A06-20250127-03-vka-coll-instemming-zienswijze-startdocument-rivierklimaatpark-bijlage-2-startdocumentdf
Tekst van het document
Figuur 4.24 Wandelpaden door het hele gebied
Grote delen van het gebied zijn in deze variant toegankelijk voor wandelaars. Dit betreft extensieve recreatie op onverharde wandelpaden. Er is een zo continu mogelijke wandelroute langs de IJssel en onderlangs de dijk, inclusief meerdere verbindingen daartussen.
41/63
Op de dijk is een continue fietsroute, waar dit niet mogelijk is loopt het fietspad door de uiterwaard. Er wordt in deze variant een aantal kleinere entrees ontwikkeld (dijkovergangen). De precieze locatie van routes moet nog nader ontworpen worden, de aanduiding op kaart is indicatief.
Variant 2. Zonering De andere variant maakt gebruik van zonering. Er wordt ingezet op kortere ommetjes. Delen van het gebied zijn in deze variant toegankelijk voor wandelaars. Andere delen van de uiterwaard zijn minder toegankelijk (geen paden) of volledig afgesloten voor wandelaars (geen toegang) in verband met aanwezige natuurwaarden. De precieze locatie van routes wordt bepaald op basis van de aanwezige natuurwaarden, de routes op kaart zijn nog nader uit te werken.
Figuur 4.25 Zonering
4.10
Grote gebiedsentrees
Onderdeel van het VKA is de realisatie van 5 hoofdentrees naar het gebied. Voor deze hoofdentrees zijn al locaties vastgelegd. Het gaat om entrees bij: • Westervoort, Veerdam • Arnhem, Fort Westervoort • • •
Terrein de Groot Rhederlaag, Koestraat Rheden
42/63
Figuur 4.26 Locatie hoofdentrees in het VKA
Per entree zijn de volgende recreatieve voorzieningen voorzien: • 20 verharde autoparkeerplaatsen • 40 fietsparkeerplaatsen •
Recreatief rustpunt
De uitwerking van de entree bij Terrein de Groot is verbonden met de particuliere ontwikkeling van OmRo en wordt in samenwerking met deze partij uitgewerkt. De uitwerking van de entree Koestraat werken we in samenhang met de inrichting van de Koestraat en Marsweg uit. Voor drie entrees is een eerste uitwerking gemaakt. Het betreft de entree bij Westervoort (3 varianten), bij Fort Westervoort (2 varianten) en bij Rheden (1 variant). Varianten gebiedsentree Westervoort In variant 1 wordt de huidige afrit behouden met hierlangs parkeerplekken (buitendijks). In variant 2a wordt het binnendijks gelegen kavel tegen de dijk aan benut voor de entree. In variant 2b wordt een naastgelegen perceel ingezet voor het parkeerterrein.
43/63
Figuur 4.27 Variant 1 Westervoort: Buitendijks
Figuur 4.28 Variant 2a Westervoort: Binnendijks
Figuur 4.29 Variant 2b Westervoort: Binnendijks
44/63
Varianten gebiedsentree Fort Westervoort In variant 1 wordt het parkeren ingepast bij het fort. Bij variant 2 wordt de entree gecombineerd met de landwinkel.
Figuur 4.30 Variant 1 Fort Westervoort
Figuur 4.31 Variant 2 Fort Westervoort
Variant gebiedsentree Rheden Voor Rheden zijn geen varianten ontwikkeld. Parkeren is hier getekend in het verkeersknooppunt, de precieze locatie kan nader bepaald worden.
45/63
Figuur 4.32 Variant 1 Rheden
46/63
5 Integrale beoordeling van de varianten en voorkeursvariant 5.1
Van te onderzoeken varianten naar een voorkeursvariant
In figuur 5.1 is schematisch weergegeven hoe we tot een keuze komen voor een voorkeursvariant. We lichten het hieronder nader toe. Uitwerking varianten tot schetsontwerp Na vaststelling van het startdocument werken we de in hoofdstuk 4 beschreven varianten een stap verder uit tot op het niveau van een schetsontwerp. Vervolgens beoordelen we deze varianten met behulp van een integraal beoordelingskader, zie paragraaf 5.2. Dat doen we in twee stappen: Integrale beoordeling stap 1 Op basis van beschikbare informatie en kennis voeren we een eerste integrale (effect)beoordeling uit om inzicht te krijgen in de effecten van de verschillende varianten (ronde 1 in figuur 5.1). Daarbij betrekken we het advies van de Commissie mer dat in de zomer van 2024 is uitgebracht. Integrale beoordeling stap 2 en variantennota In de tweede stap werken we waar nodig de varianten verder uit en doen we een nadere beoordeling (ronde 2 in figuur 5.1). Daarbij betrekken we de aandachtspunten vanuit de participatie (Nota van Antwoord) en de stuurgroep. De resultaten rapporteren we in een variantennota. Niet voor alle maatregelen zijn nog onderscheidende hoofdkeuzes te maken. Voor enkele maatregelen, zoals het beleefbaar maken van cultuurhistorische elementen, geldt dat de inrichting en vormgeving in de volgende fase (verder uitwerken en optimaliseren van de voorkeursvariant) plaatsvindt.
Keuze voorkeursvariant Op basis van de beoordeling maken de stuurgroep en de bevoegde gezagen een keuze voor een voorkeursvariant. Deze is samengesteld uit verschillende beoordeelde varianten. Daarbij kunnen verschillende onderdelen uit varianten met elkaar gecombineerd worden, om zo tot de optimale invulling te komen. Verdere uitwerking van de voorkeursvariant De voorkeursvariant werken we vervolgens verder uit tot een gedetailleerd ontwerp, waarna een gedetailleerde effectbeoordeling volgt. De milieueffecten rapporteren we in het milieueffectrapport. Het vergunbaar ontwerp (definitief) ligt ten grondslag aan de diverse besluiten en vergunningen.
