1.19a) Jaarrapportage waterkwaliteit Delfland 2020 (21-0212907)
Tekst van het document
Wm
r AÏP* Vå"KI'ļĘmĩļfXğįŞļj
rğ^ļfìį; įľJŵi mm wm* tJ*0' f-'-'í"1?-.
.
‘
i įlìsx
Colofon ive van
Kenmerk Datum:
Hoogheemraadschap van Delfland Afdeling Monitoring en Wateradvies 1505277 April 2021
2
ínhoud Samenvatting....................................................................................................................................... 5 Inleiding............................................................................................................................................... 7 1 Gewasbeschermingsmiddelen.............................................................................................................8
2 Stikstof en fosfaat............................................................................................................................ 12 3 Overige stoffen................................................................................................................................17 4. Ecologische kwaliteit........................................................................................................................24
5 Toetsing KaderRichtlijn Water........................................................................................................... 29 6 Conclusies....................................................................................................................................... 36
3
4
Samenvatting Schoon water is belangrijk voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor de mens en een voorwaarde voor evenwichtige natuurlijke omstandigheden en een rijke biodiversiteit. Als beheerder van de waterkwaliteit beschermt en verbetert Delfland het oppervlaktewater in het beheergebied van Delfland. Onze ambitie voor waterkwaliteit is overal schoon, gezond en levend water, zoals is weergegeven in het bestuursakkoord 2019-2023 'Iedereen aan de slag voor water'. De Europese Kaderrichtlijn Water vormt daarbij een belangrijk kader. Deze schrijft voor dat in 2027 een goede fysisch-chemische en ecologische toestand bereikt moet zijn in oppervlaktewater. Het Stroomgebiedsbeheerplan 2016-2021 (SGBP-2) vormt het beleids- en maat regelenkader voor de waterlichamen van Delfland. Om de algemene waterkwaliteit in het gebied te volgen en de voortgang op het halen van de te bereiken KRWdoelen in 2027 in de gaten te houden, monitort en bewaakt Delfland de waterkwaliteit. In dit rapport staan de resultaten van de monitoring in 2020. In de West- en Oostboezem is de concentratie aan totaal-stikstof in het zomerhalfjaar vrijwel gelijk aan 2019 en wordt voldaan aan de opgestelde Prestatie Indicator (PI). In de glastuinbouwpolders en graslandpolders was de stikstofconcentratie hoger dan in 2019.
De gemiddelde totaal-fosforconcentratie in de Westboezem is in 2020 lager dan in 2019, terwijl de concentratie in de Oostboezem vergelijkbaar is met 2019. In de glastuinbouwpolders was de totaal-fosfor-concentratie gemiddeld gelijk aan 2019, terwijl het in de graslandpolders een hogere gemiddelde totaal-fosfor-concentratie werd gevonden. Lokaal voldoen veel meetpunten nog niet aan de normen voor stikstof en fosfaat. In 2020 voldoet 207 van de 169 meetpunten aan de norm voor totaal-stikstof en 177 aan de norm voor totaal-fosfor. In 2020 is van 18 gewasbeschermingsmiddelen de norm overschreden. Hiervan zijn 5 stoffen nog niet eerder gemeten en zijn in 2020 aan het analysepakket toegevoegd. De gemiddelde concentratie aan gewasbeschermingsmiddelen is in 2020 hoger dan in 2019 in het glastuinbouwgebied en in de boezem- en referentielocaties is de gemiddelde concentratie gelijk gebleven. De gemiddelde concentratie gewasbeschermingsmiddelen in de boezem was in 2020 0,06 Įjg/i, waarmee de prestatieindicator uit de begroting voor 2020 (max 0,11 jg/l) wordt gehaald. Het percentage gewasbeschermingsmiddelen dat wordt aangetroffen is in 2020 met 6,27 in het glastuinbouwgebied en 4,47 in de boezem hoger dan in 2019 (resp. 5,8 en 3,77). Het percentage wordt bepaald door het aantal aangetroffen stoffen te delen door het totaalaantal gemeten stoffen.
De prestatie-indicator (PI) voor 2020 (max 5,5 “/o in de boezem) wordt hiermee gehaald. Desalniettemin treffen we gewasbeschermingsmiddelen nog steeds te vaak en incidenteel in te hoge concentraties aan. Delfland heeft ook gemonitord op andere belangrijke chemische en fysisch-chemische parameters. Deze geven samen een algemeen beeld van de gezondheid van de wateren. Het gaat daarbij om verontreinigingen als metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) en ecologie-ondersteunende parameters die van invloed zijn op een goed functionerend ecologisch systeem. Bij deze ecologie-ondersteunende parameters gaat het om: zuurstof, doorzicht, temperatuur, ammonium, chloride en de zuurgraad. Over het algemeen zijn van de ecologie-ondersteunende parameters de ammonium-concentratie en het doorzicht nog niet optimaal. PAK's blijven een probleem op het Rijn-Schiekanaal en metalen vertonen overschrijdingen van met name zink. De KRW-toetsing van de chemie bevestigt de bevindingen hierboven, dat de waterlichamen nog niet voldoen aan de eisen vanuit de KRW voor prioritaire stoffen, specifiek verontreinigende stoffen en fysisch-chemische parameters. Per waterlichaam zijn het andere stoffen die de knelpunten veroorzaken.
Maar omdat het principe "one out, all out" geldt, scoren alle waterlichamen een onvoldoende, ondanks dat ze voor een aantal stoffen en kwaliteitselementen wel voldoen. De monitoring van de ecologische waterkwaliteit is getoetst via de EBEO- en KRW-systematiek. Uit de EBEO-toetsing blijkt dat er vooral knelpunten zijn in de structuur habitat (weinig leefruimte voor soorten) en het variant-eigen karakter (weinig gebiedseigen soorten en veel menselijke verstoring). Dit vindt zijn weerslag vooral bij de waterplanten, maar heeft ook een effect op fytoplankton, macrofauna en vis. Vervolgens is de trofie (de hoge gehaltes aan stikstof en fosfaat) een aspect waar winst te behalen valt. De meststoffen hebben met name effect op het fytoplankton (algen) waardoor water vertroebelt en andere soortgroepen minder goed kunnen ontwikkelen. De saprobie (zuurstofhuishouding) kan ook verbeterd worden. Deze karakteristiek heeft vooral impact op de macrofauna en vis, maar ook op andere soortgroepen, want voor het meeste waterleven is zuurstof onmisbaar. Uit de KRW-toetsing voor ecologie blijkt dat scores voor met name waterplanten en macrofauna niet goed zijn. Dit is een bevestiging van de bevindingen uit de EBEO-toetsing.
5
De waterkwaliteitsrapportage over 2020 laat zien dat voor het behalen van de doelen voor de KRW op alle gebieden nog een behoorlijke verbetering nodig is.
6
Inleiding Schoon water is belangrijk voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor de mens en een voorwaarde voor natuur en biodiversiteit. Als beheerder van de waterkwaliteit beschermt en verbetert Delfland het oppervlaktewater in het beheergebied van Delfland. Delfland heeft zijn beleid om de watersysteemkwaliteit te verbeteren vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016 2021 (Delfland, 2015) en in het KRW-programma Delfland 2016-2021, dat is opgenomen in het Stroomgebiedbeheerplan 2016-2021 Rijn Delta. Tevens vormt het bestuursakkoord 2019-2023 'Iedereen aan de slag voor water' de basis voor de inzet en samenwerking van Delfland voor gezond, schoon en levend water. Het waterkwaliteitsbeleid richt zich op het voorkomen of maximaal terugdringen van verontreiniging en een ecologisch gezond watersysteem. In 2020 is een nieuw Stroomgebiedsbeheerplan (SGBP3, 2022-2027) vastgesteld, waarin de doelstellingen beter passend gemaakt zijn op de gebiedskenmerken van Delfland. Met het huidige Stroomgebiedsbeheerplan 2016-2021, ofwel SGBP2, zijn er KRW-doelen voor 2027 vastgesteld. Deze zijn destijds bepaald op basis van de kennis van het watersysteem van dat moment. Met het vaststellen van het nieuwe SGBP3 zijn de doelen voor 2027 opnieuw bepaald. In combinatie met de blijvende inzet zijn de nieuw vastgestelde doelen daarmee naar verwachting haalbaar.
