CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20260622-rv-wijz-opw-wtv-nrd-oost-bijlage-3

Raadsvergadering 22 juni 2026, gemeente WestervoortBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling omgevingsplanwijziging Westervoort-Noord, Oostelijk deel19.292 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Westervoort-Noord, oostelijk deel

29

gevelbelasting van 55 dB. Dit complex heeft slechts beperkt geluidluwe gevels, waardoor in de ontwerpfase rekening moet worden gehouden met geluidwerende maatregelen om geluidluwe gevels te realiseren. Gelet op de geluidsniveaus zijn hier technische maatregelen mogelijk. Aangezien op dit moment nog geen inzicht is in de indeling van de gebouwen, wordt een regel opgenomen waarin wordt vastgelegd dat een geluidluwe gevel gerealiseerd moet worden. Spoorweg- en industrielawaai Wat betreft spoorweglawaai en industrielawaai wordt aan de standaardwaarden voldaan. Gezamenlijk en gecumuleerd geluid Het gecumuleerde geluid wordt op basis van de methode Miedema afgewogen. Voor nagenoeg alle woningen wordt de akoestische kwaliteit als matig tot goed beoordeeld. Enkel voor de woningen grenzend aan de Hamersestraat (nr. 118, 119, 147 en 149 in het akoestisch onderzoek) wordt de akoestische kwaliteit als tamelijk slecht beoordeeld. Het gezamenlijk geluid wordt in de planregels vastgelegd. Dat in elk geval de binnenwaarde gehaald wordt is geborgd via het Bbl. Indirecte akoestische effecten In het onderzoek zijn ook de effecten van het plan op de gevelbelasting op bestaande omliggende woningen onderzocht. Uitgangspunt van dit onderzoek is de gehele woonwijk Westervoort Noord. Op basis hiervan is geconcludeerd dat het plan niet leidt tot een wezenlijk ander geluid bij de bestaande woningen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7

Omgevingsveiligheid

Met dit plan worden nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd en dient gekeken te worden of dit past in het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de omgeving van het plangebied zijn risicobronnen gelegen. Ten behoeve van het plan is een advies opgesteld door de Omgevingsdienst voor het hele woningbouwplan Westervoort Noord, welke in bijlage 12 is opgenomen. Deze adviezen worden opgevolgd. Geconcludeerd wordt dat het plaatsgebonden risico van de relevante risicobronnen geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief. Een klein deel van het plangebied ligt binnen een gifwolkaandachtsgebied. In dit kader is het groepsrisico verantwoord. Daarnaast zijn de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid en geneeskundige hulpverlening voldoende onderzocht. De veiligheidsregio heeft hierover geadviseerd, zie bijlage 13. De gemeente Westervoort acht de externe veiligheidsrisico’s verbonden aan het initiatief voldoende laag en aanvaardbaar. Het restrisico wordt geaccepteerd. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8

Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl. Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

30

Westervoort-Noord, oostelijk deel

b. c. d.

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat. Planspecifiek De woningen in voorliggend plan liggen op ruim 300 meter afstand van de spoorlijn. Trillingen van de spoorlijn spelen daarom geen rol. In de nabije omgeving bevinden zich ook geen andere activiteiten die trillingen kunnen veroorzaken. Onderzoek is dan ook niet nodig. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9

M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrijeus m.e.rbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.

Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-merplicht'. b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-merbeoordelingsplicht'. Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht.

Westervoort-Noord, oostelijk deel

31

Planspecifiek Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van een woonwijk. Dit valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Het opstellen van een merbeoordelingsnotitie is daarom nodig. Deze is opgenomen in bijlage 14. Hierin is geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Het plan is niet mer-plichtig.

32

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Hoofdstuk 5

Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m². De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen. Planspecifiek Voorliggend initiatief betreft het realiseren van een woonwijk.

