boezemwaterlichamen. Duinen worden niet bemonsterd voor de EBEO-toets en zijn weggelaten. Bij de polderwaterlichamen zitten enkel kanalen, en toxiciteit en zuurkarakter wordt door de EBEO-toets in kanalen niet meegenomen, dus die karakteristieken hebben geen resultaat in deze polderwaterlichamen. De resultaten in de polderwaterlichamen zijn gebaseerd op 1 meetpunt per waterlichaam, omdat er niet meer meetpunten in die waterlichamen zijn waar de benodigde gegevens voor een EBEO-toets worden verzameld. Bij de boezemwaterlichamen zitten betrekkelijk weinig sloten, en de waardes voor toxiciteit en zuurkarakter zijn daar op 1 of enkele meetpunten gebaseerd. De boezemwaterlichamen zijn gebaseerd op 7 tot 19 meetpunten. Voornaamste knelpunten liggen in de meeste waterlichamen op structuur en habitat, en in een deel op het variant-eigen karakter.

Ook in de waterlichamen vormt zodoende gebrek aan ruimte voor waterplanten en dieren, en te veel verstoring door beheer en onderhoud een probleem. Saprobie en trofie volgen daarop, dus de zuurstofhuishouding en eutrofiëring spelen ook op als probleem. De chemische samenstelling die duidt op gebiedsvreemd water (karakteristiek chemie), is met name in de polder-waterlichamen zorgelijk. Brakkarakter is geen probleem. Voor toxiciteit scoort boezem Midden-Delfland en Haaglanden goed, de Schie zeer goed. Alleen de boezem Westland scoort voldoende. Overigens betekent ‘voldoende ’ op de EBEO-maatstaf ook nog niet dat KRW-doelen worden behaald, deze zijn niet één op één vergelijkbaar, maar dit geeft wel de meest kritische aspecten weer en inzicht in waar problemen voornamelijk zitten.

Figuur 4.6: Bedekking emerse planten

Bedekking emerse planten

S

EŪ

™

60

Te weiris

u Goed

I I I i . I

Te veel

Meet cyclus

Vanuit verschillende klasse-indelingen van de KRW voor verschillende watertypes, is ten behoeve van deze analyse een bedekking met 5 tot 30% emerse vegetatie (de boven het water uit groeiende planten) als optimaal afgeleid. Een lagere bedekking is te weinig, een hogere bedekking te veel. De ontwikkeling hiervan is bekeken op een serie monsterpunten die al sinds ’96- ’99 iedere meetcyclus zijn gemeten. De bedekking met emerse vegetatie laat enige daling zien (groep goed) vanafde periode ’05- ’08 maar laat een flinke verbetering zien in de laatste periode ’18-’20. De groep ‘te veel’ is altijd slechts marginaal aanwezig, omdat weinig watergangen de kans krijgen echt dicht te groeien (verlanden). Over het geheel bezien is er de laatste jaren een flinke verbetering te zien in het aantal watergangen dat goed scoort voor emerse planten. Een kanttekening die hierbij geplaatst moet worden, is dat 5% een betrekkelijk klein percentage is, en de methode van vegetatieopname nooit zo exact kan zijn als bijvoorbeeld een chemische analyse. Wanneer naar de onderliggende data gekeken wordt, gaat het om slechts een betrekkelijk kleine verschuiving in de bedekkingspercentages, waarbij veel locaties net naar de grens van 5% schuiven. Figuur 4.7: Bedekking submerse planten

Bedekking submerse planten 140

120

„ MO dj

Te weiriç b Goec Te veel

Meetcyclus

28

Vanuit verschillende klasse-indelingen van de KRW voor verschillende watertypes, is ten behoeve van deze analyse een bedekking met 20 tot óOHi submerse vegetatie (de onderwaterplanten) als optimaal afgeleid. Een lagere bedekking is te weinig, een hogere bedekking te veel. De ontwikkeling hiervan is bekeken op een serie monsterpunten die al sinds '96- '99 iedere meetcyclus zijn gemeten. -De bedekking met submerse vegetatie is in het watersysteem de afgelopen 21 jaar veel te laag geweest. De groep ‘te weinig' overheerst sterk. Op ongeveer 15 tot 20’Fi van de locaties is wel voldoende submerse vegetatie aanwezig. De groep ‘te veel’ neemt enigszins toe. Wanneer water door afname van nutriënten helderder wordt, krijgen vooral woekerende onderwaterplanten als eerste een kans, aangezien het systeem dan nog altijd voedselrijk is. Pas als nutriëntenafname verder doorzet, komt dit meer in balans met soorten die niet de hele watergang vol woekeren.