In SGBP3 zijn tevens maatregelen worden vastgelegd, die uitgevoerd worden in de periode 2022-2027. Voor 2020 gaan we uit van de strategische doelen voor gezond water, zoals geformuleerd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit zijn: Chemie
In 2021 is de chemische waterkwaliteit zodanig dat met een voortgaande ontwikkeling van de ecologische en chemische waterkwaliteit de KRW-doelen in 2027 zijn gehaald. Ecologie KRW-waterlichamen
In 2021 zijn de inrichting, het beheer en de waterkwaliteit in de KRW- waterlichamen en in overige delen van het watersysteem zodanig dat met een verwachte voortgaande natuurlijke ontwikkeling de KRW-doelen in 2027 worden gehaald. Vismigratie
In 2021 zijn de belangrijkste leefgebieden voor vissen in die mate ontsloten, dat met de verwachte voortgaande ontwikkeling en de renovatie- en nieuwbouwcyclus voor kunstwerken de KRW-doelen voor vissen in 2027 worden gehaald. Lokaal water
In de planperiode van het WBP 5 wordt het ambitieniveau voor de waterkwaliteit in de lokale wateren van Delfland vastgesteld en voldoet de waterkwaliteit voor een deel van dit water aan de wensen van burgers, gemeenten en Delfland. Monitoring is nodig om de actuele toestand te bepalen en deze te toetsen aan de normen. Daarnaast volgt Delfland met monitoring de lange termijn ontwikkeling van de watersysteemkwaliteit en het effect van maatregelen. Dit biedt ook inzicht in de voortgang van de doelen. Monitoring van de watersysteemkwaliteit is wettelijk verplicht, de bepalingen die betrekking hebben op monitoring zijn in de Nederlandse wetgeving opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Ook het Besluit Kwaliteitseisen en Monitoring Water (BKMW) verplicht de waterbeheerder tot uitvoeren van monitoring volgens een monitoringsprogramma. Delfland gebruikt de Ecologische Beoordelingssystematiek (EBEO) voor de ecologische beoordeling van het oppervlaktewater. Omdat de toetsing aan de KRW conform de vanuit de KRW voorgeschreven methodiek wordt gedaan (aan de hand van Ecologische Kwaliteitsratio's, EKR's), is deze toetsing als apart hoofdstuk opgenomen. In dit hoofdstuk worden de resultaten van voorgaande hoofdstukken gebruikt om de resultaten van de KRW-toetsing te verklaren.
In deze rapportage over 2020 worden de volgende resultaten per hoofdstuk behandeld. 1. 2. 3. 4. 5.
Gewasbeschermingsmiddelen Stikstof en fosfaat Overige stoffen Ecologische kwaliteit Toetsing Kader Richtlijn Water
Het rapport wordt afgesloten met de algemene conclusies.
7
1 Gewasbeschermingsmiddelen In 2020 is van 18 gewasbeschermingsmiddelen de norm overschreden. Hiervan zijn er 5 stoffen die in 2020 aan het analysepakket zijn toegevoegd en niet eerder zijn gemeten. De gemiddelde concentratie in de glastuinbouwgebieden is iets hoger dan in 2019 en is in de boezem vrijwel gelijk gebleven. We treffen gewasbeschermingsmiddelen nog steeds te vaak en incidenteel in hoge concentraties aan. Dit belemmert op veel plaatsen de ontwikkeling van een gezond ecosysteem.
1.1
Doel
Overigens ligt de gemiddelde concentratie aan gewasbeschermingsmiddelen in de boezem met 0,06 pg/l ruim onder de gestelde PI van max. 0,11 pg/l (2020).
Om de effecten van maatregelen te kunnen moni toren zijn twee prestatie-indicatoren (PI) voor 2020 vastgesteld:
1. 2.
Het percentage aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen in de boezem is 5,5 % of lager. De gemiddelde concentratie van de gewasbeschermingsmiddelen in de boezem is 0,11 pg/l of lager.
Het percentage stoffen dat wordt aangetroffen (figuur 1.3) is in 2020 met 6,2/ in het glastuinbouwgebied en 4,4/ in de boezem hoger dan in 2019 (resp. 5,8 en 3,7 “/o). Het percentage wordt bepaald door het aantal aangetroffen stoffen te delen door het totaalaantal gemeten stoffen. De PI voor 2020 (max 5,5 / in de boezem) wordt hiermee ruimschoots gehaald.
Deze doelen zijn opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Waterbeheerplan 2015-2021. De jaarlijkse prestatie-indicatoren, vanuit de begroting van Delfland, voor gewasbeschermingsmiddelen worden ieder jaar strenger. Om tot 2027 deze prestatie-indicatoren te behalen moet het percentage aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen in de boezem jaar op jaar minder worden.
1.2
De polders waar in 2020 gemiddeld de meeste gewasbeschermingsmiddelen zijn aangetroffen (figuur 1.4) zijn: de Hoefpolder (gemeente Westland), de Oranjepolder (gemeente Westland) en de Boschpolder (gemeente Westland). Per meting werden op deze locaties gemiddeld 14 stoffen aangetroffen. Het gemiddeld aantal aangetroffen middelen in 2020 is in 7 van de 15 glastuinbouwpolders lager dan of gelijk aan het gemiddelde van 2019 en in 8 polders hoger dan in 2019. In de 5 boezemwateren ligt het gemiddelde in 2020 overal hoger dan in 2019. Bij de maandelijkse metingen wordt een grote spreiding (min-max) aangetroffen. Zo worden in de Poelpolder minimaal drie en maximaal 29 gewasbeschermingsmiddelen per maand aangetroffen in 2020.
Toestand
Delfland heeft een meetnet om de waterkwaliteit van het glastuinbouwgebied te monitoren: er zijn 23 meetlocaties in het meetnet voor de glastuinbouw, namelijk op 3 referentielocaties buiten het glastuin bouwgebied, 5 boezemlocaties en 15 locaties in glastuinbouwgebied. Op deze locaties zijn elke maand gewasbeschermingsmiddelen, stikstof en fosfaat gemeten (figuur 1.1). Er worden ook gewasbeschermingsmiddelen gemeten in het kader van de Gebiedsgerichte aanpak in andere polders dan hierboven aangegeven. In deze polders wordt slechts kortstondig gemeten, waardoor er geen lange reeksen aan gegevens zijn. Omdat we bij voorliggende rapportage vergelijkingen maken met voorgaande jaren, worden de gegevens van de Gebiedsgericht aanpak niet meegenomen. Voor de Gebiedsgerichte aanpak verschijnen aparte rapportages.
In het hele meetnet glastuinbouw zijn 18 verschillende gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen die de norm hebben overschreden (figuur 1.5). Dit is meer dan de jaren ervoor, 2019 (11), 2018 (15), 2017 (16). Opgemerkt moet worden dat het analysepakket in 2020 is uitgebreid en dat 5 van de toegevoegde stoffen normoverschrijdend zijn aangetroffen. De stoffen die op de meeste locaties de norm overschrijden zijn imidacloprid (toegelaten onder restricties), carbendazim (niet toegelaten)*, pirimicarb (toegelaten) en pendimethalin (toegelaten)
Op de meetpunten in het glastuinbouwgebied komen de meeste en hoogste concentraties gewasbeschermingsmiddelen voor en is het aantal gewasbeschermingsmiddelen dat gemiddeld wordt aangetroffen het grootst (figuren 1.2 en 1.3). Uit een analyse van de gegevens blijkt ook dat de stoffen zich via de boezem verder verspreiden over het gebied. Zowel de concentraties als het aantal stoffen dat boven de norm wordt aangetroffen, ligt al jaren stukken hoger in het glastuinbouwgebied dan in de boezem- en referentielocaties. De gemiddelde concentratie aan gewasbeschermingsmiddelen (figuur 1.2) is in 2020 hoger dan in 2019 in het glastuinbouwgebied en ongeveer gelijk in de boezem- en referentielocaties.
*
Carbendazim is ook een afbraakproduct van thiofanaat-methyl, welke ook in het oppervlaktewater is aangetroffen en wel is toegelaten. Onafhankelijk of de aangetroffen stof carbendazim hier een afbraakproduct betreft: de stof hoort niet in het oppervlaktewater thuis.
De grootste overschrijdingen zijn afkomstig van de stoffen abamectine (toegelaten), etoxazool (toegelaten) en lufenuron (toegelaten).
8
1.3
Bronnen
Het water dat in de zomermaanden ingelaten wordt uit het Brielse meer bevat nauwelijks gewasbeschermingsmiddelen. Het water dat het gebied via de boezemgemalen verlaat bevat een veelvoud hiervan. Dit wijst erop dat de bron van gewasbeschermingsmiddelen binnen het beheergebied ligt. Uit de metingen van de waterkwaliteit in het glastuinbouwgebied en uit het project Gebieds gerichte aanpak, blijkt dat bewuste en onbewuste lozingen op het oppervlaktewater de belangrijkste bronnen van gewasbeschermingsmiddelen zijn binnen het beheergebied van Delfland. Daarnaast spelen bij de glastuinbouw de volgende bronnen een rol: - Lekkage in de substraatteelt (via drainage, CO2, lekke vloer en/of kasvoet) - Volle grondteelt met bodemlekkages (komt uiteindelijk via grondwater in contact met oppervlaktewater) - Rioolstoringen of te weinig buffercapaciteit in het riool. Andere (kleinere) bronnen buiten de glastuinbouw zijn bijvoorbeeld de agrarische sector en particulier gebruik van middelen.