Hoofdstuk 3 is ingegaan op verschillende beleidsdocumenten. Uit deze documenten blijkt dat voorliggend initiatief zowel kwalitatief als kwantitatief voorziet in de woningbehoefte zoals gesteld in de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen. De planlocatie is niet binnenstedelijk. Toch kan er met dit plan sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik, daar er elders in de gemeente geen geschikte locaties zijn waarbinnen het beoogde woningbouwprogramma gerealiseerd kan worden. Deze conclusie is ook terug te vinden in de Omgevingsvisie Westervoort, waar het plangebied al aangewezen is voor wonen & natuurontwikkeling. Daarmee is de locatie passend voor de ontwikkeling. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Westervoort-Noord, oostelijk deel

33

Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks)monumenten of andere waardevolle objecten zoals landschapselementen die behoudenswaardig zijn aanwezig. In de directe omgeving ligt één rijksmonument, namelijk Huis Hamerden.

Ligging t.o.v. plangebied (bron: pdok)

Gezien de afstand tussen het plangebied en het monument, en de voorziene bomenrij tussen het plangebied en het monument, zal dit monument niet onevenredig worden aangetast. Archeologie Er is onderzoek gedaan naar de verwachte archeologische waarde in het plangebied. Uit een inventariserend veldonderzoek, zie bijlage 15, is gebleken dat er binnen het plangebied drie archeologisch relevante niveaus aanwezig zijn. Bij voorkeur worden archeologische vindplaatsen beschermd in plaats van opgegraven. Hierdoor wordt schade aan het bodemarchief beperkt of voorkomen en wordt het toegankelijk gehouden voor toekomstig archeologisch onderzoek. In voorliggend plan wordt het maaiveld opgehoogd om problemen met water te voorkomen. Dat maakt de weg vrij voor een andere benadering m.b.t. archeologie: archeologisch vriendelijk bouwen. Dit betekent dat de gebieden met een hoge archeologische waarde feitelijk onaangetast blijven. Hoe dit aangepakt wordt is te lezen in een notitie Archeologieduurzaam bouwen (bijlage 16). Deze werkwijze is, mede na overleg met de regioarcheoloog, akkoord bevonden.

34

Westervoort-Noord, oostelijk deel

In het tijdelijke deel van het omgevingsplan is een beschermingsregeling opgenomen, deze blijft van toepassing. Op het moment dat de omgevingsvergunning aangevraagd worden zal daaraan getoetst worden. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3.

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-

Westervoort-Noord, oostelijk deel

35

activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 17 . De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen. Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat aanvullend onderzoek nodig is voor enkele soorten die in het gebied leven. Daarnaast wordt er een ecologisch werkprotocol opgesteld en wordt rekening gehouden met de zorgplicht aangaande algemene zoogdieren, amfibieën en vissen. Gebiedsbescherming/Natura 2000 Zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn wettelijk beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken (minder stikstofgevoelig) ligt in dit geval op minder dan 1 kilometer en het Natura 2000-gebied De Veluwe (stikstofgevoelig) op circa 3 kilometer.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening / ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) wordt bij een wijziging van het omgevingsplan nagegaan of voldoende aannemelijk is dat geen sprake is van significante effecten op Natura 2000-gebieden. Voor andere aspecten dan stikstof (zoals ruimtebeslag, verstoring door geluid, verdroging of andere effecten) geldt dat op basis van de voortoets in bijlage 18 negatieve effecten in ieder geval op voorhand zijn uit te sluiten. Voor het aspect stikstof geldt het volgende. Omdat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling sprake is van een tijdelijke stikstofemissies (vanwege bouwwerkzaamheden) en permanente stikstofemissies vanwege het verkeer, kan de beoogde ontwikkeling mogelijk extra stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstofgevoelige natuur in beschermde gebieden. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 19) voor de totale woningbouwontwikkeling van Westervoort Noord en de nieuwe locatie van de sportvelden. Daaruit blijkt het volgende. In de bestaande situatie is ook sprake van stikstofemissies, met name vanwege de aanwending van mest (dierlijke mest en kunstmest) op agrarische gronden. Deze emissies vervallen met de beoogde ontwikkeling.

De stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden (de Rijntakken, de Veluwe en de verder weg gelegen gebieden) is in de bestaande situatie groter dan in de nieuwe situatie. De beoogde ontwikkeling leidt per saldo (met interne saldering) tot een afname van de stikstofdepositie. Dit geldt zowel voor het totaal van de ontwikkeling Westervoort Noord (deelgebieden A, B, C, D en E), als voor de deelgebieden ABCE en voor het deelgebied D afzonderlijk. Zie de tabel hierna.

36

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Voor het voorliggend plan zijn er dus geen belemmeringen vanuit stikstof. Daarmee is er geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4

Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek De verkeersaantrekkende werking neemt door voorliggend plan toe. Daarom is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd: zie bijlage 20. Onderzocht is wat die verkeersaantrekkende werking is en hoe die zich verdeelt over het omliggende wegennet. Een andere vraag is of dit wegennet dit aankan en tot slot is er gekeken welke maatregelen dan nodig zijn om het verkeer straks voldoende af te kunnen wikkelen. Het plangebied wordt ontsloten via de rotonde Hamersestraat - Liemersallee.

De rotonde en straat hebben, zo nodig na enkele verkeerskundige maatregelen, voldoende capaciteit voor deze extra verkeersbewegingen. Om de parkeerbehoefte te bepalen is een onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 2 (een bijlage bij de regels. Dit omdat in dit onderzoek ook een norm is opgenomen welke voor dit plan geldt). In dit onderzoek is geconcludeerd dat er rekening houdend met dubbelgebruik voor de functies in het plangebied sprake is van een parkeerbehoefte in de openbare ruimte van 248 parkeerplaatsen. In het plangebied is voldoende ruimte om dit aantal parkeerplaatsen te realiseren, in het stedenbouwkundig plan is dit aantal ruimschoots gehaald. Hiermee wordt voorzien in de parkeerbehoefte binnen het plangebied. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Westervoort-Noord, oostelijk deel

37

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Er is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast Uit de klimaateffectatlas blijkt bij het onderdeel wateroverlast dat er momenteel ter plaatse van het plangebied op enkele locaties wateroverlast verwacht wordt bij een hevige bui.

Het plangebied wordt ten behoeve van de ontwikkeling opgehoogd, juist om zaken als wateroverlast te verminderen. Daarnaast worden er wadi's aangelegd waar overtollig water naartoe kan stromen. Hittestress Hittestress kan ontstaan doordat gebouwen, huizen, wegen, en stenen veel warmte vasthouden en deze weerkaatsen. De nabijheid van water en groen vermindert dit effect. De klimaateffectatlas laat zien dat de bebouwde delen van Westervoort die dichter bij de IJssel liggen minder last hebben van hittestress dan de gebieden verder daarvan af. Het plangebied ligt nabij de IJssel. Dit, samen met hoeveelheid groen die voorzien is, maakt dat in het plangebied waarschijnlijk niet veel sprake zal zijn van extreme hittestress. Droogte De klimaateffectatlas laat wat betreft droogte zien dat in het plangebied geen tekorten van grondwater verwacht worden in het geval van een extreem droog jaar. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren, dit kan met behulp van de wadi's, blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. Overstroming De klimaateffectatlas laat zien dat het plangebied op relatief korte afstand van de IJssel ligt. Mochten de dijken bezwijken bestaat er een middelgrote kans (1/30 tot 1/300 per jaar) dat het plangebied overstroomt. Dat is op basis van de huidige situatie.

Het plangebied zal verhoogd worden met enkele decimeters, afhankelijk van de exacte locatie. Dit maakt dat de schade in het plangebied in het geval van een overstroming minder zal zijn dan zonder deze ophoging. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

38

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Hoofdstuk 6

Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.

Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen.

Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4. Planspecifiek Het woon- en leefklimaat in dit plan is in het algemeen goed te noemen. Er is een milieuaspect dat benoemenswaardig is daar deze een hogere belasting kent dan als basiswaarde gewenst is. Dat is geluid. Het geluid van (auto)wegen is bij een deel van de woningen hoger dan de standaardwaarde (maar duidelijk onder de grenswaarde). Het gecumuleerd geluid is ook voor een aantal woningen boven de standaardwaarde. Voor de woningen aan de Hamersestraat is de akoestische kwaliteit als tamelijk slecht beoordeeld. Bij de overige woningen is de akoestische kwaliteit als matig tot goed beoordeeld. De maximale snelheid op de Hamersestraat vanaf de kruising met Westsingel tot aan de noordelijkere rotonde wordt verlaagt van 50

Westervoort-Noord, oostelijk deel

39

km/uur naar 30 km/uur, om geluidsoverlast op de nieuwe woningen te verminderen. Hiermee wordt er invulling gegeven aan de bronmaatregelen uit het akoestisch onderzoek. Zie hiertoe ook paragraaf 4.6. De waarden zijn evenwel van dien aard dat dit zonder meer aanvaardbaar is: Nederland is een dichtbebouwd land en wonen op binnenstedelijke plekken maakt dat milieutechnisch ideale omstandigheden zelden overal behaald worden. Bovendien zal met gevelmaatregelen geborgd worden dat de binnenwaarde voldoende zal zijn. De mogelijk ervaren geluidbelasting is beperkt en zorgt er niet voor dat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het voldoen aan de woningbehoefte weegt zwaarder dan het behalen van een optimaal woon- en leefklimaat in iedere woning. Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er verder ook geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

40

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2

Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken: • Preambule; • Hoofdstuk 1: Inleidende regels; • Hoofdstuk 2: Functieregels; • Hoofdstuk 3: Algemene regels; • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3

Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22<letter>] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22a<letter>] van het omgevingsplan Westervoort. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorrangsregel (artikel 1a) In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven. Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. In dit geval vervalt de bestemming Agrarisch en wordt deze vervangen door bestemmingen Groen, Natuur, Verkeer, Water en Woongebied met bijbehorende gebruik- en bouwregels. Overige regels en daarbij behorende aanduidingen en dubbelbestemmingen blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen. Zo blijven bijvoorbeeld de regels over archeologie uit het Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Westervoort gelden.

7.4

Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies: • Groen, ten behoeve van de hoofdgroenstructuur. Binnen 2 meter van de functie Woongebied zijn, na het verkrijgen van een omgevingsvergunning daarvoor, ook de functies toegestaan die in Woongebied zijn toegestaan.

Westervoort-Noord, oostelijk deel

41

• • • •

42

Natuur, ter plaatse van de oostelijke agrarische percelen die natuurlijk worden ingericht. Verkeer, voor de hoofdontsluitingsweg. Water, voor bestaande watergangen. Woongebied. Hierbinnen zijn woningen, wegen, groen en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Voor het aantal woningen is per functievlak een minimum en een maximum opgenomen. Het maximum aantal woningen voor het hele plan staat in de regels en is lager dan een optelsom van alle maxima per functievlak. Ter plaatse van het bestaande agrarisch bedrijf wordt de functie van een woongebied toegekend, maar worden nog geen bouwmogelijkheden toegekend.

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Hoofdstuk 8

Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1

Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden Planspecifiek Voor dit plan heeft een uitgebreid participatietraject plaatsgevonden. In bijlage 21 is daarvan het verslag te vinden.

8.2

Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen.

De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende nadeelcompensatie worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

8.3

Vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de relevante belanghebbende instanties. De provincie is bekend met het plan. Het waterschap heeft aangegeven graag een waterhuishoudkundig plan te zien en geen belemmeringen voor het plan te zien. Het waterhuishoudkundig plan wordt in een latere fase opgesteld.