47/63
Figuur 5.1 Proces totstandkoming voorkeursvariant
48/63
5.2
Integrale beoordeling
Figuur 5.2 Integraal beoordelingskader
Figuur 5.2 laat zien op welke onderdelen we de varianten beoordelen. De milieueffecten rapporteren we uitgebreid in een milieueffectrapport, in hoofdstuk 6 gaan we daar verder op in. We beoordelen de varianten eerst los en vervolgens beschouwen we de raakvlakken met en effecten op andere varianten. Waar nodig om een goede effectbeoordeling te kunnen doen, maken we samengestelde varianten. Daarbij combineren we verschillende maatregelen met elkaar. Dit is bijvoorbeeld van belang voor rivierkundige effecten, zoals waterstandsdaling.
49/63
Denk aan het combineren van een bepaald type geul in één deelgebied met een bepaalde mate van kadeverlaging in een ander deelgebied om het effect op waterstandsdaling te kunnen bepalen. In de verkenningsfase is in het opgestelde plan-MER het doelbereik (de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt) van het voorkeursalternatief aangegeven. Hierbij is geconstateerd dat het voorkeursalternatief (sterk) positief of neutraal scoort op bijna alle doelen. Het kan zijn dat na uitwerking van de varianten blijkt dat deze verschillen in de mate waarin de doelen worden bereikt. De varianten beoordelen we daarom opnieuw op doelbereik. Voor de bestuurlijke afweging om de voorkeursvariant samen te stellen moeten keuzes worden gemaakt welke doelen in welk geval het zwaarst wegen. In dat kader beoordelen we waar verdere kwantificering van de doelen helpt om de afwegingen te kunnen maken, hoe we omgaan met eventuele conflicterende doelen en op welke wijze de keuzes zijn gemaakt. De ambitie is om het Rivierklimaatpark zoveel mogelijk circulair te ontwikkelen. Een circulaire economie draait om het behouden van de waarde van producten, onderdelen en grondstoffen. Zoveel mogelijk circulair ontwikkelen betekent bijvoorbeeld dat we materialen hergebruiken en tweedehands objecten toepassen. We brengen daarom per variant de mogelijkheden voor circulaire toepassingen in beeld.
50/63
6 Milieueffecten (milieueffectrapport) 6.1
Milieueffectrapportage
In de besluiten maken we activiteiten mogelijk waarvoor milieueffectrapportage (mer) aan de orde is. Bijvoorbeeld de aanplant van bos, wijzigingen in/aan een vaarweg en haven en de herinrichting van de uiterwaarden. Een mer brengt de milieueffecten van een project in beeld. De verwachte gevolgen beschrijven we in een milieueffectrapport (MER). Het doel van milieueffectrapportage is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De mer-procedure is geregeld in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit. Voor Rivierklimaatpark IJsselpoort zijn de besluiten en procedures waarvoor we een MER opstellen volgens de huidige inzichten: 1. Provinciaal projectbesluit voor uiterwaarden Westervoort 2. 3. 4.
Provinciaal projectbesluit voor Koppenwaard Rijks projectbesluit voor IJssel en Oevers Gemeentelijk (Rheden) omgevingsplan voor voormalig Terrein De Groot en omgeving
Vanwege de samenhang tussen de verschillende deelgebieden kiest het programma Rivierklimaatpark IJsselpoort voor één MER voor het hele gebied, dus voor alle deelgebieden tezamen. Zo maken we de milieueffecten inzichtelijk van het totale programma. Dit MER ligt ten grondslag aan de ruimtelijke plannen en vergunningen voor de afzonderlijke deelgebieden.
6.2
Aanpak op hoofdlijnen
Eerder in de verkenningsfase is er een zogenoemd plan-MER opgesteld ten behoeve van de keuze voor het voorkeursalternatief. Dit plan-MER uit 2020 bracht de onderscheidende effecten tussen de kansrijke alternatieven in beeld voor de verkenningsfase. Het plan-MER leverde daarmee input voor de keuze van het voorkeursalternatief. In het MER dat we nu gaan opstellen, rapporteren we de milieubeoordeling van de varianten uit hoofdstuk 4 en de beoordeling van de voorkeursvariant. In dit hoofdstuk is te lezen welke milieuaspecten we gaan onderzoeken in het MER. Het MER is gericht op een gedetailleerde, waar nodig kwantitatieve effectbeoordeling van de varianten én van de voorkeursvariant, voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase. Het MER beschrijft de gehanteerde methoden en de informatie die we hierbij gebruiken. Ook gaat het MER in op mitigerende maatregelen en noodzakelijke compensatie. Tot slot gaan we in op eventuele ontbrekende informatie (leemten in kennis) en geven we een aanzet voor monitoringsmaatregelen. De aanbevelingen van de Commissie mer uit haar toetsingsadvies op het plan-MER uit de verkenningsfase (zie bijlage 3) nemen we mee in het onderzoek.
51/63
6.3
Effecten ten opzichte van de referentiesituatie
In het MER onderzoeken en beoordelen we de milieueffecten van de varianten en de voorkeursvariant ten opzichte van de referentiesituatie. Dit is de situatie die naar verwachting ontstaat als het programma Rivierklimaatpark IJsselpoort niet wordt gerealiseerd. De referentiesituatie bevat: 1. De huidige situatie (met uitzondering van illegale activiteiten) 2. 3.