Conclusie De gemiddelde totale concentratie is in het glastuinbouwgebied hoger dan in 2019 en in de boezem vergelijkbaar met 2019. De gemiddelde concentratie gewasbeschermingsmiddelen bedraagt in de boezem 0,06 Įjg/i, waarmee de prestatieindicator uit de begroting voor 2020 (max 0,11 jg/l) wordt gehaald. Het percentage aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen in de boezem bedraagt 4,40Zo, ten opzichte van het totaalaantal gemeten stoffen in de boezem. Dit is lager dan de gestelde prestatie-indicator uit de begroting voor 2020 (max 5,50Zo). Ondanks dat de twee PI's worden gehaald is het aantal gewasbeschermingsmiddelen dat in het opper vlaktewater de norm overschrijdt in 2020 hoger dan de voorgaande jaren. Deels wordt dit veroorzaakt door uitbreiding van het analysepakket. Ook is het aantal aangetroffen middelen en de gemiddelde concentratie in veel glastuinbouwpolders hoger dan in 2019.
9
Figuur 1.1: Glastuinbouwmeetnet Delfland
Glastuinbouwmeetpunten Glastuinbouw Boezem
Delfland heeft ongeveer 3500 hectare intensieve glastuinbouw.
Referentie schendam-Voorburg
Het meetnet van Delfland bestaat uit 23 meetlocaties, waarvan er 15 direct in het glastuinbouwgebied liggen. 5 locaties liggen in de boezem om de verspreiding in het gebied te bepalen en 3 locaties op schone referentiepunten.
ĩįnacker-Nootdorp
ínsîngerland
Vlaardii botterdam
Figuur 1.2: Gemiddelde concentratie
Gemiddelde concentratie per aangetroffen bestrijdingsmiddel
Het verloop van de gemiddelde concentratie van gewasbeschermingsmiddelen in het glastuinbouw gebied (rood), boezem waar het water samenkomt (blauw) en referentielocaties welke niet onder invloed van de glastuinbouw staan (groen). De concentraties van gewasbeschermingsmiddelen zijn elkjaar het hoogst bij de bron (glastuinbouw). In 2020 was de gemiddelde concentratie in het glastuinbouwgebied 0,11ugd. De gemiddelde concentratie in de boezem is 0,06 ug/l en in de referentiewateren 0,036 ug/l. De gemiddelde concentratie is gebaseerd op de stoffen die zijn aangetoond boven de detectiegrens.
2007
2008
« 2021 2022 2025 2024 2025 2026 2027
irn 2010 2011 2012 2012 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2
Percentage stoffen aangetroffen (aantal aangetroffen/aantal gemeten)
12.094
10.094
Het percentage aangetroffen stoffen zijn het hoogste bij de bron (glastuinbouw) met 6,2%. In de boezem is het percentage aangetroffen stoffen 4,4% en in de referentiewateren 1,4%. De PI voor gewasbeschermingsmiddelen is opgesteld voor de metingen in de boezem. De waarde in 2020 ligt ruim onder de PI van 5,5%.
8.094
6.094
4.094
0.094
Figuur 1.3: Percentage stoffen aangetroffen Het percentage stoffen dat is aangetroffen in het glas tuinbouwgebied (rood), boezem waar het water samenkomt (blauw) en referentielocaties welke niet onder invloed van de glastuinbouw staan (groen).
14.094
2.094
De PI voor de gemiddelde concentratie (stippellijn) is opgesteld voor de boezem (blauw). Uit de grafiek blijkt dat de PI ook in 2020 ruim wordt gehaald.
Ui I il 1111111 2007 2008 2009 2010 20112012 2013 2014 201S 2016 2017 2018 2019 2020 20212022 2023 2024 2025 2026 2027 Glastuinbouw
Boe/em
Referentie
—
— Pl-bestrijdingsmiddelen
10
Het percentage stoffen dat wordt aangetroffen is bepaald door het aantal aangetroffen stoffen te delen door het totaalaantal stoffen dat in het meetpakket zit.
Figuur 1.4: Aantal Gewasbeschermingsmiddelen per glastuinbouwpolders (oranje), boezem (blauw) en referentielocaties (groen). De gekleurde box geeft de spreiding (max-min) van het aantal middelen per meting die zijn aangetroffen in de betreffende polders. De horizontale rode streep is het gemiddeld aantal aangetroffen middelen in 2020. De horizontale zwarte streep is het aantal in 2019.
2019
gem.2019 Delft DH U LV MD
Delft Den Haag Lansingerland Leidschendam-Voorburg MīddenrDelfland
PN Wl Wv
- gem.2020
Pijnacker-Nootdorp Rotterdam Westland Westvoorne
Totaal aantal normoverschrijdende bestrijdingsmiddelen per jaar NR Stof
Het gemiddeld aantal aangetroffen middelen in 2020 is in 7 van de 15 glastuinbouwpolders lager dan of gelijk aan het gemiddelde van 2019 en in 8 polders hoger dan in 2019. In de 5 boezemwateren ligt het gemiddelde in 2020 overal hoger dan in 2019. Bij de maandelijkse metingen wordt een grote spreiding (min-max) aangetroffen. Zo worden in de Poelpolder minimaal drie en maximaal 29 gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in 2020.
Merknaam (o.a.)
17 jaar:
24
20
16
15
11
18
2014 2015
2016
2017
2018
2019
2020
Niet meer toegelaten stoffen:
1 2 3 4 5 6 7
m ethylazinfos fenbutatinoxide carbendazim dimethoaat ethylchloorpyrifos pymetrozine methiocarb1
8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35
abamectine esfenvaleraat imidacloprid pirimicarb spinosad emamectin-benzoaat etoxazool lufenuron* pyridalyl aclonifen cyprodinil dodemorf ethylazinfos pendimethalin thiacloprid2 cypermethrin methylpirimifos piperonyl-butoxide chlorantraniliprole deltamethrin diethyltoluamide m ethoxyfenozide thiamethoxam acetamiprid azoxystrobin etridiazol fipronil lambda-cyhalothrin
Niet meer toegelaten (1999) Niet meer toegelaten (2013) Niet meer toegelaten (2016) Niet meer toegelaten (2019) Niet meer toegelaten (2019) Niet meer toegelaten (2019) Niet meer toegelaten (2020)
Toegelaten stoffen:
Vertimec Gold Sumicidin Super Admire Pirimor TRACER, CONSERVE Affirm BORNEO Match Nocturn Challenge Chorus, Switch Meltatox onbekend Stomp, Malibu Calypso Talisma Actellic 50 DR. Care, Detmolin P Altacor Deltasect, Decis DEET RUNNER AGITA 10WG Gazelle Ortiva Aaterra ME Fourmidor Karate, Ninja
Figuur 1.5: Overzicht aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen boven de norm sinds 2014 De toetsing van de aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen vindt plaats op basis van de normen uit de KRW: het jaargemiddelde en de MAC-waarde (maximaal aanvaardbare concentratie). Indien deze voor debetreffende stof niet bestaan is het 90-percentiel getoetst aan de MTR (maximum toelaatbaar risico). Vanwege verandering in de normen en toetsingsregels, zijn ook alle voorgaande jaren opnieuw getoetst. Hierdoor kunnen sommige stoffen in een andere categorie zitten dan bij de toetsing in vorige jaren. Uit de tabel blijkt dat in het meetnet van het glastuinbouwgebied in 2020 18 verschillende gewasbeschermingsmiddelen zijn aan getroffen die de norm hebben overschreden. Dit zijn er 7 meer dan in 2019, maar van deze 18 stoffen zijn er vijf stoffen (nr 2, 13-16) in 2020 voor het eerst in het analysepakket opgenomen. Drie stoffen (nr 1-3) zijn niet meer toegelaten, maar worden wel aangetroffen. De niet meer toegelaten stoffen 4-7 zijn niet meer aangetroffen in 2020. Vijf van de toegelaten stoffen (nr 8-12) worden al sinds 2014 norm overschrijdend aangetroffen. Zes stoffen (nr 18-22) worden in 2020 norm overschrijdend aangetroffen, die niet in 2019 boven de norm zijn gemeten. Drie stoffen (nr 23-25) zijn norm overschrijdend in 2019 gemeten, maar niet meer in 2020.
De laatste 10 stoffen (nr 26-35) in de tabel worden al twee jaar of langer niet meer normoverschrijdend aangetroffen voldoet niet toetsbaar overschrijding
11
niet gemeten
2 Stikstof en fosfaat In 2020 wordt op de West- en Oostboezem een concentratie van het zomerhalfjaargemiddelde van totaal-stikstof gemeten die vergelijkbaar is met 2019. Het zomerhalfjaargemiddelde van de totaalfosfaatconcentratie is op de Westboezem verder afgenomen en op de Oostboezem licht toegenomen. De zomerhalfjaargemiddelden van de meetpunten in het glastuinbouwgebied en het grasgebied zijn voor zowel totaal-stikstof als totaal-fosfaat toegenomen ten opzichte van 2019. Lokaal voldoen veel meetpunten nog niet aan de norm voor totaal-stikstof en totaal-fosfaat.