5 Toetsing KaderRichtlijn Water De toetsing voor de KaderRichtlijn Water (KRW) geeft, op basis van ecologische, fysische en chemische parameters inzicht in de ecologische gezondheid van de KRW-waterlichamen in Delfland. De resultaten van deze toetsing laten zien dat een groot deel van de doelen niet wordt behaald. De scores voor de chemische stoffen vallen vooral in "voldoet niet", "ontoereikend" of "matig". Op het vlak van de ecologie worden de doelen voor fytoplankton vaak gehaald, en vis vooral in de polders. De macrofauna daarentegen heeft nog een weg te gaan, met veel scores in de categorieën "matig" en "ontoereikend". Waterplanten scoren vergelijkbaar of zelfs iets minder, met scores in de categorieën "matig", "ontoereikend" en een enkele "slecht".

5.1

Doel

eens in de 3 jaar bemeten. Op deze manier wordt de meetinspanning niet te groot gemaakt, en kunnen gegevens worden benut uit het EBEO-meetnet, waardoor voor waterplanten en macrofauna ook trends uit het verleden kunnen worden bekeken. Om deze reden vindt de analyse van deze gegevens ook per cyclus van 3 jaar plaats. Voor fytoplankton zijn oudere gegevens niet geschikt om aan de KRW methodiek te toetsen (voor KRW zijn meer monsters per jaar nodig dan voor EBEO), en zodoende kan voor fytoplankton voorlopig de analyse enkel worden uitgevoerd op de oorspronkelijke set meetpunten, en kan de analyse dus ook per jaar worden uitgevoerd.

De KaderRichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die de lidstaten verplicht om te zorgen voor een goede kwaliteit in hun oppervlaktewater. De lid­ staten rapporteren aan de Europese Unie op basis van de zogenaamde KRW-waterlichamen. Binnen het beheergebied van Delfland liggen negen KRW-waterlichamen (de 2 grote boezemwaterlichamen zijn voor SGBP3 beide in tweeën gesplitst). Er wordt gewerkt aan het ecologisch gezond maken van deze waterlichamen volgens de geldende ecologische en chemische normen. De doelen voor Delfland zijn afgestemd op het watertype en omstandigheden van het betreffende waterlichaam en verschillen dus per waterlichaam. Met een blik op de toekomst, zijn de resultaten getoetst aan de doelen van SGBP3. Voor chemie moet de waterkwaliteit voldoen of minimaal in de categorie "goed" vallen (zie volgende paragraaf). Voor de ecologie wordt in de meeste gevallen een Ecologisch Kwaliteits-Ratio (EKR score) van 0,6 nagestreefd, in enkele gevallen mag deze lager zijn.

5.2

Omdat de boezemwaterlichamen zijn gesplitst van 2 naar 4, worden de scores per waterlichaam gebaseerd op een andere verdeling aan meetpunten. Voor deze rapportage zijn de scores van vóór 2020 daarom her-berekend om een goede vergelijking te kunnen maken met het meest recente resultaat. Voor de chemie is een herberekening gedaan van 2011­ 2018. Voor macrofauna, waterplanten en fytoplankton is vooralsnog een herberekening gedaan voor de periode 2010-2018, voor vis enkel de meest recente bemonstering. Voor de polderen duinwaterlichamen zijn geen wijzigingen geweest, maar voor de uniformiteit wordt ook hier vanaf 2010 of 2011 gewerkt in deze rapportage.

Methode

Omdat in het landelijke toets-programma Aquo-kit vanaf dit jaar enkel nog met de nieuwe biologische maatlatten voor SGBP3 kan worden gerekend, is besloten de biologische resultaten vanaf nu waar mogelijk in één keer te presenteren met alle voor SGBP3 op handen zijnde aanpassingen, in plaats van dit stapsgewijs te introduceren: nieuwe maatlatten, nieuw meetnet en nieuwe verdeling waterlichamen.