Autonome ontwikkelingen: dit zijn ontwikkelingen waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden, die concreet zijn en die op korte termijn worden gerealiseerd Trendmatige ontwikkelingen zoals bevolkingsgroei en klimaatveranderingen
Daarnaast zijn er ontwikkelingen die nog niet als autonoom beschouwd kunnen worden, maar wel een raakvlak hebben met het programma Rivierklimaatpark IJsselpoort. Relevante ontwikkelingen (autonoom of raakvlak) zijn onder andere: • •
Aanleg van een overnachtingshaven in de Valeplas bij Giesbeek: de status van dit project is in verband met het stikstofdossier onduidelijk Insteekhaven K3Delta bij Arnhem: K3 heeft een laad- en loswal op Rhederlaag. Het Integraal gebiedsoverleg Rhederlaag (IGOR) voorziet hier in de toekomst recreatieve ontwikkeling. In de Intergemeentelijke Structuurvisie is dit nog niet opgenomen. De vraag of het terrein al dan niet recreatief ontwikkeld gaat worden, komt komende jaren op de agenda
•
Dijkversterking dijkring 48-1 op het traject Pannerden – Westervoort (A12) (deelgebied Westervoort): parallel lopend project waarbij het streven is om een samenloop tussen beide projecten te creëren
•
Westervoort - Noord: Binnendijkse woningbouwontwikkeling ten oosten van de spoorbrug in Westervoort. Een deel van de geplande woningbouw bevindt zich binnen de geluidscontour van het bedrijf Struyk Verwo, dat binnen het projectgebied van Rivierklimaatpark IJsselpoort
•
ligt Duurzame energie in de uiterwaarden (gemeente Rheden) (deelgebied Noordelijke Uiterwaarden): in het beleidskader Energie en Landschap geeft de gemeente Rheden speelruimte voor initiatieven op het gebied van duurzame energie. Op dit moment is dit nog onvoldoende concreet om rekening mee te kunnen houden, maar dit kan de komende jaren anders worden en heeft daarom onze aandacht
•
Dijkversterking dijkring 48-2 (deelgebied Koppenwaard): deze dijkversterking is verkend door het Waterschap Rijn en IJssel. Uit deze trajectaanpak bleek een grote dijkversterkingsopgave tussen de A12 en het begin van de Koppenwaardse dam. Raakvlakken zijn er vanwege het mogelijk gebruikmaken van vrijkomende materialen en vanwege het effect van de waterstandsdaling voor mogelijke besparingen op de dijkversterking
Tot slot is van belang dat er een ontwerp-wijzigingsbesluit is vastgesteld voor uitbreiding van het Natura2000-gebied Rijntakken met stukken Habitatrichtlijngebied. Dit heeft mogelijk consequenties voor de effecten op N2000 en de eventuele compensatieopgave. In het MER werken we dit nader uit.
52/63
Figuur 6.1 Uitbreiding habitatrichtlijngebied Rijntakken (HR,lichtgroen gearceerd2)
6.4
Beoordeling op zevenpuntschaal
Het MER beschrijft en beoordeelt eerst de milieueffecten van de varianten per maatregel en van de maatregelen waarvoor geen varianten zijn opgesteld. In ieder geval kijken we voor rivierkunde en mogelijk ecologie (N2000-gebieden) naar het gebied als totaal, omdat de effecten van de varianten in de verschillende deelgebieden elkaar op deze aspecten kunnen versterken. Daarna, als de voorkeursvariant is samengesteld en gedetailleerd is uitgewerkt, beoordelen we deze gedetailleerder op effecten. De effecten beoordelen we met plussen en minnen op een zevenpuntschaal ten opzichte van de referentiesituatie (zie tabel 6.1). Zo kunnen we ook kleine verschillen in effecten inzichtelijk maken. Tabel 6.1 Beoordelingsschaal effecten ten opzichte van de referentiesituatie Waardering effecten
6.5
Omschrijving
+++
Sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
++
Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
+
Licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
0
Niet of nauwelijks effect / neutraal ten opzichte van de referentiesituatie
-
Licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
--
Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
---
Sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
Beoordelingscriteria milieueffecten
Het MER beschouwt grotendeels dezelfde thema’s, aspecten en effecten als het plan-MER uit de verkenningsfase, maar dan concreter en voor bepaalde criteria meer kwantitatief (cijfermatig). We maken in de onderzoeken gebruik van geldende kaders en richtlijnen, zoals de Handreiking MIRTmer.
2
De afkorting VHR in figuur 6.1 staat voor vogel- en habitatrichtlijngebied, VR staat voor vogelrichtlijngebied.
53/63
Het gaat om effecten in de gebruiksfase en de aanlegfase. We maken in de beschrijvingen expliciet onderscheid tussen negatieve en positieve effecten. Deze presenteren we afzonderlijk, en worden dus niet ‘gemiddeld’ tot een totaalscore voor het betreffende thema. Tabel 6.2 Overzicht van beoordelingscriteria voor alle thema's Thema
Aspect
Beoordelingscriteria/ effecten op
Methode
Gebruikswaarde
Kwalitatief op basis van expert judgement
Ruimtelijke kwaliteit
Ruimtelijke kwaliteit
Belevingswaarde
Kwalitatief op basis van expert judgement
Toekomstwaarde
Kwalitatief op basis van expert judgement.