2.1
Doel
Om de effecten van het beleid te kunnen monitoren zijn prestatie-indicatoren opgesteld. Voor 2020 was de prestatie-indicator (PI) voor totaal-stikstof een maximale zomergemiddelde concentratie van max 2,5 mg N/l in de Westboezem en van max 2,0 mg N/l in de Oostboezem. Deze waarden worden elk jaar lager, met uiteindelijk in 2027 de waarde van de norm voor stikstof (max 1,8 mg N/l). Omdat de fosfaatemissie moeilijk te sturen is, heeft Delfland voor fosfaat geen prestatie-indicator opgesteld. Voor de komende jaren zijn de prestatie-indicatoren vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021 om uiteindelijk in 2027 aan de KRW-doelstellingen te voldoen. Voor stikstof en fosfaat geldt dat in 2027 moet worden voldaan aan de KRW-doelen; voor Delfland is dat een concentratie van maximaal 1,8 mg N/l voor totaal-stikstof en maximaal 0,3 mg P/l voor totaal-fosfor. De norm voor totaal-stikstof («1,8 mg N/l) is afgeleid en vastgesteld op een concentratie waaronder er met grote zekerheid gesteld kan worden dat de nutriëntconcentratie niet belemmerend is voor het halen van een goede ecologische toestand van het watersysteem. Voor totaal-fosfor is de emissie moeilijk te sturen. Daarom is gekozen om in te zetten op stikstoflimitatie. Hierdoor is de norm hoger («0,30 mg P/l) dan de landelijke richtwaarde van «0,15 mg P/l.
De Delflandse norm is vastgesteld op basis van de visbiomassa en het doorzicht: deze moeten voldoende scoren in ons gebied (technische achtergrondrapportage KRW).
2.2
Toestand
Delfland heeft een basismeetnet om de oppervlaktewaterkwaliteit in het beheergebied te volgen. Hierin zijn onder andere locaties opgenomen uit het hoofdwaterstelsel van Delfland, de boezem.
12
De boezem is onderverdeeld in de Oost- en de Westboezem. Op deze locaties worden elke maand onder andere stikstof en fosfaat gemonitord. Daarnaast beschikt Delfland over een roulerend meetnet volgens een driejarige meetcyclus, waar elk jaar één van de drie deelgebieden Oostland, MiddenDelfland of Haagland & Westland gemonitord wordt op stikstof en fosfaat. In 2020 betrof dit het deelgebied Midden-Delfland. Omdat de prestatie-indicatoren zijn opgesteld voor de Oost- en Westboezem worden deze wateren jaarlijks gevolgd. In de Oostboezem worden 4 meetpunten gebruikt om het zomerhalfjaargemiddelde te bepalen en voor de Westboezem 3 meetpunten. Omdat de boezemwateren gevoed worden door de verschillende polders zijn ook van de glastuinbouwpolders (10 meetpunten) en graslandpolders (5 meetpunten) de zomerhalfjaargemiddelden bepaald. In figuur 2.1 en 2.2 zijn de zomerhalfjaargemiddelden voor respectievelijk totaal-stikstof en totaal-fosfaat uitgezet van 2010 tot en met 2020. Hierin zijn ook de waarden van het Brielse Meer opgenomen omdat er met name in de zomermaanden water wordt ingelaten vanuit het Brielse Meer. Uit figuur 2.1 valt op te maken dat de concentraties voor totaal-stikstof in de Oostboezem met gemiddeld 1,8 mg N/l onder de waarde van de prestatie indicator van max 2,0 mg N/l en zelfs op de norm voor totaal-stikstof (max 1,8 mg N/l) liggen.
De concentraties in de Westboezem liggen met gemiddeld 2,3 mg N/l onder de PI van max 2,5 mg N/l. Hiermee is de PI voor stikstof in 2020 gehaald. De gemiddelde concentratie van de glastuinbouwmeetpunten is met 5,1 mg N/l hoger dan in 2019 (4,2 mg N/l). De meetpunten uit het grasland hebben een gemiddelde waarde van 3,1 mg N/l (2019: 2,5 mg/l). De toename in het
glastuinbouwgebied wordt vooral veroorzaakt door het meetpunt in de Boschpolder met gemiddeld 10,3 mg N/l (2019 Boschpolder: 4,4 mg N/l). Zonder dit meetpunt was de gemiddelde concentratie van de glastuinbouwmeetpunten 4,5 mg N/l. Het Brielse Meer (1,6 mg N/l) heeft in 2020 een
Omdat de hoogste stikstofconcentraties nog steeds worden gevonden in het glastuinbouwgebied, wordt hieraan met prioriteit gewerkt samen met onze partners door onder andere de Gebiedsgerichte aanpak. Figuur 2.5a geeft de stikstof-concentraties in de glastuinbouwpolders, de boezem en op de referentielocaties van 2020 ten opzichte van 2012. Dit is het jaar voordat het project begon. In figuur 2.5b komt naar voren dat in vrijwel alle polders de stikstofconcentratie in 2020 lager is dan bij de start in 2012. Alleen in de Boschpolder (Westland) is de gemiddelde concentratie zelfs hoger dan in 2012. In figuur 2.5c zijn de metingen voor de Boschpolder in een grafiek uitgezet. Nader onderzoek wordt geadviseerd.
waarde die onder de norm van max 1,8 mg N/l ligt. In figuur 2.2 zijn de zomerhalfjaargemiddelden voor totaal-fosfor opgenomen. Uit de grafiek valt op te maken dat de gemiddelde waarde voor de Westboezem met 0,53 mg P/l lager ligt ten opzichte van 2019 (0,59 mg P/l). De Oostboezem vertoont al jaren een min of meer constant zomerhalfjaargemiddelde van circa 0,5 mg P/l. Dit is nog wel boven de norm van max 0,3 mg P/l voor totaal-fosfaat. De gemiddelde concentratie in de glastuinbouw is in 2020 met 0,82 mg P/l vergelijkbaar met 2019. Het gemiddelde in het grasgebied is in 2020 met 1,4 mg P/l hoger dan in 2019 (1,2 mg P/l). De totaal-fosfaat-concentratie in het Brielse Meer ligt met 0,08 mg P/l ruim onder de norm.
N.B. Deze rapportage geeft alleen de 14 polders weer die in het standaard meetnet zitten. Het project van de Gebiedsgerichte aanpak is inmiddels in meer polders ingezet, maar deze vallen buiten deze rapportage.
2.3 Lokaal water Om ook een algemeen beeld te hebben van de totaalstikstof en totaal-fosfaat-concentraties in het gebied van Delfland is een overzicht gemaakt van alle metingen uit 2020 van het gehele gebied. In 2020 is op 169 locaties onder andere totaal-stikstof en totaal-fosfaat gemeten. Een groot deel van de meetpunten is afkomstig uit het roulerend meetnet. Daarom liggen veel meetpunten in de regio MiddenDelfland. Van alle gemonitorde locaties in 2020 (n^69) voldoet 2070 in het beheergebied aan de KRW-norm van «1,8 mg N/l voor stikstof en 177 voldoet aan de fosfaatnorm van «0,3 mg P/l (figuren 2.3 en 2.4).
Bronnen
De afname van de stikstof- en fosfaatconcentraties in de boezem in de jaren 2014/2015 waren mede te danken aan het extra doorspoelen met Brielse Meerwater. Naast de glastuinbouw zijn er ook andere bronnen van meststoffen zoals uitspoeling van meststoffen uit agrarische gronden, nalevering van meststoffen uit de waterbodem, nutriëntrijke kwel en incidentele riooloverstorten. Lokaal spelen kleinere diffuse bronnen ook een rol (bladval, afspoeling van hondenpoep, vogelpoep en visvoer). Conclusie De gemiddelde stikstofconcentratie in de Westboezem is met 2,3 mg N/l iets hoger dan in 2019 (2,2 mg N/l) maar voldoet aan de prestatie-indicator (2020) van «2,5 mg/l. In de Oostboezem was de gemiddelde stikstofconcentratie in 2020 net als in 2019 1,8 mg N/l daarmee is de prestatie-indicator voor 2020 van «2,0 mg N/l gehaald. In de glastuinbouwpolders en de graslandpolders is de stikstofconcentratie hoger dan in 2019. De gemiddelde totaal-fosfor concentratie in de Westboezem is in 2020 met 0,53 mg P/l lager dan in 2019 (0,59 mg P/l), terwijl de concentratie in de Oostboezem vergelijkbaar is met 2019. In de glastuinbouwpolders bleef het gehalte gelijk. In de graspolders werd een hogere gemiddelde totaalfosfor concentratie gevonden.
