rapport quickscan Wet natuurbescherming (21729.001_D2) gebiedsontwikkeling Westervoort Noord te Westervoort
Tekst van het document
Indien de sloten die geschikt zijn voor de grote modderkuiper gedempt of verlegd worden of wanneer er afsluiting van de huidige migratiemogelijkheid plaatsvindt met de ingenomen ingreep is het noodzakelijk om aanvullend onderzoek uit te voeren (zie hoofdstuk 6). Indien er werkzaamheden aan de overige watergangen plaats zal vinden is het zaak om aandacht te schenken aan de algemene zorgplicht met betrekking op de algemene vissoorten (zie hoofdstuk 6).
Figuur 5.41
Sloten geschikt voor grote modderkruiper op de onderzoekslocatie (aangegeven met groen).
21729.001 versie D2
30 / 51
5.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de planlocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. Deelgebied A, C, D en E Op de verharde delen, sportvelden, akkers en op het terrein van de steenhandelaar zijn geen geschikte waardplanten voor beschermde vlinders aanwezig. Het is bij deze delen van de planlocatie uitgesloten dat er geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van beschermde vlindersoorten. Deelgebied B Aan de rand van de ruigte (tussen deelgebied B en C) zijn meerdere sleedoorn planten aangetroffen (zie figuur 5.42 en 5.43). Dit is een geschikte waardplant voor de beschermde vlindersoort sleedoornpage. Op Figuur 5.42 Sleedoorn planten aangetroffen op de planlocabasis van de huidige onderzoeksinspanning kan er tie. niet worden uitgesloten dat er een (deel)populatie van deze beschermde vlindersoort aanwezig is op de planlocatie.
Wanneer deze planten verwijderd worden met de voorgenomen ingreep, zal er moeten worden onderzocht of hier de beschermde sleedoornpage aanwezig is (zie hoofdstuk 6).
21729.001 versie D2
31 / 51
Figuur 5.43
Standplaats op de planlocatie waar sleedoorn planten staan (aangegeven in roze).
In het nabijgelegen natuurreservaat ‘Het Ambacht’ zijn geschikte waardplanten voor de beschermde vlindersoort grote weerschijnvlinder (boswilg en grauwe wilg) aanwezig (zie figuur 5.44). Echter liggen deze waardplanten buiten de planlocatie en is verstoring van deze soort uitgesloten. Andere geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten zoals de kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn niet aangetroffen tijdens het veldbezoek. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de Figuur 5.44 Grauwe wilg in natuurreservaat ‘Het Ambacht’. gehele onderzoekslocatie uit te sluiten. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie niet binnen het leefgebied van deze soorten. Daarnaast biedt de planlocatie matig geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten en zijn er geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
21729.001 versie D2
32 / 51
5.6 Planten Deelgebied A Aangezien dit gebied geheel bestaat uit bebouwing en verharding is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten in dit deelgebied te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Deelgebied B De onderzoekslocatie bestaat uit gras, bestaande uit een vegetatie met verschillende ruigtesoorten. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende plantensoorten waargenomen: sleedoorn, braam en berenklauw. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Deelgebied C Aangezien dit gebied geheel bestaat uit sportvelden die intensief onderhouden worden is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten in dit deelgebied te vinden zijn.
De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Deelgebied D Aangezien dit gebied geheel bestaat uit akkers is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten in dit deelgebied te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Deelgebied E Aangezien dit gebied geheel bestaat uit verharding, tuin en stroken ruigtesoorten is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten in dit deelgebied te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is.
Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
21729.001 versie D2
33 / 51
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.
6.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels Huismus De nesten van huismussen zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. Volgens Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van huismussen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er in de bebouwing op de planlocatie nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de huismus op de planlocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort. Tevens moet het functionele leefgebied van de huismus op de planlocatie in kaart gebracht worden om te toetsen of er met de gebiedsontwikkeling essentieel leefgebied van de huismus verloren gaat. Gierzwaluw De nesten van de gierzwaluw zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van koloniebroeders die elk seizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop.