Hoogwaterstanden
Varianten: kwalitatief op basis van expert judgement ondersteund met kennis uit bestaande berekeningen,
Hoogwaterveiligheid
Voorkeursvariant (VKV): kwantitatief met modelberekeningen. Effect op waterkering door wijziging stabiliteit kering, risico op piping, risico op schade door bevers Rivierkunde
Afvoerverdeling splitsingspunt Frequentie waarin uiterwaarden onder water staan Hinder en schade door
Stroombeeld in uiterwaard en
hydraulische effecten
vaarweg Afvoerverdeling splitsingspunt bij laagwater
Morfologie
Morfologie (aanzanding/erosie)
Varianten: kwalitatief op basis
zomerbed en uiterwaarden
van expert judgement (en evt modelberekening), VKV: kwantitatief met modelberekeningen
Scheepvaart
Baggerlast en bevaarbaarheid als
Varianten: kwalitatief op basis
Scheepvaart
gevolg van sedimentatie/erosie
van expert judgement, VKV:
(aanvullend aan
vaargeul
kwantitatief met
rivierkunde)
modelberekeningen. Stroombeeld in vaarweg en
Varianten: kwalitatief op basis
dwarsstroming vaargeul
van expert judgement, VKV:
54/63
Thema
Aspect
Beoordelingscriteria/ effecten op
Methode kwantitatief met modelberekeningen
N2000-gebieden
Kwantitatief (berekeningen oppervlakte beïnvloed gebied en berekeningen stikstofdepositie), expert judgement (interpretatie van de berekeningen), kwalitatieve beoordeling op basis van beheerplannen en
Beschermde gebieden
kennisdocumenten.
Ecologie Gelders Natuurnetwerk (GNN) en
Kwantitatief (berekeningen
Groene Ontwikkelingszone (GO)
oppervlakte beïnvloed gebied, eventuele compensatieopgave) en kwalitatief op basis van beschikbare informatie.
Effecten op houtopstanden
Kwantitatief (af- of toename aantal bomen)
Weidevogelgebieden en
Kwantitatief (op basis van
ganzenrustgebieden
oppervlakte beïnvloed gebied) en kwalitatief op basis van beschikbare informatie.
Aanwezigheid van Oude
Kwantitatief op basis van
bosgroeiplaatsen
kaartmateriaal Omgevingsverordening Gelderland
Beschermde soorten planten en
Kwantitatief (waar mogelijk) en
Beschermde soorten
dieren
kwalitatief op basis van jaarrond
Rode lijstsoorten
Rode lijstsoorten (niet beschermd)
veldonderzoek. Kwantitatief (waar mogelijk) en kwalitatief op basis van beschikbare gegevens Biodiversiteit
Soortenrijkdom
Kwalitatief op basis van expert judgement en waar mogelijk kwantitatief op basis van beschikbare gegevens.
55/63
Thema
Aspect
Beoordelingscriteria/ effecten op
Methode
Aantasting of versterking visuele
Kwalitatief op basis van expert
kwaliteit
judgement, veldbezoek en beleidsdocumenten
Landschap
Landschap,
Landschappelijke waarden
Kwalitatief op basis van expert
cultuurhistorie en
(gebiedskarakteristiek,
judgement, veldbezoek en
archeologie
landschappelijke lijnen en
beleidsdocumenten.
elementen), aardkundige waarden (geomorfologie) Cultuurhistorie
Effect op historisch-bouwkundige- en
Kwalitatief op basis van expert
geografische waarden
judgement, veldbezoek en beleidsdocumenten
Archeologie
Effect op archeologische waarden
Kwalitatief o.b.v.
(vondsten, sporen structuren en
bureauonderzoek en eventuele
verwachtingswaarden).
aanvullende veldonderzoeken.
Invloed op woonkwaliteit en
Kwantitatief (oppervlakte- en/of
bedrijfsvoering
doorsnijdingsberekeningen), kwalitatief op basis van expert
Woon- en werkfunctie
judgement.
Landbouwfunctie en - structuur
Kwantitatief (oppervlakte- en/of doorsnijdingsberekeningen),
Landbouw
kwalitatief op basis van expert judgement. Bestaande recreatieve functies
Kwantitatief (oppervlakte- en/of doorsnijdingsberekeningen),
Recreatiefunctie
kwalitatief op basis van expert judgement.
Woon-, werk – en
Mogelijkheden voor nieuwe recreatie
leefmilieu
(water, verblijf, routes) Geluidbelasting (gebruiksfase)
Kwalitatief Kwantitatief waar nodig (bv in geval van aanpassing van
Leefomgeving
wegen), kwalitatief waar het kan. Luchtkwaliteit
Kwalitatief
Tijdelijke hinder aanlegfase (geluid,
Kwalitatief op basis van kentallen
trillingen)
en expert judgement
56/63
Thema
Aspect
Beoordelingscriteria/ effecten op
Methode
Sociale veiligheid
Kwalitatief op basis van expert
Veiligheid
judgement Externe veiligheid
Kwalitatief op basis van expert judgement
Gezondheid
Gezondheid
Waterkwantiteit
Verandering kwel, inzijging en
Kwalitatief op basis van expert judgement Kwantitatief (grondwatermodel)
grondwaterstanden achterland
Waterkwaliteit
Veranderingen
Kwalitatief en kwantitatief
oppervlaktewatersysteem
(compensatieopgave)
(grond)waterkwaliteit
Kwalitatief op basis van beschikbare informatie en resultaten modelberekeningen
Water
Ecologische waterkwaliteit in relatie
Kwantitatief: lengte geul en
tot KRW-doelen
lengte natuurvriendelijke oevers (NVO). Kwalitatief op basis van expert judgement
Oppervlaktewaterkwaliteit
Kwalitatief op basis van expert
(Rhederlaag)
judgement, en kwantitatief op basis van jaarrond waterkwaliteitsonderzoek
Beschermde gebieden
Grondwaterbeschermingsgebieden
(Water)bodemkwaliteit
Effect op (water)bodemkwaliteit
Verkeershinder
Verkeershinder aanlegfase
Kwalitatief op basis van beschikbare informatie
Bodem en ondergrond
Kwalitatief op basis van beschikbare informatie Kwalitatief op basis van expert judgement
Verkeer