De laagste concentraties stikstof en fosfaat zijn voornamelijk te vinden in de duinwateren, de Delftse Hout en in het water van het Brielse Meer, dat wordt ingelaten in het beheergebied van Delfland. In het Brielse Meer is de verblijftijd lang, waardoor het zelfreinigend vermogen van het water hier goed benut wordt. Oftewel: de nutriënten kunnen worden opgenomen en worden omgezet vanuit het water. De stikstofconcentratie van het Brielse-Meer-water schommelt al jaren rond de norm voor stikstof. De grootste categorie van meetpunten (607) bevat een totaal stikstofconcentratie van 1-2 x de norm. De hoogste concentraties aan stikstof ^5x norm) worden op 2 meetpunten (17) verdeeld over het gebied aangetroffen.
Lokaal voldoen veel meetpunten nog niet aan de normen voor stikstof en fosfaat. In 2020 voldoen 207 van de 169 meetpunten aan de norm voor totaalstikstof en 1707o aan de norm voor totaal-fosfor.
Voor totaal-fosfaat zitten de meeste meetpunten in de categorie 2-5 x de norm (437) en op 7 meetpunten (47) worden concentraties aangetroffen van > 5x de norm.
13
Zomerhalfjaargemiddelde totaal stikstof 2013-2027 Gebiedsgerichte aanpak
Figuur 2.1: Stikstof concentratie (mg N/l) Zomerhalfjaargemiddelden over 2010-2020 De concentraties in de Westboezem en Oostboezem zijn met respectievelijk 2,3 en 1,8 mg N/l vergelijkbaar met 2019. De zomerhalfjaargemiddelden in de glastuinbouw (5,1 mg N/l) en het gras 3,1 mg N/l) liggen in 2020 hoger dan in 2019.
2007-2012 Aansluiten glas op riolering
De concentraties in de Oostboezem (1,8 mg N/l) en het Brielse Meer (1,6 mg N/l) liggen in 2020 op ofzelfs onder de streefwaarde van 1,8 mg N/l. D
2011
2012
2013
2014
16
2017
2018
20
-A-Oostboezem (4 meetpunten}
■Westboezem {3 meetpunten)
-■-Glastuinbouwpolders {10 meetpunten)
■Brielse Meer
---- KRW-norm (streefwaarde tbv ecologie)
■Gras (5 meetpunten)
Zomerhalfjaargemiddelde totaal fosfor 2007-2012
3-2027 Gebiedsgerichte aanpak
Aansluiten glas op riolering
Het gemiddelde van de Glastuinbouw meetpunten (5,1 mg N//Ï), de Westboezem (2,3 mg N/l) en Gras (3,1 mg N/l) liggen boven de streefwaarde voor stikstof.
Figuur 2.2: Fosfor concentratie (mg P/l) Zomerhalfjaargemiddelden over 2010-2020 Het zomerhalfjaargemiddelde in de Westboezem is met 0,53 mg P/l lager dan in 2019 (0,59 mg P/l). In de Oostboezem schommelt de concentratie rond de 0,5 mg P/l. Voor beiden is dit hoger dan de streefwaarde van 0,30 mg P/l.
Verversingsexperiment
In het glastuinbouwgebied is in 2020 een gemiddelde concentratie van 0,82 mg P/l gevonden net als in 2019. Het gemiddelde in het grasgebied is in 2020 1,4 mg P/l, wat hoger is dan de 1,2 mg P/l uit 2019. -A-Oostboezem (4 meetpunten)
Westboezem (3 meetpunten)
-^Glastuinbouwpolders (10 meetpunten)
Brielse Meer
^—KRW-norm (streefwaarde tbv ecologie)
■Gras (5 meetpunten)
14
Het Brielse meer heeft in 2020 een gemiddelde voor totaal-P van 0,08 mg P/l.
Figuur 2.3: Zomergemiddelde stikstof in 2020.
Zonierhalfjaargemiddelde totaal-stikstof (Ntot) 2020
In 2020 is op 169 meetpunten in het gebied van Delfland stikstof gemeten, waarbij veel meetpunten uit het roulerend gebied Westboezem/ Midden-Delfland komen.
N-klasse (2020) 0 ZHJG-N < de norm O' ZHJG-N 1 -2x de norm G ZHJG-N 2-5x de norm ţ ZHJG-N » 5x de norm I
I Westland
I
I Haaglanden
I
I Westboezem
I
I Oostboezem
in Haag
20% van de meetpunten (33 van de 199) voldoet aan de KRW-norm van S1,8 mg N/l.
Rijswijk Pijnacker-Nootdorp
60 % van de meetpunten (101 van 169) zit in de categorie 1-2 x de norm 20% van de meetpunten (33 van de 197) zit in de categorie 2-5 x de norm.
{otterdam
1 0K van de meetpunten (2 van de 197) zit in de categorie > 5x de norm. Rotterdam
Schiedam
laardingen
Figuur 2.4: Zomergemiddeldefosfor in 2020.
Zomerhalfjaargeniiddelde totaal-fosfor (Ptot) 2020
In 2020 is op 169 meetpunten in het gebied van Delfland stikstofgemeten, waarbij veel meetpunten uit het roulerend gebied Westboezem/ Midden-Delfland komen
P-klasse (2020) @ ZHJG-P < de norm Q ZHJG-P 1-2x de norm o ZHJG-P 2-5x de norm ZHJG-P » 5x de norm
17% van de meetpunten (29 van de 169) voldoet aan de KRW-norm van S0,3 mg N/l.
__ Westland [__ I Haaglanden Westboezem Oostboezem
Rijswijk
36% van de meetpunten (60 van 169) zit in de categorie 1-2 x de norm
Pijnacker-Nootdorp
ingerlaj {otterdam
43 % van de meetpunten (73 van de 169) zit in de categorie 2-5 x de norm. 40K van de meetpunten (7 van de 169) zit in de categorie > 5x de norm.
Rotterdam
Schiedam
Gaardingen
15
Zomerhalfjaargemiddelde totaal-stikstof 2020 versus 2012 ^
18,00 16,00 14,00 12,00 10,00 8,00 6,00 4,00 2,00 0,00
-
-
-
Figuur 2.5a en 2.5b: Totaal-stikstofper polder Boezem (blauw), glastuinbouwpolders bezocht (rood), nog te bezoeken ofnet gestart (rood gearceerd), referentie locaties (groen) In alle polders, op één na, is de totaalstikstofconcentratie lager vergeleken met 2012 (zwarte streep). Alleen in de Boschpolder ligt het zomerhalfjaargemiddelde in 2020 hoger dan in 2012. In voorgaande jaren was dit nog niet het geval; zie figuur 2.5c. In de polders waar het project gebiedsgerichte aanpak is uitgevoerd, is de afname het grootst (rode kolommen). In de Boschpolderlicht het gemiddelde in 2020 hoger dan in 2012. Het nog niet bezochte boezemgebied (Plas Prinsenbos, Grote Gantel, Vlotwatering) en de andere boezemwateren (blauw) profiteren van de lagere waarden die vanuit de polders op de boezem komen.
Gemiddelde procentuele afname van totaal-Stikstof (2020 tov 2012) Reeds bezocht
Te bezoeken
Boezem
Referentie
-100 -140zž
-200 -300 -320zž
-400
-390zž -500
---------- 45%
Figuur 2.5c: Maandwaarden en z.omerhalfjaargemiddelden (ZHJG) totaal-stikstof van de Boschpolder (2012 t/m 2020) Boschpolder - totaal stikstof (OW301-001) 30 25
00 20
» totaal-N (mg N/l)
16
9 ZHJG
3 Overige stoffen Behalve op stikstof, fosfaat en gewasbeschermingsmiddelen heeft Delfland ook gemonitord op andere belangrijke chemische en fysisch-chemische parameters. Deze geven met de nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen een algemeen beeld van de gezondheid van de wateren. Het gaat daarbij om verontreinigingen als metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) en parameters die van invloed zijn op een goed functionerend ecologisch systeem. Bij deze zogenaamde ecologie-ondersteunende parameters gaat het om: doorzicht, temperatuur, ammonium, chloride en zuurgraad. Over het algemeen zijn van de ecologie-ondersteunende parameters de ammonium-concentratie en het doorzicht nog niet optimaal. PAK's blijven een probleem op de Schie en metalen vertonen overschrijdingen van met zink.
3.1
Doel
Voor mangaan is er geen milieukwaliteitsnorm beschikbaar. Dit metaal wordt aangetroffen in concentraties variërend van 0,26 gg/l (duinwater) tot aan 750 gg/l (Karitaatmolensloot Z Zuidpolder van Delfgauw).
Voor de metalen, PAK's en ammonium gelden de normen uit de KRW-lijst voor prioritaire stoffen of de landelijke lijst van specifiek verontreinigende stoffen (zie hiervoor ook het BKMW). Voor de andere ecologie-ondersteunende parameters houdt Delfland de waarden aan die per watertype in de KRWmaatlatten zijn opgenomen. Om de effecten van het beleid te kunnen monitoren is een prestatie-indicator opgesteld voor doorzicht in de KRW-waterlichamen. Delfland streeft voor 2021 naar een doorzicht van minimaal 0,65 m.