Westervoort-Noord, oostelijk deel

43

44

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlagen bij de motivering

Westervoort-Noord, oostelijk deel

45

Bijlage 1

46

Stedenbouwkundig ontwerp

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlage 2

Quickscan waterhuishouding

Westervoort-Noord, oostelijk deel

47

Bijlage 3

48

Grondwatermodellering

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlage 4

Toelichting waterberging

Westervoort-Noord, oostelijk deel

49

Bijlage 5

50

Bodemonderzoek oostelijk deel

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlage 6

Nader en aanvullend bodemonderzoek Hamersestraat

Westervoort-Noord, oostelijk deel

51

Bijlage 7

52

Notitie saneringsaanpak

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlage 8

Bodemonderzoek 2006

Westervoort-Noord, oostelijk deel

53

Bijlage 9

54

Vooronderzoek bodem

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlage 10

Bodemonderzoek Hamersestraat

Westervoort-Noord, oostelijk deel

55

Bijlage 11

56

Akoestisch onderzoek

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlage 12

Advies omgevingsveiligheid

Westervoort-Noord, oostelijk deel

57

Bijlage 13

58

Advies Veiligheidsregio

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlage 14

M.e.r.-beoordelingsnotitie

Westervoort-Noord, oostelijk deel

59

Bijlage 15

60

Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlage 16

Notitie archeologieduurzaam bouwen

Westervoort-Noord, oostelijk deel

61

Bijlage 17

62

Quickscan Flora en Fauna

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlage 18

Voortoets Natura 2000

Westervoort-Noord, oostelijk deel

63

Bijlage 19

64

Stikstofonderzoek

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Bijlage 20

Verkeeronderzoek

Westervoort-Noord, oostelijk deel

65

Bijlage 21

66

Participatieverslag

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Westervoort-Noord, oostelijk deel en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22b]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westervoort. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22b] van het omgevingsplan van de gemeente Westervoort. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22b]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22b]' gelezen worden.

Westervoort-Noord, oostelijk deel

67

68

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Hoofdstuk 1 Artikel 1 a.

b. c.

Inleidende regels Toepassingsbereik

In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten bestemmingsplan Westervoort Noord 2015, artikel 16 Verkeer en artikel 17 Water en Correctieve herziening Westervoort Noord 2015, artikel 3 Agrarisch, met de daarbij horende begrippen, en wijze van meten, gelden voor de locatie als bedoeld in het derde lid de regels zoals opgenomen in dit hoofdstuk. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Westervoort Noord, oostelijk deel waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0293.OPWTVNRD01-VS01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2

Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen: aan huis verbonden bedrijf een bedrijf dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de bewoner van de woning, voor zover geen sprake is van een milieubelastende activiteit waarvoor een vergunning- of meldingsplicht geldt aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. aanduidingsvlak een op de plankaart aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens. bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van (een deel van) het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.

Westervoort-Noord, oostelijk deel

69

bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen. bestaand • bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; • bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald. bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. bijgebouw een op zich zelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. bouwgrens de grens van een bouwvlak.

bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder. bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels van een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. erf al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw.

70

Westervoort-Noord, oostelijk deel

erker een uitbouw van het hoofdgebouw met de omvang en uitstraling van een uitgebouwd venster, veelal gelegen voor het verlengde van de voorgevel. extensieve dagrecreatie recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, paardrijden, fietsen, varen, zwemmen en vissen. functiegrens de grens van een functievlak. functievlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie. gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. hoofdgebouw gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die door het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is. peil de hoogte van het aan de onderste woonlaag aansluitend afgewerkt maaiveld. rug-aan-rugwoning woning waarbij de achtergevel van de ene woning direct grenst aan de achtergevel van een andere woning. voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.

woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten: 3.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

Westervoort-Noord, oostelijk deel

71

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 3.3 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat goten van ondergeschikte bouwdelen zoals dakkapellen niet worden meegerekend. 3.4 de horizontale diepte van een gebouw de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd. 3.5 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 3.6 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 3.7 de oppervlakte van een overkapping tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

3.8 overige bepalingen bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1,6 voor balkons en 1 m voor overige ondergeschikte bouwonderdelen bedraagt.

