CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

rapport quickscan Wet natuurbescherming (21729.001_D2) gebiedsontwikkeling Westervoort Noord te Westervoort

Commissie Ruimte en Financien 14 mei 2024, gemeente WestervoortBij agendapunt: Gebiedsvisie Westervoort Noord18.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAPPORTAGE quickscan Wet natuurbescherming gebiedsontwikkeling Westervoort Noord

Rapport quickscan Wet natuurbescherming Gebiedsontwikkeling Westervoort Noord Opdrachtgever

Gemeente Westervoort Postbus 6 6920 AA Duiven

1

Rapportnummer

21729.001

Versienummer

D2

Status

Definitief

Datum

3 juli 2023

Opsteller1

De heer R.T. Valstar, MSc

Kwaliteitscontrole

De heer G.J. Assink, BSc De heer J.G. Boogaard, BSc

AVG

In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 2

2

GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 3 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 3 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 7

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 8

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ............................................................................ 9 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ............................................................ 12 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ........................................................................................................................................... 13 Vleermuizen ................................................................................................................................. 21 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 24 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 27 Ongewervelden ............................................................................................................................ 31 Planten ......................................................................................................................................... 33

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 34 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8

7

Zorgplicht ....................................................................................................................................... 9 Soortenbescherming ...................................................................................................................... 9 Gebiedenbescherming ................................................................................................................. 10 Houtopstanden ............................................................................................................................ 11

Broedvogels .................................................................................................................................. 34 Vleermuizen ................................................................................................................................. 37 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 38 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 39 Beschermde reptielen en amfibieën ............................................................................................ 39 Vissen ........................................................................................................................................... 41 Beschermde vlinders .................................................................................................................... 41 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 42

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ............................................................................................... 43 7.1 7.2 7.3

Natura 2000 ................................................................................................................................. 43 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................... 45 Overige gebiedsbescherming ....................................................................................................... 46

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 47

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIE.............................................................................................................. 48

21729.001 versie D2

1 / 51

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van de gemeente Westervoort opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming ten aanzien van de gebiedsontwikkeling Westervoort Noord. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de toekomstige gebiedsontwikkeling te Westervoort. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Onderhavige D2 versie van het rapport is opgesteld naar aanleiding van een uitbreiding van de onderzoekslocatie met een extra perceel. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Bijlage 1 Bijlage 2

21729.001 versie D2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst

2 / 51

2

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie (± 22.8 ha) bestaat uit meerdere percelen voor de gebiedsontwikkeling Westervoort Noord. In figuur 2.1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft meerdere percelen, bestaande uit sportvelden (Sportclub Westervoort, Voetbalclub Avw’66 en de Tennisvereniging Westervoort), bebouwing (clubhuizen en tribunes bij de sportclubs), verharding (parkeerplaatsen en een opslagplaats), ruigte aan de westzijde, akkers aan de oostzijde en het terrein van een steenhandelaar. Rondom de percelen zijn meerdere bomenrijen en sloten aanwezig. Ten noorden van de onderzoekslocatie ligt de IJsseldijk met daarachter weilanden die behoren tot de Rijntakken (Natura-2000 gebied). Ten westen van de onderzoekslocatie loopt een treinspoor en ten zuiden van de onderzoekslocatie ligt de woonkern van Westervoort. Aan de oostkant van de onderzoekslocatie ligt, aangrenzend aan de akkers, het natuurreservaat ‘Het Ambacht’.

21729.001 versie D2

3 / 51

De onderzoekslocatie is opgedeeld in 5 deelgebieden (A t/m E). Deelgebied A ‘bebouwing en verharding’ bestaat uit verharde delen als de parkeerplaatsen, tennisbanen, kunstgras voetbalvelden en een opslagplaats. De bebouwing bestaat uit meerdere clubhuizen (Tennisvereniging Westervoort, Voetbalclub Avw’66, Sportclub Westervoort), een paar overdekte tribunes naast de sportvelden en een kaartverkoopgebouw. Tussen de bebouwing en rondom de sportvelden zijn op verschillende plekken laurierhagen en buxushagen aanwezig. Deelgebied B ‘ruigte’ bestaat grotendeels uit een verruigt grasland met delen braamstruweel. Ten zuiden en oosten van dit perceel ligt een houtwal. Deelgebied C ‘sportvelden’ bestaat uit een zevental sportvelden (voetbal). Tussen de sportvelden zijn op een aantal plekken hagen aanwezig en enkele losstaande bomen. Deelgebied D ‘akker’ bestaat uit een maisvelden met ten noorden een aangrenzende sloot en ten zuiden van de akker ligt de bebouwde kom van Westervoort. Deelgebied E ‘steenhandelaar’ bestaat voornamelijk uit verharding (parkeerplaats en opslag van materialen), bebouwing (een woonhuis met zadeldak, meerdere schuren en een paardenstal) en een paardenbak. Aan de oostgrens van dit perceel ligt een groenstrook met daarachter het treinspoor. Ten zuiden en oosten van dit perceel ligt ook een ruige groenstrook.

In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m 2.17 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

21729.001 versie D2

4 / 51

Figuur 2.2 Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving, met de verschillende deelgebieden aangegeven en nummering van de bebouwing.

