1.11b) toelichting (21-0092392)
Tekst van het document
49
beschouwd te worden of de toename aan verharding in dit gebied leidt tot verplichting tot watercompensatie. Op navolgende afbeeldingen staat weergegeven hoe het gebied in de toekomstige situatie verschilt van de voorgaande situatie. ^miwded Öocjoti
LiÙJrsd, ĺhhV1 Bontin
V^řhńrį
įţvljjna» ţŕoļin- fi&tìŕfïtìJttHŕd fchjdt
Dm** K'wťii
ü-JWO llţuBa SKIHÚ4S
Verharding bestaande situatie in het te ontpolderen gebied ŨĊ»JWTj^īb4Dd hjftw i*M ftw»m L iįigrŕ. ņndn BMWn Ver hart
fîijlíirjiAd
hW-jtat Schut ItaįţilnfTrr*.
lBrl2Ä» SftlHOfl-
Verharding toekomstige situatie in het te ontpolderen gebied De bij de verschillende in het plangebied aanwezige behorende oppervlaktes staan weergegeven in navolgende tabel.
50
Netto huidig
Netto toekomstig
Totaal Water
22.116 m2 0 m2
22.116 m2 2.181 m2
Verharding Bovenstrooms (westen)
8.159 m2
10.183 m2
Totaal Water Verharding
226.618 m2 11.154 m2 73.090 m2
226.618 m2 18.744 m2 93.012 m2
Benedenstrooms (oosten) Totaal
150.461 m2
150.461 m2
Water Verharding
7.955 m2 32.304 m2
16.653 m2 65.431 m2
Boezemdeel nieuw ontpolderen gebied)
(te
Met deze gegevens is de zogenaamde 'Watersleutel' van hoogheemraadschap van Delfland uitgevoerd. Deze rekentool kan op basis van gegevens over de oppervlakteverdeling aangeven hoeveel extra waterberging en oppervlaktewater er gerealiseerd moet worden. Uit de Watersleutel blijkt dat in het bovenstroomse deel 3.631 m3 aan extra waterberging of 7.471 m2 extra wateroppervlak en in het benedenstroomse deel 4.200 m3 aan extra waterberging of 8.642 m2 aan extra wateroppervlak gemaakt dient te worden. Het waterschap kent de eis dat er voldaan moet worden aan de hoeveelheid extra wateroppervlak of aan de extra waterberging. Voor het wateroppervlak geldt dat dit onderdeel moet zijn van het watersysteem van het waterschap om het als wateroppervlak mee te kunnen tellen. Omdat het uitloopgebied in wordt gericht als plasberm en meedoet in het watersysteem, mag dit bij het wateroppervlak gerekend worden. Het water wordt immers rondgepompt door het uitloopgebied, waardoor het permanent onder water staat. Ook het natte gedeelte van de natuurvriendelijke oevers wordt onderdeel van het watersysteem. Hiervoor is een gemiddelde strook van 1,5 m breed aangehouden. Per deelgebied komt de toename van het wateroppervlak uit op het volgende:
Water Uitloopgebied Natuurvriendelijke oevers Totaal
Boezem 1.992 m2 0 m2 189 m2
Bovenstrooms 1.684 m2
Benedenstrooms 0 m2
4.635 m2 1.381 m2
2.958 m2 843 m2
2.181 m2
7.590 m2
3.801 m2
In het boezemdeel komt de totale toename van het wateroppervlak uit op 1.992 m2 + 189 m2 = 2.181 m2. Daarmee wordt voldoende berging gerealiseerd om de ontpoldering mogelijk te maken. In het bovenstroomse gedeelte komt de totale toename van het wateroppervlak uit op 1.684 m2 + 4.635 m2 + 1.271 m2 z 7.590 m2. Daarmee wordt voldaan aan het vereiste extra wateroppervlak uit de Watersleutel. In het benedenstroomse gedeelte komt de totale toename van het wateroppervlak uit op 2.958 m2 + 843 m2 = 3.801 m2. Daarnaast wordt er binnen enkele woonbestemmingsvlekken nog extra water aangelegd dat ook meegenomen mag worden in deze berekening. De hoeveelheid water staat als percentage van de woonbestemmingsvlek weergegeven in het kaartenboek. Een voorbeeld hiervan is te zien op navolgende afbeelding.
51
31 B 4Ū9Í, im rļ-Xįv \ - ; 'y, ' G 1Û9Ċ \ļ*—ļ vLt idsJ
'
Voorbeeld woonbestemmingsvlek (bron: kaartenboek p.11) Het gaat daarbij om 4.897 m2 wateroppervlak. In totaal komt het extra wateroppervlak in het benedenstroomse gedeelte daarmee uit op 8.698 m2. Daarmee wordt ook voor het benedenstroomse gedeelte voldaan aan de uit de Watersleutel voortkomende vereiste compensatie. Ook van invloed op de waterkwantiteit en het peilbeheer is de situering van aflaat gemalen. Hoogheemraadschap van Delfland heeft de voorkeur uitgesproken een gemaal aan de noordzijde van het Westerhonk te realiseren. Vanwege de huidige ambities met betrekking tot de interne watercirculatie past deze aflaat niet binnen het watersysteem. De huidige plannen maken de eventuele verplaatsing van de aflaat echter niet onmogelijk, waardoor het gemaal mogelijk op een later moment in het systeem betrokken kan worden. Watersysteemkwaliteit en ecologie
In het kader van de herstructurering wordt er gestreefd naar het zoveel mogelijk benutten van kansen en voor het verbeteren van de watersysteemkwaliteit en de ecologie. Ten aanzien van de KRW maatregelen moet er rekening worden gehouden met de afspraken uit de Bestuursovereenkomst KRW Delfland en de afspraken die op dit moment gemaakt worden voor het Stroomgebiedbeheersplan 2015-2021. Het boezemsysteem van Delfland maakt onderdeel uit van de KRW waterlichamen. Delfland en gemeenten zijn in de KRW Delfland overeengekomen om de toestand van de waterlichamen te verbeteren. Onderdeel van deze overeenkomst is dat daar waar langs waterlichamen ruimtelijke mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de KRW-opgave, deze worden benut, en dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt onderzocht of een deel van de ruimtelijke KRW-opgave hieraan kan worden gekoppeld. In het Waterplan Westland is aangegeven dat als er ruimte is, er een natuurvriendelijke oever moet worden aangelegd. En als er geen ruimte is maar wel dynamiek, kansen worden benut. Daarnaast mogen ruimtelijke ontwikkelingen niet leiden tot een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van deze waterlichamen. Het gebied Het Westerhonk omvat 44 ha en kent drie verschillende peilgebieden. Peilgebied 1 boezempeil -0,43 m NAP, peilgebied 2 peilgebied van -0,93 m NAP en peilgebied 3 van -1,08 m NAP.
