CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20260622-rv-wijz-opw-wtv-nrd-oost-bijlage-24

Commissie Ruimte en Financien 9 juni 2026, gemeente WestervoortBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling omgevingsplanwijziging Westervoort-Noord, Oostelijk deel13.694 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Voortoets Natura 2000 Westervoort Noord

Status van het document:

Definitief Datum:

25-11-2025

Sweco Nederland B.V. Onderwerp Projectnummer Klant Auteur Gecontroleerd door Vrijgegeven door Datum Versie Documentreferentie

Handelsregister 30129769 Voortoets Natura 2000 51026718-004 Gemeente Westervoort Manouk van der Aa Iselin Keune Olaf Streng 25-11-2025 1 NL25-648800269-155473

2/38

Inhoudsopgave 1 2

Inleiding ......................................................................................................................... 4 Gebiedsbeschrijving ...................................................................................................... 5 2.1 Huidig gebruik plangebied en omgeving ............................................................. 5 2.2 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000 .............................................. 8 2.2.1 Uiterwaarden IJssel ............................................................................... 8 2.2.2 Gelderse Poort ....................................................................................... 9 2.3 Toekomstig gebruik van het plangebied en voorgenomen ingrepen .................. 9

3

Doelstellingen Natura 2000 ......................................................................................... 11 3.1 Doelen Rijntakken ............................................................................................. 11

4

Aangewezen habitattypen en habitat- en vogelrichtlijnsoorten ................................... 12 4.1 Aangewezen habitattypen ................................................................................. 12 4.2 Aangewezen habitatrichtlijnsoorten .................................................................. 14 4.3 Aangewezen vogelrichtlijnsoorten..................................................................... 15 4.3.1 Broedvogels ......................................................................................... 15 4.3.2 Niet-broedvogels .................................................................................. 18

5

Instandhoudingsdoelstellingen .................................................................................... 20 5.1 Doelen habitattypen .......................................................................................... 20 5.2 Doelen habitatrichtlijnsoorten ............................................................................ 20 5.3 Doelen vogelrichtlijnsoorten .............................................................................. 21 5.3.1 Broedvogels ......................................................................................... 21 5.3.2 Niet-broedvogels .................................................................................. 21

6

Inventarisatie mogelijke effecten ................................................................................. 23 6.1 Mogelijke effecten habitattypen......................................................................... 23 6.2 Mogelijke effecten habitat- en vogelrichtlijnsoorten .......................................... 23

7

Toetsing mogelijke effecten ......................................................................................... 27 7.1 Verdroging en verzilting .................................................................................... 27 7.2 Vernatting en overstroming ............................................................................... 28 7.3 Verontreiniging .................................................................................................. 28 7.4 Mechanische effecten, beweging en optische verstoring ................................. 29 7.5 Trilling en geluid ................................................................................................ 32 7.6 Licht ................................................................................................................... 33 7.7 Cumulatieve effecten ........................................................................................ 34

8

Samenvatting en conclusies ........................................................................................ 36 Geraadpleegde bronnen ............................................................................................. 37

3/38

1

Inleiding

Sweco heeft in opdracht van Gemeente Westervoort een voortoets uitgevoerd voor het Natura 2000-gebied Rijntakken nabij Westervoort Noord. De voortoets Natura 2000 is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen gebiedsontwikkeling Westervoort Noord. Daarnaast wordt de voortoets uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de actualisatie quickscan natuurwaarden die Sweco in oktober 2025 heeft uitgevoerd (rapport 51026718-003, versie D1, d.d. 4 november 2025). Het plangebied ligt op circa 20 m ten zuiden van het Natura 2000-gebied Rijntakken. De voortoets heeft als doel vast te stellen of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, (significante) gevolgen kan hebben voor instandhoudingsdoelen het beschermde Natura 2000-gebied (Omgevingswet artikel 4.1, lid 1). De voortoets is uitgevoerd middels het verrichten van bureauonderzoek en betreft een oriënterende fase. De stikstofdepositieberekening met de Aerius-calculator is uitgevoerd door een andere partij. De effecten van verzuring en vermesting zijn een gevolg van een toename in stikstofdepositie en zijn derhalve niet in deze voortoets behandeld. In onderhavige voortoets zijn alleen de overige effecten beoordeeld. Een ecologische beoordeling bij een toename in stikstofdepositie kan separaat aan deze toetsing worden uitgevoerd.

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

4/38

2

Gebiedsbeschrijving

2.1

Huidig gebruik plangebied en omgeving

Het plangebied (+/- 25 ha) bestaat uit meerdere percelen die deel uitmaken van de voorgenomen gebiedsontwikkeling Westervoort Noord. In figuur 2.1 is de ligging van het plangebied weergegeven (rood omkaderd).

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (rood omkaderd).

Het plangebied betreft meerdere percelen, bestaande uit sportvelden (Sportclub Westervoort, Voetbalclub Avw’66 en de Tennisvereniging Westervoort), bebouwing (clubhuizen, tribunes bij de sportclubs, schuren en woningen), verharding (parkeerplaatsen en erfverharding), tuinen (weides, gazons en een paardenbak) en akkers met bouwdepots aan de oostzijde. Rondom de percelen zijn meerdere bomenrijen, hagen en sloten aanwezig. Ten noorden van het plangebied ligt de IJsseldijk met daarachter weilanden die behoren tot het Natura 2000-gebied Rijntakken. Ten westen van het plangebied loopt een treinspoor en ten zuiden van het plangebied ligt de woonkern van Westervoort. Aan de noordoostkant van het plangebied ligt, aangrenzend aan de akkers en de tuin van de IJsseldijk 90, het natuurreservaat ‘Het Ambacht’. Het reservaat bestaan uit twee plassen met dichte begroeiing, die in een uithoek aan elkaar grenzen. Voor een groot deel tussen de twee gebieden in, ligt een akker die onderdeel is van het plangebied. Aan de noordkant van het plangebied is een recyclingbedrijf gelegen in de uiterwaarden en verder aan de oostkant van het plangebied ligt een industrieterrein en daarnaast de snelweg A12.

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

5/38

Het plangebied is opgedeeld in drie deelgebieden A, B en C (zie figuur 2.2). Deelgebied A ‘bebouwing, tuin en verharding’ bestaat uit verharde delen, waaronder de parkeerplaatsen, tennisbanen, kunstgras voetbalvelden en erfverharding; uit bebouwing, waaronder de clubhuizen (Tennisvereniging Westervoort, Voetbalclub Avw’66, Sportclub Westervoort), een paar overdekte tribunes naast de sportvelden, een kaartverkoopgebouw, en paardenstallen, schuren en woningen aan de IJsseldijk 88 en 90; en uit tuin, waaronder gazon, aanplant, een paardenbak en weides aan de IJsseldijk 88 en 90. Tussen de bebouwing en rondom de tennisbanen zijn op verschillende plekken laurierhagen en buxushagen aanwezig die ook behoren tot deelgebied A. Deelgebied B ‘sportvelden’ bestaat uit een zevental sportvelden (voetbal). Tussen de sportvelden zijn op een aantal plekken hagen en greppels aanwezig en enkele losstaande bomen die ook deel uit maken van deelgebied B. Deelgebied C ‘akker’ bestaat uit maisvelden met aangrenzende sloten, twee omheinde bouwdepots en enkele losstaande bomen. Figuur 2.3 t/m figuur 2.14 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek van de actualisatie quickscan natuurwaarden (rapport 51026718-003, versie D1, d.d. 4 november 2025).