Figuur 2.3 Verharde opslagplaats van Struyk Verwo Infra.

Figuur 2.4 Tennisbanen van Tennisvereniging Westervoort.

Figuur 2.5 Clubhuis (gebouw 1) van Tennisvereniging Westervoort.

Figuur 2.6 Clubhuis (gebouw 3) van Sportclub Westervoort.

Figuur 2.7 Clubhuis (gebouw 2) van Voetbalclub Avw’66.

Figuur 2.8 Kaartverkoop gebouw (gebouw 6) van Voetbalclub Avw’66.

21729.001 versie D2

5 / 51

Figuur 2.9 Schuur (gebouw 4) ten zuiden van de akkers.

Figuur 2.10 Sportveld (gras) van de Sportclub Westervoort.

Figuur 2.11 Omgrenzing van de sportvelden met een haag, bomenrij en sloot.

Figuur 2.12 Ruigte met veel braamstruweel en takkenhopen.

Figuur 2.13 Groenstrook (houtwal) aan de westkant van de onderzoekslocatie.

Figuur 2.14 sloot.

Figuur 2.15 Links op foto het aangrenzend natuurreservaat ‘Het Ambacht) bij de akkers.

Figuur 2.16 Ambacht’.

Figuur 2.17 Groenstrook tussen de akker en de sportvelden.

21729.001 versie D2

Natuurreservaat ‘Het

Akker met omliggende

6 / 51

Figuur 2.18 Woonhuis (gebouw 9) op deelgebied E.

Figuur 2.19 Opslagschuur (gebouw 10) van de steenhandelaar.

Figuur 2.20 bouw 10.

Paardenstallen in ge-

Figuur 2.21 Schuur met paardenstal (gebouw 11).

Figuur 2.22 Opslag van materialen achter de schuur.

Figuur 2.23 Paardenbak met omliggende groenstrook.

2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen Geciteerd uit het ‘Plan van aanpak voor gebiedsontwikkeling Westervoort Noord’: “Het plangebied ligt grofweg ten noorden van de Hamersestraat en ten zuiden van de IJsseldijk en wordt aan de oostzijde begrenst door de Rivierweg.” “De gebiedsontwikkeling Westervoort Noord betreft de vrijkomende sportvelden en de gronden van BPD en van Belo, andere gronden in het gebied worden (vooralsnog) niet meegenomen. Slechts als eigenaren aangeven dat zij in deze ontwikkeling mee willen doen kan besloten worden deze mee te nemen, hiervoor is apart besluitvorming nodig.” “De gebiedsontwikkeling Westervoort Noord betreft het verplaatsen van de sportvelden naar een locatie buiten het plangebied en de ontwikkeling van woningbouw op de daardoor vrijgekomen gronden én op de gronden van de projectontwikkelaars.” “Doel van dit project is het realiseren van een nieuw sportcomplex voor de buitensportverenigingen (voetbal-, tennis- en korfbalverenigingen) en een nieuwe woonwijk van circa 500 woningen in het plangebied ten noorden van de Hamersestraat.” Aangezien het plan van de gebiedsontwikkeling nog in de aanloopfase is en de exacte ingrepen nog niet volledig bekend zijn, is deze quickscan nu gebaseerd op de huidige plannen.

Wanneer de definitieve plannen voor de gebiedsontwikkeling zijn opgesteld dient deze quickscan geactualiseerd te worden. Dit zodat de daadwerkelijke ingrepen die gaan plaatsvinden getoetst worden aan de Wet natuurbescherming.

21729.001 versie D2

7 / 51

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek voor deelgebieden A t/m D is afgelegd op 18 april 2023. Aanvullend is er een veldbezoek voor deelgebied E afgelegd op 6 juni 2023. Tijdens deze veldbezoeken is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.

Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

21729.001 versie D2

8 / 51

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.

4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

21729.001 versie D2

9 / 51

• • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

4.3 Gebiedenbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.

Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.

21729.001 versie D2

10 / 51

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 21 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

21729.001 versie D2

11 / 51

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. De onderzoekslocatie is voor de quickscan opgedeeld in 5 deelgebieden (zie figuur 5.1); deelgebied A: verharding en bebouwing, deelgebied B: ruigte, deelgebied C: sportvelden, deelgebied D: akker en deelgebied E: steenhandelaar. Dit hoofdstuk zal daarom ook grotendeels per soort(groep) in de vier deelgebieden worden opgesplitst voor een overzichtelijke beschrijving van de aangetroffen en te verwachten beschermde soorten op de onderzoekslocatie.

Figuur 5.1

Onderzoekslocatie opgedeeld in 5 deelgebieden.