3.2
Ecologie-ondersteunende parameters De concentratie aan ammonium (figuur 3.3) voldoet bij veel meetpunten (760Zo) niet aan de norm. De zuurgraad of pH (figuur 3.4) scoort op 179 van de 205 locaties (870Zo) zeer goed tot goed. Ondanks een zomer met een langdurige hittegolf in 2020 leveren de temperatuur (figuur 3.5) en de chlorideconcentraties (figuur 3.6) slechts beperkte normoverschrijdingen op; temperatuur in 0,50Zo van de gevallen en chloride in 5Z van de gevallen.
Toestand
Per stofgroep wordt de huidige toestand beschreven. Metalen In 2020 zijn op 38 locaties de standaard metalen gemonitord (Cd, Cr, Cu, Ni, Pb en Zn). Naast de jaarlijkse basismeetpunten is er in 2020 gemonitord in het deelgebied Westboezem (1X/3 jaar). Cadmium, chroom, koper, nikkel en lood worden niet norm-overschrijdend aangetroffen. Zink (figuur 3.1) overschrijdt op 9 van de 38 locaties de norm in 2020.
Doorzicht KRW-lichamen De prestatie-indicator voor doorzicht wordt in drie van de zeven meetgebieden (KRW-waterlichamen) gehaald (figuur 3.7). Dit is een verbetering ten opzichte van 2019, toen in twee van de zeven waterlichamen de prestatie-indicator van 0,65 m doorzicht werd gehaald.
Andere metalen In de KRW-lijst met prioritaire stoffen en specifiek verontreinigende stoffen zijn ook een aantal metalen opgenomen. Om te bepalen of deze metalen een probleem vormen zijn in 2020 op de 11 KRW-locaties 16 extra metalen gemonitord. Dit zijn zilver (Ag), arseen (As), boor (B), barium (Ba), beryllium (Be), kobalt (Co), kwik (Hg), mangaan (Mn), molybdeen (Mo), antimoon (Sb), seleen (Se), tin (Sn), telluur (Te), thallium (Tl), uranium (U) en vanadium (V). Van deze metalen overschrijden kobalt, kwik en seleen op alle locaties de norm. Arseen overschrijdt op 9 van de 11 locaties (alleen op de 2 duinwateren niet). Uranium overschrijdt op 8 van de 11 locaties. De metalen boor, barium, beryllium, molybdeen, antimoon, tin, telluur, thallium en vanadium zijn niet norm-overschrijdend. Er loopt nog een landelijk onderzoek voor de vaststelling van de achtergrondwaarden voor deze metalen. Een aantal metalen waaronder kwik zijn ook bij RWS gemeten met een hele lage detectiegrens en met deze metingen overschrijden ze wel de MKN-JGM waarde. Maar dit zou ook de achtergrondwaarde kunnen zijn.
PAK's Het aantal PAK's (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen) dat de norm overschrijdt, is ten opzichte van 2019 gelijk gebleven. Zowel in 2019 als in 2020 zijn dit 7 PAK's. Net als voorgaande jaren blijven de hoge PAK-concentraties op de Schie opvallen (figuur 3.8). In 2018-2020 heeft er bronnenonderzoek in de Schie plaatsgevonden, maar dit heeft niet geleid tot een duidelijke oorzaak. Verhoogde PAK-concentraties worden wisselend bij de twee meetpunten gevonden. Het meest waarschijnlijk is dat opwerveling van slibdeeltjes door scheepvaart tijdens de monstername een verhoogde PAK-concentratie veroorzaakt. In de haven naast scheepswerf Bocxe is een hoeveelheid met PAK vervuild slib gevonden. Andere microverontreinigingen Bij andere microverontreinigingen moet worden gedacht aan medicijnresten, brandvertragers en stoffen zoals Gen-X en PFAS. Voor deze stoffen zijn er slechts sporadisch normen voor oppervlaktewater. Deze stoffen worden niet regulier binnen Delfland
17
gemonitord. In 2020 zijn heeft er geen monitoring op dit gebied plaatsgevonden.
3.3
vanuit de beroepsen recreatievaart, een scheepswerf op de Schie, een voormalig gasfabrieks terrein in Delft, mogelijk coatings die bij beroepsvaart worden toegepast en de waterbodem. Helaas wordt niet duidelijk wat de bron is. Het meest waarschijnlijk is dat opwerveling van slibdeeltjes door scheepvaart tijdens de monstername een verhoogde PAKconcentratie veroorzaakt. In de haven naast de scheepswerf Bocxe is met PAK vervuild slib gevonden. Geadviseerd is deze haven te baggeren.
Bronnen
Regenwaterriolen en riooloverstorten vormen significante bronnen van normoverschrijdingen van o.a. metalen binnen Delfland (emissieregistratie 2017). Landelijk wordt nader onderzocht wat de herkomst in het oppervlaktewater is voor stoffen voor de KRW die landelijk een probleem vormen, zoals metalen, PAK's en ammonium. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie IenW en RWS.
Ecologie-ondersteunende parameters De ecologie-ondersteunende parameters zijn niet overal optimaal voor ecologische ontwikkeling. Te weinig doorzicht (figuur 3.6) is op veel plaatsen belemmerend voor de ontwikkeling van waterplanten. Te hoge ammoniumconcentraties kunnen zorgen voor toxische omstandigheden of een slechte zuurstofhuishouding voor waterorganismen. Bronnen van de meststoffen stikstof en fosfor zijn beschreven in hoofdstuk 2.
Metalen Bronnen van metalen zijn regenwaterriolen, waarvan het verkeer en vervoer, bouwmaterialen, straatmeubilair en kassen weer de belangrijkste bronnen zijn. Bij verkeer en vervoer zijn slijtage, lekkage en gebruik van voertuigen(onderdelen) de belangrijkste oorzaak. Een andere route is via riooloverstorten, waarbij ongezuiverd afvalwater in het oppervlaktewater terecht kan komen. Behalve de afspoelingen vanaf land, is er ook een significante bron in het water, namelijk de coatings van schepen. En via afspoeling in het landelijk gebied, door bijv. (kunst)mest, kunnen metalen in het milieu komen.
Ammonium (NH4) komt voor een deel niet direct uit antropogene (menselijke) bronnen, maar is vaak een afbraakproduct van andere stikstofverbindingen die wel direct uit antropogene bronnen afkomstig zijn (www.emissieregistratie.nl, RWS, Waterdienst, Bert Bellert, 2011). Daarbij speelt de afbraak van organisch materiaal in onder meer slib een belangrijke bron. Hoge ammoniumconcentraties leiden tot een hoge zuurstofonttrekking aan het water omdat het wordt omgezet naar nitraat (NO3). Daarnaast kan ammonium als meststof uit- en afspoelen in landelijk gebied of geloosd worden vanuit glastuinbouwbedrijven. Tevens kunnen riooloverstorten en atmosferische depositie een bron vormen van ammoniak (NH3), dat kan worden omgezet naar ammonium (NH4). De overschrijdingen van ammonium worden vooral aangetroffen in de gras- en glastuinbouwpolders wat wijst op lozingen en afspoeling van bemesting.
PAK's Gebiedsbreed kunnen verhoogde concentraties aan PAK's in het oppervlaktewater ontstaan uit verbrandingsprocessen door onder meer gebouwverwarming en uitlaatgassen van het verkeer. Via de atmosfeer slaan deze PAK's neer en komen in het oppervlaktewater en de waterbodem terecht. Ook afspoeling van wegen zijn diffuse bronnen van PAK's. Omdat alleen in de Schie ieder jaar de gehaltes aan PAK's veel hoger liggen dan elders in Delfland, is atmosferische depositie hier waarschijnlijk niet de enige bron. In 2018 en 2019 zijn de hogere PAK-concentraties op de Schie onderzocht en verder in beeld gebracht. Mogelijke oorzaken die onderzocht zijn: uitlaatgassen
18
Zink
Figuur 3.1: Metalen
Oordeel zink 2020 9 Voldoet 0 Voldoet niet
I
In 2020 zijn op 38 locaties ‘standaard’ metalen gemonitord (Cd, Cr, Cu, Ni, Pb en Zn). Naast de jaarlijkse basismeetpunten is er in 2020 extra gemonitord in het deelgebied Westboezem (1x23 jaar). » Cadmium (Cd), Chroom (Cr), Lood (Pb), Nikkel (Ni) en Koper (Cu) worden niet normoverschrijdend aangetroffen. » Zink (Zn) overschrijdt op 9 van de 38 locaties de norm.
dl Westland D Haaglanden I
I Westboezem
In bijgevoegd figuur staan de kwaliteitsscores van het metaal zink, weergegeven op kaart.