Door middel van een polderinlaat worden peilgebied 2 en 3 van boezemwater voorzien. De inlaat van boezemwater vindt plaats aan de westzijde van het terrein. Dit water loopt vervolgens via een stelsel van sloten, waterpartijen en een vijver naar de oostzijde van het terrein en gaat daarna onder de boezem door richting het polderwater ten oosten van het Westerhonk. Het boezemwater dat wordt ingelaten is met name gebiedsvreemd water van een mindere chemische en ecologische kwaliteit. Ook wordt er met het inlaten van het boezemwater bodem woelende vis ingelaten zoals brasem en karpers, die een negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit.
52
De bestaande watergangen zijn voorzien van harde kanten en er is weinig diepte, waardoor het water niet goed doorstroomt, is in de feitelijke situatie geconstateerd. Mede daardoor is de biodiversiteit in het water beperkt. In de toekomstige situatie wordt ingezet op een robuust, ecologisch waardevol watersysteem. Dit wordt gerealiseerd door zo min mogelijk boezemwater in te laten en regenwater zo lang mogelijk circulair vast te houden binnen peilgebied 2 en 3. Om er voor te zorgen dat het water uit het hogere peilgebied niet wegstroomt naar het lagere peilgebied is er tussen de peilgebieden in een nieuwe stuw aangelegd waarin een verstelbare plank, uitgevoerd als damwand, is verwerkt. Zo kan geregeld worden wanneer water doorgelaten wordt. Deze damwand is in december 2018 door het hoogheemraadschap vergund en is inmiddels gerealiseerd. Op navolgende afbeelding is een 3d model van de stuw weergegeven.
3d model damwand Door diverse aanpassingen aan het watersysteem en het graven van nieuw water kan de doorstroming worden verbeterd en neemt de ecologische kwaliteit van het watersysteem sterk toe. Dit heeft een positieve invloed op de biodiversiteit in het water en van de natuur eromheen. Op de navolgende kaart wordt globaal weergegeven waar de opgaven worden gerealiseerd.
53
Kaart watervlakken (bron: Buisman N&I) Toekomstige functies watervlak A t/m H (waarbij A t/m D ook als wateruitloopgebied fungeren): * locatie A uitloopgebied/helofytenfilter met als optionele meekoppelkans t.b.v. KRW/aangrenzend boezemwater een vispaaiplaats; * locatie B: (duin) uitloop- en infiltratiegebied met optionele waterbergende waterspeeltuin; * locaties C en D: vergroten wateroppervlak/uitloopgebied t.b.v. berging/natte natuur; * locaties F en G: verbreden bestaande watergang t.b.v. berging/ natte natuur (locatie F optionele waterbergende waterspeeltuin); * locatie H: verbinding peilgebied 3 t.b.v. interne watercirculatie. Het huidige watersysteem bestaat uit ondiepe vijvers en watergangen met beschoeiing, met nauwelijks watergebonden vegetatie en bodem woelende vissen als brasem en karperachtige (zie navolgende foto 1). Eind 2018 is op onderstaande locatie de bestaande watergang aangepast en omgevormd tot een natuurvriendelijke oever (zie navolgende foto's 2 en 3).
Fůtō 1
Fŕtį 3
Ftìtí 2
De ambitie is om ook daar waar mogelijk bij het aan te leggen water en bestaande watergangen natuurvriendelijke oevers te realiseren. Op navolgende afbeelding is een impressie van de beoogde situatie weergegeven.
3»
řV ' Impressie streefbeeld natuurvriendelijke oevers Uitloopgebieden Er worden aansluitend op enkele watergangen en -partijen uitloopgebieden aangelegd. Hiervoor wordt de bodem tot een diepte van 30 cm afgeplagd. De functie van de uitloopgebieden A C en D is naast het
54
zuiveren en bergen van water tevens vispaaigebied. De aanleg van plasberm uitloopgebieden in combinatie met de dubbelfunctie vispaaiplaats levert naar verwachting een kwaliteitsverbetering op ten aanzien van de KRW-doelstellingen. Hierbij kan het westelijke uitloopgebied door middel van kleine tijdelijke aanpassingen fungeren als paaiplaats voor de naastgelegen boezem en het oostelijke uitloopgebied als interne vispaaiplaats. Het eindbeeld van de overloopgebieden is een goed ontwikkelde riet- en biezenoever van minimaal 3-5 m breed. Ze bestaat uit een combinatie van gedeeltelijk overjarig- en jong riet en biezen. Door de relatief lage maaifrequentie groeien hier ook andere soorten in zoals dotterbloem, waterzuring, watermunt en moerasspirea. Belangrijk voor kleine karekiet en rietzanger. Als riet toegankelijk is voor vis, is het riet ook paai- en opgroeigebied voor onder bittervoorn, kleine modderkruiper, rietvoorn en snoek. Navolgende afbeelding geeft een impressie van een plasberm en vispaaiplaats. De uitloopgebieden worden conform dit principe aangelegd.
tn steeklijn
insteekliĵñ
waterlijn
K—X plas berm
talud
talud droog
talud nat
pias berm
waterbodem
tetud
talud nat
talud droog
Vanuit de Wateropgave is de primaire functie van de wateruitloop gebieden en plasbermen het binnen de aquatische zone (het terras) borgen van de bergingscapaciteit (zie kaart watervlakken: zone C). De secundaire functie is het ontwikkelen van waternatuur (o.a. het natuurdoeltype "Waterrijk riet- en biezenmoeras") zuiveren van het interne watersysteem en functionele vispaaiplaats, waarbij de aan- en afvoer van het water naar de uitloopgebieden en plasbermen gegarandeerd moet zijn en de bergingscapaciteit door de secundaire functies niet mag worden verminderd. Om ervoor te zorgen dat er geen stilstaand water in het overloopgebied is en dat het water door de aanwezige waterplanten gezuiverd kan worden, wordt er een pomp geïnstalleerd in de aan het uitloopgebied grenzende watergang. Dit is een pomp dat werkt op zonne-energie (zie navolgende foto's van het testmodel/gebruikte materialen).