Verkeersveiligheid
Verkeersafwikkeling
Toekomstbestendigheid Duurzaamheid en toekomstbestendigheid
Verkeersveiligheid gebruiksfase en
Kwalitatief op basis van expert
aanlegfase
judgement
Verkeersafwikkeling en
Kwalitatief op basis van
bereikbaarheid in aanleg- en
beschikbare informatie en expert
gebruiksfase
judgement
Mate waarin maatregelen robuust en
Kwalitatief op basis van expert
adaptief zijn
judgement
CO2 reductie
Kwalitatief en kwantitatief (MKI-
Duurzaamheid
berekening) Circulariteit
Kwalitatief berekening grondbalans en mede op basis van expert judgement
57/63
6.6
Nadere toelichting per thema
Deze paragraaf geeft per thema een nadere toelichting op hoe de effectbeoordeling in het MER plaatsvindt. Deze paragraaf moet in samenhang met de tabel worden gelezen. Ruimtelijke kwaliteit In het MER beschrijven we de effecten van de varianten op de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij is het belangrijk te vermelden dat ruimtelijke kwaliteit één van de doelen is van het project. Dit betekent dat bij elke ingreep uitgegaan wordt van het streven naar verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In het MER maken we onderscheid tussen gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. • Gebruikswaarde: bruikbaarheid en functionele samenhang • •
Belevingswaarde: aanpasbaarheid, duurzaamheid en beheerbaarheid Toekomstwaarde: diversiteit, identiteit en schoonheid
Bij de beoordeling maken we gebruik van het opgestelde ruimtelijk perspectief, zie bijlage 4. In paragraaf 4.1 van dit startdocument is een beschrijving van het doel van het ruimtelijk perspectief opgenomen. Rivierkunde We toetsen aan de volgende beoordelingsaspecten: •
Hoogwaterveiligheid: Effect op waterstand in de rivieras en buiten de rivieras bij extreme (maatgevende) afvoer Effect op afvoerverdeling splitsingspunten IJsselkop en Pannerdensche Kop bij extreme
-
afvoer en bij hoge afvoer. Het functioneren van het regelwerk Hondsbroeksche Pleij speelt hier een belangrijke rol Voor de varianten gebeurt de beoordeling op basis van expert judgement,ondersteund met kennis uit eerder uitgevoerde modelberekeningen op basis van het voorkeursalternatief. De voorkeursvariant rekenen we door met een actueel rivierkundig model
-
•
Vergraving van de uiterwaarden, zoals voor de aanleg van een geul, kan leiden tot effecten op de stabiliteit van de waterkering en een toename van het risico op piping. In het MER beschrijven we deze effecten op basis van expert judgement. Ook gaan we na
of de kans op schade aan de waterkering toeneemt door wijziging van de beverpopulatie als gevolg van de gebiedsontwikkeling Hinder en schade door hydraulische effecten: -
Verandering in het aantal keren dat de uiterwaarden overspoelen Effect op het stroombeeld in uiterwaard en vaarweg (dwarsstroming). Dit thema komt ook terug bij scheepvaart
-
Effect op afvoerverdeling bij laagwater Voor de varianten gebeurt de beoordeling op basis van expert judgement ondersteund met kennis uit bestaande berekeningen; de voorkeursvariant rekenen we door met een actueel rivierkundig model
58/63
•
Morfologie zomerbed en uiterwaarden: -
Sedimentatie en erosie van de zomerbedbodem van de IJssel. Dit is relevant voor de beoordeling van (i) de stabiliteit en werking van waterbouwkundige constructies en oevers en (ii) effecten op vaargeulonderhoud en scheepvaartknelpunten (zie scheepvaart). Voor de varianten bepalen we de mate van sedimentatie/erosie in het zomerbed op basis van expert judgement en indien nodig met een modelberekening. Het VKV rekenen we door met een actueel rivierkundig model
-
Mate van erosie en sedimentatie in de uiterwaarden vanwege stabiliteit van de waterkering (bij erosie) en waterstaatswerken en beheer en onderhoud (bij sedimentatie). Dit gebeurt voor de varianten en de voorkeursvariant kwalitatief
Scheepvaart De IJssel is een belangrijke schakel in het transport over water (bijvoorbeeld als verbinding met het Twentekanaal) en moet voldoende bevaarbaar blijven. We toetsen aan de volgende aspecten: • Effect van sedimentatie/erosie in het zomerbed op bevaarbaarheid en baggerlast door ingrepen in de oeverzone (bijvoorbeeld natuurvriendelijke oevers en uiterwaarden). We analyseren of bestaande scheepvaartknelpunten wel of niet erger worden, en of er nieuwe knelpunten ontstaan. Langetermijneffecten met betrekking tot sedimentatie en erosie in het
•
zomerbed en afvoerverdeling op het splitsingspunt berekenen we indien nodig (en in overleg met de rivierbeheerder) met een rivierkundig model Effect op stroombeeld in vaarweg en dwarsstroming vaargeul, zie rivierkunde
Ecologie Beschermde gebieden N2000 We kijken naar blijvende en naar tijdelijke effecten op Natura2000-gebieden in het plangebied en de omgeving. Daarbij maken we onderscheid in directe effecten (ruimtebeslag) en indirecte effecten (onder andere verstoring door geluid en licht, stikstofdepositie). Als niet kan worden uitgesloten dat de varianten negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden stellen we een zogenoemde Passende Beoordeling op waarin we gedetailleerder ingaan op de te verwachten effecten.