Figuur 2.2 Luchtfoto van het plangebied en directe omgeving.

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

6/38

Figuur 2.3 Paardenstal en woning aan de IJsseldijk 88 (deelgebied A).

Figuur 2.4 Tuin/weide aan de IJsseldijk 88 (deelgebied A).

Figuur 2.5 Woning, stallen en schuren aan de IJsseldijk 90 (deelgebied A).

Figuur 2.6 Weide aan de IJsseldijk 90 (deelgebied A).

Figuur 2.7 Maïs akker (deelgebied C).

Figuur 2.8 Bouwdepot (deelgebied C).

Figuur 2.9 Greppel naast parkeerplaats voerbalvereniging (deelgebied A).

Figuur 2.10 Voetbalveld (deelgebied B).

Figuur 2.11 Entreegebouwtje en terras voetbalvereniging (deelgebied B).

Figuur 2.12 Overkapping ten zuiden van akkers (deelgebied A).

Figuur 2.13 Zolder schuur ten zuiden van akkers (deelgebied A).

Figuur 2.14 Grote schuur ten zuiden van akkers (deelgebied A).

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

7/38

2.2

Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000

Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Het Natura 2000-gebied Rijntakken omvat vier deelgebieden: Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Neder-Rijn, Gelderse Poort en de Waal. Ten noorden van het plangebied ligt deelgebied Uiterwaarden IJssel en ten zuidwesten van het plangebied ligt deelgebied Gelderse Poort (zie de afstanden in tabel 2.1). In figuur 2.8 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied Rijntakken weergeven. Tabel 2.1 Afstand van het plangebied tot Natura 2000-(deel)gebieden van Rijntakken.

Gebiedsnaam

Gebiedsnummer

Deelgebied (deelnummer)

Afstand plangebied tot VR en/of HR*

Rijntakken

38

Uiterwaarden IJssel (38)

20 meter tot VR

Rijntakken

38

Uiterwaarden IJssel (38)

1170 meter tot HR (en VR)

Rijntakken

38

Gelderse Poort (67)

1715 meter tot VR

Rijntakken

38

Gelderse Poort (67)

1960 meter tot HR (en VR)

* HR = Habitatrichtlijngebied; VR = Vogelrichtlijngebied

Figuur 2.15 Ligging van het plangebied (wit omkaderd) ten opzichte het Natura 2000-gebied Rijntakken (lichtblauw is vogelrichtlijngebied en groen is vogelrichtlijn- en habitatrichtlijngebied).

2.2.1

Uiterwaarden IJssel

Het deelgebied Uiterwaarden IJssel omvat het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden. De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. De IJssel neemt in perioden van hoge afvoer 1/6 deel van de Rijnafvoer voor haar rekening. In perioden met lage afvoer wordt het water op peil gehouden door de stuw in de Neder- Rijn. Gedurende het winterhalfjaar zijn grote delen van de uiterwaarden geïnundeerd raken. De overstromingsduur en -frequentie variëren sterk van jaar tot jaar.

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

8/38

Er zijn grote verschillen in het buitendijkse gebied, verschillen in hoogteligging, afwisseling tussen smalle en brede delen en tussen dichte kleinschalige en grote open delen. Plaatselijk treedt grondwater uit en monden beken uit in het IJsseldal. Zandige kalkrijke oeverwallen en rivierduinen worden afgewisseld met kleiige, vlakke stroomdalen. Bij Arnhem en Dieren snijdt de rivier de stuwwal van de Veluwe aan. Tot aan Olst zijn in het verleden brede meanders (kronkelwaarden) gevormd. Een aantal vrijwel onvergraven en reliëfrijke uiterwaarden vormt een kleinschalig oud cultuurlandschap met daarin stroomdalgraslanden, kievitsbloemhooilanden en glanshaverhooilanden. In reliëfrijke delen komt plaatselijk hardhoutooibos voor. Binnen de Uiterwaarden IJssel zijn de volgende nabijgelegen sub-gebieden van belang in deze voortoets (ontwerpkaart Uiterwaarden IJssel): IJsseloordsche Polder, IJsseldijkerwaard, Velperwaarden, De Steenwaard, Koppenwaard, Rhedensche Broek, Lathumse Plas, Westerplas, Gieseplas en Valeplas.

2.2.2

Gelderse Poort

Het deelgebied Gelderse Poort is het begin van de Rijndelta, de Rijn stroomt hier door een stuwwal Nederland binnen. Het is een rivierenlandschap met veel gradiënten tussen de Duitse grens en de steden Arnhem en Nijmegen. Delen van het gebied, waaronder het Rijnstrangengebied, ontvangen vanuit de restanten van de stuwwal kwelwater. Het gebied maakt deel uit van het grensoverschrijdende gebied Gelderse Poort. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. Het rivierenlandschap bestaat uit hoogdynamische gebieden in het winterbed van de rivier en laagdynamische moerasachtige strangen binnendijks. In perioden met hoge afvoer moet al het Rijnwater via de vertakkingen in Rijn, via Pannerdens Kanaal en Waal worden afgevoerd. Met name in perioden met hoog water vindt erosie en sedimentatie plaats en ‘vormt’ de rivier het landschap. In de uiterwaarden bevinden zich gevarieerde natuurgebieden als de Huissense Waarden (langs de Rijn). De uiterwaarden zijn breed, er komen, zandafzettingen op de oever en uitgravingen tot (diep) water voor. Ze bestaan grotendeels uit open water, moerassen, ruigten, wilgenbos en diverse typen grasland. Op hooggelegen stroomruggen en oeverwallen komen stroomdalgraslanden, glanshaverhooilanden en lokaal ook hardhoutooibossen voor.

Binnendijks liggen de Oude Rijnstrangen ten oosten van het Pannerdensch Kanaal die bestaan uit een complex van gedeeltelijk verlande stroombeddingen en meanderrichels van de Rijn. In het reliëfrijke landschap liggen graslanden, akkers, (moeras)bosjes, moerassen, rietvelden en open water. Het gemaal Kandia, verminderde de doorstroming en verlaagde het waterpeil. De sedimentatie van slib nam daardoor toe. De fluctuatie in waterstanden nam daardoor sterk af en sommige strangen vielen droog. Het binnendijkse polderlandschap bestaat voornamelijk uit graslanden, akkers, kleine waterlopen, rietlanden en moerasbos. Binnen de Gelderse Poort zijn de volgende nabijgelegen sub-gebieden van belang in deze voortoets (ontwerpkaart Gelderse Poort): Pleij, Lingewaard, Zwanewater, Strang, Huissensche Waard, Middelwaard, Loowaard, Angerense Strang, Angerensche- Doornenburgsche Buitenpolder, Pannerdensche Waard, De Waai en Jezuitenwaai.

2.3

Toekomstig gebruik van het plangebied en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens de sportvelden te verplaatsen naar een locatie buiten het plangebied, zodat op de vrijkomende sportvelden en de percelen aan de IJsseldijk 88 en 90 woningbouw kan worden gerealiseerd. Doel van dit project is het realiseren van een nieuw sportcomplex voor de buitensportverenigingen buiten het plangebied en van een nieuwe woonwijk van 582 woningen in het betreffende plangebied. Dit betreft een mix van grondgebonden woningen en appartementen (respectievelijk 70% en 30%) en een mix tussen huur- en koopwoningen. De initiatiefnemer is voornemens het hele plangebied bouwrijp te maken. Alle huidige bebouwing op het plangebied wordt hiervoor gesloopt, bomen worden gekapt, sloten en greppels worden verlegd, groen wordt verwijderd en graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden. Het plangebied zal hierbij opgehoogd worden.