Volgens Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van gierzwaluwen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er in de bebouwing op de planlocatie nestplaatsen van de gierzwaluw aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van de gierzwaluw op de planlocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de soort.
21729.001 versie D2
34 / 51
Boomvalk, ransuil, sperwer, buizerd en havik Voor de realisatie van de voorgenomen ingreep geldt dat vastgesteld zal moeten worden of er binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden nesten aanwezig zijn van de boomvalk, ransuil, sperwer, buizerd en havik. Artikel 3.1 lid 4 en lid 5 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden om vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort) is van toepassing. Om de functie van dit gebied in kaart te brengen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden binnen het broedseizoen van deze soorten. Steenuil, kerkuil en bosuil Voor zowel de steenuil, kerkuil als de bosuil geldt dat er vastgesteld zal moeten worden of er binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden vaste rust- of voortplantingsplaats aanwezig zijn op de onderzoekslocatie. Een aanvullende inspectie op nestlocaties van de geschikte bebouwing op de planlocatie is noodzakelijk. Volgens Artikel 3.1 lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden opzettelijk nesten van steenuilen, kerkuilen of bosuilen te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Ook is Artikel 3.1 lid 4 en lid 5 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden om vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort) van toepassing.
Daarnaast moet er worden vastgesteld of er met de voorgenomen ingreep verlies van essentieel leefgebied plaats zal vinden. De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn: • de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats • de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is. Steenuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken binnen het leefgebied die ze regelmatig gebruiken. Dit ook om parasietinfecties tegen te gaan. Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het broeden is. Overdag verblijven de uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte.
Al deze plekken worden niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest. Daarnaast is het leefgebied direct rondom de nestlocatie, waar de steenuil foerageert, van essentieel belang voor het functioneren van de nestlocatie. Dit gezien het kleine territorium van de steenuil (5-30ha). Verlies van dit foerageergebied leidt namelijk tot verlies van functie van de vaste rust- en voorplantingslocatie, en betreft een overtreding van de Wet natuurbescherming (BIJ12, 2017).
21729.001 versie D2
35 / 51
Blauwe reiger De broedende kolonie blauwe reigers in het natuurreservaat ‘Het Ambacht’ ligt mogelijk binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ingreep op de planlocatie. Er kan op voorhand niet worden uitgesloten dat er negatieve effecten zullen ontstaan bij de voorgenomen ingreep op de kolonie broedende blauwe reigers. Dit zou een overtreding zijn van de Wet natuurbescherming. Volgens Artikel 3.1 lid 4 en lid 5 van de Wet natuurbescherming is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Er zal moeten worden onderzocht of door de voorgenomen ingreep van de gebiedsontwikkeling negatieve gevolgen ontstaan voor de kolonie broedende blauwe reigers. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen en de bebouwing buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden.
Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen en de bebouwing toch binnen het broedseizoen verwijderd dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen en de bebouwing te verwijderen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. Met betrekking tot soorten als koolmees, pimpelmees, ringmus en boomkruiper wordt geadviseerd om, indien de bomen met holtes worden gekapt, elders op de onderzoekslocatie nestkasten voor dergelijke soorten te plaatsen.
Hierdoor wordt voorkomen dat een uitgebreide omgevingscheck zal moeten uitwijzen of er in dit geval sprake is bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de betreffende nesten van soorten als koolmees, pimpelmees, ringmus en boomkruiper op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben en er sprake zou zijn van een overtreding bij het verwijderen van de nestlocaties.
21729.001 versie D2
36 / 51
In navolging van bovenstaande geldt vervolgens, net als voor de overige vogelsoorten als merel, heggenmus, winterkoning, roodborst, zwartkop, putter, groenling, houtduif, kauw en patrijs, dat indien de huidige nesten buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Omdat de onderzoekslocatie niet is aangewezen als weidevogelgebied voor een soort als patrijs, betreft de afname van het leefgebied van de patrijs ter plaatse geen overtreding en is compensatie in dit geval geen wettelijke verplichting.