21729.001 versie D2

12 / 51

5.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Aan de rand van de bebouwde kom kunnen dit zijn: huismus, gierzwaluw, boomvalk, ransuil, sperwer, steenuil, kerkuil, bosuil, buizerd, havik, roek, ooievaar en slechtvalk. Van deze soorten kan de slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soort broedt enkel op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen, deze zijn niet aanwezig op de onderzoekslocatie. Huismus De huismus is een koloniebroeder, die nestelt onder dakpannen, nisjes en andere gaten en kieren van gebouwen. De huismus geeft voorkeur aan bebouwing waar meerdere nestlocaties dicht bij elkaar beschikbaar zijn. Vaak wordt onder dakpannen op dakbeschot gebroed. Van belang is een vrije invliegopening en voldoende beschutting. Als laatste is voldoende groen, in de vorm van hagen, struiken en bomen belangrijk voor een reeks aan functies zoals plaats voor sociaal gedrag, foerageergebied en beschutting. Er zijn in de afgelopen 5 jaar meerdere waarnemingen van huismussen (NDFF) op de onderzoekslocatie. Ook zijn er tijdens het veldbezoek van de quickscan op meerdere plekken huismussen waargenomen (zie figuur 5.2).

Figuur 5.2 Meerdere huismussen waargenomen op de onderzoekslocatie tijdens het veldbezoek.

Deelgebied A Voor huismussen biedt een gedeelte van de aanwezige bebouwing op de onderzoekslocatie geschikte broedplekken. De bebouwing rondom de sportvelden heeft missende stenen en spleten in het voegwerk, waar de huismus kan broeden (zie figuur 5.3 en 5.4). Ook de schuur aan de zuidzijde van de akker biedt geschikte ruimtes voor de huismus (zie figuur 5.5). Een nestlocatie in de bebouwing op de onderzoekslocatie is niet uit te sluiten en aanvullend onderzoek ten behoeve van de huismus is benodigd (zie hoofdstuk 6). Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek rondom de tennisbaan meerdere luid roepende huismussen waargenomen in de laurierhagen (zie figuur 5.2), ook wel kwetterbosjes genoemd (zie figuur 5.6). Deze kwetterbosjes dienen als vaste rustplaats voor de huismus en hebben daarmee een beschermde functie. Wanneer de voorgenomen ingreep deze functie van de vaste rustplaatsen negatief beïnvloed is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus is niet uitgesloten (zie hoofdstuk 6).

21729.001 versie D2

13 / 51

Figuur 5.3 Geschikte ruimte bij het dak van het kaartverkoop gebouw (gebouw 6) van de voetbalvereniging.

Figuur 5.4 Geschikte ruimte in de muur van de kleedkamers van de voetbalvereniging (gebouw 2).

Figuur 5.5 Ruimte bij het dak van de schuur (gebouw 4) ten zuiden van de akkers.

Deelgebied B en C Het open gedeelte van deelgebied B en de sportvelden van deelgebied C bevatten geen geschikte locaties voor huismussen om zich te nestelen. Tijdens het veldbezoek zijn aan de noordkant van dit deelgebied B meerdere luid roepende huismussen waargenomen in een haag en rondom de sportvelden zijn ook meerdere luid roepende huismussen waargenomen in kwetterbosjes (zie figuur 5.7). Deze kwetterbosjes dienen als vaste rustplaats voor de huismus en hebben daarmee een beschermde functie. Wanneer de voorgenomen ingreep deze functie van de vaste rustplaatsen negatief beïnvloed is overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus is niet uitgesloten (zie hoofdstuk 6). Deelgebied D Dit deelgebied bevat geen geschikte locaties voor huismussen om zich te nestelen. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek geen vaste rustplekken van huismussen (kwetterbosjes) waargenomen op en rondom de akkers. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus zijn bij dit deelgebied (D) uitgesloten. Deelgebied E Tijdens het veldbezoek zijn meerdere huismussen aangetroffen in de tuin en op het dak van de woning (gebouw 9) (zie figuur 5.6). Deze woning met een zadeldak met dakpannen biedt geschikte nestlocaties voor huismussen en rondom deze woning vertoonde huismussen nestindicerend gedrag.

Daarnaast zijn er in de schuur (gebouw 10) openingen en nisjes aanwezig die gebruikt kunnen worden als nestlocatie voor huismussen. Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning is voor deze schuur niet uit te sluiten dat er ergens een nest van een huismus aanwezig is. Voor dit deelgebied is aanvullend onderzoek ten behoeve van de huismus benodigd (zie hoofdstuk 6).

21729.001 versie D2

Figuur 5.6 Huismus op het dak van de woning (gebouw 9).

14 / 51

Figuur 5.7 ringen).

Locaties van kwetterbosjes aangetroffen tijdens veldbezoek van quickscan (aangegeven met gele marke-

Gierzwaluw De gierzwaluw is een gebouwbewonende koloniebroeder, die in de zomermaanden in Nederland broedt. Buiten het broedseizoen trekt deze soort naar Afrika. De gierzwaluw benut nissen en spleten op relatief hoge bebouwing in de bebouwde kom, zoals kopgevels van woningen, kerken en kantoorpanden. Hier wordt de soort vaak in groepen gezien, ‘gierend’ boven de bebouwing. De waarnemingen (NDFF) van gierzwaluwen hebben betrekking op een kolonie gierzwaluwen die zich bevindt in de woonkern van Westervoort ten zuiden van de onderzoekslocatie. Deelgebied A De openingen in de bebouwing op de planlocatie zijn relatief laag, terwijl gierzwaluwen over het algemeen juist een voorkeur hebben voor wat hogere invliegopeningen. Daarnaast ligt deze bebouwing niet in de woonkern van Westervoort. Dit samen maakt dat de bebouwing op de planlocatie geen geschikte nestlocaties biedt voor de gierzwaluw. Overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de gierzwaluw is dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Deelgebieden B, C en D Deze deelgebieden bevatten geen bebouwing en bieden daarom geen geschikte locaties voor gierzwaluwen om zich te nestelen. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de gierzwaluw zijn wegens het ontbreken van geschikte nestlocaties in deze deelgebieden uitgesloten.