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

9/38

Daarna zal woningbouw worden gerealiseerd. De planschets is weergegeven in figuur 2.16. Het voornemen is in het najaar van 2026 te starten met de werkzaamheden.

Figuur 2.16 Schets van het planvoornemen voor de gebiedsontwikkeling in Westervoort Noord (bron: actualisatie quickscan natuurwaarden, 4-11-2025, Sweco).

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

10/38

3

Doelstellingen Natura 2000

Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: -

-

3.1

de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Doelen Rijntakken

Voor de Rijntakken zijn Natura 2000 instandhoudingsdoelen geformuleerd (beheerplan en doelstelling Rijntakken). Het betreft veertien (sub)habitattypen waaronder bloemrijke graslanden, diverse typen ooibossen, ruigtes en zomen, slikkige oevers en waterplantvegetaties. Tot de twaalf aangewezen soorten (niet vogels) behoren vissen (zowel trekvissen als poldervissen), zoogdieren (bever, meervleermuis en otter in aanmelding) en één amfibie (kamsalamander). Verder zijn er dertien broedvogels, waarvan één soort (grutto) opgenomen in het ontwerp-aanwijzingsbesluit, en 26 niet-broedvogels, waarvan één soort (grutto) opgenomen in het ontwerp-aanwijzingsbesluit, aangewezen als doelsoort.

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

11/38

4

Aangewezen habitattypen en habitat- en vogelrichtlijnsoorten

4.1

Aangewezen habitattypen

In het Natura 2000-gebied Rijntakken komen negen verschillende habitattypen voor, dit zijn er veertien inclusief subtypes. Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het habitatrichtlijngebied van het Natura 2000-gebied Rijntakken, waardoor het plangebied geen deel uitmaakt van de aangewezen habitat(sub)typen en alleen externe effecten zullen worden getoetst. Gezien de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden worden alleen de deelgebieden Uiterwaarden IJssel en Gelderse Poort behandeld. Het deelgebied Uiterwaarden IJssel is aangewezen voor de volgende habitat(sub)typen (aanwijzingsbesluit Rijntakken 2024, ontwerpbesluit Uiterwaarden IJssel): • • • • •

• • •

•

H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3260 (B) - Beken en rivieren met waterplanten o Subtype B: grote fonteinkruiden H3270 - Slikkige rivieroevers H6120 - Stroomdalgraslanden H6430 (A, B en C) - Ruigten en Zomen o Subtype A: moerasspirea o Subtype B: harig wilgenroosje o Subtype C: droge bosranden H6510 (A en B) - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden o Subtype A: glanshaver o Subtype B: grote vossenstaart H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst H91E0 (A, B en C) - Vochtige alluviale bossen o Subtype A: zachthoutooibossen o Subtype B: essen-iepenbossen o Subtype C: beekbegeleidende bossen H91F0 - Droge hardhoutooibossen

Het deelgebied Gelderse Poort is aangewezen voor de volgende habitat(sub)typen (aanwijzingsbesluit Rijntakken 2024, ontwerpbesluit Gelderse Poort): • • • • • •

•

H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H3270 - Slikkige rivieroevers H6120 - Stroomdalgraslanden H6430 (A) - Ruigten en Zomen o Subtype A: moerasspirea H6510 (A en B) - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden o Subtype A: glanshaver o Subtype B: grote vossenstaart H91E0 (A, B en C) - Vochtige alluviale bossen o Subtype A: zachthoutooibossen o Subtype B: essen-iepenbossen o Subtype C: beekbegeleidende bossen H91F0 - Droge hardhoutooibossen

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

12/38

De dichtstbijzijnde habitattypen van de Rijntakken in de nabijheid van het plangebied zijn als volgt. Op circa 1,5 km afstand ten noordoosten van het plangebied bevindt zich het habitattype Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A, glanshaver). Op circa 2,4 km afstand ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich het habitattype Slikkige rivieroevers (H3270). Op circa 3,4 km afstand ten zuiden is het habitattype Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) aanwezig. Op 2,4 km ten zuiden van plangebied bevindt zich het habitattype Vochtige alluviale bossen (H91E0A). Externe effecten op andere habitattypen (H3260B, H6120, H6430A, H6430B, H6430C, H6510B, H9120, H91E0B, H91E0C en H91F0) worden niet verwacht, vanwege de aard van de ingreep en aanzienlijke afstand tot het plangebied van het eerst volgende dichtstbij gelegen habitattype van Rijntakken (H91F0, droge hardhoutooibossen op circa 7,4 km ten zuidoosten van het plangebied). De externe effecten als gevolg van stikstofdepositie (verzuring en vermesting) worden niet in deze voortoets behandeld. Een ecologische beoordeling bij een toename in stikstofdepositie wordt separaat aan deze toetsing uitgevoerd.

Naast de habitattypen Glanshaverhooilanden (H6510A, glanshaver), Slikkige rivieroevers (H3270), Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) en Vochtige alluviale bossen (H91E0A, zachthoutooibossen) worden de overige aangewezen habitattypen van het Natura 2000-gebied Rijntakken buiten beschouwing gelaten in deze voortoets. Hieronder is een kernschets van de habitattypen beschreven (bron: profieldocumenten). Glanshaver- en vossenstaarthooilanden Het habitattype van glanshaver- en vossenstaarthooilanden, betreft soortenrijke, bloemrijke hooilanden op tamelijk voedselrijke, doorgaans kleihoudende gronden. Deze hooilanden liggen met name in de uiterwaarden en komgronden van het rivierengebied, in polders met een klei-op-veen-grond of op zavelige oeverwallen in beekdalen en op hellingen en droogdalen in het heuvelland. De begroeiingen van het habitattype komen ook op de kunstmatig opgebrachte kleihoudende grond van dijken voor. Daar vormen ze linten en liggen ze relatief hoog en droog. De lager gelegen hooilanden van dit habitattype worden af en toe overstroomd. Bermen worden niet tot het habitattypen gerekend, omdat in de Europese handleiding sprake is van ‘meadows’. Het subtype glanshaverhooiland is aanwezig in hoge delen van de uiterwaarden, op dijken, op oeverwallen langs beken en op hellingen en droogdalen in het heuvelland.

Slikkige rivieroevers Het habitattype van slikkige rivieroevers omvat slikkige (of zandige of grindige) droogvallende oevers van rivieren of nevengeulen waar hoge rivierdynamiek zorgt voor erosie en sedimentatie. De pioniervegetatie ontwikkelt zich vrij laat in het jaar op de kale grond. De standplaatsen zijn meestal slechts voor korte tijd geschikt. De begroeiingen kunnen soortenrijk zijn en zeldzame soorten bevatten. Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Het habitattype van meren met krabbenscheer en fonteinkruiden bestaat uit begroeiingen van drijvende en ondergedoken waterplanten. Deze komen voor in matig voedselrijke meren, plassen en andere relatief diepe, vlakvormige stilstaande wateren. Het water is helder en de vegetatie wordt gevormd door breedbladige soorten fonteinkruid, Krabbenscheer en/of Groot blaasjeskruid. Daarnaast kunnen in de begroeiingen enkele planten met grote drijfbladen voorkomen. Vochtige alluviale bossen Het habitattype van vochtige alluviale bossen omvat bossen die groeien op beek- of rivierafzettingen (van het zogenoemde alluvium of alluviaal) en die direct of indirect onder invloed staan van beek- of rivierwater. De verschijningsvorm loopt sterk uiteen. Ze kunnen zeer soortenrijk zijn en zeldzame typische soorten bevatten.