72

Westervoort-Noord, oostelijk deel

Hoofdstuk 2 Artikel 4

Functieregels Groen

4.1 Functieomschrijving Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting; b. parken en plantsoenen; c. (fiets)paden, wegen; d. speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen en (nuts)voorzieningen voor de waterhuishouding; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen en met inachtneming van de keur van het waterschap. 4.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken 4.2.1 Gebouwen Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. 4.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt: a. maximaal 8 m voor speelvoorzieningen; b. maximaal 10 m voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer; c. maximaal 6 m voor overige bouwwerken. 4.3 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit woongebied 4.3.1 Algemeen Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat binnen 2 meter gemeten vanaf de grens van een functievlak 'Woongebied' functies conform artikel 8.1.1 en bouwactiviteiten conform artikel 8.2 zijn toegestaan. 4.3.2 Beoordelingsregels De vergunning van artikel 4.3.1 kan alleen worden verleend als de afwijking stedenbouwkundig en landschappelijk passend is.

Artikel 5

Natuur

5.1 Functieomschrijving Een als 'Natuur' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurwaarden; b. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; c. extensieve dagrecreatie; d. ter plaatse van de aanduiding 'brug' een brug voor langzaam verkeer; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en (fiets)paden. 5.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken 5.2.1 Gebouwen Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

Westervoort-Noord, oostelijk deel

73

5.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde a. De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde ter plaatse van de aanduiding 'brug' bedraagt maximaal 10 m. b. De bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 m. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 5.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; d. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen; f. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling.

5.3.2 Beoordelingsregels De vergunning van artikel 5.3.1 kan alleen worden verleend als: a. is aangetoond dat er niet blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarden, eventueel door het stellen van voorwaarden; b. het bevoegd gezag een advies heeft ingewonnen van een ter zake deskundige. 5.3.3 Uitzonderingen Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1 is niet nodig voor: a. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning.

Artikel 6

Verkeer

6.1 Functieomschrijving Een als 'Verkeer' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. wegen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf alsmede de afwikkeling van het doorgaande verkeer; b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen; c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; d. nutsvoorzieningen waaronder (ondergrondse) containers; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

74

Westervoort-Noord, oostelijk deel

6.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken 6.2.1 Gebouwen Uitsluitend gebouwen voor het openbare nut zijn toegestaan met een maximum oppervlak van 50 m2 en een maximale bouwhoogte van 4 m. 6.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt: a. maximaal 8 m voor speelvoorzieningen; b. maximaal 10 m voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer; c. maximaal 6 m voor overige bouwwerken.

Artikel 7

Water

7.1 Functieomschrijving Een als 'Water' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; b. paden, wegen en parkeervoorzieningen; c. groen- en speelvoorzieningen; d. vlonders; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde waaronder bruggen, steigers, dammen en/of duikers. 7.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken 7.2.1 Gebouwen Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. 7.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde anders dan voor de waterwegaanduiding, geleiding of tolheffing, bedraagt: a. maximaal 8 m voor bruggen en viaducten; b. maximaal 4 m voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Artikel 8

Woongebied

8.1 Functieomschrijving 8.1.1 Algemeen Een als 'Woongebied' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. wonen; b. aan huis verbonden beroep met dien verstande dat de oppervlakte beperkt is tot een maximum van 60 m² van het hoofdgebouw en/of het aangebouwde bijgebouw; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en (fiets)paden, parkeer- en verkeervoorzieningen, speel- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, nutsvoorzieningen, tuinen en erven en daarmee naar aard en omvang vergelijkbaar gebouwen en voorzieningen. 8.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken 8.2.1 Algemeen a. Op locaties aangewezen als 'Woongebied' mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de functie worden gebouwd.

Westervoort-Noord, oostelijk deel

75

b. c.

Het aantal woningen binnen de functie 'Woongebied' bedraagt niet meer dan 220. Het aantal woningen mag ter plaatse van de aanduidingen 'minimum aantal wooneenheden' en 'maximum aantal wooneenheden' niet minder en niet meer bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding aangegeven minimum en maximum. Indien geen aanduiding 'minimum aantal wooneenheden' en 'maximum aantal wooneenheden' is opgenomen, zijn geen woningen toegestaan.

