CConstaterende datWestervoort
Koppel je AI →
Document · PDF

20231218-rv-vaststellen-bestemmingsplan-de-clossei-bijlage-16-archeologisch-pve

Raadsvergadering 18 december 2023, gemeente WestervoortBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'De Clossei Westervoort13.381 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6.5

ANORGANISCHE ARTEFACTEN

• Zie paragraaf 6.2. Zie ook de KNA-Leidraad Veldhandleiding Archeologie 2002. • Aangezien er te weinig informatie is om een gefundeerde onderbouwing van de te verwachten vondstaantallen op te stellen, zijn de te verwachten aantallen (op basis van KNA-specificatie PS07) niet in dit PvE opgenomen.

6.6

ORGANISCHE ARTEFACTEN

• Zie paragraaf 6.2. Zie ook de KNA-Leidraad Veldhandleiding Archeologie 2002. • Het geselecteerde materiaal dient stabiel geconserveerd en vrij van contaminatiebronnen bewaard te worden. • Organische artefacten worden apart verpakt en behandeld conform Carmiggelt & Schulten (2002).

6.7

ARCHEOZOÖLOGISCHE, ARCHEOBOTANISCHE EN FYSISCH ANTROPOLOGISCHE RESTEN

• Zie paragraaf 6.2. Zie ook de KNA-Leidraad Veldhandleiding Archeologie 2002; en KNA leidraad Archeozoölogie (Lauwerier 2011) • Deze resten worden verzameld zoals anorganische artefacten; zie ook de KNA-Leidraad Veldhandleiding Archeologie 2002. • Alle verzamelde (grond)monsters of door specialisten geselecteerd materiaal of opgewerkte preparaten worden bewaard voor later verdiepend onderzoek (een eventuele opgraving). • Het geselecteerde materiaal dient stabiel geconserveerd en vrij van contaminatiebronnen bewaard te worden. • Indien geen vervolgonderzoek wordt uitgevoerd, worden deze monsters/materialen en/of preparaten gedeselecteerd. • Kansrijke grondsporen (met humeuze vullingen of houtskoolrijke vullingen) worden per spoorvulling bemonsterd ten behoeve van archeobotanisch macroresten-onderzoek en dateringsmethodieken voor zover dit voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen nodig is. Indien mogelijk worden 3- litermonsters verzameld.

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

• Waterputten, beerputten, afvalkuilen, sporen met verbrande resten en haardplaatsen dienen te worden bemonsterd onder het oxydatie-reductie-niveau. • De vulling van complete of bijna complete potten dient gezeefd te worden ten behoeve van ecologisch en archeozoölogisch onderzoek. • Dierlijk botmateriaal wordt verzameld zoals aangegeven in paragraaf 6.2. (verzamelen van vondsten). • Voor menselijk bot uit graven: zie paragraaf 6.3: graven.

6.8

MENSELIJKE RESTEN

• Zie ook paragraaf 6.3: graven. • Indien menselijke resten (in grafcontext) aangetroffen worden, worden deze in het vlak gedocumenteerd (ingemeten, getekend en gefotografeerd). Deze resten worden daarna zodanig handmatig afgedekt dat zij bij opnieuw blootleggen niet beschadigd kunnen worden. In dag-, week-, evaluatie- en eindrapport worden deze gevallen beschreven met opgave van spoornummer, mate van afwerking en wijze van afdekking. • Indien het aannemelijk is dat het om (sub)recente menselijke resten gaat, wordt terstond de politie ingelicht.