De grote variatie aan bostypen wordt binnen het habitattype verdeeld over drie subtypen, twee subtypen voor het rivierengebied en één voor de beken en kleine riviertjes van de hogere zandgronden en het heuvelland. Het subtype zachthoutooibossen komt voor op de natste en/of meest dynamische plekken in het rivierengebied, welke worden gedomineerd door smalbladige wilgen. Ze hebben een ondergroei die merendeels bestaat uit algemene moeras- en ruigteplanten. Sommige van deze bossen staan onder invloed van het getij. Tot dit subtype behoren ook de wilgenvloedbossen en wilgengrienden.

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

13/38

4.2

Aangewezen habitatrichtlijnsoorten

Binnen Natura 2000-gebieden is er onderscheid in ‘mogelijk bezet geschikt leefgebied’ en ‘bezet geschikt leefgebied’ voor de verschillende soorten. Mogelijk bezet geschikt leefgebied kan in potentie geschikt habitat zijn voor een soort. Mogelijk bezet geschikte leefgebieden kunnen een belangrijke rol spelen in het realiseren van uitbreidingsdoelstellingen voor de betreffende soorten. Bezet geschikt leefgebied is geschikt leefgebied waarbinnen eveneens territoria van de betreffende soorten zijn vastgesteld. In het Natura 2000-gebied Rijntakken komen twaalf verschillende habitatrichtlijnsoorten voor, waarvan elf definitieve doelen hebben en één soort in aanmelding is (otter). Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het habitatrichtlijngebied van het Natura 2000-gebied Rijntakken, waardoor het plangebied geen deel uitmaakt van het leefgebied van de aangewezen habitatrichtlijnsoorten en alleen externe effecten zullen worden getoetst. Gezien de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden worden alleen de deelgebieden Uiterwaarden IJssel en Gelderse Poort behandeld. De deelgebieden Uiterwaarden IJssel en Gelderse poort zijn definitief aangewezen voor de volgende habitatrichtlijnsoorten (aanwijzingsbesluit Rijntakken 2024, ontwerpbesluit Uiterwaarden IJssel en Gelderse Poort): • • • • • • • • • • •

H1095 - Zeeprik H1099 - Rivierprik H1102 - Elft H1106 - Zalm H1134 - Bittervoorn H1145 - Grote modderkruiper H1149 - Kleine modderkruiper H1163 - Beek/Rivierdonderpad H1166 - Kamsalamander H1318 - Meervleermuis H1337 - Bever

Gezien alle habitatrichtlijnsoorten mogelijk in een van beide deelgebieden kunnen voorkomen, worden alle aangewezen soorten van de Rijntakken meegenomen in de effectanalyse. Hieronder is het habitat van de habitatrichtlijnsoorten beschreven (bron: profieldocumenten). Trekvissen: zeeprik, rivierprik, elft en zalm De trekvissen zijn in hun voorkomen (doortrek- en opgroeigebied) beperkt tot het zomerbed van de rivier (de kribvakken). De trekvissen zijn anadrome soorten, wat wil zeggen dat de paai van deze soorten plaatsvindt in rivieren, vaak op plekken met stenige grindrijke bodems. Ze gebruiken de gehele hoofdstroom van de grote rivieren om van zee te migreren naar hun paaigebied. Dit trekgebied bevind zich grotendeels buiten de begrenzing van het Natura 2000. Deze soorten gebruiken de Rijn, Waal en Maas als doortrekgebied. Hiervoor is vooral de hoofdstroom (migratieroute) van belang. Voor de functie als doortrekgebied is het ontbreken van barrières voor de migratie, goede waterkwaliteit en gevarieerde oevers van belang. Beek- en poldervissen: bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper en beek/rivierdonderpad De beek- en poldervissen komen verspreid in het gebied voor waar stilstaand, ondiep water aanwezig is.

Het leefgebied van de bittervoorn bevindt zich in de plantenrijke oevers van de uiterwaardwateren van het rivierengebied, poldergebieden en de benedenlopen van riviertjes en beken. Het is belangrijk dat zoetwatermosselen in hetzelfde water voorkomen, deze zijn onmisbaar voor de voortplanting. Bittervoorns leggen namelijk hun eitjes in de kieuwholte van mosselen. Bittervoorn is gevoelig voor verontreiniging en vermesting van het water. De bittervoorn is een soort van vegetatierijke oeverzones. Het gaat bij open water gebieden echter dus hoogstens om de oeverzone grenzend aan het open water. De grote modderkruiper en kleine modderkruiper zijn gebonden aan laag-dynamische buitendijkse en binnendijkse wateren die helder en schoon zijn en een gevarieerde water- en oevervegetatie hebben. Het Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

14/38

leefgebied van de modderkruipers kenmerkt zich verder door een dikke niet verontreinigde modderlaag op de bodem. Voor de modderkruipers is een voldoende groot aandeel moeras en een peil(beheer) waarbij van tijd tot tijd het water grotendeels droogvalt van groot belang. De beek/rivierdonderpad prefereert zuurstofrijk water met schuilplaatsen zoals in beken, rivieren, grote meren met stenige oevers en kanalen. Relatief veel van de populaties van de rivierdonderpad bevinden zich buiten Natura 2000-gebieden, dit geldt met name voor de Rijntakken waarvan de hoofdstroom buiten de begrenzing valt. Sinds 2010 neemt de soort af in de grote rivieren en de hiermee verbonden wateren als gevolg van verdringing door invasieve exotische bodemvissen. De rivierdonderpad is hiernaast gevoelig voor verontreiniging en vermesting van het water. De beek/rivierdonderpad is een soort van beschutte zuurstofrijke plaatsen. In de gevallen waar open, slibrijk water zonder schuilgelegenheid en met lagere zuurstofgehalten betreft, zal deze soort er niet voorkomen. Kamsalamander Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen.

Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. In het rivierengebied komt de soort voor in zelden overstromende (laagdynamische) strangen, kleiputten en kolken. Het voortplantingsbiotoop bestaat voornamelijk uit matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. Meervleermuis Steden en dorpen herbergen (potentiële) verblijfplaatsen van de meervleermuis. Het gaat hierbij vooral om steden en dorpen langs de grote rivieren en de randmeren. De leefgebiedskaarten geven met name de foerageergebieden van de soort aan, die in de zomerperiode worden gebruikt. De soort kan tot op tientallen kilometers van de verblijfplaatsen foerageren. Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste; open of rotsige oevers worden gemeden. De bever kan door middel van het bouwen van dammen en het omknagen van bomen en struiken een grote invloed op zijn leefomgeving hebben.

Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water, maar een waterdiepte van minimaal 50 cm is een vereiste. In ondiep stromend water worden dammen gebouwd om de gewenste waterstand te krijgen.

4.3

Aangewezen vogelrichtlijnsoorten

Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het vogelrichtlijngebied van het Natura 2000gebied Rijntakken, waardoor het plangebied geen deel uitmaakt van het leefgebied van de aangewezen vogelrichtlijnsoorten en alleen externe effecten zullen worden getoetst. Gezien de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden worden alleen de deelgebieden Uiterwaarden IJssel en Gelderse Poort behandeld.