21729.001 versie D2

15 / 51

Deelgebied E De woning in dit deelgebied biedt geschikte nestlocaties voor de gierzwaluw. Zo heeft deze woning geschikte invliegopeningen onder andere bij de overhangende kantpannen en de nokvorst (zie figuur 5.8 en 5.9). Alhoewel deze geschikte bebouwing niet binnen de woonkern van Westervoort ligt en het aannemelijk is dat de kolonie zich ten zuiden van het spoor gevestigd heeft, is het niet volledig uit te sluiten dat er gierzwaluwen in de deelgebied zitten. Daarom wordt geadviseerd om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de gierzwaluw in dit deelgebied om zo overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.8 Zadeldak met overhangende kantpannen en nokvorst van de woning (gebouw 9).

Figuur 5.9 Ruimte bij de kantpannen van de woning (gebouw 9).

Boomvalk, ransuil en sperwer De onderzoekslocatie valt binnen het verspreidingsgebied van de boomvalk, ransuil en sperwer. Deze soorten maken gebruik van middelgrote nesten of oude kraaien- en eksternesten. Deze nesten bevinden zich voornamelijk in de toppen van hoge bomen en zijn regelmatig te vinden in relatief kleine groenstroken (houtwallen) en solitaire bomen in het buitengebied. Daarnaast kunnen deze soorten ook voorkomen aan de rand van de bebouwde kom. Recentelijk zijn er waarnemingen (NDFF) van zowel de ransuil als de sperwer binnen de onderzoekslocatie. Er zijn geen waarnemingen (NDFF) van de boomvalk op de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar. Deelgebied A, C, D en E De bebouwing en verharde delen binnen de onderzoekslocatie (deelgebied A en E) bieden geen geschikte nestlocaties voor de boomvalk, ransuil en sperwer. Hetzelfde geldt voor de sportvelden (deelgebied C) en de akkers (deelgebied D). De solitaire bomen die binnen de planlocatie staan konden goed geïnspecteerd worden tijdens het veldbezoek en hier zijn geen nesten van deze soorten aangetroffen of nesten die door de genoemde soorten gebruikt kunnen worden.

21729.001 versie D2

16 / 51

Deelgebied B en E Tijdens het veldbezoek werd er een sperwer al jagend waargenomen over het veld in het deelgebied B ‘ruigte’. Zowel de sperwer als de boomvalk en ransuil gebruiken het open gedeelte van deelgebied B mogelijk als foerageergebied. Rondom de deelgebieden B en E zijn meerdere nesten waargenomen in de groenstroken waar deze soorten mogelijk gebruik van maken. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, met betrekking tot het verstoren van nesten die mogelijk in gebruik kunnen zijn door één van de bovengenoemde soorten, zijn vervolgstappen noodzakelijk (zie hoofdstuk 6). Groenstroken rondom onderzoekslocatie In een laurierhaag aan de rand van deelgebied A zijn krijtsporen gevonden die mogelijk van een ransuil afkomstig zijn (zie figuur 5.10). Dit indiceert mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van de ransuil. Rondom deelgebieden B en E zijn meerdere nesten waargenomen in de groenstroken waar de bovengenoemde soorten mogelijk gebruik van maken. Daarnaast kunnen er in het nabijgelegen natuurreservaat ‘Het Ambacht’ mogelijk nesten van deze soorten aanwezig zijn. Gezien de omvang van de voorgenomen werkzaam- Figuur 5.10 Mogelijke ransuil krijtsporen in laurierhaag. heden is verstoring van nestlocaties van de boomvalk, ransuil en sperwer niet op voorhand uit te sluiten. Daarnaast zal er mogelijk foerageergebied verloren gaan.

Overtreding van de Wet natuurbescherming is voor deze soorten niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). Buizerd en havik De buizerd en havik broeden in grote nesten in grote, hoge bomen, ook wel horsten genoemd. Vanwege het ontbreken van een dicht bladerdek konden de bomen goed onderzocht worden. Op de planlocatie zijn tijdens het veldbezoek dergelijke horsten niet aangetroffen. Beide soorten zijn recentelijk waargenomen (NDFF) in de directe omgeving van de onderzoekslocatie en tijdens beide veldbezoeken zijn meerdere overvliegende buizerds waargenomen (zie figuur 5.11). Tijdens het veldbezoek kon niet worden uitgesloten of er een nest in het natuurreservaat ‘Het Ambacht’ aanwezig is. Gezien de omvang van de Figuur 5.11 Buizerd aangetroffen tijdens het veldbezoek. voorgenomen werkzaamheden is verstoring van potentiële nestlocaties van de buizerd of havik niet op voorhand uit te sluiten, en daarnaast zal er mogelijk foerageergebied verloren gaan (zie hoofdstuk 6).