De toetsingen van deze gegevens ten behoeve van de waterkwaliteitsrapportage zijn uitgevoerd met de Aquo-Kit van het Informatiehuis Water. Met de Aquo-Kit worden ook de formele KRWtoetsingen uitgevoerd ten behoeve van rapportage aan het Rijk. De hier gepresenteerde getallen kunnen afwijken van de officieel gerapporteerde resultaten, bijvoorbeeld om de volgende redenen: - De KRW-maatlatten zijn, op basis van voort­ schrijdend inzicht, onderhevig aan aanpassingen, waardoor verschillen tussen rapportagemomenten kunnen ontstaan. - Eveneens kunnen de normen waaraan wordt getoetst, aangepast worden. - De officieel gerapporteerde scores worden gemiddeld over de 3 meest recente meetjaren. In deze analyse worden de scores per jaar bekeken. - De officiële KRW-rapportage vindt op 1 juli plaats. Voor die tijd ontdekte fouten in de Aquo-kit worden nog door het Informatiehuis Water verholpen, wat tot verschillen in scores kan leiden. - Het officieel gerapporteerde resultaat kan worden bijgesteld aan de hand van een beheerdersoordeel. Dat is hier niet gedaan. - Voor een beter eigen begrip van de ecologie, en beter zicht op de diversiteit van de

Het vaststellen van de waterkwaliteit ten behoeve van de KRW, gebeurt op een aantal vaste meetpunten in de acht waterlichamen; Boezem Westland, Boezem Haaglanden, Boezem Schie, Boezem MiddenDelfland, Holierhoekse- en Zouteveense polder, polder Berkel, Zuidpolder van Delfgauw en het duinwaterlichaam Solleveld. Het duinwaterlichaam Meijendel en Berkheide (zie figuur 5.1) ligt voor slechts een klein deel in Delfland, en zodoende neemt Rijnland de volledige monitoring en rapportage van dit waterlichaam op zich. Voor de ecologie gebeurt dit op 63 locaties en voor de chemie op 9 locaties verdeeld over de waterlichamen. Voor ecologie is vanaf 2019 een uitgebreider meetnet opgetuigd, met name voor waterplanten en macrofauna, om beter in inzicht te krijgen in de diversiteit van het watersysteem. Dit geeft een robuuster resultaat van hoe een waterlichaam er aan toe is. Dit grotere meetnet wordt niet jaarlijks, maar

29

waterlichamen, werkt Delfland sinds kort met een groter aantal meetpunten per waterlichaam dan voor de officiële rapportage richting het rijk wordt gebruikt. Deze extra meetpunten worden gemeten in een cyclus van eens in de 3 jaar in plaats van jaarlijks.

KRW. Per waterlichaam zijn het andere stoffen die de knelpunten veroorzaken, dit wordt in paragraaf 5.4 besproken. Meer informatie, zowel ruimtelijk als in detail, over de verschillende stofgroepen en parameters is in hoofdstukken 1 t/m 3 te vinden. Uit de KRW-toetsing voor ecologie blijkt dat scores voor met name waterplanten en macrofauna niet goed zijn. Dit is een bevestiging van de bevindingen uit de EBEO-toetsing in hoofdstuk 4. De EBEO-toetsing geeft aan dat knelpunten in de ecologische waterkwaliteit vooral te vinden zijn in de structuur & habitat en het variant-eigen karakter. Dit vindt zijn weerslag in de ecologische KRW-scores, waar vooral de EKR's van de waterplanten en macrofauna laag zijn.

In deze rapportage wordt niet naar het eindoordeel van de KRW-toetsing, maar naar de verschillende componenten van de toetsing gekeken. Dit om een beeld te krijgen welke stoffen, parameters en kwaliteitselementen van de ecologie een knelpunt vormen voor het behalen van de KRW-doelen. Toetsing chemie Omdat vanaf 2011 voor de chemie voldoende betrouwbare gegevens beschikbaar zijn om de KRW te toetsen, zijn de chemie gegevens vanaf dat jaar getoetst volgens de recente normen. Voor de KRW-toetsing van de chemische parameters worden drie aparte groepen beoordeeld: 1. Prioritaire stoffen: stoffen die aangewezen zijn door de EU als probleemstoffen in Europa. 2. Specifiek verontreinigende stoffen: stoffen die in Nederland als probleemstoffen zijn aangegeven. 3. Fysisch chemische parameters: parameters die bepalend zijn voor de ecologie; zoals zuurstof en meststoffen.