55
Impressie pomp Zodra de zon op het zonnepaneel schijnt zal het pomp vanuit de watergang ca. 3.000 liter water per uur (1,2 liter per seconde) naar het verste punt in het overloopgebied pompen. Het opgepompte water zal dan vanzelf weer via het overloopgebied naar de aangrenzende watergang terugstromen. Onderhoud en bagger
Delfland baggert per schouwvak. Het schouwvakkensysteem heeft een doorlooptijd van 8 jaar. Dit houdt in dat elk schouwvak eens in de 8 jaar, indien nodig, gebaggerd wordt. Het watersysteem (conform de legger) wordt binnen het Westerhonk ook meegenomen in de gebruikelijke baggercyclus (zie navolgende doorsnede: zone B). Baggeren vindt vanuit de onderhoudsstrook plaats vanaf de kant d.m.v. een mobiele kraan (zie navolgende doorsnede: zone A). De schone bagger wordt niet conform Delflands Algemene Keur, artikel 85b landinwaarts, minimaal 0,5 m achter de insteek gedeponeerd. Met het oog op behouden en bevorderen van de biodiversiteit wordt de bagger intern binnen een tijdelijk depot gerijpt en in eigenbeheer hergebruikt.
Doorsnede uitloopgebieden en plasbermen Naast het borgen van de bergingscapaciteit binnen de uitloopgebieden en plasbermen is ook voor natuurvriendelijk onderhoud baggeren noodzakelijk. Dit om de aquatische zone op het op het terras op de vastgestelde minimale diepte van 40 cm (en voedselarm) te houden. Uiteraard wordt er alleen gebaggerd als dat echt noodzakelijk is, eens per 3-8 jaar. Indien mogelijk zal er gefaseerd worden gewerkt, zodat er in de uitloopgebieden en plasbermen altijd ongestoorde delen aanwezig zijn. Baggeren van de uitloopgebieden en plasbermen vindt plaats vanaf de kant d.m.v. een mobiele kraan met graaf- en of knijpbak. De onderhoudsstrook langs de uitloopgebieden en plasbermen zal minimaal 4 meter breed zijn (zie doorsnede: zone A1). De vrijgekomen bagger wordt, inclusief de aanwezige vegetatie intern gecomposteerd en hergebruikt. Bij de aanleg van de overloopgebieden en de plasberm worden deze afgeplagd op peil 0. Om de gebieden ook op maximum peil 0 te houden wordt onderhoud gepleegd. De biezen worden onderhouden door maximaal een keer per twee jaar te maaien. Vaker is niet nodig, want dan verdwijnen den biezen. Het beste tijdstip om te maaien/schonen is laat in het jaar. In september/november maaien leidt tot een soortenrijkere vegetatie (die nog wel erosiebestendig is).
Het maaien kan gebeuren met een mobiele kraan met maaikorf (aangepast materiaal om oevers niet te beschadigen, de kraan heeft dubbele banden). Het uitkrabben van de rietoever (eens per 10 jaar) gebeurd met eenzelfde kraan.
56
Bodem en grondwater
Bij de bouw van nieuwe gebouwen wordt rekening gehouden met het bouwpeil en het grondwaterpeil. Zo wordt er bij de nieuwbouw goed gekeken wat het peil ter plaatse is en wordt de grond eventueel opgehoogd. Omdat dit locatie specifiek beschouwd dient te worden kunnen de maatregelen in voorliggend bestemmingsplan nog niet geconcretiseerd worden. Hier zal in de uitvoering richting aan gegeven worden. Verder worden er geen ondergrondse werken die van invloed kunnen zijn op het grondwaterpeil gerealiseerd. Afvalwater en riolering
De bestaande woningen zijn aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel ter plaatse en ook de nieuwbouw wordt aangesloten op het rioleringsstelsel. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Voor de afvoer van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals het ophogen van gronden, een hoger bouwpeil van woningen, open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of water vasthouden op particulier terrein, bijvoorbeeld door middel van de aanleg van wadi's, (slimme)regenton, groene daken, het afkoppelen van hemelwaterafvoer, en dergelijke. Bij de uitvoer van de nieuwbouw worden voornoemde maatregelen in beschouwing genomen. 3.7.3
Conclusie
Met de herontwikkeling van Westerhonk worden verschillende ingrepen aan het watersysteem beoogd die de kwaliteit van het watersysteem verbeteren. Ook wordt ervoor gezorgd dat de waterbalans in overeenstemming is met het beleid van Hoogheemraadschap Delfland (Watersleutel). Daarnaast worden er kaders gesteld waarmee bij de uitvoer van de nieuwbouw rekening moet worden gehouden. Geconcludeerd kan worden dat de herontwikkeling van Het Westerhonk uitvoerbaar is wat betreft het aspect water.