21729.001 versie D2

17 / 51

Steenuil, kerkuil en bosuil Steenuilen broeden in bomen, nissen en holten in gebouwen en in speciale nestkasten voor de steenuil. De kerkuil broedt in bebouwing of speciale nestkasten voor de kerkuil. Bosuilen broeden overwegend in grote boomholtes of in speciaal voor bosuil ontwikkelde nestkasten. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie recentelijk meerdere malen steenuilen aangetroffen, maar er zijn in de afgelopen 5 jaar geen kerkuilen of bosuilen waargenomen op de onderzoekslocatie. Deelgebied A Van alle bebouwing op de onderzoekslocatie was enkel de schuur ten zuiden van de akkers mogelijk geschikt voor de steenuil en kerkuil (zie figuur 5.12 en 5.13). Tijdens het veldbezoek kon de binnenkant van deze schuur niet volledig geïnspecteerd worden om uit te sluiten of deze schuur wordt gebruikt als vaste roest- en/of voortplantingsplaats. Deelgebied B en D Deze deelgebieden maken mogelijk onderdeel uit van foerageergebied van de steenuil en kerkuil. De toekomstige inpassing is niet van vergelijkbare kwaliteit voor deze soort als huidig gebruik en daardoor is er mogelijke aantasting van essentieel foerageergebied. Deelgebied C Tijdens het veldbezoek hebben wij de aanwezigheid van steenuilen ook anekdotisch van een omwonende vernomen.

Daarnaast is er tijdens het veldbezoek in een tuin net buiten de onderzoekslocatie aan de rand van de sportvelden een bosuilenkast aangetroffen welke geschikt zou kunnen zijn voor de bosuil en eventueel ook de kerkuil (zie figuur 5.14). Alhoewel het niet aannemelijk is dat een bosuil gebruik maakt van deze kast, gezien de locatie van de kast niet optimaal is, is dit op basis van de geleverde onderzoeksinspanning niet volledig uit te sluiten. Deelgebied E Tijdens het veldbezoek aan deelgebied E kon de grote schuur van binnen volledig geïnspecteerd worden. Er zijn geen sporen van uilen aangetroffen die wijzen op het gebruik van de grote schuur als vaste roest- en/of voortplantingsplaats van de steenuil of kerkuil. Gezien de omvang van de voorgenomen werkzaamheden is verstoring van nestlocaties van de steenuil, kerkuil en bosuil niet op voorhand uit te sluiten. Daarnaast zal er mogelijk foerageergebied verloren gaan. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten is niet uitgesloten (zie hoofdstuk 6).

21729.001 versie D2

18 / 51

Figuur 5.12 Schuur (gebouw 4) aan de zuidzijde van de akkers.

Figuur 5.13 Openingen in het dak van de schuur (gebouw 4).

Figuur 5.14 Bosuilenkast in boom in tuin naast de sportvelden.

Roek Roeken zijn koloniebroeders die nestelen in hoge bomen bouwen. Deze nesten bevinden zich vaak in vrijstaande, hoge groepen bomen (zoals populieren) langs wegen, treinsporen of kanalen met omliggende graslanden. Tijdens de veldbezoeken is gelet op de aanwezigheid van roekennesten en deze zijn niet aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. De aangetroffen nesten van mogelijk een kraaiachtige betrof één enkele nest in een boom, waardoor er kan worden uitgesloten dat het om een roekennest gaat gezien deze soort een koloniebroeder is. Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de roek is uitgesloten. Ooievaar De ooievaar broedt op hoge locaties zoals telefoonpalen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten, door de mens gemaakte platformen en soms in bomen. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er op de onderzoekslocatie en directe omgeving meerdere waarnemingen van de ooievaar bekend. De bomen op de planlocatie zijn niet geschikt voor de ooievaar om in te broeden, wel is er tijdens de veldbezoeken een ooievaarsnest aangetroffen buiten de invloedsfeer van de ingreep circa 200 meter ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 5.15). Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de ooievaar is uitgesloten.

21729.001 versie D2

Figuur 5.15 Ooievaarsnest aangetroffen ten noordoosten van de onderzoekslocatie.

19 / 51

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben zoals boomklever, boomkruiper, pimpelmees, koolmees, spreeuw en zwarte roodstaart. Er is één spechtenhol in een boom aangetroffen naast deelgebied D (zie figuur 5.16), of deze in gebruik is was niet vast te stellen tijdens het veldbezoek. Daarnaast zijn er verschillende ekster en kraaien nesten aangetroffen in bomen buiten de planlocatie (zie figuur 5.17). In de grote schuur in deelgebied E zijn tijdens het veldbezoek meerdere boerenzwaluwen aangetroffen die nestindicerend gedrag vertoonde (zie figuur 5.19 en 5.20). In deze schuur bij de steenhandelaar is ook een paardenstal aanwezig wat het optimaal leefgebied maakt voor de boerenzwaluw. Er zijn geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

In het natuurreservaat ‘Het Ambacht’ naast deelgebied D is een blauwe reiger kolonie met nesten aangetroffen (zie figuur 5.18). Er zal moeten worden vastgesteld of het planvoornemen kan leiden tot het verlies van deze nestlocatie van de kolonie blauwe reigers en of er randvoorwaarden noodzakelijk zijn.