In paragraaf 5.4 wordt per waterlichaam ingegaan op de toetsingsresultaten van de stoffen, parameters en de ecologie per waterlichaam. In de figuren zijn de toetsresultaten aan de hand van de meest recente maatlatten voor de waterlichamen weergegeven. De volgende gehanteerd:

legenda's

worden

in

Legenda

De meeste stoffen uit de stofgroepen die ook in hoofdstukken 1 tot en met 3 zijn beschreven, zijn over deze drie groepen verdeeld. Er zijn dus bijvoorbeeld gewasbeschermingsmiddelen die onder de prioritaire stoffen vallen, anderen vallen onder de specifiek verontreinigende stoffen. Niet alle gewasbeschermingsmiddelen die Delfland monitort, zijn in een categorie ingedeeld en kunnen dus niet voor de KRW worden getoetst.

Fysisch chemisch

Prioritair â Specifiek

Ecologisch (EKR’s)

zeer goed

voldoet

goed

goed

voldoet niet

matig

matig

geen oordeel

ontoereikend

ontoereikend

slecht

slecht KRW-doel 2027 Trendlijn

Voor de twee probleemstofgroepen wordt voor beide een oordeel gegeven: voldoet wel of voldoet niet. Dit volgens het one-out, all-out principe. Voor de groep fysisch-chemische parameters wordt een klasse toegekend van slecht tot zeer goed Toetsing ecologie 2010 is als startjaar in deze analyse genomen. De beschikbare ecologische gegevens zijn voor zo ver mogelijk, voor de periode 2010 t/m 2021, getoetst volgens de meest recente maatlatten. Deze toetsing is uitgevoerd voor 4 soortgroepen, zogeheten kwaliteitselementen: fytoplankton, macrofauna, waterplanten en vis. Het resultaat is een Ecologisch Kwaliteits-Ratio (EKR) tussen 0 en 1 voor ieder kwaliteitselement, waarbij 0 de slechtste score is en 1 de beste.

5.3

Toestand

De KRW-toetsing van de chemie bevestigt de bevindingen uit hoofdstukken 1 tot en met 3, dat de waterlichamen niet voldoen aan de eisen vanuit de

Figuur 5.1: Herverdeelde KRW-waterlichamen

30

de

figuren

5.4

KRW-toetsing

Boezem Schie Chemie: Het beeld van de chemie voor de Boezem Schie is voor de probleemstoffen (prioritaire stoffen en specifiek verontreinigende stoffen) constant over de jaren. Aan de eisen voor beide probleemstofgroepen wordt niet aan voldaan. Het oordeel wordt bepaald door de stof die het slechtste scoort ("one out, all out") De slechte score wordt veroorzaakt door verschillende PAK's, ammonium en metalen. De fysisch chemische parameters zijn matig. Dit wordt veroorzaakt door de concentratie fosfaat.

Boezem Schie

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Prioritaire stoffen Specifiek verontreinigende stoffen Fysisch chemische parameters

Macrofauna

1.0

1.0

Waterplanten

ū.s ū.s 0.4

.........o.......o

0.2

Ecologie: Het fytoplankton bevindt zich met enige schommeling hoofdzakelijk in de klasse goed doordat er weinig tot geen algenbloei van negatieve indicatorsoorten aanwezig was en de algehele hoeveelheid fytoplankton laag. De waterplanten scoren ontoereikend. Uit de EBEO-scores (figuur 4.5 in hoofdstuk 4) blijkt dat dit komt omdat er weinig ruimte beschikbaar is voor planten en dieren, en dat de beschikbare ruimte sterk verstoord wordt. Hierdoor zijn er weinig planten in en langs het water te vinden. De macrofauna scoort vooral matig, doordat er veelal een beperkt aantal soorten is, met een relatief hoog aandeel negatief scorende indicator-soorten.In het SGBP3 is het doel voor macrofauna verlaagd naar een EKR van 0,4. De vis scoort matig vanwege lage aantallen migrerende en plantminnende soorten.

0.0

u-4 ū2 0.0

2

2 «71—

ftl i—i

S

1.0 0.8

-O-

0.6

a.......9...... o

c)

H I

á l!

ā t:

a

Vis

J

1.0

0.8

o Xy

1 y-ŗ 0

0.6

0.4

0.4

0.2

0.2

0.0

0.0

c1

řM .. r-i

n rM n

Boezem Midden Delfland

Boezem Midden-Delfland

Prioritaire stoffen

Chemie: Het water van de Boezem Midden-Delfland voldoet niet aan de eisen van de prioritaire stoffen, dit ligt alleen aan de overschrijding van de norm van kwik. Bij de specifiek verontreinigde stoffen voldoen ammonium en een aantal metalen nog niet aan de norm. Voor de fysische chemische parameters zijn er ook aandachtspunten. Het oordeel matig wordt hier bepaald door de concentratie fosfaat.