6.9

DATERINGSTECHNIEKEN EN OVERIG NATUURWETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

• Zie ook de KNA-Leidraad Veldhandleiding Archeologie 2002. • Bijzondere houtresten worden bemonsterd met het oog op dendrochronologisch onderzoek. • Van de, voor de beantwoording van de onderzoeksvragen, relevante grondsporen, lagen of vullingen worden monsters genomen, gedocumenteerd (op tekening, foto en driedimensionaal ingemeten) en geregistreerd, die o.a. dienen voor 14C-onderzoek. • Van de, voor de beantwoording van de onderzoeksvragen, relevante zandlagen worden monsters genomen, gedocumenteerd (op tekening, foto en driedimensionaal ingemeten) en geregistreerd, die dienen voor OSL-dateringen. Voor de monstername moet een specialist geraadpleegd en/of ingeschakeld worden. • Fosfaatonderzoek wordt ingezet bij (mogelijke) boerderijlocaties, indien sporen met fosfaatverkleuringen aanwezig zijn. Ook worden enkele monsters genomen buiten de grenzen van het spoor. • Voor inventariserend onderzoek is in eerste instantie een kwaliteitsbepalend onderzoek van de monsters voldoende. Daadwerkelijke analyse vindt pas plaats na goedkeuring van het evaluatierapport. • Alle verzamelde (grond)monsters of door specialisten geselecteerd materiaal of opgewerkte preparaten worden bewaard voor later verdiepend onderzoek (een eventuele opgraving).

• Gezien de vaak lange doorlooptijd van projecten dient het geselecteerde materiaal stabiel geconserveerd en vrij van contaminatiebronnen bewaard te worden. Dit is met name voor monsters voor 14C-analyse cruciaal (e.g. Wohlfart e.a. 1998). Voor het bewaren van contaminatiegevoelig materiaal dient een specialist geraadpleegd te worden. • Indien geen vervolgonderzoek wordt uitgevoerd, worden deze monsters/materialen en/of preparaten gedeselecteerd (zie daartoe § 7.1 en 7.10).

6.10

BEPERKINGEN

• Vanuit AMZ-perspectief worden geen beperkingen aan het veldwerk gesteld; • Voor civieltechnische beperkingen zie paragraaf 9.4.

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

7

UITWERKING EN CONSERVERING

In algemene zin wordt gewerkt volgens KNA (protocol 4004).

7.1

EVALUATIERAPPORT

Aanvulling op KNA • Na het veldwerk en na de technische uitwerking zoals hieronder omschreven, wordt door de projectleider – zonodig na specialistisch advies- een evaluatierapport opgesteld volgens specificatie KNA, tenzij door projectleider en archeologisch adviseur van de bevoegde overheid bij overleg tijdens, of na, het veldwerk is vastgesteld dat direct met het eindrapport kan worden begonnen. •Het evaluatierapport wordt uiterlijk binnen 4 weken na het veldwerk bij de bevoegde overheid ingediend. • Na indiening, maar voor vaststelling van het evaluatierapport heeft de vergunningvrager de gelegenheid om binnen twee weken zijn visie op de mate van uitwerking en rapportage kenbaar te maken. • Het evaluatierapport wordt binnen twee weken na indiening getoetst en vastgesteld door de bevoegde overheid en fungeert daarna als aanvulling van dit programma van eisen. • In het evaluatierapport worden de bevindingen van het veldwerk samengevat. • In het evaluatierapport wordt een voorstel gedaan voor nadere analyse van sporen, monsters en vondsten (waaronder laboratoriumonderzoek). • In het evaluatierapport wordt een voorstel gedaan welke vondsten en monsters niet bewaard (gedeponeerd ) hoeven te worden (zie ook paragraaf 7.7.). • In het evaluatierapport wordt een voorstel gedaan voor de (uiteindelijke) conservering van kwetsbare objecten.

• In het evaluatierapport wordt een voorstel gedaan voor de opzet van het eindrapport, waaronder de keus van de te tekenen, te fotograferen en af te beelden objecten. • Geëvalueerd wordt in welke mate de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden en of voor de uitwerking gewijzigde of aanvullende onderzoeksvragen gesteld moeten worden. • Geëvalueerd wordt of aanvullende of gewijzigde eisen gesteld moeten worden aan de hieronder genoemde eisen van uitwerking en conservering. • Na vaststelling van het evaluatierapport door het bevoegd gezag geeft de vergunningvrager opdracht tot uitwerking, rapportage en conservering volgens het vastgestelde evaluatierapport, rekening houdende met de vastgestelde termijn voor oplevering van het concept-eindrapport.