Figuur 5.16 Spechtenholen boom naast onderzoekslocatie.

in

Figuur 5.17 Zwarte kraaiennest in boom naast onderzoekslocatie.

Figuur 5.19 Twee boerenzwaluwen in de schuur (gebouw 10) van de steenhandelaar.

21729.001 versie D2

Figuur 5.20

Figuur 5.18 Blauwe reiger op nest dat onderdeel is van een kolonie.

Boerenzwaluw in de schuur (gebouw 10).

20 / 51

Overige broedvogels De beplanting en bebouwing op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals houtduif, merel, roodborst, scholekster, winterkoning en zanglijster. In de bosrand naast deelgebied D is er bijvoorbeeld een merelnest waargenomen (zie figuur 5.21). Ook zijn er tijdens het veldbezoek meerdere foeragerende schooleksters waargenomen op de sportvelden (zie figuur 5.22). Het is mogelijk dat er op de bebouwing met platte daken grind ligt wat deze daken een geschikte broedplaats voor de schoolekster zou maken. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.21 Merelnest aangetroffen in boom in het natuurreservaat ‘Het Ambacht’ naast de akker.

Figuur 5.22 den.

Foeragerende scholekster op de sportvel-

5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis.

21729.001 versie D2

21 / 51

Verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuissoorten op de onderzoekslocatie Deelgebied A en E Een deel van de bebouwing op de planlocatie is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen in de vorm van open stootvoegen die toegang verlenen tot de spouwmuren (zie figuur 5.23 t/m 5.25). Daarnaast zijn er geschikte spleten en invliegopeningen aanwezig onder de dakrand bij het entree gebouw (zie figuur 5.26 en 5.27) en is er ruimte bij de overhangende kantpannen en de dakrand van de woning bij deelgebied E (zie figuur 5.29 en 5.30). De grote schuur aan de zuidzijde van de akker en de schuur bij de steenhandelaar zijn geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen (zie figuur 5.28 en 5.31). Deze bebouwing op de planlocatie is daardoor geschikt als verblijfplaats voor de volgende gebouwbewonende soorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en winterverblijfplaats. Bij de sloop van de bebouwing kan daarom sprake zijn van verstoring en vernietiging ten aanzien van een vaste rust- of voortplantingsplaats van desbetreffende soorten (zie hoofdstuk 6).

Deelgebieden B, C en D Binnen deze deelgebieden is geen bebouwing aanwezig die geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen.

Figuur 5.23 Open stootvoegen in het clubhuis van Sportclub Westervoort (gebouw 3).

Figuur 5.24 Detailfoto van de open stootvoeg bij het clubhuis van Sportclub Westervoort (gebouw 3).

Figuur 5.25 Open stootvoegen in het clubhuis van Voetbalclub Avw’66 (gebouw 2).

Figuur 5.26 Ruimte bij dakbeschot entree gebouw (gebouw 6).

Figuur 5.27 Ruimte onder het dak van het entree gebouw (gebouw 6).

Figuur 5.28 Ruimte bij het dak van de schuur (gebouw 4).

21729.001 versie D2

22 / 51

Figuur 5.29 Overhangede kantpannen bij woning (gebouw 9) deelgebied E.

Figuur 5.30 Openingen bij de dakrand, woning (gebouw 9) deelgebied E.

Figuur 5.31 Betimmering met bij het gedeelte van de paardenstal (gebouw 10).

Verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuissoorten op de onderzoekslocatie Tijdens het veldbezoek konden de bomen op de planlocatie goed worden onderzocht op holtes door het ontbrekende bladerdek. Op basis van het veldbezoek kan geconcludeerd worden dat er geen geschikte bomen aanwezig zijn op de planlocatie, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig zijn. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen in de omliggende bebouwing aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Echter is er een boom met een mogelijk geschikte boomholte voor boombewonende soorten aangetroffen direct naast de planlocatie (zie figuur 5.13). Om vast te stellen of deze boomholte geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen moet een aanvullende boomholte inspectie uitgevoerd worden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger om te foerageren.

Wanneer de groene elementen op de planlocatie allemaal verdwijnen met de voorgenomen ingreep is het mogelijk dat er een afname is van foerageergebied van vleermuizen. Aangezien de exacte plannen van de gebiedsontwikkeling nog niet concreet zijn, is hier in dit stadium van het project nog geen definitieve uitspraak over te doen. Wanneer de definitieve plannen voor de gebiedsontwikkeling bekend zijn, moet er worden beoordeeld of er een afname van foerageergebied van vleermuizen aan de orde is (zie hoofdstuk 6). Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de planlocatie en de lijnvormige elementen buiten het plangebied niet worden aangetast door de ingreep, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.