3.8
Bodem
3.8.1
Wettelijk kader
Wet bodembescherming
De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. 3.8.2
Onderzoek
Op 4 juni 2019 is door Grondslag bodemkwalitietsbureau een onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. Het onderzoek heeft tot doel na te gaan in hoeverre activiteiten in het verleden mogelijk ter plaatse
57
verontreiniging van grond en/of grondwater kunnen hebben veroorzaakt. Hierbij is een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Daarnaast heeft het onderzoek als doel inzicht te verkrijgen in de te verwachtte algemene milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Ter plaatse van de locatie zijn voor zover bekend zichtbaar aan het maaiveld geen (puin) verhardingslagen in het verleden aangebracht. Op basis van het historische en huidige gebruik van de locatie kunnen op het perceel geen voor bodemverontreiniging verdachte (deel)locaties worden aangewezen. Op de locatie hebben in het verleden enkele potentiële bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden. Deze historische bedrijfsactiviteiten worden beschouwd als niet asbestverdacht. Op basis van voorgaande bodemonderzoeken kunnen op de locatie hooguit licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, mineralen oliën en EOX (diverse vluchtige en niet vluchtige stoffen) in de bodem (grond en grondwater) worden verwacht. Aanbevelingen De algemene milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is afdoende bekend. Echter dient te worden opgemerkt dat de voorgaande bodemonderzoeken verouderd zijn en deze mogelijk geactualiseerd dienen te worden.
Het is van belang dat op de locatie waar herontwikkeling (en met name bij nieuwbouwlocaties van woningen, scholen en andere verblijfsruimten) plaatsvindt de bestaande bodemonderzoeken dienen te worden geactualiseerd. Ter plaatse van voorziene ontgravingen (bijvoorbeeld waterpartijen) voldoen de bodemonderzoeken in het kader van hergebruik van de vrijkomende grond vermoedelijk niet meer. Het is aan te bevelen om voorafgaand aan deze ontgravingswerkzaamheden de kwaliteit van de grond opnieuw te onderzoeken en te beoordelen conform Besluit Bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt om grond die eventueel tijdens de bouw vrijkomt her te gebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond naar verwachting licht verontreinigd is en conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit moet worden onderzocht ten behoeve van de afvoer. Bij een hergebruik binnen de regio kan eventueel onder voorwaarde grondverzet plaatsvinden op basis van de Bodemkwaliteitskaart. In dat geval geldt een vrijstellingsregeling voor een keuring van de grond. De kwaliteit van het asfalt is bekend en zal niet zijn gewijzigd ten opzichte van voorgaande bodemonderzoeken. Mogelijk zijn echter de acceptatienormen gewijzigd.
Het is aan te bevelen om voorafgaand aan de verwijdering van het asfalt in overleg te treden met de acceptant van het vrijkomende asfalt. De puinverhardingslagen op de locatie zijn enkel visueel beoordeeld op het voorkomen van asbest. Het is derhalve aan te bevelen om de puinverharding ter plaatse van de herontwikkeling nader te onderzoeken conform NEN 5898, asbestonderzoek in puin. 3.8.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
3.9
Ecologie
3.9.1
Wettelijk kader
Natuurnetwerk Nederland
Op basis van het nieuwe rijksbeleid zoals opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), heeft de provincie Zuid-Holland in december 2013 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) herijkt. De EHS is een
58
samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Bij de herijkte EHS is de prioriteit komen te liggen bij het bereiken van de doelen van de Natura-2000-gebieden en de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor wat betreft het beleidsveld Natuur richt de provincie zich niet alleen op de kwantitatieve prestaties (output: hoeveel hectare verworven en ingericht, hoeveel beheerplannen Natura 2000 vastgesteld) maar vooral ook op de effecten (outcome: de natuurkwaliteit, hoe ontwikkelt de Zuid-Hollandse biodiversiteit zich). Het voorgaande is breder dan de reikwijdte van het NNN omdat er door de provincie van uitgegaan wordt dat de bijdrage aan de biodiversiteit ook buiten de begrenzing van het NNN plaatsvindt, bijvoorbeeld het leveren van een bijdrage aan de biodiversiteit door recreatiegebieden en het agrarisch gebied. Wet natuurbescherming
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. De Wnb is het nieuwe wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie tot dan bestaande wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Het beschermingsregime gaat uit van het "nee, tenzij-principe". Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Zuid-Holland is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan bedreigd worden. De Wnb kent drie beschermingsregimes: * * «
Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn; Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen zijn samengevat in onderstaande tabel. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van provincie Zuid-Holland kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10. van de Wnb.
59
Verbod shepalmg
vogels vu
Dienen Hm Planter Hrv BonrVBern
BornVBsm
Dienen
Planten
fjiįļiwaan fnalionaan
Dieren of planten: 3 tC t a
Doden of vangen storen/verstoren
3.T.4 ((jĖľlľJij
3 1 5)
3 10 l.t
Plukken. verzamelen, afsnijden. onlworteien
oí vernielen Ond er zich heb Ijen of vervoeren Plaatsen: vernieler. Ijeschadgen of wegnemen resten Beschadigen of vernielen
3 10 1 b
■vodlpijnlingsplanlsen
ĮvaslĚ vp)
Beschadigen of vernielen ruslp aatsen
3.10.1 ,c
u-asre rpi Eieren
vernielen (oT-vn- beschadigenj Papen Onder ach heb ;en TaeKChOiQO Codes vowyzen naar wetsartikelen Wet natuurtjes charming
Orane
veriiodsbepalmg geldt alleen wanneer sprake is van opzei verbodsbepaling geld' in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is
Tabel verbodsbepalingen soortenbescherming onder de jįùlÈ
Vrijstellingen
In de Wnb is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie "Nationale soorten", zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Zuid-Holland heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten "vrij te stellen" van de ontheffing/vergunningsplicht (Provincie Zuid-Holland, 2016). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet m eegenomen in deze toets ing. Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11. Wnb) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten: 1. 2. 3.
Achterwege gelaten worden, of Noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of Deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt
Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wnb geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden. 3.9.2
Onderzoek
Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: glad biggenkruid en kleine wolfsmelk. Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde
60
planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Mogelijke sloop van bebouwing of verwijderen van groenstructuren leidt aannemelijk niet tot de aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. De beschermde glad biggenkruid groeit op zonnige, warme en open plaatsen. Het voorkomen van de soort is bekend ten noordwesten van het plangebied, in het duingebied aan de kust. Binnen het plangebied is de soort aannemelijk niet aanwezig. Kleine wolfsmelk is ook bekend als pioniersvegetatie. Derhalve wordt het voorkomen in de huidige vorm op het plangebied ook niet verwacht. Indien gedurende de ontwikkelingen het plangebied voor langere tijd braak komt te liggen, wordt de kans groter dat beide soorten zich binnen het plangebied kunnen vestigen. Ter zijne tijd dienen er dan maatregelen getroffen te worden. Het risico dat beschermde flora mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn.