6.2 Vleermuizen Een deel van de te slopen bebouwing is in principe geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De sloop van deze bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Daarnaast moet er, zodra de plannen van de gebiedsontwikkeling definitief zijn, worden beoordeeld of er met de voorgenomen ingreep een afname van foerageergebied van vleermuizen aan de orde is. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van het deelgebied voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021).
Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag.
21729.001 versie D2
37 / 51
6.3 Overige zoogdieren Steenmarter Tijdens het veldbezoek van de quickscan is vastgesteld dat een gedeelte van de bebouwing op de planlocatie (clubhuis van de tennisvereniging) in gebruik is (geweest) door de steenmarter. Ook zijn er meerdere takkenrillen en braamstruwelen aangetroffen op de planlocatie waar mogelijk vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van de steenmarter aanwezig kunnen zijn. Bij het slopen van deze bebouwing en het verwijderen van de takkenrillen en braamstruweel is Artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) van toepassing. Op basis van de huidige onderzoeksinspanning is niet vastgesteld of er zich momenteel een beschermde functie bevindt op de planlocatie met betrekking op de steenmarter. Hiervoor moet aanvullend onderzoek worden uitgevoerd. Het onderzoek naar de steenmarter wordt uitgevoerd door middel van het plaatsen van wildcamera’s. Gezien de provincie Gelderland geen richtlijnen heeft omtrent het gebruik van cameravallen, zullen de richtlijnen conform Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming worden gehanteerd.
Deze richtlijnen schrijven voor dat in de periode van september tot en met februari de camera’s 12 weken in het veld moeten staan en in de periode maart tot en met augustus 6 weken. De camera’s zullen eens in de twee of drie weken worden gecontroleerd en uitgelezen. Daarnaast is er nog een kleine schuur ten noorden van de sportvelden van de Sportclub Westervoort en een grote schuur ten zuiden van de akkers, die mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor de steenmarter. Voor de schuren moet aanvullend een inspectie uitgevoerd worden om vast te kunnen stellen of deze geschikt zijn als of momenteel worden gebruikt als vaste rust- en/of voortplantingsplaats door steenmarters. Kleine marterachtigen Op basis van de huidige onderzoeksinspanning is niet met zekerheid uit te sluiten dat er zich op de onderzoekslocatie beschermde functies voor kleine marterachtigen bevinden. In de struikbegroeiing met een dichte ondergroei, braamstruwelen en takkenrillen zijn mogelijk vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig. Artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing.
Om vast te stellen of er beschermde functies van kleine marterachtigen aanwezig zijn op de onderzoekslocatie dient er een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Het naderonderzoek bestaat uit het plaatsen van wildcamera’s en marterboxen. Afhankelijk van de periode zullen de wildcamera’s en marterboxen 6 tot 12 weken op de onderzoekslocatie staan. Het verwijderen van de bomen en de stobben kan niet uitgevoerd worden voordat het onderzoek is afgerond en indien noodzakelijk de ontheffing is toegewezen om mogelijke overtreding van Art 3.10 lid 1b van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
21729.001 versie D2
38 / 51
Eekhoorn De onderzoekslocatie is geschikt als leefgebied voor de eekhoorn. Ook al zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten van eekhoorns aangetroffen in de bomen op de planlocatie kan het niet worden uitgesloten dat er eekhoorns zich vestigen op of rondom de planlocatie. Verstoring van een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een eekhoorn is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet er door een kundig ecoloog opnieuw een inspectie uitgevoerd worden om vast te stellen of er eekhoornnesten op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Daarnaast moet er worden beoordeeld of er negatieve gevolgen voor vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van de eekhoorn ontstaan door de voorgenomen ingrepen van de toekomstige gebiedsontwikkeling.
6.4 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. De graafwerkzaamheden en het verwijderen van takkenhopen, braamstruweel, hagen en rommelhoek dienen daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uitgevoerd te worden. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft de periode september t/m oktober. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen.