21729.001 versie D2

23 / 51

5.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, bunzing, wezel, hermelijn, das, eekhoorn, otter en bever. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Recentelijk zijn er steenmarters waargenomen (NDFF) op de onderzoekslocatie. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Deze soort kan zich doorgaans goed handhaven in stedelijke omgevingen wanneer er voldoende verbindende groene elementen aanwezig zijn en er genoeg voedsel te vinden is. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Deelgebied A In het gebouw van de tennisvereniging heeft de afgelopen zomer (2022) een steenmarter verbleven. Er was veel stankoverlast door ontlasting wat er op wijst dat het gebouw mogelijk als vaste rust- en voortplantingsplaats werd gebruikt.

Het is niet uit te sluiten dat dit gebouw de komende seizoenen wederom gebruikt zal worden als vaste verblijfplaats. Ook de schuur naast de akker is mogelijk geschikt voor de steenmarter. Daarnaast was er een klein schuurtje ten noorden van de sportvelden van de Sportclub Westervoort waar de steenmarter mogelijk gebruik van kan maken. Deze kon tijdens het veldbezoek niet van binnen worden geïnspecteerd. Deelgebied B In het deelgebied ‘ruigte’ bevinden zich onder andere grote dichtbegroeide bramenstruiken die als foerageergebied en mogelijk ook als schuilplaats kunnen dienen voor de steenmarter (zie figuur 5.32 en 5.33). Deelgebieden C en D De akkers en sportvelden zelf bieden geen geschikt habitat voor de steenmarter. Echter, rondom de sportvelden en de akker zijn verscheidene takkenhopen aangetroffen die kunnen dienen als verblijfplaats voor de steenmarter (zie figuur 5.34).

21729.001 versie D2

24 / 51

Deelgebied E Zowel de bebouwing als het opslagterrein in dit deelgebied bieden geschikte schuilplaatsen voor de steenmarter (zie figuur 5.35 en 5.36). De grote hoeveelheden los gestorte stenen in combinatie met dicht struweel, maken deelgebied E optimaal geschikt als leefgebied voor marters. Daarnaast is er tijdens het veldbezoek mogelijk uitwerpselen van een steenmarter aangetroffen in één van paardenstallen in de kleine schuur op het terrein (zie figuur 5.37). Op basis van de huidige onderzoeksinspanning is niet uit te sluiten dat er vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van de steenmarter aanwezig zijn in dit gedeelte van de planlocatie. Om vast te stellen of de onderzoekslocatie momenteel (nog) in gebruik is door steenmarters is aanvullend onderzoek noodzakelijk (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.32 Stapel met balken en snoeiafval met daarachter dicht braamstruweel in deelgebied B.

Figuur 5.33 Dichte struiken aanwezig in deelgebied B.

Figuur 5.34

Figuur 5.35 terialen.

Figuur 5.36 Schuur op het terrein (gebouw 11).

Figuur 5.37 Uitwerpselen mogelijk van steenmarter in gebouw 11.

Opslagplaats van ma-

Takkenhoop.

Bunzing, wezel en hermelijn De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Kleine marterachtigen zijn sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden.

21729.001 versie D2

25 / 51

Deelgebied A, C en D De bebouwing en verharde delen van de planlocatie vormen geen functioneel leefgebied van de kleine marterachtigen. Ook vormen de akkers en sportvelden op zichzelf geen geschikt habitat voor deze soorten. In de randen rondom deze deelgebieden zijn groenstroken aanwezig die mogelijk worden gebruikt door kleine marters en er zijn op verschillende locaties takkenhopen aangetroffen die mogelijk kunnen dienen als verblijfplaats van deze soorten (zie figuur 5.34). Deelgebied B Dit deelgebied bestaat uit landschapselementen (ruigte en een houtwal) die met elkaar in verbinding staan. Er bevinden zich onder andere grote dichtbegroeid braamstruweel met voldoende plekken die als schuilmogelijkheden en voortplantingslocaties kunnen dienen (zie figuur 5.32 en 5.33). Deelgebied E Rondom deelgebied E is een groenstrook aanwezig die mogelijk wordt gebruikt door kleine marterachtigen en waar mogelijk verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig zijn. Daarnaast zijn er grote hopen met puin, takken en mest aanwezig achter de paardenbak en ten aan de oostkant van het terrein (zie figuur 5.38). Gezien de aanwezigheid van deze landschapselementen op de planlocatie zijn negatieve effecten voor kleine marterachtigen, als gevolg van de voorgenomen ingreep, niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.38

Hoop mest met groenafval.

Das Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het leefgebied van de das. Echter, er zijn in de afgelopen 5 jaar geen waarnemingen van de das op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf matig geschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen burchten, loop- of eetsporen, latrines en wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Eekhoorn De eekhoorn komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. Deze soort kan zich doorgaans goed handhaven in stedelijke omgevingen wanneer er voldoende verbindende groene elementen aanwezig zijn en er genoeg voedsel te vinden is. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn.