7.2

TECHNISCHE UITWERKING – ALGEMEEN

Aanvulling op KNA • De algemene technische uitwerking omvat het digitaliseren van alle in het veld gemaakte vlak en profieltekeningen, het bewerken van digitale afbeeldingen en het digitale gegevensbeheer. • Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een ‘alle-sporenkaart’, of (bij een complexe stratigrafie) op gecombineerde vlaktekeningen, en voorzien van spoornummers en een kaderrand met X,Y coördinaten. • Indien (digitale) tekeningen van het veldwerk nodig zijn voor het op korte termijn opstellen van een programma van eisen voor verder onderzoek worden deze tezamen met het evaluatierapport overgedragen aan de bevoegde overheid als Autocad-, ESRI-shape, of Mapinfo-bestand. • Alle vondsten worden gereinigd en primair geanalyseerd (bakselniveau voor keramiek);

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

• Archeozoölogische, archeobotanische en andere paleo-ecologische resten worden gekarakteriseerd. • Kwetsbare vondsten/monsters/preparaten worden tijdelijk zo opgeslagen, dat de kwaliteit na afloop van het veldwerk/monstername niet achteruit gaat (stabiele conservering) en rekening wordt gehouden met contaminatie. • Alle foto’s, tekeningen, vondsten, monsters worden geadministreerd. Handgeschreven verslagen worden uitgetikt en digitaal gearchiveerd. Overige analoge documentatie wordt gescand en gearchiveerd. • Alle gekarakteriseerde monsters, vondsten, sporen en structuren worden geregistreerd in een digitaal gegevensbestand.

7.3

WETENSCHAPPELIJKE UITWERKING

Aanvulling op KNA en paragraaf 7.2 • Na goedkeuring van het evaluatierapport vindt de wetenschappelijke uitwerking plaats, waarbij materiaal- en andere specialisten worden ingeschakeld, eventueel laboratoriumonderzoek plaats vindt, objecten worden getekend en gefotografeerd en geconserveerd. De resultaten van het veldwerk worden geanalyseerd. Vondsten en monsters worden verder gewaardeerd en geanalyseerd en de gegevens worden verwerkt in teksten en in een database;. • De analyse van monsters wordt beperkt tot het niveau dat nodig is voor het beantwoorden van de directe vraagstelling en het geven van een waardering. • 14C- en/of dendrochronologisch onderzoek vindt alleen plaats indien alleen via dit type onderzoek antwoord op de onderzoeksvragen te verkrijgen is. • In de synthese van de onderzoeksbevindingen wordt de analyse van stratigrafie, lagen, sporen, vondsten en monsters en andere gegevens in logisch verband geplaatst, voorzien van deugdelijke argumentatie, referenties aan de wetenschappelijke literatuur en ondersteund door tabellen, foto’s en tekeningen.

7.4

STRUCTUREN, GRONDSPOREN, VONDSPREIDINGEN

Aanvulling op KNA • Grondsporen en structuren worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. • Alle grondsporen en structuren worden voor zover mogelijk geïnterpreteerd en gedateerd. Zij worden per periode per spoor- en structuurcategorie beschreven. • Typochronologische analyse en determinatie van structuren vindt plaats binnen het kader van de archeoregio. • De vondstverspreiding betreft alle vondstcategorieën samen. Van vondstverspreidingen (vondstlagen) worden de oppervlakte en de dikte geregistreerd.