Specifiek verontreinigende stoffen

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Fysisch chemische parameters

Macrofauna

Waterplanten

1.0

1.0

o.s

o.s

Ū.S

o.s

0.4

G...... O.......0

0.2

0.2 0.0

Ecologie: Het fytoplankton scoort tussen matig en goed. Dit wordt veroorzaakt doordat de totale hoeveelheid fytoplankton vrij hoog is, en er treden wat algenbloeien op van negatieve indicatorsoorten, echter is ook het doel verlaagd. De waterplanten scoren vooral ontoereikend. Uit de EBEO-scores (figuur 4.5 in hoofdstuk 4) blijkt dat dit komt omdat er weinig ruimte beschikbaar is voor planten en dieren, en dat de beschikbare ruimte sterk verstoord wordt. Hierdoor zijn er weinig planten in en langs het water te vinden. De macrofauna scoort vooral ontoereikend, doordat er relatief veel soorten zijn die negatief scoren bij dominantie. Kenmerkende soorten zijn beperkt aanwezig. De vissen scoren matig, met name vanwege lagere aantallen plantminnende soorten en verhoogde biomassa karper en brasem.

0.4

o­

,.G..

0.0

2

2 *Hi

à

tH

o

ss

1.0

1.0

o.s

o.s

o.s

o.s

,cM

0.4 0.2

SÎGO

T tH O

n

0.4 0.2

0 0.0

0.0 N IN OJ

à q

Vis

Fytoplankton

31

'O

3 q rJ .ín i

fni rJ oj i

Boezem Westland Chemie: Voor de chemie worden alle doelen niet gehaald. Hier liggen de problemen verspreid over de stofgroepen PAK's, meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en metalen. Voor de prioritaire stoffen zijn fluorantheen, kwik en aclonifen een probleem. Bij de specifiek verontreinigende stoffen komen een aantal metalen, ammonium en het gewasbeschermingsmiddel carbendazim als normoverschrijdende probleemstoffen naar voren. Voor fysisch chemische parameters liggen de aandachtspunten bij de concentratie fosfaat en het doorzicht. Beide parameters zorgen voor de score ontoereikend.

Boezem Westland

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Prioritaire stoffen Specifiek verontreinigende stoffen Fysisch chemische parameters

Macrofauna

Ecologie: Het fytoplankton scoort tussen goed en matig. Dit wordt veroorzaakt doordat de totale hoeveelheid fytoplankton vrij hoog is, en in mindere mate door bloei van negatieve indicatorsoorten. De waterplanten scoren vooral slecht en ontoereikend. Uit de EBEO-scores (figuur 4.5 in hoofdstuk 4) blijkt dat dit komt omdat er weinig ruimte beschikbaar is voor planten en dieren, en dat de beschikbare ruimte sterk verstoord wordt. Hierdoor zijn er weinig planten in en langs het water te vinden. De macrofauna scoort ontoereikend, doordat er relatief veel soorten zijn die negatief scoren bij dominantie. Soorten die positief scoren bij dominantie, zijn in mindere mate aanwezig. De vissen scoren matig, met name vanwege lage aantallen plantminnende en migrerende soorten.

Waterplanten

Fytoplankton

0.4 Q.Q

Boezem Haaglanden

Boezem Haaglanden

Chemie: Voor de chemie worden alle doelen niet gehaald. Voor de prioritaire stoffen zijn de PAK fluorantheen en het metaal kwik een probleem. Bij de specifiek verontreinigende stoffen komen ammonium en een aantal metalen als normoverschrijdende probleemstoffen naar voren. Voor fysisch chemische parameters liggen de aandachtspunten bij de concentratie stikstof en doorzicht. Waarbij fosfaat voor de score ontoereikend zorgt.