8.2.2 Verdeling woningtypen Van het aantal woningen betreft: a. minstens 15% en maximaal 30% van de woningen betreft gestapelde woningen; b. minstens 50% en maximaal 65% van de woningen betreft aaneengebouwde woningen; c. minstens 15% en maximaal 30% van de woningen betreft twee-aaneengebouwde woningen, geschakelde woningen en/of vrijstaande woningen. 8.2.3 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen worden gebouwd: 1. grondgebonden woningen, waaronder begrepen: • vrijstaande woningen; • twee-aaneengebouwde woningen; • aaneengebouwde woningen en rug-aan-rugwoningen; • geschakelde woningen; 2. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen en rug-aanrugwoningen toegestaan; b. de voorgevel van het hoofdgebouw mag niet minder dan 1 m en niet meer dan 6 m achter de voorste perceelsgrens worden gebouwd, met dien verstande dat dit niet geldt voor rug-aan-rugwoningen en gestapelde woningen; c. met betrekking tot de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens gelden de volgende regels: 1. bij vrijstaande woningen mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens aan een zijde niet minder bedragen dan 3 m en aan de andere zijde niet minder dan 1 m; 2.

bij twee-aaneengebouwde en geschakelde woningen mag de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens aan één zijde niet minder bedragen dan 3 m; 3. bij aaneengebouwde woningen mag de afstand van de hoekwoning tot de zijdelingse perceelsgrens aan één zijde niet minder bedragen dan 1 m, met dien verstande dat bij zijdelingse perceelsgrenzen die grenzen aan de openbare ruimte de afstand minder dan 1 m mag bedragen; d. de afstand van een hoofdgebouw tot de achterste bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 6 m, met dien verstande dat bij rijwoningen de afstand minimaal 5 m bedraagt en bij rug-aan-rug woningen 0 m. In het geval de achterste bouwperceelsgrens een wisselende afstand heeft, de langste afstand bepalend is; e. de goothoogte en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte; maximum bouwhoogte', met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied – erf' de goothoogte over een breedte van 50% van de voorgevel 6 meter mag bedragen, in afwijking van de maximale hoogte die op de verbeelding is weergegeven; f. met betrekking tot de diepte van woningen gelden de volgende regels: 1. de diepte van vrijstaande woningen mag niet meer bedragen dan 15 m; 2. twee-aaneengebouwde en geschakelde woningen mag niet meer bedragen dan 12 m; 3.

de diepte van aaneengebouwde woningen mag niet meer bedragen dan 11 m; g. aaneengebouwde woningen mogen worden gebouwd in rijen van maximaal 8 aaneengebouwde woningen; h. bij een rij van meer dan 6 aaneengebouwde woningen dient sprake te zijn van:

76

Westervoort-Noord, oostelijk deel

i.

1. een rooilijnverspringing van minimaal 0,5 m; en/of 2. een verschil in goothoogte van minimaal 0,5 m; en/of 3. een verschil in bouwhoogte van minimaal 0,5 m; en/of 4. twee verschillende kaprichtingen; bij meer dan 3 naast elkaar gelegen rijen aaneengebouwde woningen binnen hetzelfde functievlak, dient: 1. een van de rijen ten opzichte van de naastgelegen rij een rooilijnverspringing te hebben van minimaal 3 m; of 2. er tussen twee rijen een openbare ruimte aanwezig te zijn met een breedte van minimaal 10 m.

8.2.4 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande dat bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits: 1. de horizontale diepte maximaal 1,50 m bedraagt; 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 m bedraagt; 3. voor zover de erker wordt gebouwd tegen de voorgevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt; 4. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,30 m; en met dien verstande dat veranda's tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits: 5. de voorgevel grenst aan een groene grens of groene zone zoals vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan dat is opgenomen in bijlage 1; 6. de horizontale diepte maximaal 2 m bedraagt; 7. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,30 m; b. gezamenlijke oppervlakte maximaal 50 m2, en waarbij geldt dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel maximaal 50% mag zijn met dien verstande dat altijd 20 m2 mag worden gebouwd; c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=64a4de19-8ea3-48a3-87cd-2f96e812372a