7.5

ANALYSE AARDWETENSCHAPPELIJKE GEGEVENS

• Aardwetenschappelijke gegevens worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. • De profielen worden uitgewerkt door of onder supervisie van een fysisch geograaf of senior KNA archeoloog met aantoonbare ervaring in de klei- en zandgebieden van de regio Arnhem. • De verzamelde aardwetenschappelijke gegevens worden op lithologische, lithogenetische, hydrologische en archeologische kenmerken beschreven. • In de analyse dient in ieder geval de (paleo)landschappelijke context voor de aangetroffen resten beredeneerd te worden (locatiekeuzeanalyse en natuurlijke formatieprocessen); • In het kader van waardestellend onderzoek wordt genoteerd of, gelet op de lokale lithologie en hydrologie, onverbrande dierlijke en plantaardige resten te verwachten zijn.

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

• Alle boorstaten worden in het rapport opgenomen.

7.6

ANORGANISCHE ARTEFACTEN

Vondstverwerking • Uitwerking en conservering van artefacten vindt plaats volgens het vastgestelde evaluatierapport. • De vondsten worden gewassen, gesplitst naar materiaalcategorie, en geteld. De vondsten worden tijdelijk zo opgeslagen, dat de kwaliteit niet achteruit gaat. Uitwerking • Analyse en determinatie van keramiek vindt plaats op bakselniveau (technische uitwerking) en op typeniveau (wetenschappelijke uitwerking). • In ieder geval worden aantallen randen, wanden, bodems, overige vormen, aangegeven. • Analyse en determinatie van vuursteen op natuurlijk/artefact, type-aanduidingen, maten, gewichten, verbrand/ onverbrand, compleet/gebroken, wel of geen cortex/natuurlijk oppervlak en eventueel op periode. • Bij natuursteen wordt de gesteentesoort bepaald, het aantal, en op type werktuig of gebruik. • Metaal: determinatie op metaalsoort, type en eventueel op periode. • Glas: determinatie op periode, op categorie (objectglas/ruitglas) en op type. • Bouwmateriaal: determinatie op type en materiaal.

7.7

ORGANISCHE ARTEFACTEN

Vondstverwerking •Uitwerking en conservering van artefacten vindt plaats volgens het vastgestelde evaluatierapport. •De vondsten worden tijdelijk zo opgeslagen, dat de kwaliteit niet achteruit gaat en rekening wordt gehouden met contaminatie.

Uitwerking •Hout: determinatie op constructiehout/overige objecten, op type en eventueel op periode. •Bot, gewei en hoorn: determinatie op artefacttype en eventueel op periode. •Touw en textiel: indien aanwezig, alleen vermelden. •Barnsteen en git: determinatie op artefacttype..

7.8

ARCHEOZOÖLOGISCHE EN -BOTANISCHE RESTEN

• Analyse van archeozoölogische en archeobotanische resten (paleo-ecologische resten) vindt plaats volgens het vastgestelde evaluatierapport. • De vondsten worden tijdelijk zo opgeslagen, dat de kwaliteit niet achteruit (stabiele conservering) gaat en rekening wordt gehouden met contaminatie.

7.9

BEELDRAPPORTAGE

Aanvulling op KNA In het rapport worden tenminste opgenomen:

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

• Een overzichtskaart op groot formaat (schaal 1:500 of een kleinere schaal geplot op zoveel mogelijk één kaartblad) met de locaties van de proefsleuven, de gedocumenteerde profiellijnen. • Een vlaktekening op groot formaat (schaal 1:500 of een kleinere schaal) met overzicht en interpretatie van de aangetroffen sporen/structuren en/of onderzochte vakken met bijhorende spoor-, structuur- of vaknummers. • Op alle tekeningen van een horizontaal vlak worden op regelmatige plaatsen NAP-hoogten gezet. • Alle relevante of kenmerkende profielen en/of profielkolommen voorzien van spoor/laagnummers met overzicht en interpretatie van de aangetroffen lagen en/of sporen; Er wordt minimaal één doorlopend profiel per vindplaats opgenomen. • Kaarten, vlak-, profiel- en coupetekeningen worden van een legenda voorzien, verwijzend naar gehanteerde kleur of arcering of andere code (bijvoorbeeld nummers van lagen). • In profieltekeningen moeten x, y, z-waarden in RD-coordinaten en NAP worden aangegeven met het oog op de aansluiting met vlaktekeningen en aangrenzende profielen. • Met gekleurde (contour)lijnen, pijlen en tekst worden foto’s van profielen, complexe structuren e.d. verduidelijkt. • In profieltekeningen worden de niveaus van de aangelegde vlakken aangegeven. • Tekeningen en foto’s van profielen en/of profielkolommen (indien relevant).