4.3.1

Broedvogels

In het Natura 2000-gebied Rijntakken komen dertien verschillende broedvogelsoorten voor, waarvan één soort (grutto) opgenomen in het ontwerp-aanwijzingsbesluit. De deelgebieden Uiterwaarden IJssel en Gelderse poort zijn definitief aangewezen voor de volgende broedvogelsoorten (aanwijzingsbesluit Rijntakken 2024, ontwerpbesluit Uiterwaarden IJssel en Gelderse Poort):

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

15/38

• • • • • • • • • • • •

A004 – Dodaars A017 – Aalscholver A021 – Roerdomp A022 – Woudaap A119 – Porseleinhoen A122 – Kwartelkoning A153 – Watersnip A197 – Zwarte stern A229 – IJsvogel A249 – Oeverzwaluw A272 – Blauwborst A298 – Grote karekiet

Gezien alle broedvogelsoorten mogelijk in een van beide deelgebieden kunnen voorkomen habitatrichtlijnsoorten, worden alle aangewezen soorten van de Rijntakken meegenomen in de effectanalyse. Hieronder is het habitat van de broedvogelsoorten beschreven (bron: profieldocumenten). De broedbiotoop van de dodaars bestaat uit ondiepe, voedselarme tot matig voedselrijke zoete wateren met een weelderige oevervegetatie. Het zijn vaak vennen, duinplassen, wielen, oude kleiputten of kreken. De eerste verlandingsstadia zijn zeer geschikt om te nestelen. De dodaars bouwt zijn nest veelal te midden van riet- of zeggenvegetaties of op losse pollen van bijv. pitrus, in hooguit 1 m diep water. Vaak ligt het nest op 1-5 m afstand van de oever. Het leefgebied is daarbij doorgaans 2-5 ha groot, soms aanzienlijk kleiner. Voedsel zoekt de dodaars in 1-2 m diep water. Vermesting van zoete wateren resulteert vaak in een versnelling van het verlandingsproces en in een verschuiving van het visaanbod, van kleinere naar grotere vissoorten. De dodaars kan die vissen niet eten en zo kan vermesting van binnenwateren van negatieve invloed zijn op aantallen en verspreiding van deze soort. Verdroging vormt eveneens bedreiging omdat daardoor het leefgebied kleiner wordt. Mogelijk beperkt ook verstoring door scheepvaart en mensen de broedpopulatie.

De in Nederland broedende aalscholver broedt in bomen zoals wilgen, elzen en populieren en andere verticale landschapselementen zoals hoogspanningsmasten en boorplatformen in de buurt van visrijke wateren in het binnenland en langs de kust. Soms broeden aalscholvers ook in grondnesten, maar dan wel in predatorvrije omgevingen. De broedbiotoop van de roerdomp bestaat uit (half)open waterrijke landschappen met brede zones overjarig waterriet en veel overgangen van riet naar water en/of grasland. De soort nestelt plaatselijk ook in homogene vegetaties van lisdodde of mattenbies. De nestplaats is gelegen in periodiek geïnundeerd rietland of tussen permanent in het water staande riet of lisdodden van minimaal enkele jaren oud. Op de nestplek heeft ophoping van oude stengels plaatsgevonden zodat een ‘kniklaag’ is ontstaan, of er is een onderlaag van grote zeggen ofwel ‘zeggenbult’. De broedbiotoop hoeft niet groot te zijn, maar de rietkragen moeten minimaal ca. 10 m breed zijn en minimaal 20% ervan moet bestaat uit overjarig riet. Goed voor de roerdomp is een natuurlijk peilbeheer (’s winters hoog en ’s zomers laag peil), geregeld terugzetten van de vegetatiesuccessie en eventueel vergroten van de waterpeildynamiek. Vermesting resulteert in versnelde verlanding en afname van de oppervlakte en de kwaliteit van het waterriet.

Onnatuurlijk peilbeheer (’s zomers hoog en ’s winters laag) en gebrek aan natuurlijke dynamiek hebben dezelfde gevolgen. Ook hebben deze factoren een negatieve invloed op jonge verlandingsstadia, nodig voor het behoud van het leefgebied. Door verdroging en verminderde kwel vriest het water ’s winters sneller dicht dan voorheen en komt het aquatische voedsel sneller buiten bereik. Intensieve rietexploitatie kan ertoe leiden dat onvoldoende overjarig riet voor de vogels beschikbaar is. De broedbiotoop van de woudaap omvat met riet omzoomde oevers van zoetwatermeren en plassen en stille bochten van langzaam stromende rivieren. De vogel nestelt in moerassen met open water en overgangen tussen dichte riet- of lisdoddenvegetatie en verspreide opslag. Het zijn bijv. oude rivierstrangen, kleiputten, visvijvers, laagveenmoerassen en voedselrijke vennen. Het leefgebied van de woudaap wordt

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

16/38

aangetast door vermesting en gebrek aan natuurlijke peildynamiek. Vermesting versnelt de verlanding en verslechtert vermoedelijk de voedselsituatie. Gebrek aan natuurlijke peildynamiek leidt tot afname van de vitaliteit van het waterriet en achteruitgang van natuurlijke moerasverjonging. De broedbiotoop van het porseleinhoen bestaat uit open moerassige terreinen van minimaal 1-2 ha met matig voedselrijk water. De vogel zoekt een permanent (of periodiek) natte situatie van ongeveer 10 tot 35 cm diep water op met een weelderige vegetatie van biezen, zeggen, lisdodden en andere moerasplanten (hoogte 0,5-1 m). Naast moerassen zijn ook laat in het voorjaar geïnundeerde uiterwaarden (graslanden) geschikt als broedbiotoop. Het porseleinhoen maakt zijn nest in dichte vegetaties van riet, zeggen of grassen boven of nabij ondiep water. De broedbiotoop van de kwartelkoning kenmerkt zich door een meer dan 20 cm hoge gesloten kruidenrijke vegetatie. De moerasvegetatie mag niet zo dicht van structuur zijn dat het dier er niet goed meer doorheen kan lopen. In Nederland wordt de kwartelkoning vooral gevonden in extensief onderhouden kruiden- en bloemrijke hooilanden in rivier- en beekdalen. Vestigingen in natuurontwikkelingsgebieden komen voor, lijken echter gebonden aan de pioniersfase in de eerste jaren na de inrichting.

Volgens sommigen heeft de kwartelkoning een voorkeur voor in de winter overstroomde hooilanden. Dat het dier daar vaak voorkomt is echter een gevolg van de gemiddeld latere maaidatum van zulke hooilanden, het komt niet voort uit een directe voorkeur voor deze natte biotopen. De broedbiologie is in Nederland niet in detail onderzocht. Buitenlands onderzoek wijst op sterk verschillende territoriumgroottes: zijn meestal kleiner dan 30 ha maar variëren van 3 tot 51 ha. De broedbiotoop van de watersnip bestaat uit moerassig laagveen, hoogveen en natte heiden en zeer vochtige schrale graslanden op veengrond of in uiterwaarden en open beekdalen. De nestplaats is gelegen in de verlandingszone van moerasgebieden of in gemaaide rietvelden. In grasland nestelt de soort alleen in vochtige hooilanden en extensief beweide natte graslanden met een waterpeil van 0-20 cm beneden het maaiveld. De oppervlakte van de nestbiotoop hoeft niet groot te zijn. Het nest wordt gebouwd tussen graspollen van 15-20 cm hoogte, in lage ruigte of tussen veenmoswallen. De voedselbiotoop kan identiek zijn aan de nestbiotoop, maar kan ook apart liggen. De watersnip foerageert in ondiepe greppels, sloten, poeltjes, slikranden en in tot 10 cm diep water. De zwarte stern is tijdens het broedseizoen gebonden aan zoet water.