In de omgeving is de aanwezigheid van beschermde soorten vastgesteld: bosmuis, bruine rat, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF, 2009-2019). Voor de eekhoorn geldt dat deze beschermd is en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Eekhoorn Eekhoorns leven in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Er is 1 waarneming bekend in de omgeving, circa 1,2 km ten noordoosten van het plangebied aan de overzijde van de Monsterseweg. Hier is ruim voldoende functioneel leefgebied aanwezig in de vorm van aaneengesloten gemengd bos. Gelet op de inrichting van de directe omgeving en de potentie voor eekhoorn is het aannemelijk dat onderdelen van de planlocatie een lage potentie heeft voor de soort gedurende het foerageren, migreren en sociale interactie. Binnen het plangebied zijn geschikte groenelementen aanwezig, maar er is ook sprake van een relatief hoge mate van verstoring en er zijn wegens het landgebruik in de omgeving weinig tot geen geschikte migratieroutes. Derhalve is de kans klein dat binnen het plangebied een duurzame populatie eekhoorns aanwezig is. Eventuele grootschalige kap leidt mogelijk tot afname van geschikt leefgebied of aantasting van nestlocaties van de eekhoorn.
Om in te kunnen schatten wat de functie van het plangebied heeft voor eekhoorns kan een gerichte nestinventarisatie uitgevoerd worden. Een geschikt inventarisatiemoment voor nestbomen rode eekhoorn is midden in de winter, waarbij de kroon van de bomen goed valt te inventariseren. Bij het vinden van eventuele nestbomen van eekhoorn dient mogelijk ontheffing aangevraagd te worden indien er effecten op de eekhoorn te verwachten zijn. Het risico dat de eekhoorn mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag. De planlocatie heeft naast de strikter beschermde soorten zeer waarschijnlijk een functie voor een breed scala aan algemene soorten. Dit betreft met name soorten als egel, gewone bosmuis, haas, konijn, veldmuis en vos. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat, bij beperkte ontwikkelingen, in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocumenten Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Ruige dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige
61
dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als habitatrichtlijnsoorten beschermd. Van de vleermuizen die voorkomen in de omgeving van het plangebied komen zowel gebouw- als boombewonende soorten voor. Gebouwbewonende vleermuizen In de bebouwing op de planlocatie is het mogelijk dat er eventuele openingen aanwezig zijn als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Bij het ontbreken van geïsoleerde muren met spouw of een afgesloten ruimte in het dak is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Zo'n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Binnen het plangebied is in twee gebouwen al bekende verblijfplaatsen van vleermuizen bekend (figuur 3). In 2018 is een vleermuisonderzoek uitgevoerd door adviesbureau E.C.O. Logisch (Bouma, 2018). De aangetroffen verblijfplaatsen betreffen kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen.
Naast deze bekende gebouwen is het niet geheel duidelijk of álle bebouwing reeds geïnventariseerd is op de potentie en/of de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen. Door Blom Ecologie B.V. is in 2018 een oriënterende onderzoek flora en fauna uitgevoerd, waarbij voor verschillende gebouwen potentie voor gebouwbewonende vleermuizen is vastgesteld (Soethout, 2018; tabel 1). Ten aanzien Vijverweg 1 t/m 9 wordt gedurende het veldseizoen 2019 vleermuisonderzoek uitgevoerd.
Groenend aal 25
Potentie*' onwaarschijnlijk
Vijverweg 1 t/m 9
ja
Tuinlaan 3-5
onwaarschijnlijk
Tuinlaan 15-17-19
ja
Bosweg 1 t/m 15
ja
Beschrijving Open stootvoegen (niet op hoogte), opening dilatatievoeg Open stootvoegen op hoogte, kantpannen toegankelijk, openingen loodslabben, vleermuiskasten, bomen met holten Open ventilatiegaten onder trespaplaten, geen stootvoegen, daktrim toegankelijk, holte in bomen aanwezig Open stootvoegen op hoogte, kierende daktrim Open stootvoegen op hoogte, openingen daktrim, ontbrekende specie voegen, bomen met holten
Overtreding** onwaarschijnlijk mogelijk
onwaarschijnlijk
mogelijk mogelijk
* Potentie: geen - onwaarschijnlijk — mogelijk - ja ** Overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de. Wet natuurbescherming
Het risico dat gebouwbewonende vleermuizen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is hoog. Boombewonende vleermuizen Het plangebied wordt gekarakteriseerd als een beboste omgeving. In de wat oudere, hogere en bredere bomen kunnen boomholten aanwezig zijn die potentie hebben tot vaste rust- en/of verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Een geschikte boomholte voor een verblijfplaats is naar boven toe ingerot, waardoor de vleermuizen aan de bovenzijde van de holte veilig en droog zitten. Inrotting naar beneden toe is niet geschikt, aangezien er aan de onderzijde nog sprake is van inregenen. Bij het kappen van bomen dient te worden vastgesteld of er bomen met holten aanwezig zijn en of deze
62
boomholten geschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Mocht dit niet uitgesloten kunnen worden dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden, middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode mei - oktober, om vast te stellen welke functie de bomen voor vleermuizen hebben. Het risico dat boombewonende vleermuizen mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is hoog. Foerageergebied en vliegroute Tussen de bebossing, langs bomenlanen, boven open gebieden en in de luwte van de gebouwen kunnen migratie en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens mogelijke sloop-, kap- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.