• Foto’s van aangetroffen sporen en structuren (uitgangspunt 15 foto's). • Tekeningen en/of foto’s van belangrijke vondsten (uitgangspunt 5 objecttekeningen, 5 objectfoto’s).

7.10

SELECTIE MATERIAAL (EVALUATIE- EN SELECTIERAPPORT)

Aanvulling op KNA

• Indien deselectie van het uit het veld meegenomen materiaal wordt voorgesteld, en/of een

voorstel tot conserveren gewenst is, dient het evaluatierapport met een deselectie-advies en/of conserveringsadvies binnen 4 weken ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de eigenaar van de vondsten (depothouder) en het bevoegd gezag, en tevens toegezonden aan de vergunningvrager.

• Vondsten en monsters die in het door de bevoegde overheid vastgestelde evaluatierapport niet voor wetenschappelijke uitwerking en/of voor deponering zijn geselecteerd (uitgeselecteerd), moeten bewaard blijven tot de wetenschappelijke uitwerking afgerond is.

• Deze uitgeselecteerde vondsten worden tijdelijk zo opgeslagen, dat de kwaliteit niet achteruit (stabiele conservering) gaat en rekening wordt gehouden met contaminatie.

• Bij het ter toetsing aanbieden van het conceptrapport aan de bevoegde overheid meldt de projectleider of de wetenschappelijke uitwerking heeft geleid tot andere inzichten over de selectie.

• Finale beslissing over de selectie/deselectie van vondsten en monsters ten behoeve van bewaring ligt bij de eigenaar van de vondsten.

• De provinciale depothouder heeft ook beslissingsbevoegdheid over de te conserveren artefacten.

• Na goedkeuring door de depothouder worden de gedeselecteerde vondsten verwijderd. De vondsten waarvoor geen goedkeuring tot deselectie is verkregen, worden gedeponeerd.

7.11

CONSERVEREN MATERIAAL

Aanvulling op KNA

• De vondsten dienen in eerste instantie in de staat waarin ze gevonden zijn gestabiliseerd te worden.

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

• Gezien de vaak lange doorlooptijd van projecten is met name de stabiele conservering

(anticontaminatie) van kwetsbare monsters/vondsten voorafgaande aan daadwerkelijke laboratorium analyse cruciaal (voor 14C-analyse; zie bijv. Wohlfart e.a. 1998). Voor het bewaren van contaminatiegevoelig materiaal dient een specialist geraadpleegd te worden.

• In het evaluatierapport (conserveringsadvies) wordt aangegeven welke vondsten voor conservering en restauratie in aanmerking komen.

• Voor bewaring geselecteerde vondsten van metaal en organisch materiaal dienen te worden

geconserveerd conform de Veldhandleiding Archeologie 2002 of erkend specialistisch advies en volgens richtlijnen van het gemeentelijk depot voor bodemvondsten te Arnhem.

• Indien geconserveerde en/of gerestaureerde vondsten worden gedeponeerd, dient een conserveringsrapport bijgeleverd te worden.

8

8.1

RAPPORTAGE EN DEPONERING

EINDRAPPORTAGE

Aanvulling op de KNA

• Het eindproduct bestaat uit een eindrapportage in de huisstijl van uitvoerder in digitale vorm

(in pdf-format) en een CD of DVD of datastick waarop alle documentatie (tekeningen, foto’s, verslagen, analyses, dag- en weekrapporten, scans, tabellen, databases van sporen, vondsten, monsters, foto- en tekeningenlijsten, etc.) is opgeslagen. Een ‘allesporenkaart’ alsmede een structuur en/of periodekaart op schaal 1:500 maken hier ook deel van uit.