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Prioritaire stoffen Specifiek verontreinigende stoffen Fysisch chemische parameters

Macrofauna

Waterplanten 1.0

1.0

o.s 0.6 O4

0.4 0.2

o.... o.... o

0.0

0.0

2

2

Ecologie: Het fytoplankton scoort tussen matig en goed. Dit wordt veroorzaakt doordat de totale hoeveelheid fytoplankton meestal vrij laag is, en er beperkt algenbloei van negatieve indicatorsoorten optreedt. De waterplanten scoren vooral matig en ontoereikend. Uit de EBEO-scores (figuur 4.5 in hoofdstuk 4) blijkt dat dit komt omdat er weinig ruimte beschikbaar is voor planten en dieren, en dat de beschikbare ruimte sterk verstoord wordt. Hierdoor zijn er weinig planten in en langs het water te vinden. De macrofauna scoort vooral ontoereikend, doordat er relatief veel soorten zijn die negatief scoren bij dominantie, en weinig die positief scoren bij dominantie. De vissen scoren ontoereikend, met name vanwege lage aantallen plantminnende en migrerende soorten, en in enige mate door een hoge biomassa karper en brasem.

T ľ:

4=1!

s

1=1! S

o

O

O

5

32

Ò ľi

o.s

O

0.2

0.0

ť:

1.0

O

0.6 0.4

V

Vis

Fytoplankton 1.0

o.s

1 ....9.... -o

0.6 0.4 0.2

. . . . . . . . . . . . . . . . . . ŕll- H. ą*l . Hí OJO Qoqqqoooqoo ■ NNNNNNNNN

0.0

O

Holierhoekse- en Zouteveensepolder

Holierhoekse- en Zouteveensepolder

Chemie: Het water van de Holierhoekse- en Zouteveense­ polder voldoet vanwege het metaal kwik niet aan de eisen van de prioritaire stoffen. Bij de specifiek verontreinigde stoffen voldoen ammonium en een aantal metalen nog niet aan de norm. Voor de fysische chemische parameters zijn er meer aandachtspunten. Het oordeel slecht wordt hier bepaald door de concentratie fosfaat.

Prioritaire stoffen

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Specifiek verontreinigende stoffen Fysisch chemische parameters

Macrofauna

Ecologie: Het fytoplankton scoort veelal goed, de lage score in 2010 wordt veroorzaakt door algenbloei van een negatief scorende algensoort. De waterplanten scoren ontoereikend doordat er weinig planten aanwezig zijn, en wat er is heeft een vrij lage bedekking. Op te merken valt dat in delen van het waterlichaam de bedekking met planten toeneemt, maar dit uit zich nog niet heel erg op de meetpunten. De macrofauna scoort matig tot goed doordat het aandeel positief scorende soorten relatief groot is. De visstand is in de jaren verbeterd en scoort goed.

Waterplanten

Fytoplankton

0.ooc^öo

O

N

O O

ţj lil tfl fs

q q o

Űĵ O

O i—i

q q o

o o

cř, O

ţj ui tů N

qq o

q q o

Polder Berkel Chemie: Polder Berkel voldoet niet aan de normen voor prioritaire stoffen. Het metaal kwik is hier normoverschrijdend. Bij de specifiek verontreinigende stoffen komen ammonium en een aantal metalen als normoverschrijdende probleemstoffen naar voren. Ook hier wordt de status "matig" van de fysisch chemische parameters bepaald door fosfaat en doorzicht.

Polder Berkel

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Prioritaire stoffen Specifiek verontreinigende stoffen Fysisch chemische parameters

Macrofauna

Ecologie: Ook in dit waterlichaam zijn fytoplankton en vis de goed scorende kwaliteitselementen. Vis scoort goed, doordat het aandeel plantminnende en migrerende vis hoog is, en het aandeel brasem en karper juist laag. De waterplanten scoren ontoereikend tot matig, vooral omdat de bedekking met planten en het aantal soorten vrij laag is. De macrofauna scoort vooral ontoereikend tot matig.

Waterplanten

Fytoplankton

O rt PI T in iO |s Cf. O q o o o o Cļ O O

33

O ri N q o

^ in U) |s

qqo

Cf. O

q o o

Zuidpolder van Delfaauw Zuidpolder van Delfgauw

Chemie: De Zuidpolder van Delfgauw voldoet in 2020 niet meer aan de normen van de prioritaire stoffen. Dit wordt veroorzaakt door het metaal kwik. Voor de specifiek verontreinigende stoffen voldoet de Zuidpolder van Delfgauw ook niet. Dit wordt veroorzaakt door de normoverschrijdingen van ammonium en een aantal metalen. De fysisch chemische parameter die maakt dat de status slecht is, is wederom fosfaat. Al is de parameter doorzicht ook nog niet goed.