Tijdens mogelijke ontwikkelingen dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Mocht er sprake zijn van kapwerkzaamheden die essentiële foerageergebieden en/of vliegroutes beschadigen, dient hier ook aanvullend onderzoek naar uitgevoerd te worden. Het risico dat foerageergebieden en/of vliegroutes mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van boomkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en rugstreeppad (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF 2009-2019). Voor boomkikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Het is zeer aannemelijk dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Boomkikker De boomkikker is waargenomen in het duingebied ten westen van de Haagweg.
Op en nabij het plangebied bevindt zich oppervlaktewater. Voor de boomkikker is het van belang dat binnen een straal van circa 300 m de combinatie van potentieel voortplantingswater en overwinteringslocaties aanwezig zijn. Tussen deze essentiële habitatonderdelen dienen er gunstige migratieroutes aanwezig te zijn. Wegens de drukke Haagweg worden goede migratieroutes niet verwacht. Stedelijke- en hoogveengebieden worden gemeden. De boomkikker heeft een voorkeur voor braamstruwelen, aangezien de soort goed op kan warmen op de grote bladeren en de stekels een belemmering vormen voor mogelijke predatoren. Mochten er nabij geschikt oppervlaktewater goede braamstruwelen staan, is het mogelijk dat boomkikkers voorkomen binnen het plangebied. Hier dient rekening mee gehouden te worden bij het verwijderen van de groenstructuren. Het risico dat boomkikker mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is laag. Rugstreeppad De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009).
Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte
63
overwinteringslocaties. Desalniettemin kan de rugstreeppad opduiken wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graaf- en bouwwerkzaamheden (bijlage 2). Er is een waarneming van een rugstreeppad minder dan 3 jaar geleden binnen 1 km afstand. Hiermee bestaat er een reële kans dat kolonisatie door rugstreeppadden op kan treden. Om alle mogelijke effecten ten aanzien van de soort te voorkomen dienen er maatregelen getroffen te worden om vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie te voorkomen. Dergelijke maatregelen betreffen het tegengaan van het ontstaan van geschikt voortplantingswater (regenwaterplassen) en het voorkomen van vergraafbaar zand en langdurige materiaalopslag binnen het plangebied. Daarnaast kan door het plaatsen van schermen het plangebied ontoegankelijk gemaakt worden (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad 2017). Het risico dat rugstreeppad mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is matig. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Reptielen leven over het algemeen in weinig verstoorde gebieden waar aanwezigheid van ruigtevegetatie, water en geschikte overwinteringslocaties van belang is. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van zandhagedis (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF 2009-2019).
Voor deze soort geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Zandhagedis Zandhagedissen leven in zandige, droge en open terreinen als heide en duinen (BIJ12 kennisdocument Zandhagedis, 2017). De aanwezigheid van zonnige open plekken en zand waar eieren in afgezet kunnen worden is van groot belang. Zandhagedissen overwinteren in (muizen)holletjes in de periode september - april. Het dieet bestaat hoofdzakelijk uit insecten, spinnen en andere ongewervelden. Binnen het plangebied is geen functioneel leefgebied van zandhagedissen aanwezig. Het voorkomen van de soort op de planlocatie wordt uitgesloten. Het risico dat zandhagedis mogelijk belemmeringen vormt voor ontwikkelingen is uitgesloten. Vissen In het plangebied bevindt zich oppervlaktewater. Het is momenteel onduidelijk of er watergangen worden gedempt of er overige werkzaamheden aan het water beoogd zijn. Daarnaast is het voorkomen van beschermde vissen in de omgeving van het plangebied niet bekend. Effecten op (beschermde) vissen worden niet verwacht. Het risico dat beschermde vissen mogelijk belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is, afhankelijk van de ingreep, laag.
Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. In de nabije omgeving is voorkomen bekend van grote vos en gevlekte witsnuitlibel. De grote vos is een zwervende dagvlinder die gebonden is aan (hoge) houtige vegetatie in een bosrijke omgeving. Exemplaren die worden aangetroffen zijn aannemelijk zwervers uit het buitenland of onregelmatige populaties (Vlinderstichting grote vos, 2019). De verwachting is dat de grote vos als standvlinder al is uitgestorven in Nederland, hoewel deze het afgelopen jaar vaker wordt waargenomen. De gevlekte witsnuitlibel komt voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen (Vlinderstichting gevlekte witsnuitlibel, 2019). Hier leven de larven tussen de waterplanten in de verlandingszone. Binnen het plangebied zijn deze habitatstructuren afwezig en wordt het voorkomen van de soort derhalve uitgesloten. Het risico dat beschermde insecten, libellen en andere ongewervelden mogelijk belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is laag.
64
Vogels De planlocatie biedt een variatie aan nestlocaties voor een breed scala aan algemene soorten, in zowel vegetatie als bebouwing. Binnen de streng beschermde Vogelrichtlijnsoorten wordt onderscheid gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) en vogels waar de nesten alleen jaarrond beschermd zijn wanneer er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen (cat. 5). Daarnaast zijn alle broedgevallen van Nederlandse vogels beschermd gedurende de periode dat de jongen aan het nest gebonden zijn. Binnen het plangebied zijn jaarrond beschermde nesten bekend (zie figuur 6) en is een ruime hoeveelheid aan groenstructuren aanwezig. Het risico dat vogels met jaarrond beschermde nesten mogelijk belemmeringen vormen voor ontwikkelingen is hoog.
,v;ì
Figuur 6
Bekende risico's vogels (NDFF 2009-2019). Data niet openbaar maken. 1.
Broedkolonie aalscholvers (algemene broedvogel);
2.
Nest boomvalk (jaarrond beschermd);
3.
Nest havik (jaarrond beschermd);
4.
Waarnemingen huismus (jaarrond beschermd);
5.
Broedende ooievaar (jaarrond beschermd);
6.
Nest ransuil (jaarrond beschermd);
7.
Slaapplaats ransuil (jaarrond beschermd);
8.
Waarneming nestindicatie sperwer (jaarrond beschermd).
Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4)
Nesten in bomen Het plangebied biedt met de bebossing potentiële nestlocaties voor vogels met jaarrond beschermde nesten die in bomen broeden. Soorten met de hoogste potentie, gezien de aanwezige habitatonderdelen, verspreiding en waarnemingen, zijn: boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer. Op het perceel staan op veel locaties bomen die mogelijk geschikt zijn voor de voorgenoemde soorten. Deze nesten kunnen aanwezig zijn nabij bosranden, in solitaire bomen en in dichte bebossing. Van enkele soorten met jaarrond beschermde nesten zijn zelfs nestlocaties bekend (figuur 5). Bij eventuele kap van bomen dient allereerst geïnventariseerd te worden of er nesten van vogels aanwezig zijn met een jaarrond beschermd nest. Het inventariseren van deze nesten kan het beste gebeuren in de winter,
65
wanneer de bomen kaal zijn en de boomtoppen goed te overzien zijn. Bij het aantreffen van mogelijke horsten van roofvogels of uilen dienen deze gemonitord te worden gedurende het respectievelijke broedseizoen van de soort om de aanwezigheid van daadwerkelijke broedgevallen vast te stellen. Nesten in/nabij gebouwen Huismus Huismussen nestelen hoofdzakelijk onder pannendaken met dakgoot. Sporadisch is de soort ook onder golfplaten daken te vinden. In de directe omgeving van het nest dienen jaarrond groene heggen aanwezig te zijn, alsmede zand, grind, badwater en voldoende foerageergebied (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Geschikte ruimtes voor nestlocaties zijn onder daken met dakpannen. Ongeschikte daken betreffen met name platte daken of daken zonder dakbeschot. Het voorkomen van nestlocaties van huismus in deze bebouwing kan uitgesloten worden. Bij sloop of werkzaamheden van de gebouwen waar huismussen niet uitgesloten kunnen worden, kunnen er negatieve effecten op huismussen ontstaan. Er zijn al enkele waarnemingen van huismussen bekend binnen het plangebied (figuur 5). Aannemelijk zijn in de nabije omgeving (M00 m) nesten van de soort aanwezig in de bebouwing. Bij het aantasten van essentiële onderdelen van het functioneel leefgebied van huismussen, o.a. jaarrond groene heggen, kan er ook sprake zijn van overtreding Wet natuurbescherming.
In deze situaties kan het nodig zijn om aanvullend onderzoek uit te voeren naar huismussen middels 2 gerichte veldbezoeken in de periode april - mei. Daarnaast is het mogelijk om middels een inspectie naar nestlocaties buiten het broedseizoen nesten te inventariseren. Gedurende het broedseizoen 2019 wordt door Blom Ecologie B.V. aan de Vijverweg 1 t/m 9 al gericht onderzoek naar huismussen en gierzwaluwen gedaan. Gierzwaluw De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. De ligging van het plangebied is aannemelijk ongeschikt voor gierzwaluwen, aangezien deze over het algemeen meer gebonden zijn aan dichte concentraties van bebouwing. Het voorkomen van de soort wordt niet verwacht, maar kan niet geheel uitgesloten worden. Gedurende het broedseizoen 2019 wordt door Blom Ecologie B.V. aan de Vijverweg 1 t/m 9 al gericht onderzoek naar huismussen en gierzwaluwen gedaan. Ooievaar Binnen het plangebied is een bekend broedgeval van de ooievaar bekend (https://www.wos.nl/broedend-ooievaarspaar-op-het-westerhonk-in-monster/nieuws/item71126614). Daarnaast zijn er nog twee ongebruikte nesten aanwezig.
Er is één ooievaarspaal en er zijn twee nesten gebouwd op afgezaagde populieren. Voor de ooievaar is het van belang dat de nestlocaties behouden en functioneel blijven en dat er voldoende foerageergebied in de omgeving aanwezig blijft. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in b ijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in ruim voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en/of de Strategische reservering natuur.
Op een afstand van 200 m ligt het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen (figuur 7). De planlocatie ligt op een afstand van circa 50 m ten zuiden van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 8). De planlocatie maakt
66
geen onderdeel van een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur (figuur 9). Momenteel is het nog onduidelijk wat de exacte beoogde ontwikkelingen zijn. Derhalve is het ook moeilijk om in te schatten wat de effecten op omliggende natuurgebieden is, waarvan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op 200 m afstand ligt. Mogelijke sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). Bij de realisatie van nieuwbouw op de plaats van oude bebouwing is over het algemeen sprake van een relatief lage(re) uitstoot door hogere isolatiewaarden. Dit is afhankelijk van het type en de hoeveelheid bebouwing dat verdwijnt of wordt gerealiseerd. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. De drempelwaarde stikstofdepositie voor negatieve effecten ten opzichte van kwetsbare natuurgebieden is 0,05 mol/hectare. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat, gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, er afhankelijk van de beoogde ingreep mogelijk effecten kunnen optreden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing kan door bevoegd gezag het wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) b) c) d) e) f) g) h)
houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; houtopstanden op erven of in tuinen; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Momenteel is het nog niet bekend of en in welke mate er kapwerkzaamheden op het plangebied plaats zullen hebben. Mochten er kapwerkzaamheden op de planlocatie plaatshebben, is het mogelijk dat deze melding- en/of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
67
3.9.3
Conclusie
Afhankelijk van de beoogde werkzaamheden leiden deze mogelijk tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan kapwerkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te kappen bomen een relevante functie heeft voor eekhoorn, boombewonende vleermuizen, essentieel foerageergebied/vliegroute voor vleermuizen en/of vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Voorafgaand aan sloopwerkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor beschermde vleermuizen en/of huismussen. Bij het verwijderen van ooievaarsnesten dient een ontheffing te worden aangevraagd. Voorafgaand aan grootschalige bouwprojecten dient middels inventarisaties en aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of het plangebied een relevante functie heeft voor vleermuizen en/of vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels en de kolonisatie van rugstreeppadden. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art.
3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
3.10 Cultuurhistorische aspecten 3.10.1
Wettelijk kader
In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Sinds 2016 is deze wet vervangen door de Erfgoedwet. Door middel van het overgangsrecht blijven enkele bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeentes in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Conform de Erfgoedwet beschermt de gemeente Westland het archeologisch erfgoed middels het bestemmingsplan.
Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeentes bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente Westland beschikt sinds 2012 over een vastgestelde archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. Bekende en verwachte archeologisch waardevolle gebieden krijgen in het bestemmingsplan een archeologische (mede)bestemming met daarbij horende vrijstellingsgrenzen. Binnen deze zones dienen bodemverstorende ingrepen zoveel mogelijk te worden beperkt. Bodemverstorende werkzaamheden die de aan de bestemmingszones gekoppelde vrijstellingsgrenzen overschrijden, worden gebonden aan het vergunningenstelsel. Zodoende kan het belang van het archeologisch erfgoed worden meegewogen bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Dit kan ertoe leiden dat er eisen worden gesteld
68
aan de uitvoering van de werkzaamheden, of dat de voorgenomen ingreep alleen na archeologisch onderzoek wordt toegestaan. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. 3.10.2
Onderzoek
Bestaande situatie Vanuit de landelijke wetgeving geldt dat ingrepen tot een oppervlakte van 100m2 op voorhand worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Op basis van dezelfde wetgeving mogen gemeentes echter, mits goed onderbouwd, naar boven en naar beneden afwijken van deze grens. De gemeente Westland maakt van deze mogelijkheid tot afwijken gebruik. Daartoe heeft zij in 2012 een archeologische beleidskaart vastgesteld voor het gemeentelijk grondgebied. Op die kaart beslaat het huidige plangebied verschillende verwachtingszones, variërend van verwachtingszone I tot III. De verschillende verwachtingszones kennen verschillende daaraan gekoppelde vrijstellingsgrenzen. Ten behoeve van het onderhavig bestemmingsplan is gekeken in hoeverre het beeld van de gemeentelijke beleidskaart nog actueel is. Achtergrond Uit de ruimtelijke verspreiding van bekende archeologische vindplaatsen, in combinatie met de bekende gegevens over de geologische ontwikkeling van Westland, blijkt dat men door de eeuwen heen zoveel mogelijk woonde in de droge gebieden, zoals hoger gelegen zones in het landschap. Vanwege toenemend menselijk ingrijpen in het landschap werd men vanaf de Late Middeleeuwen minder sterk afhankelijk van het natuurlijke landschap en richtte het bewoningspatroon zich meer naar de nieuw ontstane infrastructuur.
De ligging in het duinengebied nabij het strand hebben geresulteerd in uiteenlopende bewoonbare gebieden binnen het huidige plangebied. Er is sprake van een gestapeld landschap, waarin archeologische resten in de ondergrond op verschillende niveaus (en dus verschillende dieptes) voor kunnen komen. Deze niveaus zijn gekoppeld aan de diepteligging van bepaalde geologische afzettingen. Onder invloed van zee en verstuiving is vanaf ongeveer 5000 jaar geleden een bewoonbaar strandwalen duinenlandschap ontstaan. In de omgeving van het plangebied zijn op deze duinen vindplaatsen uit de IJzertijd aangetroffen. Ook tijdens de Bronstijd en het Neolithicum vond mogelijk bewoning plaats op deze duinen, waarvan nog vindplaatsen aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied. Aanwijzingen voor dergelijke bewoning is aangetoond in het nabijgelegen Monsterse Geestje. Door vernatting van het landschap trad grootschalige veengroei op. In eerste instantie bevond deze veengroei zich in de lager gelegen delen van het strandwallenlandschap, later zullen ook de hoger gelegen delen afgedekt zijn met veen. Op de flanken van deze strandwallen en in het veen zijn in de omgeving resten en sporen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen aangetroffen. Het veen was bewoonbaar doordat aanwezige getijdengeulen het veenlandschap ontwaterden. Vanaf circa 1500 v.
Chr vinden er verschillende fases van mariene invloed plaats. De getijdegeulen die hierdoor ontstaan, zorgen in eerste instantie voor ontwatering van het veenlandschap. Het veen klinkt vervolgens in en vanuit de getijdegeulen wordt het land grotendeels bedekt met klei vanuit het krekenstelsel dat ontstaan is. De oeverwallen en kreekruggen die ontstaan vormen op hun beurt weer hoger gelegen delen in het landschap. Dergelijke fasen van grotere mariene invloed komen ook nog voor vanaf circa 300 v. Chr tot het jaar 0. Een derde fase van overstromingen vindt plaatst in de 11e - 13e eeuw. Na dichtslibbing van de kreeksystemen treedt telkens vernatting op waardoor er weer ruimte is voor veengroei. Tegelijkertijd zorgt het verstuivingsproces van nabijgelegen duinen voor de vorming van verschillende stuiflagen in het plangebied. Tot in de Middeleeuwen zijn in de omgeving resten van bewoning aangetroffen (o.a. de Merovingische woonplaats op Molenslag, vondsten uit verschillende perioden in het Monsterse Geestje, Kasteel Polanen (13e eeuw). Op basis van historische kaarten is duidelijk dat er in het plangebied zelf op ten
69
minste twee locaties historische bebouwing aanwezig kan zijn. Het overgrote deel van plangebied Westerhonk blijft de afgelopen eeuwen echter onbebouwd. Uitzonderingen hierop zijn de buitenplaats zoals afgebeeld op Kruikius (1712) en de molen zoals afgebeeld op de kadastrale minuut (1811). De huidige bebouwing is in stappen gerealiseerd vanaf 1979. Het gehele plangebied ligt in de zone van de Atlantikwall. Het erfgoed van de Atlantikwall kan in twee groepen worden gesplitst: het bouwhistorische erfgoed (bunkers, tankversperringen e.d.) en de meer archeologische component die bestaat uit (de resten van) loopgraven, mangaten, overstoven betonbouw, barakken e.d. Deze verdedigingslinie van de Atlantikwall bestond uit meerdere onderdelen. Eén van die onderdelen betreffen Widerstandsnesten (bunkers). Een dergelijk Widerstandsnest stond direct ten zuidwesten buiten het plangebied.
Made we g
-------------1-------------1-------------1