• Het concept-eindrapport wordt uiterlijk 6 weken na goedkeuring van het evaluatierapport in

enkelvoud (analoog en/of digitaal) ter toetsing aangeboden aan de bevoegde overheid. Door de bevoegde overheid gevraagde correcties dienen binnen 2 weken tot een nieuw concept te leiden. Na goedkeuring wordt het definitieve rapport binnen 2 weken aangeleverd.

• Rapporten worden in digitale vorm (in pdf) geleverd aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en aan de gemeente Rheden.

• Het rapport dient zo min mogelijk herhalingen te bevatten. • De tekst dient op alle essentiële punten door afbeeldingen en tabellen ondersteund te worden (zie paragraaf 7.9).

• De structuur van het rapport sluit aan op de structuur van de vraagstelling (paragraaf 5.3 van dit PvE).

• Het rapport bevat in ieder geval de volgende hoofdstukken: - Samenvatting; - Inleiding (aanleiding, beleidsmatig en planologisch kader, locatiebeschrijving, bekende verstoring/ huidig gebruik, bestaande waarde/verwachting, onderzoeksdoel, uitvoeringsperiode, personeel, enz.).

- Bekende gegevens van archeologische, aardwetenschappelijke, historische en andere aard m.b.t. locatie en omgeving.

- Vraagstelling (paragraaf 5.3) en verwachtingen (algemeen en specifiek). - Strategie, methoden en technieken in veld en bij uitwerken (met motivatie en met opgave van aanpassingen van programma van eisen)

- Beargumenteerde beantwoording van de onderzoeksvragen uit hoofdstuk 5 aan de hand van een beschrijving en analyse van:

- Profielen, bodemopbouw en fysiek-landschappelijke context.

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

- Sporen en structuren. - (An)organische artefacten per materiaalcategorie. - Paleo-ecologisch materiaal per categorie. - Relatie met de Kennisagenda’s. - Waardebepaling (indien van toepassing). - Behoudsperspectief (indien van toepassing). - Conclusie, evaluatie en aanbevelingen. - Bijlagen.

• De conclusie zet de onderzoeksbevindingen af tegenover de aanleiding, doel- en vraagstelling, evalueert de gebruikte strategie en methoden, geeft aan in welke mate de onderzoeksvragen beantwoord zijn en vat de essentie van de antwoorden op de onderzoeksvragen samen. De vragen worden om herhalingen te voorkomen niet meer individueel beantwoord. Wel kan in weergave van de vragenlijst (tevens te gebruiken als checklist) verwezen worden naar de pagina’s waar op de diverse vragen wordt ingegaan. In de conclusie worden tevens de AMZaspecten behandeld (waardebepaling, aanbevelingen).

• De samenvatting vat het geheel van het rapport samen: inleiding, voorgeschiedenis, plaats, tijdpad, betrokkenen, belangrijkste gegevens uit deelrapporten, synthese, conclusie. De samenvatting moet voor een breed publiek begrijpelijk zijn, in het bijzonder t.a.v. de AMZaspecten.

9

9.1

RANDVOORWAARDEN

RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN Personele randvoorwaarden

Waar in de onderstaande tekst sprake is van ‘hij’ of ‘zijn’, dient dat als ‘hij / zij’ dan wel ‘zijn / haar’ gelezen te worden.

• De uitvoerder van het onderzoek dient te beschikken over een opgravingsvergunning, zoals bedoeld in de Monumentenwet 1988.

• De opgraving wordt uitgevoerd door een qua aantal, opleiding en ervaring adequaat bemenst

en competent team. Ervaring en opleiding dient te blijken uit de curricula vitae van daadwerkelijk in te zetten veldmedewerkers. Een competentieprofiel (een beknopte beschrijving van werkervaring in de vorm van een lijst met daarop relevante eerdere projecten, de uitvoeringsperiode en de functie/rol van betreffende persoon binnen dit project) dient hiervan onderdeel te zijn.