6.5 Beschermde reptielen en amfibieën De ringslang is beschermd onder Artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. Om vast te stellen of er vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van de ringslang aanwezig zijn op de planlocatie dient er aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Met het plaatsen van speciale reptielen platen kan de aanwezigheid van deze reptielen worden onderzocht. Deze platen dienen gedurende het actieve seizoen van de ringslang meerdere malen te worden gecontroleerd.
21729.001 versie D2
39 / 51
De kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad zijn beschermd onder Artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 lid 1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen) en lid 2 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren) zijn van toepassing. Om te voorkomen dat er individuen van de bovengenoemde reptielen en amfibieën soorten worden verwond of gedood tijdens de werkzaamheden, dienen er maatregelen getroffen te worden. De exacte uitwerking hiervan volgt in ecologisch werkprotocol welke opgesteld kan worden wanneer er meer bekend is over de ingrepen van de gebiedsontwikkeling. Ter indicatie zijn hieronder enkele maatregelen genoemd. On het doden of verwonden van reptielen en amfibieën te voorkomen dient er een amfibieën-/reptielenscherm geplaatst te worden tussen de planlocatie en het natuurreservaat ‘Het Ambacht’ (zie figuur 6.1). Het scherm moet worden aangebracht tijdens de winterrust van deze soorten en aanwezig blijven gedurende de gehele periode van de werkzaamheden.
Wanneer er ondanks de schermen toch nog beschermde reptielen of amfibieën worden aangetroffen op de planlocatie tijdens de werkzaamheden is het in het kader van de zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor deze aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
Figuur 6.1
Locatie van het te plaatsen amfibieën- en reptielenscherm (aangegeven in rood).
21729.001 versie D2
40 / 51
6.6 Vissen Grote modderkruiper De grote modderkruiper is beschermd onder Artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. Bij werkzaamheden zoals dempen, uitgraven en verleggen van de geschikte watergang op de onderzoekslocatie of wanneer er afsluiting van de huidige migratiemogelijkheid plaatsvindt bestaat er de kans dat er overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking op de grote modderkruiper plaats zal vinden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient er aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd conform het soorteninventarisatieprotocol van het NGB. Algemene vissoorten Bij werkzaamheden zoals dempen, uitgraven en verleggen van de watergangen op de onderzoekslocatie of wanneer er afsluiting van de huidige migratiemogelijkheid plaatsvindt kunnen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Voor de te verwachten vissoorten geldt echter wel de zorgplicht.
Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Aangezien een quickscan over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd, wordt aanbevolen om voor de dempingswerkzaamheden een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd.
6.7 Beschermde vlinders Sleedoornpage De sleedoornpage is beschermd onder Artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. Aangezien er waardplanten (sleedoorn) van de sleedoornpage op de planlocatie aanwezig zijn, dient er te worden onderzocht of daadwerkelijk sleedoorn aanwezig is op deze planten voordat deze planten mogelijk worden verwijderd met de voorgenomen gebiedsontwikkeling. Aanvullend onderzoek naar de sleedoornpage wordt noodzakelijk geacht.
21729.001 versie D2
41 / 51
6.8 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
21729.001 versie D2
42 / 51
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is gelegen in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 40 meter afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (zie figuur 7.1).
Figuur 7.1 Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De planlocatie ligt binnen de invloedsfeer van het Natura 2000-gebied Rijntakken. In het noordwestelijke gedeelte van de planlocatie zijn de risico’s op negatieve effecten op het Natura-2000 gebied het grootst aangezien hier de afstand tot het Natura-2000 gebied het kortst is. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied.
21729.001 versie D2
43 / 51
Voor een dergelijk onderzoek kan in eerste instantie worden volstaan met een zogenaamde "voortoets". Uit het onderzoek zal moeten blijken welke van de onderstaande situaties aan de orde is: • •
•
Er is zeker geen significant negatief effect. Dit betekent dat er geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Er is een kans op een significant negatief effect. Dit betekent dat vergunningverlening aan de orde is. Omdat er een kans op een significant negatief effect bestaat, is een passende beoordeling vereist (art. 2.8, lid 1). Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
Aangezien het plannen voor de gebiedsontwikkeling nog niet volledig bekend zijn zal de voortoets pas uitgevoerd kunnen worden wanneer de definitieve plannen beschikbaar zijn.