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Prioritaire stoffen Specifiek verontreinigende stoffen Fysisch chemische parameters

Macrofauna

Waterplanten

1.0

1.0

Ū.S

o.s 0.6

0.6

O-

0.4

0.4

O.... o

0.0

Ecologie: Het fytoplankton scoort goed. De waterplanten scoren ontoereikend. De status in dit waterlichaam is nogal wisselend, met jaren waarin er vrijwel geen planten staan, en jaren waarin er in delen te veel woekerende soorten staan. Macrofauna scoort ontoereikend en matig, vanwege weinig positieve scorende (kenmerkende) en relatief veel bij dominantie negatief scorende soorten. De score voor visstand is iets teruggevallen van goed naar matig.

O...... O

0.2

0.2

0.0

3

1=11 S

ą H H

á i:

'—

ť:

1.0

0.S

0.E

0.6 0.4 0.2

■rT"

ļ) -f[ļ„

íD-- A ïr

c) +H

0.4 0.2

O

0.0

rĵ

0.0 4 rH r-l i—I rJ rH iH

rj fVJ

qoqqqoqqqqo

NlMNNNlMNNNNN

34

c)

0.6

)

ń ľi

Cl

Vis

Fytoplankton 1.0

cH )

T

T-*

s

í X—I H ^1 1=1

OJ

qoqqqoqqqqo NNNřMNíMNNNNN

Solleveld Chemie: Voor de prioritaire stoffen voldoet het duinwaterlichaam Solleveld in 2020 niet aan de normen. Dit komt door de normoverschrijding van kwik. De specifiek verontreinigende stoffen voldoen niet door ammonium en een drietal metalen. Voor de fysischchemisch parameters wordt de klasse "ontoereikend" bepaald door de concentratie stikstof.

Solleveld

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Prioritaire stoffen Specifiek verontreinigende stoffen Fysisch chemische parameters

Macrofauna

Ecologie: Macrofauna scoort matig, weliswaar tegen goed aan, maar met de opmerking dat hier een verlaagd doel is ingesteld. De andere kwaliteitselementen scoren goed, vis en waterplanten net boven de norm, fytoplankton schommelend tussen net boven de norm en de maximale score. Meijendel (en later met Berkheide) is jarenlang als representatief waterlichaam voor de staat van Solleveld gezien, conform de regels die de KRW daarvoor stelt. De beperkte kennis uit de praktijk liet zien dat dit echter niet terecht was. Daarom is die (administratieve) koppeling verbroken. In 2019 is een hernieuwde meetinspanning opgestart. Zodoende zijn er nu weer recente gegevens, alleen is de historische kennis beperkt.

Waterplanten

Fytoplankton

Q pļ vj" in ïŭ ĮN. Oĵ O O O oog o o o

Meijendel en Berkheide Doordat Meijendel en Berkheide, zeker sinds het samenvoegen van deze twee gebieden tot 1 waterlichaam, voor het overgrote deel in het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland ligt, is de monitoring van dit waterlichaam inmiddels volledig over gegaan naar het Rijnland.

35

O *-ļ q q o q

q q o

6 Conclusies Om de algemene waterkwaliteit in het gebied te volgen en de voortgang op het halen van de KRWdoelen in 2027 in de gaten te houden, monitort en bewaakt Delfland de waterkwaliteit. De ambitie voor waterkwaliteit is overal schoon, gezond en levend water, zoals is weergegeven in het bestuursakkoord 2019-2023 'Iedereen aan de slag voor water'. De Europese Kaderrichtlijn Water vormt daarbij een belangrijk kader, er moet een goede fysischchemische en ecologische toestand bereikt worden in de oppervlaktewateren. Het Stroomgebiedbeheerplan 2016-2021 vormt het beleids- en maatregelenkader voor de waterlichamen van Delfland. Delfland heeft voor de periode 2016-2021 gekozen om condities te creëren op basis waarvan in 2027 de KRW-doelen kunnen worden gehaald. Het maatregelenpakket voor de KRW is daarop gericht. In dit rapport staan de resultaten van de monitoring in 2020.

door het totaalaantal gemeten stoffen. De prestatieindicator (PI) voor 2020 (max 5,5 “/o in de boezem) wordt hiermee gehaald. Desalniettemin treffen we gewasbeschermingsmiddelen nog steeds te vaak en incidenteel in te hoge concentraties aan. Delfland heeft ook gemonitord op andere belangrijke chemische en fysisch-chemische parameters. Deze geven samen een algemeen beeld van de gezondheid van de wateren. Het gaat daarbij om verontreinigingen als metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) en ecologieondersteunende parameters die van invloed zijn op een goed functionerend ecologisch systeem. Bij deze ecologie-ondersteunende parameters gaat het om: zuurstof, doorzicht, temperatuur, ammonium, chloride en de zuurgraad. Over het algemeen zijn van de ecologieondersteunende parameters de ammoniumconcentratie en het doorzicht nog niet optimaal. PAK's blijven een probleem op het Rijn-Schiekanaal en metalen vertonen overschrijdingen van met name zink.