• Projectleider is een in de betreffende periode gespecialiseerd senior-KNA-archeoloog met

ervaring in de regio Arnhem. Bij afwezigheid van de projectleider berust de leiding in het veld bij (tenminste) een KNA-archeoloog met aantoonbaar ruime ervaring in de regio Arnhem.

• De projectleider controleert in het veld de interpretatie van de vlakken en de profielen en is aanwezig bij belangrijke beslismomenten.

• De interpretatie van de profielen en de analyse en beschrijving van de bodemopbouw wordt

gedaan door of onder verantwoordelijkheid van een fysisch geograaf of senior KNA archeoloog met aantoonbare ervaring in de regio Arnhem.

• De analyse en beschrijving van complex muurwerk wordt gedaan door of onder verantwoordelijkheid van een bouwhistoricus met relevante ervaring.

• Vondsten worden gedetermineerd door materiaalspecialisten met aantoonbare kennis van de betreffende materiaalcategorieën, zodat deze indien nodig tot op typeniveau onderscheiden

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

kunnen worden. Bij het aantreffen van vondsten uit WOII dienen eventueel specialisten op het gebied van dergelijk materiaal te worden ingeschakeld.

• Werkzaamheden van junior-medewerkers en stagiaires moeten aan hun kennis en ervaring worden aangepast en vinden plaats onder begeleiding en verantwoordelijkheid van de projectleider of zijn vervanger.

• De inzet van lokaal aanwezige amateurarcheologen voor additionele werkzaamheden is vanuit het standpunt van draagvlakvergroting gewenst, maar is om redenen van veiligheid en kwaliteitsbewaking uitsluitend toegestaan na instemming van, en onder aansturing en verantwoordelijkheid van, de projectleider of zijn vervanger tijdens standaardwerkuren en alleen in aanwezigheid van de projectleider of zijn vervanger.

• Overige aanvullende eisen (zoals bijvoorbeeld maar niet uitsluitend: VCA-certficering, ARBO, het verplicht bijwonen van een Veiligheidsbijeenkomst) zijn geen onderdeel van dit programma van eisen.

Dit programma van eisen is uitsluitend bedoeld om eisen te stellen waaraan de vergunningvrager van overheidswege dient te voldoen. Genoemde aanvullende eisen zijn eisen die de vergunningvrager aan de uitvoerder stelt. Dat zijn in feite aspecten die thuishoren in de offerteuitvraag van de vergunningvrager.

9.2

KWALITEITSBORGING, TOEZICHT EN HANDHAVING

• Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de vigerende versie van de KNA en onderhavig PvE.

• De Erfgoedinspectie is gerechtigd de uitvoering van het onderzoek te toetsen aan de KNA en de eisen behorende bij de opgravingsvergunning van de uitvoerder.

• Toezicht op de uitvoering conform PvE wordt gehouden door de bevoegde overheid. • Alle hieronder genoemde partijen (vergunningvrager, uitvoerder, bevoegde overheid) dragen

vanuit hun rol bij aan het uitvoeren van dit onderzoek volgens dit PvE en aan het handhaven van de vereiste kwaliteit. Bij het op deze punten aantoonbaar in gebreke blijven van vergunningvrager en /of uitvoerder is de bevoegde overheid gerechtigd om te gelasten dat de werkzaamheden worden gestaakt en/of worden verbeterd.

Vergunningvrager (opdrachtgever)

• De vergunningvrager draagt er zorg voor dat het onderzoek wordt uitgevoerd conform dit

programma van eisen door opdracht voor uitvoering te verstrekken aan een gekwalificeerd bedrijf met voldoende ervaring in deze regio.

• In geval het geval dat de vergunningvrager niet zelf als opdrachtgever optreedt en/of

werkzaamheden aan een directievoerder heeft gedelegeerd, wordt de verdeling van taken en verantwoordelijkheden met opgave van namen en adresgegevens in het voorblad van dit PvE opgegeven of in een bijlage bijgevoegd.