De broedbiotoop bestaat vooral uit zoetwatermoerassen, vennen, uiterwaarden, plassen en sloten, en oevers van meren en langzaam stromende rivieren. De zwarte sterns bouwen hun nesten van nature op drijvende waterplanten vroeger was dat vaak krabbenscheer. Bij afwezigheid van geschikte waterplanten gebruiken zwarte sterns in veel moerasgebieden tegenwoordig kunstvlotjes of andere drijvende materialen (o.a. vegetaties van waterlelie en gele plomp) als nestgelegenheid, die speciaal voor dit doel worden neergelegd. Plaatselijk nestelt de soort langs slootkanten in graslanden en op drooggevallen modderplaten. De broedbiotoop van de ijsvogel bestaat uit beschutte visrijke, ondiepe, heldere en doorgaans langzaam stromende wateren van minimaal 2 m breed. Het nest is een gegraven hol in steile, vaak afkalvende oevers, wanden van afgravingen of aardkluiten van omgewaaide bomen. De ijsvogel vertoont daarbij voorkeur voor een steilwand van minimaal 2 m, de grondsoort is bij voorkeur leemhoudend zand. Het nest ligt doorgaans direct aan of binnen 200 m van de waterkant. Voedsel zoekt de ijsvogel vanaf een zitplaats zoals overhangende takken, waarvan de vogel direct in helder water kan duiken. De zichtdiepte van dieper water moet minstens 1 m zijn, de minimale waterdiepte is 10 cm. Het foerageergebied kan zich uitstrekken tot op enkele kilometers van het nest.

De broedbiotoop van de oeverzwaluw bestaat uit open terreinen met zand-, leem- of kleiwanden, liefst in de omgeving van zoet water. De nesten worden gegraven in steile afgekalfde oevers van meren, rivieren en beken, maar ook in steilwanden van gronddepots, afgravingen, stuifduinen en greppels. De oeverzwaluw gebruikt ook kunstmatige wanden als nestgelegenheid. Het landschap moet open zijn zodat de aanvliegroutes niet worden onderbroken door vegetatie. Alleen steilwanden van minimaal 10 m 2 zijn geschikt voor vestiging. Als een geschikte plek verdwijnt, wordt uitgeweken naar een andere locatie liefst in de directe omgeving.

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

17/38

De broedbiotoop van de blauwborst bestaat uit verruigd rietland met wilgenopslag, moerasstruwelen of niet te dicht wilgen- en elzenbroekbos. In agrarisch cultuurland nestelt de soort in verruigde slootranden en koolzaadakkers. Belangrijk voor de blauwborst is een combinatie van kale bodem voor gebruik als voedselplek, dichte vegetatie voor zijn nestplaats en opgaande elementen zoals struiken voor zijn zang- en uitkijkpost. Het nest wordt gebouwd in de dichte vegetatie of rietruigte, op of net boven de bodem, of in een ondiepe holte langs een oever. De voedselbiotoop bestaat uit slikkige oevers, kale plekken op de bodem of lage ondergroei. De grote karekiet nestelt langs de randen van rietmoerassen en langs grote open wateren met brede waterrietzones. De rietzones moeten minimaal 3 m breed zijn en de planten moeten in minimaal 20 cm diep water staan. Het riet dient ijl en hoog te zijn en tevens vitaal en stevig. Dikke stengels zijn nodig om het zware nest te kunnen dragen. Dergelijke condities voor geschikt ‘waterriet’ zijn doorgaans gekoppeld aan de meer geëxponeerde dynamische oevers en worden gevormd door wisselende waterpeilen die verlanding en verruiging van de oever tegengaan door het regelmatig wegspoelen van de strooisellaag. Optimaal zijn gewoonlijk de randen van 3-6 jaar oude rietkragen.

Het nest wordt boven het water opgehangen in riet met een relatief open structuur. De soort foerageert in waterrietzones, maar ook veel daarbuiten, in kruidige en struikachtige vegetaties.

4.3.2

Niet-broedvogels

In het Natura 2000-gebied Rijntakken komen 26 verschillende niet-broedvogelsoorten voor, waarvan één soort (grutto) opgenomen in het ontwerp-aanwijzingsbesluit. Dit betreffen wintervogels en trekvogels. De deelgebieden Uiterwaarden IJssel en Gelderse poort zijn definitief aangewezen voor de volgende nietbroedvogelsoorten (aanwijzingsbesluit Rijntakken 2024, ontwerpbesluit Uiterwaarden IJssel en Gelderse Poort): • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

A005 – Fuut A017 – Aalscholver A037 – Kleine zwaan A038 – Wilde zwaan A041 – Kolgans A043 - Grauwe gans A045 – Brandgans A048 – Bergeend A050 – Smient A051 – Krakeend A052 – Wintertaling A053 – Wilde eend A054 – Pijlstaart A056 – Slobeend A059 – Tafeleend A061 – Kuifeend A068 – Nonnetje A125 – Meerkoet A130 – Scholekster A140 – Goudplevier A142 – Kievit A151 – Kemphaan A160 – Wulp A162 – Tureluur A702 – Toendrarietgans

Hieronder is het habitat van de niet-broedvogelsoorten beschreven (bron: profieldocumenten).

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

18/38

Viseters: fuut, aalscholver en nonnetje Buiten de broedtijd is het leefgebied van de fuut geconcentreerd op grote, onbeschutte open wateren. Ze leven ook in zoete natte gebieden en in enigszins beschutte delen van zoute of brakke kustwateren en estuaria. Overdag en ’s nachts rusten futen vaak groepsgewijs bij oevers. In de ochtend en namiddag foerageren ze, in relatief groot, open water, zowel zoet als zout. Aalscholvers leven in zoete als zoute wateren met goede vispopulaties. De aalscholver maakt gebruik van gemeenschappelijke rust- en slaapplaatsen. Meestal bevinden die locaties zich op grote afstand van potentiële verstoringsbronnen, het zijn bijv. eilandjes met bomen, in het water staande hoogspanningsmasten, onbewoonde wad- en zandplaten. De aalscholvers leggen grote afstanden af bij het op en neer vliegen tussen slaap- en rustplaats en voedselgebieden. Het nonnetje leeft op visrijke grote zoetwatermeren en op estuariene wateren, rivieren, rivieren, zand- en grindgaten. Het nonnetje foerageert vaak in sociaal verband op visrijke locaties. De soort trekt ‘s avonds vanaf de foerageerplaats naar ongestoorde en beschutte wateren om te overnachten. Duikeenden (benthivoor): tafeleend en kuifeend Buiten het broed- en ruiseizoen rusten grote groepen tafel- en kuifeend op rustige grotere, wat diepere wateren.