21729.001 versie D2
44 / 51
7.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 40 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. In figuur 7.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 7.2 Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (donkergroen) en Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen).
De onderzoekslocatie is gelegen op circa 40 meter afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het Natuurnetwerk betreft in Gelderland een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het GNN niet aan de orde.
21729.001 versie D2
45 / 51
7.3 Overige gebiedsbescherming In Gelderland worden de volgende overige gebieden beschermd door regels in de Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021): Groene ontwikkelingszone (GO), Weidevogelgebieden, Ganzenrustgebieden, natte landnatuur, Waardevol open gebied en nationale landschappen. Hieronder worden de volgende onderdelen behandeld, voor zover dit van toepassing is op het voorgenomen plan: Groene ontwikkelingszone en Ganzenrustgebieden. De Groene ontwikkelingszone (GO) bestaat met name uit agrarisch gebied dat tussen en rondom grote natuurkernen is gelegen. Deze zone heeft een verbindende en bufferende functie, kleine natuurgebiedjes binnen de GO zullen na aanleg deel gaan uitmaken van het Gelders natuurnetwerk. De onderzoekslocatie is gelegen op circa 40 meter afstand van een onderdeel van de Groene ontwikkelingszone (zie figuur 7.2). De Groene ontwikkelingszone betreft een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van een onderdeel van de Groene ontwikkelingszone zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van de GO niet aan de orde. Ganzenrustgebieden zijn agrarische gebieden waar geen ontwikkeling van nieuwe natuur- en landschapswaarden worden nagestreefd.
Het betreft hier gebieden die reeds een belangrijke functie hebben, respectievelijk als broedgebied voor weidevogels en als rustgebied/overwinteringsgebied voor ganzen. De onderzoekslocatie maakt geen onderdeel uit van een Ganzenrustgebied, er is zodoende geen sprake van een wijziging van de bestemming van een onderdeel van één van deze beschermde gebieden. Aangezien het Ganzenrustgebied een louter planologische bescherming betreft, zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies niet aan de orde.
21729.001 versie D2
46 / 51
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Een gedeelte van de bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming (zie figuur 8.1). De houtopstand binnen dit gedeelte van de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Een gedeelte van de onderzoekslocatie valt buiten de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (zie bruine zone in figuur 8.1). Te kappen bomen binnen dit gedeelte van de planlocatie vallen onder artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming, waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap.
Tevens draagt de rechthebbende zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand. Indien de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand gerealiseerd wordt, is er geen ontheffing van artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming benodigd. De kapmelding dient te worden ingediend bij de provincie Gelderland. Wanneer de definitieve plannen voor de gebiedsontwikkeling bekend zijn, met daarin alle te kappen bomen vermeldt, dient deze als eerste beoordeeld te worden. Op basis van deze beoordeling zullen de benodigde vervolgstappen worden opgesteld.
Figuur 8.1 derland).
Kaart met beschermde houtopstanden binnen Gelderland (aangegeven in bruin) (bron: geoportaal Gel-
21729.001 versie D2
47 / 51
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIE
Econsultancy heeft in opdracht van gemeente Westervoort een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de gebiedsontwikkeling Westervoort Noord te Westervoort. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen gebiedsontwikkeling van de onderzoekslocatie. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De gebiedsontwikkeling Westervoort Noord betreft het verplaatsen van de sportvelden naar een locatie buiten het plangebied en de ontwikkeling van woningbouw op de daardoor vrijgekomen gronden én op de gronden van de projectontwikkelaars. Aangezien het plan van de gebiedsontwikkeling nog in de aanloopfase is en de exacte ingrepen nog niet volledig bekend zijn, is deze quickscan nu gebaseerd op de huidige plannen. Wanneer de definitieve plannen voor de gebiedsontwikkeling zijn opgesteld dient deze quickscan geactualiseerd te worden. Dit zodat de daadwerkelijke ingrepen die gaan plaatsvinden getoetst worden aan de Wet natuurbescherming.