59/63
Figuur 6.2 Natura 2000 gebieden in en om het plangebied
Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) Voor GNN en GO beschrijft het MER de effecten op de voorkomende natuurbeheertypen en/of habitats en op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen op basis van een berekening van de oppervlakte beïnvloed gebied inclusief de eventuele compensatieopgave (alleen van toepassing voor GNN). Daarnaast beoordelen we kwalitatief de samenhang en kwaliteit in deze gebieden. Daarbij maken we onderscheid in directe effecten (ruimtebeslag) en indirecte effecten (verstoring door geluid en licht, stikstofdepositie).
60/63
Figuur 6.3 Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen) in het plangebied en de omgeving
Houtopstanden en oude bosgroeigebieden Het MER beschrijf het oppervlakteverlies of de oppervlaktewinst per variant door een berekening van de af- of toename van het aantal bomen. Ook brengen we de eventuele compensatieopgave in beeld. Weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden We analyseren het effect op weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden in het MER op basis van een berekening van de oppervlakte beïnvloed gebied en een kwalitatieve beoordeling van de gevolgen hiervan. Beschermde soorten en rode lijst soorten Het MER beschrijft de effecten op de beschermde soorten planten en dieren op basis van bureauonderzoek en veldonderzoek. We onderzoeken welke invloed de varianten hebben op de staat van instandhouding van de betreffende soorten. Het gaat daarbij om negatieve, maar óók juist positieve effecten als gevolg van de herontwikkeling van het gebied.
61/63
Het MER gaat in op mitigerende maatregelen om de negatieve effecten te beperken en op eventueel benodigde compenserende maatregelen. Het MER beschrijft daarnaast de effecten op rode lijstsoorten. Rode lijstsoorten zijn soorten die dreigen te verdwijnen. Deze soorten zijn niet altijd beschermd. Biodiversiteit Bij biodiversiteit gaat het om de soortenrijkdom in het gebied, ofwel het aantal verschillende soorten planten en dieren. Het MER beschrijft het effect op biodiversiteit kwalitatief op basis van expert judgement en waar mogelijk kwantitatief (aantal soorten per eenheid). Landschap, cultuurhistorie en archeologie Het MER geeft een beeld van de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het plangebied, waarbij we ingaan op de historische ontwikkeling die het gebied heeft doorgemaakt als context voor de voorgestelde gebiedsontwikkeling. We houden daarbij rekening met de nieuwe landschapsregels uit de provinciale verordening, waarin onder andere kernkwaliteiten zijn aangewezen. De archeologische waarden (vondsten, sporen structuren en verwachtingswaarden) in het plangebied brengen we in beeld aan de hand van archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek. Woon- werk – en leefmilieu Het MER beoordeelt de effecten op het woon- en leefmilieu aan de hand van verschillende aspecten.
Als gevolg van de voorgenomen activiteit is het streven om bedrijven een meer duurzaam bestaan te bieden, maar er bestaat ook de mogelijkheid van mogelijke aantasting van percelen, bedrijfsvoering of het zicht vanaf woningen. Bovendien kan de ontwikkeling zowel negatieve effecten hebben op bestaande recreatieve waarden als de recreatieve functie van het gebied versterken. Veranderingen in het gebruik kunnen ook gevolgen hebben voor geluid en luchtkwaliteit. Ook kunnen er tijdelijke effecten optreden op het woon- en leefmilieu, zoals geluidshinder, veranderingen in de luchtkwaliteit, verkeershinder en trillingen als gevolg van graafwerkzaamheden en het transport van grond. Deze effecten beschrijven we in het MER kwalitatief. Gezondheid kan negatief worden beïnvloed door hinder en positief door ontwikkeling van groen en mogelijkheden voor recreatie. Ook dit beschouwen we in het MER. Water De gebiedsontwikkeling leidt tot effecten op het grond- en oppervlaktewatersysteem (kwantiteit) en mogelijk ook op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit in het plangebied. We kijken naar de waterkwaliteit, waarbij specifieke aandacht is voor de waterkwaliteit in het Rhederlaag. Daarnaast onderzoeken we wat het effect is op de ecologische waterkwaliteit in relatie tot de KRW-doelen, .
Ook gaan we in op mogelijke veranderingen in grondwaterstromen en op eventuele nat- of droogteschade voor gebruiksfuncties, zoals de landbouw. Het gaat bij het aspect water om blijvende én tijdelijke effecten. We houden rekening met seizoensverschillen.
62/63
Bodem en ondergrond Het MER brengt de bestaande kwaliteit van de bodem en waterbodem in beeld aan de hand van beschikbare onderzoeken. Verder geeft het MER aan of er bij ingrepen in de (water)bodem sprake is van de noodzaak voor sanering of afvoer van grond. Verkeer Met name in de aanlegfase kan er sprake zijn van verkeershinder. Verder kan de verkeersveiligheid wijzigen in de aanleg- en gebruiksfase, door gewijzigde verkeersstromen en door gewijzigde weginrichting (profiel) en vormgeving aansluitingen (kruisingen). Het MER beschrijft daarnaast eventuele veranderingen in de bereikbaarheid van bedrijven en voorzieningen in de aanlegfase en de gebruiksfase en gaat in op de verkeersafwikkeling in de aanlegfase. Duurzaamheid en toekomstbestendigheid Het MER beoordeelt de varianten op de mate van duurzaamheid. Hierbij kijken we naar CO2-reductie en de mogelijkheden tot hergebruik van grondstoffen en materialen (circulariteit) binnen de ontwerpen. Daarnaast zoomen we in op de toekomstbestendigheid van de varianten, waarbij we kijken hoe robuust en adaptief de voorgenomen maatregelen zijn.