’s Nachts gaan deze groepen foerageren op niet te diepen plassen en andere wateren. Beide soorten foerageren op driehoeksmossel maar ook op ander voedsel. Grondeleenden (omnivoor): bergeend, pijlstaart, slobeend, krakeend, wintertaling, meerkoet en wilde eend Deze soorten foerageren in ondiep, voedselrijk en waterplantenrijk water en als de kans zich voordoet ook in ondergelopen graslanden. Ze eten kranswieren, groenwieren, plantenzaden en bodemdieren. Grasetende watervogels: kleine zwaan, wilde zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, toendrarietgans, smient, meerkoet en wilde eend Het gaat hierbij uitsluitend om de wintergasten uit het hoge noorden die van oktober tot maart in ons land doortrekken of overwinteren. Deze soorten foerageren op gras, waterplanten en op oogstresten. Het voedselbiotoop bestaat uit akkers, natte, vaak ondergelopen graslanden met een korte vegetatie, plas-dras situaties, kwelders en schorren en oevers van waterpartijen. Het gaat daarbij om het behoud van voldoende foerageergebied van goede kwaliteit (gras met hoge voedingswaarde) en behoud van voldoende rust- en slaapplaatsen met een goede kwaliteit. De rust- en slaapplaatsen zijn doorgaans grote waterplassen (zandplassen) met voldoende grasland in de nabije omgeving. De kwaliteit van de rust- en slaapplaatsen wordt met name bepaald door een voldoende omvang en het ontbreken van verstoring.

Steltlopers: scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, wulp en tureluur De Rijntakken zijn voor deze soorten aangewezen als belangrijk gebied om te foerageren, te rusten en te slapen. Deze soorten voeden zich met schelpdieren, wormen, slakjes, wadpieren, zeeduizendpoten, krabben, kevers en andere ongewervelde bodemdieren. De habitats die van belang zijn als foerageer, rust en slaapplaats, zijn met name slikkige rivieroevers, plas-drasterreinen en vochtige graslanden, maar ook op stranden, zandplaten, strandvlaktes, schorren en kwelders. Een belangrijke factor voor deze functie is rust. Verstoring is met name te verwachten van recreatieve ontwikkelingen

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

19/38

5

Instandhoudingsdoelstellingen

5.1

Doelen habitattypen

In tabel 5.1 is een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen voor het te toetsen habitattype weergegeven zoals vastgesteld voor het Natura 2000-gebied Rijntakken. De doelstellingen zijn weergegeven voor oppervlakte en kwaliteit. Slechts de onderstaande vier habitattypen worden behandeld in onderhavige rapportage, vanwege de grote afstand tussen het plangebied en de overige habitattypen (zie hoofdstuk 4). Tabel 5.1 Instandhoudingsdoelstellingen van de te toetsten habitattypen en kernopgaven.

Habitattype

Oppervlakte

Kwaliteit

H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

>

>

H3270 - Slikkige rivieroevers

>

>

H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden*

>

>

H91E0A - Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)**

=

>

* Kernopgave: In Gelderse Poort is het doel oppervlakte behoud. Gezien de dynamiek van de rivier is er geen mogelijkheid om de oppervlakte van het habitattype meren met krabbenscheer en fonteinkruiden te laten toenemen. ** Kernopgave: In Gelderse Poort is het doel oppervlakte uitbreiding. In Uiterwaarden IJssel is doel kwaliteit behoud. Er wordt in dit gebied voorrang gegeven aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor stroomdalgraslanden en glanshaver- en vossenstaarthooilanden boven uitbreiding oppervlakte van vochtige alluviale bossen. Dit mede met het oog op foerageergebied voor ganzen.

5.2

Doelen habitatrichtlijnsoorten

In tabel 5.2 is een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen voor de te toetsen habitatrichtlijnsoorten weergegeven zoals vastgesteld voor het Natura 2000-gebied Rijntakken. De doelstellingen zijn weergegeven voor populatiegrootte, omvang van het leefgebied en kwaliteit van het leefgebied. Tabel 5.2 Instandhoudingsdoelstellingen van de te toetsten habitatrichtlijnsoorten en kernopgaven

Habitatrichtlijnsoort

Populatie

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

H1095 - Zeeprik

>

>

>

H1099 - Rivierprik

>

>

>

H1102 – Elft

>

=

=

H1106 - Zalm

>

=

=

H1134 - Bittervoorn

=

=

=

H1145 - Grote modderkruiper

>

>

>

H1149 - Kleine modderkruiper

=

=

=

H1163 - Beek/Rivierdonderpad

=

=

=

H1166 - Kamsalamander*

>

>

>

H1318 - Meervleermuis

=

=

=

H1337 - Bever**

>

=

>

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

20/38

* Kernopgave: In Gelderse Poort zijn alle doelen voor kamsalamander behoud, omdat dit reeds één van de beste gebieden is voor de kamsalamander in Nederland. Behoud van de huidige oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied is voldoende de populatie te behouden. ** Kernopgave: In Gelderse Poort is het doel kwaliteit leefgebied behoud, omdat in dit gebied voor de gewenste uitbreiding van de populatie geen uitbreiding van de omvang of verbetering van de kwaliteit van het leefgebied nodig is. In Uiterwaarden IJssel is doel omvang leefgebied uitbereiding.

5.3

Doelen vogelrichtlijnsoorten

5.3.1

Broedvogels

In tabel 5.3 is een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen voor de aangewezen broedvogels weergegeven zoals vastgesteld voor het Natura 20000-gebied Rijntakken. De doelstellingen zijn weergegeven voor aantal broedparen, omvang van het leefgebied en kwaliteit van het leefgebied. Tabel 5.3 Instandhoudingsdoelstellingen van de te toetsten broedvogelsoorten en kernopgave.

Broedvogel

Aantal broedparen

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

A004 - Dodaars

45

=

=

A017 - Aalscholver

660

=

=

A021 - Roerdomp

20

>

>

A022 - Woudaap

20

>

>

A119 - Porseleinhoen

40

>

>

A122 - Kwartelkoning

160

>

>

A153 - Watersnip

17

=

=

A197 - Zwarte stern*

240

=

=

A229 - IJsvogel

25

=

=

A249 - Oeverzwaluw

680

=

=

A272 - Blauwborst

95

=

=

A298 - Grote karekiet

70

>

>

* Kernopgave: In Gelderse Poort zijn de doelen uitbereiding en verbetering.

5.3.2

Niet-broedvogels

In tabel 5.4 is een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen voor de aangewezen niet-broedvogels weergegeven zoals vastgesteld voor het Natura 20000-gebied Rijntakken. De doelstellingen zijn weergegeven voor populatie, de instandhoudingsdoelstelling, omvang van het leefgebied en kwaliteit van het leefgebied. Tabel 5.4 Instandhoudingsdoelstellingen van de te toetsten niet-broedvogelsoorten.

Niet-broedvogel

Populatie

Instandhoudingsdoelstelling

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

A005 - Fuut

570

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A017 - Aalscholver

1300

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A037 - Kleine zwaan

100

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A038 - Wilde zwaan

30

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A041 - Kolgans

180100*

Slaap- en rustplaats

=

=

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

21/38

Niet-broedvogel

Populatie

Instandhoudingsdoelstelling

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

A041 - Kolgans

35400

Foerageergebied

=

=

A043 - Grauwe gans

8300

Foerageergebied

=

=

A043 - Grauwe gans

21500*

Slaap- en rustplaats

=

=

A045 - Brandgans

920

Foerageergebied

=

=

A045 - Brandgans

5200*

Slaap- en rustplaats

=

=

A048 - Bergeend

120

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A050 - Smient

17900

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A051 - Krakeend

340

Foerageergebied

=

=

A052 - Wintertaling

1100

Foerageergebied

=

=

A053 - Wilde eend

6100

Foerageergebied

=

=

A054 - Pijlstaart

130

Foerageergebied

=

=

A056 - Slobeend

400

Foerageergebied

=

=

A059 - Tafeleend

990

Foerageergebied

=

=

A061 - Kuifeend

2300

Foerageergebied

=

=

A068 - Nonnetje

40

Foerageergebied

=

=

A125 - Meerkoet

8100

Foerageergebied

=

=

A130 - Scholekster

340

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A140 - Goudplevier

140

Foerageergebied

=

=

A142 - Kievit

8100

Foerageergebied

=

=

A151 - Kemphaan

1000*

Foerageergebied

=

=

A160 - Wulp

850

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A162 - Tureluur

65

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

A702 - Toendrarietgans

2800*

Slaap- en rustplaats

=

=

A702 - Toendrarietgans

125

Foerageergebied

=

=

* Seizoensmaximum. Het aantal voor de instandhoudingsdoelstelling betreft het gemiddelde seizoensmaximum (gemiddelde van de maximale aantallen die in een periode van meerdere jaren zijn geteld, meestal in januari) en zonder asterisk het gemiddelde seizoensgemiddelde (per jaar wordt een gemiddelde berekend over de gehele verblijfsperiode, dát wordt vervolgens gemiddeld over meerdere jaren).