19
Tabel 3.1: Andere metalen Ba
Be
Mn
Mo
Te
Tl
U
V
4
3
4
3
3
3
3
3
3
4
4
4
OW021-003
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
OW043-002
4
3
4
3
3
3
3
3
3
4
OW058-000
4
3
4
3
3
3
3
3
3
4
Co
Hg
0)
Ag | As | B
c
co
co
.Q
CO
Locatie OW006-003
4 4 4
4
OW062-008
4
3
4
3
3
3
3
3
3
4
4
OW062-012
3
2
3
2
2
2
2
2
2
3
3
OW111-000
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
OW202-000
4
3
4
3
3
3
3
3
3
4
4
OW221A013
4
3
4
3
3
3
3
3
3
4
OW907-010
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
OW950-012
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
4
In 2020 zijn op 11 locaties (de KRW-waterlichamen) 16verschillende metalen gemeten om te bepalen of deze metalen een probleem vormen. Deze metalen staan op de KRW-lijst van prioritaire stoffen en specifiek verontreinigende stoffen. Te weten: zilver (Ag), arseen (As), boor (B), barium (Ba), beryllium (Be), kobalt (Co), kwik (Hg), mangaan (Mn), molybdeen (Mo), antimoon (Sb), seleen (Se), tin (Sn), telluur (Te), thallium (Tl), uranium (U) en vanadium (V). Van deze metalen overschrijden kobalt, kwik en seleen op alle locaties de norm. Arseen overschrijdt op alle locaties de norm behalve in de 2 duinwateren.
Figuur 3.1: Uranium Uranium overschrijdt op 8 van de 11 locaties de norm; niet op de 2 duinwateren en de Vlotwatering in ‘s-Gravenzande. Zie naastliggende kaart.
Oordeel uranium (U) 2020 ^ niet normoverschrijdend ^ normoverschrijdend
I
I Westland
I
I Haaglanden
I
I Westboezem
I
I Oostboezem
De metalen zilver, boor, barium, beryllium, kwik, molybdeen, antimoon, tin, telluur, thallium en vanadium zijn niet norm overschrijdend.
20
Figuur 3.3: Ammoniumconcentratie
Oordeel ammonium (NH4) 2020
Er zijn veel meetpunten (760Zo) waar de concentratie aan ammonium niet voldoet aan de normfractie zoals gesteld in de KRW-methodiek. Dit is een beeld dat zich ook in voorgaande jaren voordoet.
# Voldoet aan de norm O Toetswaarde 1-2x de norm O Toetswaarde 2-5x de norm # Toetswaarde *5x de norm
Echter, de laatste 3 monitoringsjaren in ogenschouw nemende vallen erpercentagegewijs steeds meer meetlocaties in de klasse ‘voldoet’. Dat is een positieve ontwikkeling. Zie de tabel hieronder.
O o
® Zeer Goed
0 Matig 0 Slecht
I Haaglanden
I
I West boezem
24Z
Toetswaarde 1-2x de norm Toetswaarde 2-5x de norm
270Zo 350Zo
30Z 31Z
33Z 29Z
Toetswaarde > 5x de norm
190Zo
19Z
13Z
totaal
1000Zo
1000Zo
1000Zo
aantal locaties
170
204
180
In het merendeel van de in 2020 gemonitorde watergangen voldoet de zuurgraad (pH) aan de norm; 179 van de 205 locaties (870 Zo) scoren zeer goed tot goed.
0 Goed O Ontoereikend
I Westland
2020
20Z
Figuur 3.4 Zuurgraad (pH)
Oordeel zuurgraad (pH) 2020
I
2019
190Zo
N.b. omdat de hoeveelheid ammonium in oppervlaktewater afhankelijk is van de watertemperatuur en de zuurgraad (pH) wordt voor deze componenten gecorrigeerd in de KRW-toetsing.
* O
I
2018 Voldoet aan de norm
KLASSE pH
Oostboezem
Zeer goed Goed Matig Ontoereikend Slecht 1
O O
21
aantal locaties 165 14 18 6 2 205
percentage locaties 80Z 7Z 9Z 3Z 1Z 100Z
Figuur 3.5: Temperatuur
Oordeel temperatuur (T) 2020
De zomer van 2020 kenmerkte zich door 1 langdurige hittegolf. De watertemperatuur is in 92% 01=199) van de 217 gemonitorde wateren is niet boven de 25oC gestegen. Dit is de KRW-klassegrens voor een uitstekende ofgoede score.
© Zeer Goed © Goed O Matig © Ontoereikend
I
I Westland
I
I Haaglanden
I
I Westboezem
I
I Oostboezem
In 8% van de gevallen 0^=18) ligt de maximale watertemperatuur in 2020 boven de 25oC (tot aan een maximum van 29,3oC.). Deze wateren scoren ‘matig’ of ‘onvoldoende’ volgens de KRWnormeringen.
T (oC)
KLASSE
aantal
percentage
locaties
locaties
^3
MEP
Maximaal Ecologisch Potentieel
147
680A
^5 25 - 27,5
GEP M
Goed Ecologisch Potentieel Matig
52 17
240A 80A
27,5 - 30 ^0
O S
Onvoldoende Slecht
1 0
0,50A 00A
217
1000A
O O
Figuur 3.6 Chloride
Chloride ŭ 300 mg/l Chloride > 300 mg/l; ^ 600 mg/l Chloride > 600 mg/l
Het beeld van 2020 is vergelijkbaar met de metingen van 2018 én 2019. In naastliggende kaart zijn alle drie de monitoringsjaren weergegeven, zodat een gebiedsdekkend beeld ontstaat.
Oordeel chloride (Cl) « 2018
2020
In 2018 vrnl. Oostboezem gemonitord (rondjes) In 2019 vrnl. Westland en Haaglanden gemonitord (vierkantjes) In 2020 vrnl. Westboezem gemonitord (driehoekjes) In het zuiden van het beheergebied van Delfland ligt het chloridegehalte structureel hoger dan de zoetwater-richtwaarde van 300 mg/l; namelijk tussen de 300 en 600 mg/l. Het brakke karakter van de ten zuiden gelegen Nieuwe-Waterweg en het Scheur is debet aan deze verhoogde chloridegehaltes. ZHJG-chloride (mg/l)
2018 l
2019 n
2020 A
totaal* 2018-2020
0 - 300 mg/l 301 - 600 mg/l > 600 mg/l totaal
156 12 1 169
185 3 1 189
163 5 1 169
326 16 1 343
dit is niet de som van 2018+2019+2020, vanwege overlappende locaties
22
Figuur 3.7 Doorzicht Pl-oordeel doorzicht 2020
PI: Het hoogheemraadschap wil dat het doorzicht in de KRWwateren, en achterliggend water op hetzelfde peilniveau, zich in 2021 zal hebben verbeterd ten opzichte van 2010.
Oost Boezem — West Boezem Polder Berkel — Zuidpolder Delfgauw « Holierhoekse en Zouteveensepolder KLASSE 0 Voldoet 0 Voldoet niet
Het doorzicht is getoetst aan de norm voor de verschillende KRWwaterlichamen. Voor 3 van de 7 waterlichamen voldoet het doorzicht. T.o.v. 2010 is er slechts in één KRW-waterlichaam een verbetering te zien. In één KRW-waterlichamen is het doorzicht slechter dan in 2010. In vijfKRW-waterlichamen blijft het doorzicht onveranderd. Prestatie-Indicator Doorzicht SGBP2 #n KRW lichaam
KRW code
6
Oostboezem
NL15JD1
6 Westboezem
NL15JD2
4
Holierhoekse en Zouteveense Pold
NL15j04
4
Polder Berkel
NL15J05
4 Zuidpolder van Delfgauw
NL15J06
1
Solleveld
NL15J07
1
Meijendel
NL15J08
2010
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Figuur 3.8: PAK’s
ienzo(a)pyreen Oordeel benzo(a)pyreen (BaP) 2020
In 2020 zijn er in het beheergebied van Delfland 16 PAK’s gemonitord op 11 oppervlaktewater-locaties. Van de 16 PAK’s zijn er 13 aangetroffen. Van de 13 aangetroffen PAK’s overschrijden er 7 hun specifieke milieukwaliteitsnorm. De PAK fluorantheen (Flu) wordt op alle 11 de locaties aangetroffen en overschrijdt de milieukwaliteitsnorm op 9 van de 11 locaties. Net als voorgaande jaren worden met name in de Schie (tussen Delft en Rotterdam) de meeste en hoogste overschrijdingen aangetroffen (van noord naar zuid respectievelijk: OW062-002 en OW062-012). In 2018-2020 heeft er bronnenonderzoek in de Schie plaatsgevonden, maar dit heeft niet geleid tot een duidelijke oorzaak. Verhoogde PAKconcentraties worden wisselend bij de twee meetpunten gevonden. Het meest waarschijnlijk is dat opwerveling van slib door scheepvaart tijdens de monstername een verhoogde PAKconcentratie veroorzaakt. Uit het onderzoek is wel gebleken dat in het haventje naast de scheepswerf met PAK vervuild slib is gevonden. Geadviseerd is deze haven te baggeren. In de figuren hiernaast zijn twee PAK’s weergegeven. » De meest giftige PAK: benzo(a) pyreen (BaP) » De vaakst aangetroffen overschrijdende PAK; fluorantheen (Flu)
Fluorantheen Oordeel fluorantheen (Flu) 2020 Flu Çļ Voldoet
'čd'
^ Voldoet niet
/r
I
I Westland
I
I Haaglanden
I
I Westboezem
I
I Oostboezem
23
4. Ecologische kwaliteit De Ecologische Beoordelingsmethodiek (EBEO) van de STOWA geeft op basis van leidende aspecten van de waterkwaliteit, karakteristieken genoemd, inzicht in de knelpunten die spelen in de KRWwaterlichamen en het lokale oppervlaktewater van Delfland. Vooral de ruimte die wordt geboden aan waterplanten, en daarmee de structuur die dit geeft aan andere organismen om tussen te leven, staat onder druk. De hoge concentraties aan stikstof en fosfaat en de hoge zuurstofvraag door afbraak van organisch materiaal vormt ook een belemmering voor de ecologie. In de karak teristiek structuur/habitat is een achteruitgang te zien, terwijl duidelijke vooruitgangen zich niet aftekenen. Ondanks alle belemmeringen geeft de EBEO-totaalscore op de meeste locaties 'voldoende', wat overeenkomt met de Provinciale norm. In de tijd verandert de totaalscore vrij weinig.