63/63
Bijlage 1
Begrippen en afkortingen
Afvoerverdeling
Verdeling van het water dat een rivier meevoert naar zee dat wordt uitgedrukt in kubieke meters per seconde.
Autonome ontwikkelingen
Ontwikkelingen en activiteiten die met enige zekerheid zullen plaatsvinden, ook al gaat de voorgenomen activiteit niet door.
Bevoegd gezag
De overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor het nemen van besluiten of het afgeven van vergunningen. Het coördinerend bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat de samenhangende besluitvorming organiseert.
Commissie voor de
Onafhankelijke commissie die het bevoegd gezag adviseert over de reikwijdte
milieueffectrapportage
en detailniveau van het milieueffectrapport en de kwaliteit daarvan beoordeelt.
(Commissie mer) Duiker
Een koker die watergangen met elkaar verbindt, vaak gelegen in wegen of dammen.
Erosie
Het proces van slijtage van een vast oppervlak waarbij materiaal wordt verplaatst of geheel verdwijnt.
Houtopstanden
Zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend.
IGOR
Afkorting voor 'Integraal gebiedsoverleg Rhederlaag’’
Integraal
Een raamwerk voor het beoordelen van projecten of plannen waarin verschillende
beoordelingskader
aspecten, zoals milieu, kosten en omgevingseffecten, worden geïntegreerd.
Intergemeentelijke
Een plan opgesteld door meerdere gemeenten waarin de ruimtelijke ontwikkeling
structuurvisie
van een regio wordt beschreven.
KRW-doelen
Doelstellingen die voortvloeien uit de Europese Kaderrichtlijn Water, gericht op het realiseren en behouden van chemisch schoon en ecologisch gezond oppervlaktewater en grondwater. De EU-lidstaten moeten deze 'goede toestand' uiterlijk in 2027 realiseren.
Kwelgeul
Een geul in de bodem die gevoed wordt door grondwater.
Masterplan
Een uitgebreid plan of strategie voor de ontwikkeling van een gebied, vaak voor de middellange termijn en met een brede scope.
Mer-plicht
De verplichting om een milieueffectrapportage uit te voeren voor bepaalde projecten, aangegeven in het Omgevingsbesluit.
Milieueffectrapport (MER)
Een rapport dat de verwachte milieueffecten van een voorgenomen project, inclusief mogelijke alternatieven en/of varianten, in kaart brengt.
Morfologie
De wetenschap die zich bezig houdt met de vormen van het aardoppervlak en de processen die bij het ontstaan daarvan een rol spelen.
MIRT
Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport.
MIRT-systematiek
In het MIRT werken Rijk, decentrale overheden, maatschappelijke organisaties en bedrijven samen om de concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid van
Nederland duurzaam te ontwikkelen. MIRT beslaat het proces van het bepalen van de opgave tot en met de realisatie. Natuurinclusieve
Een vorm van landbouw die zich richt op het integreren van natuurlijke processen
landbouw (NIL)
en biodiversiteit in agrarische activiteiten.
Natuurvriendelijke oevers
Oevers van waterlopen die op een natuurlijke en ecologisch verantwoorde manier zijn vormgegeven, ter bevordering van biodiversiteit en natuurlijke processen.
Natura-2000 gebied
Een gebied binnen de Europese Unie dat vanwege de aanwezige natuurwaarden en biodiversiteit is aangewezen en beschermd onder de Natura 2000-richtlijn.
Nota van Antwoord (NvA)
Een document waarin een overheidsinstantie reageert op ontvangen zienswijzen en eventuele aanpassingen in een plan of besluit toelicht.
Nota voorkeursvariant
Een document waarin de keuze voor de voorkeursvariant binnen een project wordt gemotiveerd en toegelicht.
Omgevingsplan
Een integraal plan dat de gemeentelijke regels voor activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving bevat.
Omgevingswet
Wet over de fysieke leefomgeving
Ontwateringssloot
Een gegraven watergang die dient om overtollig water af te voeren en het grondwaterpeil te reguleren.
Plangebied
Het gebied waarop een ruimtelijk plan of project van toepassing is.
Projectbeslissing
Een besluit dat wordt genomen om de realisatie van een specifiek project te starten, inclusief de vaststelling van het budget en de planning.
Projectbesluit
Een projectbesluit is een formeel document van de minister of de provincie dat de realisatie van een specifiek project mogelijk maakt. De projectbesluiten die voor het Rivierklimaatpark IJsselpoort worden voorbereid, betreffen alleen het ruimtelijke deel. Het projectbesluit is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en vervangt het rijksinpassingsplan, (rijks)projectplan Waterwet en provinciaal inpassingsplan.
Referentiesituatie
De situatie die in de toekomst ontstaat als het project niet wordt gerealiseerd, maar andere ontwikkelingen wel doorgaan. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie en de autonome ontwikkelingen.
Regelwerk
Het regelwerk is een betonnen constructie met schotten die functioneren als een kraan die je meer open en dicht kunt draaien. Wanneer we minder schotten in het regelwerk plaatsen, stroomt er meer water naar de IJssel. Met het regelwerk wordt de gewenste waterverdeling tussen de Rijn en de IJssel ook bij hoogwater gehandhaafd en blijft het achterland beschermd.
Rivierverruiming
Maatregelen om de capaciteit van een rivier te vergroten en overstromingsrisico's te verminderen, bijvoorbeeld door maatregelen in de uiterwaarden.
Ruimtelijke besluiten
Beslissingen genomen door overheden met betrekking tot de inrichting en ontwikkeling van de ruimte, zoals omgevingsplannen.