In tabel 9.1 is samengevat of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland en of vervolgstappen noodzakelijk zijn. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in 9.2. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 9.1
Overzicht van de benodigde vervolgstappen betreft gebiedenbescherming
Gebiedsbescherming
Gebied aan- Ingreep ver- Nader on- Vergunwezig storend derzoek ningplicht
Bijzonderheden / opmerkingen*
Natura 2000
40 m
waarschijnlijk
ja
mogelijk
nadat definitieve plannen beschikbaar zijn moet er een voortoets en een stikstofberekening middels een Aerius calculator uitgevoerd worden
Natuurnetwerk Nederland
40 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
ja
mogelijk
ja
mogelijk
definitieve plannen moeten beoordeeld worden en op basis van deze beoordeling zullen de benodigde vervolgstappen worden opgesteld
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
21729.001 versie D2
48 / 51
Tabel 9.2 Overzicht van de geschiktheid (ja/nee) van de deelgebieden van de onderzoekslocatie voor soort(groep)en en de benodigde vervolgstappen. Deelgebieden
A
B
C
huismus
ja
ja
nee nee ja
aanvullend onderzoek naar de huismus is noodzakelijk, gedeelte van bebouwing is geschikt als nestlocatie en er moet worden getoetst of er met de gebiedsontwikkeling essentieel leefgebied van de huismus verloren gaat
gierzwaluw
nee nee nee nee ja
aanvullend onderzoek naar de gierzwaluw is noodzakelijk, gedeelte van de bebouwing is geschikt als nestlocatie
gierzwaluw, ooievaar, roek
nee nee nee nee nee -
D
E
Bijzonderheden / opmerkingen*
boomvalk, ransuil, sperja wer, buizerd en havik
ja
ja
ja
ja
aanvullend onderzoek is noodzakelijk (binnen het broedseizoen van deze soorten) om de functie van dit gebied voor deze roofvogels in kaart te brengen
steenuil, kerkuil en ja bosuil
ja
ja
ja
ja
aanvullende inspectie van de bebouwing en aanvullend onderzoek is noodzakelijk
blauwe ger
rei-
algemene broedvogels
nee nee nee ja
aanvullend onderzoek noodzakelijk om vast te stellen of het planvoornemen kan leiden tot nee het verlies van deze nestlocatie van de kolonie blauwe reigers en of er randvoorwaarden noodzakelijk zijn
ja
ja
ja
ja
ja
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
vleermuizen verblijfplaatsen
ja
nee nee nee ja
aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk, gedeelte van bebouwing geschikt voor gebouwbewonende soorten (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis); er dient er een boomholte inspectie uitgevoerd te worden
vleermuizen foerageergebied
ja
ja
ja
ja
ja
wanneer de definitieve plannen voor de gebiedsontwikkeling bekend zijn moet er opnieuw worden beoordeeld of er een afname van foerageergebied van vleermuizen aan de orde is
steenmarter en kleine ja marterachtigen
ja
ja
ja
ja
aanvullende inspectie van de bebouwing voor steenmarters en aanvullend onderzoek noodzakelijk naar steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel met behulp van cameravallen bij geschikte bebouwing en geschikte takkenhopen, braamstruweel en opslagplaats
nee ja
ja
ja
ja
voorafgaand aan de werkzaamheden moet een inspectie uitgevoerd worden om vast te stellen of er eekhoornnesten op de onderzoekslocatie aanwezig zijn
ja
ja
ja
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene zoogdieren
eekhoorn
overige algemene zoog- ja dieren
ja
vervolg van tabel op volgende pagina
21729.001 versie D2
49 / 51
beschermde reptielen en nee ja amfibieën
ja
ja
ja
aanvullend onderzoek noodzakelijk naar mogelijke aanwezigheid van ringslangen en om doden en/of verwonden van beschermde reptielen en amfibieën tijdens de werkzaamheden te voorkomen dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden met daarin de benodigde maatregelen
overige algemene amfi- ja bieën
ja
ja
ja
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën
grote modnee nee ja derkruiper
ja
bij werkzaamheden aan de geschikte watergangen, dient er voorafgaand aan de werkzaamnee heden aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd conform het soorteninventarisatieprotocol van het ngb
algemene vissoorten
ja
ja
nee
bij werkzaamheden aan de geschikte watergangen, dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht voor de algemene vissoorten
sleedoornpage