4.1
Doel
slecht. Figuur 4.2 laat zien dat in de tijd de totaalscores weinig veranderen. In de karakteristieken achter de totaalscore is terug te zien waar geen problemen zijn, en waar de knelpunten zitten. Dit is weergegeven in figuur 4.3 en wordt hieronder toegelicht.
In het waterbeheerplan van Delfland voor de periode 2016-2021 zijn doelen voor de ecologie geformuleerd, waarvan de volgende relevant is in dit hoofdstuk: Ecologie Kaderrichtlijn water - In 2021 zijn inrichting, beheer en de waterkwaliteit in de KRW-waterlichamen en in overige delen van het watersysteem zodanig dat met een verwachte voortgaande natuurlijke ontwikkeling de KRW-doelen in 2027 worden gehaald. Voor de ecologische waterkwaliteit van heel Delfland is, al voordat de KRW in beeld kwam, op Provinciaal niveau de norm vastgesteld dat de totaal-score volgens de provinciale toetsing (EBEO-systemen) minimaal het niveau 'voldoende' moet behalen. Momenteel is, zolang er geen nieuwe doelen voor lokaal water vastgesteld zijn, deze norm nog vigerend voor lokaal water. Voor lokaal water is in het Waterbeheerplan 2016 2021 het ambitieniveau voor de waterkwaliteit in de overige wateren van Delfland voor 2021 vastgesteld: "In 2021 voldoet de waterkwaliteit in een deel van lokaal water aan de wensen van burgers, gemeenten en Delfland." Naast deze in beleid vastgelegde doelen is voor het uitvoeren van de taak van waterkwaliteitsbeheerder, een goed begrip van de werking van het eigen watersysteem van cruciaal belang. Het uitvoeren van een brede ecologische toetsing in het hele beheergebied, creëert een basis van waaruit dit begrip kan worden opgebouwd.
Dit hoofdstuk geeft, middels een diagnostische toetsing van de ecologische kwaliteit, inzicht in de knelpunten die een ecologisch gezond watersysteem in de weg staan.
4.2
De karakteristiek chemie geeft op basis van de chemische samenstelling van het water aan hoe gebiedseigen het water is, en of er problemen zijn die veroorzaakt worden door gebiedsvreemd water (er worden hier geen chemische paramaters getoetst aan normen, dat wordt behandeld in hoofdstukken 1, 2 en 3). Deze karakteristiek scoort vooral voldoende. Structuur en /habitat geeft aan of er voldoende leef gebied voor soorten is, in ruimte en variatie. Deze karakteristiek scoort vooral (zeer) slecht, wat wil zeggen dat er weinig ruimte is voor planten om tot ontwikkeling te komen. Er zijn weinig verschillende substraten voor andere organismen om tussen en op te leven. De saprobie beschrijft de zuurstofhuishouding en geeft daarmee aan of er voldoende zuurstof in het water beschikbaar is. Deze karakteristiek scoort voldoende tot slecht. Wanneer saprobie slecht scoort, komen bepaalde soorten die goed tegen zuurstofloosheid kunnen massaal voor. Soorten die juist profiteren van veel zuurstof, en dat zijn ook vaak soorten die worden geassocieerd met een goede waterkwaliteit, verdwijnen. De trofie geeft inzicht in de nutriëntenhuishouding (aanwezigheid van meststoffen). Deze karakteristiek scoort vooral slecht en deels voldoende.
Soorten die zich thuis voelen in voedselarmere wateren krijgen weinig kans tussen de dominant aanwezige soorten van voedselrijk water, waardoor de leefgemeenschappen meestal eentonig zijn. De karakteristiek toxiciteit scoort vrij goed, wat betekent dat op veel locaties weinig effecten van toxische stoffen op de levensgemeenschap waar genomen worden. Het brakkarakter geeft indicatie of er ongewenst verzilting plaats vindt. Deze karakteristiek scoort goed, wat betekent dat er weinig problemen met verzilting zijn. Het variant-eigen karakter geeft aan hoe gebiedseigen de vegetatie is, en daarmee welke mate van (menselijke) verstoring er plaats vindt. Deze karakteristiek scoort voornamelijk slecht. Dit betekent dat er weinig vegetatie aanwezig is die typisch is voor de omgeving en het bodemtype en dit geeft aan dat er veel verstoring is, zoals overmatig
Methode
Een meetnet van 274 meetpunten wordt gebruikt om de ecologische kwaliteit in Delfland met deze methode vast te stellen. Deze meetpunten liggen verspreid over het hele beheergebied, zowel in de KRW-waterlichamen, als in lokaal water. De ecologische kwaliteit is vastgesteld aan de hand van de methode van de EBEO-systemen van de STOWA (2006). Achtergronden met betrekking tot verschil lende toets-methoden wordt gegeven in kader 4.1.
4.3
Toestand
In het overgrote deel van de meetpunten wordt de Provinciale norm 'voldoende' behaald, zoals te zien in figuur 4.1. Een klein aantal meetpunten scoort goed of zeer goed, en een vergelijkbaar aantal scoort
24
maaibeheer. Het zijn veelal zeer algemene plantensoorten die relatief goed om kunnen gaan met die verstoring. Figuur 4.4 laat zien hoe de karakteristieken op alle meetpunten veranderd zijn vergeleken met ongeveer 12 jaar eerder (meetcyclus 2018, '19 en '20 vergeleken met 2005, '07 en '08). Vooral structuur/habitat laat een negatieve ontwikkeling zien, terwijl positieve ontwikkelingen niet uitgesproken zijn. In figuur 4.5 worden de scores op KRW-meetpunten per waterlichaam getoond, met een gemiddelde score over de laatste 3 jaar per karakteristiek. Informatie over de aanpassingen aan de waterlichamen is te vinden in hoofdstuk 5. Een belangrijke ecologische maatstaf die als knelpunt naar voren komt, is de bedekking met vegetatie in en om het water. Waterplanten vormen een zeer belangrijke leefomgeving voor dieren in het water. In figuur 4.6 en 4.7 is voor zowel de boven het water uitgroeiende planten (emers) als onderwaterplanten (submers) een grafiek gegeven van de bedekking in de afgelopen 20 jaar. De drijfbladvegetatie is niet meegenomen, omdat een dergelijke reeks niet gemaakt kan worden vanwege een aanpassing in de opname-methodiek tussentijds. De bedekking met vegetatie is vaak niet voldoende. Slechts in een klein aantal gevallen staat er wel vol doende, en in een toenemend aantal zelfs te veel
vegetatie waardoor het water overwoekerd raakt. Door de jaren heen er, bij zowel de submerse als emerse vegetatie wat schommeling in de score. Met name bij de emerse vegetatie is er in de laatste periode 18-20 een flinke toename in het aantal locaties dat goed scoort. Conclusie Concluderend naar de doelen van Delfland, geeft de toetsing aan, dat knelpunten in de ecologische waterkwaliteit vooral te vinden zijn in de structuur & habitat en ook het variant-eigen karakter. Dit vindt zijn weerslag vooral bij de waterplanten, maar heeft ook een effect op fytoplankton, macrofauna en vis. Vervolgens is de trofie (de hoge gehaltes aan stikstof en fosfaat) een aspect waar winst te behalen valt. De meststoffen hebben met name effect op het fytoplankton (algen) waardoor water vertroebelt en andere soortgroepen minder goed kunnen ontwikkelen. De saprobie (zuurstofhuishouding) kan ook verbeterd worden. Deze karakteristiek heeft vooral impact op de macrofauna en vis, maar ook op andere soortgroepen, want voor het meeste waterleven is zuurstof onmisbaar.