Sedimentatie
Sedimentatie is het zinken van materialen naar de bodem, waardoor er onder invloed van tijd en druk sedimentgesteente kan ontstaan.
Solitaire boom
Een boom die alleenstaand groeit en niet in een groep bomen of bos staat.
Stuurgroep
Een groep vertegenwoordigers van betrokken afdelingen of organisaties die verantwoordelijk is om richting te geven aan het project en besluiten te nemen.
Uiterwaarden
Gronden tussen een winterdijk en de bedding van een rivier, die periodiek overstromen bij hoge waterstanden.
Varianten
Alternatieve opties of ontwerpen die binnen een project worden onderzocht.
Variantennota
Een variantennota is een tussenproduct in het onderzoek in de planuitwerkingsfase met als doel oordeelsvorming mogelijk te maken om het aantal varianten in te (kunnen) perken naar één voorkeursvariant binnen het plangebied.
Verkeerskundige knip
Een maatregel waarbij een weg wordt onderbroken of afgesloten voor bepaalde verkeersstromen, vaak met als doel de verkeersveiligheid te vergroten of de leefbaarheid te verbeteren.
Voorkeursalternatief
Het gekozen alternatief uit een reeks mogelijke opties binnen een project, na integrale afweging.
Voorkeursbeslissing
Beslissing waarin het bevoegd gezag aangeeft welke oplossing de voorkeur van het bevoegd gezag heeft.
Voorkeursvariant
De voorgestelde inrichting van het gebied na integrale afweging van verschillende varianten.
WRIJ
Afkorting voor 'Waterschap Rijn en IJssel', een overheidsinstantie die in een bepaalde regio in Nederland tot taak heeft de waterhuishouding te regelen.
Bijlage 2
Referenties
1. 2. 3.
NRD en plan-MER Rivierklimaatpark IJsselpoort en de aanvulling daarop. Advies van de Commissie mer over de inhoud van het MER en de aanvulling daarop Notitie voorkeursalternatief
4. 5. 6.
Nota van Antwoord ontwerp-intergemeentelijke structuurvisie Intergemeentelijke structuurvisie Rapportage effectbeoordeling verkeersveilige IJsseldijk varianten PanWes
De genoemde documenten (bijlage 1 t/m 5) én de overige documenten die in de verkenningsfase zijn opgesteld, zijn te vinden op de website van het programma onder ‘Verkenningsfase’. Bijlage 6 is opgesteld tijdens de planstudiefase en is te vinden op de website van het programma onder ‘Planuitwerkingsfase’.
Bijlage 3
Advies Commissie mer over het planMER (2020)
De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft op 31 maart 2020 een toetsingsadvies uitgebracht over het plan-MER dat is opgesteld tijdens de verkenningsfase. De Commissie beveelt aan om in het MER van de planuitwerkingsfase aandacht te schenken aan de onderstaande effecten: Effecten op natuur 1. In de aanlegfase kan er een lichte tot matige toename van stikstofdepositie verwacht worden binnen een straal van drie kilometer, waaronder locaties op de Veluwe. Het planMER
2.
suggereert dat zorgvuldige fasering van werkzaamheden en het nemen van voor de hand liggende maatregelen significante effecten kunnen voorkomen In de gebruiksfase is er een plaatselijk risico op (significante) effecten op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Rijntakken als gevolg van de uitbreiding van het recreatieterrein De Groot. Het planMER gaat niet in op de stikstofemissies door het verkeer van en naar het recreatieterrein, wat ook kan leiden tot stikstofdepositie in Natura 2000gebieden, waaronder de Veluwe. De omzetting van landbouwgrond naar natuur en de extensivering van de overgebleven landbouwgebieden zullen naar verwachting leiden tot een afname van de depositie in de gebruiksfase. Deze ontwikkelingen zijn echter nog niet zeker. De extensivering van de landbouw is bijvoorbeeld grotendeels gebaseerd op vrijwilligheid
Effecten op landschap en cultuurhistorie 1.
Het voorkeursalternatief beschrijft de mogelijkheid voor een zonnepark van 2 hectare op de Bahrse Pol. De effecten hiervan zijn nog niet gespecificeerd. De Intergemeentelijke Structuurvisie wijst bepaalde locaties aan onder de voorwaarde van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Het is belangrijk om te beseffen dat zelfs als de zonnevelden aan het oog worden onttrokken, er nog steeds negatieve effecten op het landschap, de cultuurhistorie en andere aspecten (zoals natuur en recreatie) kunnen optreden
2.
3.
Het plan-MER benadrukt dat de aanleg van een 2,5 kilometer lange geul in de IJsseldijkwaard, een van de grootste ingrepen in het gebied, niet goed past bij de kenmerken van het riviersysteem. Deze bevinding wordt echter niet weergegeven in de scoretabellen, omdat er geen onderscheid is gemaakt tussen het bereiken van de doelen en andere effecten op het gebied van cultuurhistorie Voor de verdere uitwerking van het voorkeursalternatief wordt in het plan-MER aanbevolen om de heggen parallel aan de rivier te plaatsen, om opstuwing bij overstroming te voorkomen. Het is echter niet duidelijk of dit vanuit rivierkundig oogpunt noodzakelijk is. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is dit onlogisch, omdat de oorspronkelijke heggen dwars op
de stroomrichting van de rivier lagen. Het plaatsen van heggen in de lengterichting belemmert het zicht op de rivier Het volledige advies is te vinden op de website van de Commissie mer: Adviezen - Commissiemer.nl
Bijlage 4
Ruimtelijk perspectief
Werken aan een toekomstbestendige omgeving.
rivierklimaatpark@rws.nl www.rivierklimaatpark.nl