In de West- en Oostboezem is de concentratie aan totaal-stikstof in het zomerhalfjaar vrijwel gelijk aan 2019 en wordt voldaan aan de opgestelde Prestatie Indicator (PI). In de glastuinbouwpolders en graslandpolders was de stikstofconcentratie hoger dan in 2019. De gemiddelde totaal-fosfor concentratie in de Westboezem is in 2020 lager dan in 2019, terwijl de concentratie in de Oostboezem vergelijkbaar is met 2019. In de glastuinbouwpolders was de totaalfosfor-concentratie gemiddeld gelijk aan 2019, terwijl het in de graslandpolders een hogere gemiddelde totaal-fosfor-concentratie werd gevonden. Lokaal voldoen veel meetpunten nog niet aan de normen voor stikstof en fosfaat. In 2019 voldoet slechts 2570 van de 197 meetpunten aan de norm voor totaal-stikstof en 137 aan de norm voor totaalfosfor. Lokaal voldoen veel meetpunten nog niet aan de normen voor stikstof en fosfaat. In 2020 voldoet 207 van de 169 meetpunten aan de norm voor totaalstikstof en 177 aan de norm voor totaal-fosfor.

De KRW-toetsing van de chemie bevestigt de bevindingen hierboven, dat de waterlichamen nog niet voldoen aan de eisen vanuit de KRW voor prioritaire stoffen, specifiek verontreinigende stoffen en fysisch-chemische parameters. Per waterlichaam zijn het andere stoffen die de knelpunten veroorzaken. Maar omdat het principe "one out, all out" geldt, scoren alle waterlichamen een onvoldoende, ondanks dat ze voor een aantal stoffen en kwaliteitselementen wel voldoen.

Ecologie: De monitoring van de ecologische waterkwaliteit is getoetst via de EBEO- en KRW-systematiek. Uit de EBEO-toetsing blijkt dat er vooral knelpunten zijn in de structuur habitat (weinig leefruimte voor soorten) en het variant-eigen karakter (weinig gebiedseigen soorten en veel menselijke verstoring). Dit vindt zijn weerslag vooral bij de waterplanten, maar heeft ook een effect op fytoplankton, macrofauna en vis. Vervolgens is de trofie (de hoge gehaltes aan stikstof en fosfaat) een aspect waar winst te behalen valt. De meststoffen hebben met name effect op het fytoplankton (algen) waardoor water vertroebelt en andere soortgroepen minder goed kunnen ontwikkelen. De saprobie (zuurstofhuishouding) kan ook verbeterd worden. Deze karakteristiek heeft vooral impact op de macrofauna en vis, maar ook op andere soortgroepen, want voor het meeste waterleven is zuurstof onmisbaar. Uit de KRW-toetsing voor ecologie blijkt dat scores voor met name waterplanten en macrofauna niet goed zijn. Dit is een bevestiging van de bevindingen uit de EBEO-toetsing.

In 2020 is van 18 gewasbeschermingsmiddelen de norm overschreden. Hiervan zijn 5 stoffen nog niet eerder gemeten en zijn in 2020 aan het analysepakket toegevoegd. De gemiddelde concentratie aan gewasbeschermingsmiddelen is in 2020 hoger dan in 2019 in het glastuinbouwgebied en in de boezem- en referentie locaties is de gemiddelde concentratie gelijk gebleven ten opzichte van 2019. De gemiddelde concentratie gewasbeschermingsmiddelen in de boezem was in 2020 0,06 gg/l, waarmee de prestatieindicator uit de begroting voor 2020 (max 0,11 gg/l) wordt gehaald. Het percentage gewasbeschermingsmiddelen dat wordt aangetroffen is in 2020 met 6,27 in het glastuinbouwgebied en 4,47 in de boezem hoger dan in 2019 (resp. 5,8 en 3,77). Het percentage wordt bepaald door het aantal aangetroffen stoffen te delen

36

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westland&id=bc8aa88f-55ac-4435-b8d5-382074368bf1