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

22/38

6

Inventarisatie mogelijke effecten

6.1

Mogelijke effecten habitattypen

De mogelijke effecten op de te toetsen habitattypen zijn onder andere bepaald aan de hand van knelpunten beschreven in de PAS-gebiedsanalyse van de Rijntakken (zie tabel 6.1). Niet alle onderstaande mogelijke effecten zijn als knelpunten voor de habitattypen aangemerkt in de gebiedsanalyse van de Rijntakken. Echter kan worden aangenomen dat deze habitattypen gevoelig zijn voor effecten zoals verontreiniging aan de hand van eerdere voortoetsen waarbij gebruik is gemaakt van de toen nog werkende effectenindicator van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Doordat het plangebied niet gelegen is binnen de begrenzing van habitatrichtlijngebied van het Natura 2000-gebied Rijntakken, zijn de interne effecten beheer, successie, verruiging en versnippering op voorhand uitgesloten.

x

H3270 - Slikkige rivieroevers

x

x

x

H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

x

H91E0A - Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)

x

Vermesting*

x

Verzuring*

H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

Verontreiniging

Vernatting

Habitattype

Verdroging/verzilting

Tabel 6.1 Mogelijke effecten per habitattype van het Natura 2000-gebied Rijntakken (profielen habitattypen).

x

x

x

x

x

x x

x

* Verzuring en vermesting zijn een gevolg van een toename in stikstofdepositie en worden niet in deze voortoets behandeld. Een ecologische beoordeling bij een toename in stikstofdepositie wordt separaat aan deze toetsing uitgevoerd.

6.2

Mogelijke effecten habitat- en vogelrichtlijnsoorten

De mogelijk effecten op de aangewezen habitat- en vogelrichtlijnsoorten zijn met behulp van de Beschermde SoortenIndicator (BeSi) geïnventariseerd. Door gebruik te maken van de matrices werkzaamheden effecten en de soortgevoeligheden is de volgende tabel ontstaan (zie tabel 6.2 en 6.3). Doordat het plangebied niet gelegen is binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebieden Rijntakken zijn de interne effecten versnippering, verlies water, verlies vegetatie/struweel/boom, verandering in substraatdynamiek en veranderingen in stroomsnelheid op voorhand uitgesloten.

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

23/38

Zeeprik

x

Rivierprik

x

Elft

x

Zalm

x

Bittervoorn

x

Grote modderkruiper

x

Vermesting*

Verzuring*

Licht

Geluid

Trilling

Beweging/optische verstoring

Overstroming

Mechanische effecten

Soort

Verontreiniging

Verdroging/verzilting

Tabel 6.2 Mogelijke effecten per habitatrichtlijnsoort van het Natura 2000-gebied Rijntakken.

x

Kleine modderkruiper Beek/Rivierdonderpad

x

Kamsalamander

x

x

Meervleermuis

x

x

Bever

x

x x

x

x

x x

x x

x

x

x

x

x

x x

* Verzuring en vermesting zijn een gevolg van een toename in stikstofdepositie en worden niet in deze voortoets behandeld.

Aalscholver

Vermesting*

Verzuring*

Licht

x

Geluid

x

Beweging/optische verstoring

Dodaars

Overstroming

Verontreiniging

Soort

Verdroging/verzilting

Tabel 6.3 Mogelijke effecten per vogelrichtlijnsoort van het Natura 2000-gebied Rijntakken.

x

x

x

x

x

Roerdomp

x

x

x

x

x

x

Woudaap

x

x

x

x

x

x

Porseleinhoen

x

x

x

x

x

x

Watersnip

x

x

x

x

x

Zwarte stern

x

x

IJsvogel

x

x

Kwartelkoning

x

x

x

Oeverzwaluw

x

x

x

x

x x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

24/38

x

x

Grote karekiet

x

x

x

x

Fuut

x

x

x

x

x

Nonnetje

x

x

x

x

x

x

Tafeleend

x

x

x

x

x

x

Kuifeend

x

x

x

x

x

x

Pijlstaart

x

x

x

x

x

x

x

Slobeend

x

x

x

x

x

x

x

Krakeend

x

x

x

x

x

x

Bergeend

x

x

x

x

x

Wintertaling

x

x

x

x

x

Kleine zwaan

x

x

x

x

x

x

Wilde zwaan

x

x

x

x

x

x

Meerkoet

x

x

x

x

x

x

Wilde eend

x

x

x

x

x

Kolgans

x

x

x

x

x

x

Grauwe gans

x

x

x

x

x

x

Brandgans

x

x

x

x

x

Toendrarietgans

x

x

x

x

x

Smient

x

x

x

x

x

Scholekster

x

x

x

x

x

x

x

Goudplevier

x

x

x

x

x

x

x

Kievit

x

x

x

x

x

x

Kemphaan

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Wulp Tureluur

x

Vermesting*

Licht

x

Verzuring*

Geluid

x

Beweging/optische verstoring

Blauwborst

Overstroming

Verdroging/verzilting

Verontreiniging

Soort

x

x

x

x

x

* Verzuring en vermesting zijn een gevolg van een toename in stikstofdepositie en worden niet in deze voortoets behandeld.

De externe effecten zoals weergeven in onderstaande tabel zijn niet op voorhand uit te sluiten (zie tabel 6.4). Onderhavig rapportage beperkt zich tot een toetsing van de onderstaande externe effecten.

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

25/38

Tabel 6.4 De te toetsen storende factoren conform Beschermde SoortenIndicator (BeSi) voor soorten en knelpunten volgens de gebiedsanalyse voor habitattypen van het Natura 2000-gebied Rijntakken.

Verdroging en verzilting

Vernatting en overstroming

Verontreiniging

Mechanische effecten, beweging en optische verstoring

Trilling en geluid

Licht

Sweco | Voortoets Natura 2000 Rijntakken, Westervoort Noord Projectnummer 51026718-004 Datum 25-11-2025

Versie 1

Documentreferentie NL25-648800269-155473

26/38

7

Toetsing mogelijke effecten

In dit hoofdstuk wordt per storende factor voor de relevante habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten beschreven wat de kenmerken en gevolgen zijn en of er mogelijk negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingreep kunnen plaatsvinden op de instandhoudingsdoelen.

7.1

Verdroging en verzilting

Kenmerk: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel en/of verzilting. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg: De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=21d6ea38-5cd3-4d00-9386-36f9b874d9c9