21729.001 versie D2

26 / 51

De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Tijdens het veldbezoek zijn er geen nesten van eekhoorns aangetroffen, echter is het door de geschiktheid van de onderzoekslocatie mogelijk dat er tussen het veldbezoek van deze quickscan en de werkzaamheden een eekhoorn zich vestigt in een van de bomen op de planlocatie. Het kan op dit moment dan dus ook niet worden uitgesloten dat er een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn op de planlocatie aanwezig is op het moment van de werkzaamheden. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de eekhoorn is te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Bever en otter De planlocatie biedt geen geschikt habitat voor de otter en de bever. Geschikte watergangen voor deze soorten zijn niet aanwezig op de planlocatie. Er zal met de gebiedsontwikkeling geen functioneel leefgebied van deze soorten verloren gaan. Overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking op de bever en otter is uitgesloten. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren.

Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel, vos, haas, ree en mol. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat het leefgebied van deze soorten wordt aangetast (zie hoofdstuk 6).

5.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: ringslang. Ringslang Volgens gegevens van de NDFF is de ringslang in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Ringslangen zonnen vaak op dijkjes in de buurt van water, waar ze voornamelijk jagen op amfibieën en soms andere ongewervelde dieren waaronder vis. Verder gebruiken ringslangen takkenhopen, composthopen en bladhopen, samen broedhopen genoemd, als voortplantings- en overwinteringshabitat.

21729.001 versie D2

27 / 51

Op verschillende plekken op de planlocatie zijn geschikte takken- en bladerhopen aangetroffen die mogelijk worden gebruikt door de ringslang (zie figuren 5.32, 5.38 en 5.39). Daarnaast zijn er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie (zoals in het Natura-2000 gebied Rijntakken) meerdere geschikte poelen aanwezig waar ringslangen gebruik van kunnen maken. Zo zijn er binnen circa 140 meter ten noorden van de planlocatie recent ook nog ringslangen waargenomen (NDFF). Op basis van huidige onderzoeksinspanning kan de aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen op de planlocatie niet volledig worden uitgesloten. Om overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking op de ringslang te voorkomen wordt aanvullend onderzoek als noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6).

Figuur 5.39 ringen).

Takkenhopen die mogelijk geschikt zijn als broedhoop voor ringslangen (aangegeven met oranje marke-

In de directe omgeving van de onderzoekslocatie is er geschikt habitat aanwezig, betreffende het natuurreservaat ‘Het Ambacht’. Het gedeelte van de planlocatie, aanliggend aan dit natuurreservaat, is een risicogebied voor incidenteel voorkomende individuen van de ringslang (zie figuur 5.40). Om mogelijke negatieve effecten van de werkzaamheden op de ringslang te voorkomen moeten maatregelen getroffen worden (zie hoofdstuk 6).

21729.001 versie D2

28 / 51

Figuur 5.40

Risicogebied voor beschermde amfibieën en reptielen (aangegeven in roze).

Amfibieën Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het leefgebied van de volgende streng beschermde soorten: kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Daarnaast ligt de onderzoekslocatie ook binnen het leefgebied van de algemene soorten zoals de bastaardkikker en gewone pad. In de afgelopen 5 jaar zijn er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende soorten waargenomen: poelkikker, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en rugstreeppad. De bebouwing, verharde delen, sportvelden en akkers op de planlocatie bieden geen geschikt landhabitat voor de beschermde amfibieën. Daarnaast zijn de watergangen (sloten) op de planlocatie niet geschikt als voortplantingswater voor de kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Het voortplantingsbiotoop van de kamsalamander bestaat voornamelijk uit stilstaand water met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie die niet droog mag vallen in de zomerperiode. De poelkikker is een kritische soort die een voorkeur heeft voor watergangen met voedselarm en schoon water met een goed begroeide oeverzone. Deze soort is voornamelijk te vinden in stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. De rugstreeppad is een pionierssoort die zijn voortplantingsbiotoop op dynamische/verstoorde zandrijke grond heeft.

De sloten die binnen de planlocatie liggen zijn wel geschikt als voortplantingsplaats voor de algemene amfibieensoorten. Voor de te verwachten algemene soorten geldt op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Echter, wanneer er werkzaamheden aan de watergangen plaatsvinden is het wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 6).

21729.001 versie D2

29 / 51

In de directe omgeving van de onderzoekslocatie, betreffende het natuurreservaat ‘Het Ambacht’, is er wel geschikt habitat aanwezig voor de kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Het gedeelte van de planlocatie, aanliggend aan dit natuurreservaat, is een risicogebied voor incidenteel voorkomende individuen van de bovengenoemde beschermde amfibieënsoorten (zie figuur 5.40). Er dient rekening gehouden te worden met migrerende beschermde amfibieën die tijdens deze migratieperiode tijdelijk op de planlocatie kunnen voorkomen. Doding en/of verwonding van de kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad door de werkzaamheden op de planlocatie kan voorkomen worden door maatregelen te treffen (zie hoofdstuk 6). Vissen Er zijn slechts enkele zoetwatervissoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komt de grote modderkruiper voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Mogelijk bieden de sloten aanliggend aan de akkers geschikt leefgebied voor de grote modderkruiper (zie figuur 5.41). De andere sloten op de planlocatie bieden geen geschikt habitat voor beschermde vissoorten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=5868a421-a30e-4b09-9eb7-a68b0cfa85b7