nee ja
nee nee nee
bij verwijderen van waardplanten (sleedoorn) moet eerst worden onderzocht of (deel)populatie van deze beschermde vlindersoort aanwezig is
ja
ja
ja
libellen en overige vlin- nee nee nee nee nee ders overige soornee nee nee nee nee ten(groepen) * Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
21729.001 versie D2
50 / 51
Conclusie Soortenbescherming Er is voor meerdere soort(groep)en aanvullend onderzoek nodig: huismus, gierzwaluw, boomvalk, ransuil, sperwer, buizerd, havik, steenuil, kerkuil en bosuil, blauwe reiger, vleermuizen, steenmarter, kleine marterachtigen, eekhoorn, ringslang, grote modderkruiper en sleedoornpage. Ook dient er een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden voor de volgende soorten: ringslang, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Daarnaast moet er rekening gehouden worden met broedgevallen van algemene broedvogels, dient er rekening gehouden te worden met de zorgplicht ten aanzien van algemene zoogdieren, amfibieën en vissen en zijn er aanvullende maatregelen te treffen voor beschermde amfibieën en reptielen. Voor de benodigde vervolgstappen voor al deze soort(groep)en zie tabel 9.2 en hoofdstuk 6. Gebiedsbescherming Er zijn benodigde vervolgstappen betreft gebiedenbescherming (zie tabel 9.1 en hoofdstukken 7 en 8). Zo moet er een aanvullend onderzoek uitgevoerd worden om de mogelijke externe effecten van de voorgenomen ingreep op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden te toetsen. Daarnaast moet er rekening gehouden worden met een verplichte meldingsplicht voor de te kappen bomen binnen de planlocatie die onder definitie houtopstand vallen.
Het is belangrijk om nogmaals te benadrukken dat het plan van de gebiedsontwikkeling nog in de aanloopfase is en de exacte ingrepen nog niet volledig bekend zijn. Deze quickscan nu gebaseerd is op de huidige plannen. Wanneer de definitieve plannen voor de gebiedsontwikkeling zijn opgesteld dient deze quickscan geactualiseerd te worden. Dit zodat de daadwerkelijke ingrepen die gaan plaatsvinden getoetst worden aan de Wet natuurbescherming.
Econsultancy 3 juli 2023.
21729.001 versie D2
51 / 51
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2022). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-KennisdocumentHuismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-KennisdocumentGierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019-KennisdocumentSteenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-004Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 3 juli 2023 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied Westervoort noord, periode 2018-2023. NDFF.
Geraadpleegd op 3 juli 2023 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 3 juli 2023 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 3 juli 2023 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-02-17.
Provinciale bronnen Provincie Gelderland (2021, maart). Planoviewer - Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021). Geraadpleegd op 3 juli 2023 van https://gldanders.planoview.nl/planoview/. Provincie Gelderland (z.d.). Bijlage Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. Geraadpleegd op 3 juli 2023 van https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGCgc08/b_NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc08_733.pdf. Provincie Gelderland (z.d.). Natuurregels in Gelderland. Geraadpleegd op 3 juli 2023 van https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=38465e1d8fec467ba027024c1e3476d1.
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht. Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
1. 2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,
pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieën en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
vlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan
Libellen
beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer
Overige soorten
Europese rivierkreeft, vliegend hert
Artikel 3.10. Andere soorten Planten
akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, stijve wolfsmelk, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI. Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming Artikel 4.1