• De vergunningvrager of zijn gedelegeerde draagt er zorg voor dat uitvoerder voldoende tijd en middelen tot zijn beschikking heeft voor uitvoering volgens dit programma van eisen, het plan van aanpak, de KNA en volgens standaarden van goed vakmanschap en beroepsethiek. In de beschikbare tijdsruimte wordt rekening gehouden met een uitloop als gevolg van onvoorziene omstandigheden.

• De vergunningvrager of zijn gedelegeerde draagt er zorg voor dat het uitvoerend bedrijf werkt volgens een plan van aanpak, waarin dit programma van eisen in technische en logistieke zin is uitgewerkt, voorzien van een uitvoeringsplanning. In het plan van aanpak regelen opdrachtgever en projectleider een goed verloop van de werkzaamheden volgens dit programma van eisen, waarbij zij zorg dragen voor goede onderlinge communicatie.

• De vergunningvrager of zijn gedelegeerde verstrekt opdracht tot uitwerking, eindrapportage en conservering volgens het vastgestelde evaluatierapport, rekening houdende met de gestelde termijn voor inlevering van het conceptrapport.

Uitvoerder/projectleider

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

• De uitvoerder is verantwoordelijk voor het handhaven van de vereiste kwaliteit en is

operationeel verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek volgens dit programma van eisen en het daarvan afgeleide plan van aanpak. De projectleider is aanspreekpunt voor opdrachtgever en bevoegde overheid en communiceert met de gemeentelijke archeoloog over kwaliteitsaspecten.

• De contactpersoon van de bevoegde overheid (beleidsmedewerker archeologie), gemeentelijk

archeoloog en de depotbeheerder en de AWN worden door uitvoerder uiterlijk één week van te voren van de aanvang van het veldwerk op de hoogte gesteld.

• De contactpersoon van de bevoegde overheid (beleidsmedewerker archeologie) en de AWN

worden door uitvoerder uiterlijk drie werkdagen van te voren van het geplande einde van het veldwerk op de hoogte gesteld.

• Bij het aantreffen van sporen, structuren of vondsten van een bijzondere aard, omvang of complexiteit wordt de gemeentelijk archeoloog z.s.m. door uitvoerder ingelicht.

• De projectleider doet in een dergelijk geval en in het geval van wijzigingen t.o.v. het

programma van eisen een voorstel over een handelingswijze aan de gemeentelijk archeoloog.

• Aanbevelingen en waardeoordelen van de projectleider dienen onafhankelijk ten opzichte van alle partijen te zijn en zijn niet onderhevig aan goedkeuring van de vergunningvrager (opdrachtgever) en/of de bevoegde overheid. Zie ook paragraaf 8.3.

Bevoegde overheid

• Namens de bevoegde overheid houdt de gemeentelijk archeoloog toezicht op de kwaliteit van de werkzaamheden. Hij adviseert over de noodzaak en inhoud van te nemen beslissingen in geval van wijzigingen t.o.v. dit vastgestelde programma van eisen.

• De bevoegde overheid beslist gemotiveerd over wijzingen t.o.v. dit programma van eisen (zie hoofdstuk 10).

• De bevoegde overheid stelt tijdens en na voltooiing van het onderzoek vast of volgens dit programma van eisen gewerkt is en bepaalt in welke mate werkzaamheden aangevuld of gecorrigeerd moeten worden.

• Beleidsaanbevelingen in het eindrapport zijn niet aan correctie onderhevig. • De bevoegde overheid stelt het eindrapport vast en geeft hiervan een verklaring af aan de vergunningvrager.

9.3

OVERLEGMOMENTEN

• Dit programma van eisen is een document van de bevoegde overheid, en gaat niet over de relatie en communicatie tussen opdrachtnemer en uitvoerder. Overlegmomenten tussen initiatiefnemer (vergunningvrager) en uitvoerder worden derhalve niet vastgelegd in dit programma van eisen.

• De initiatiefnemer (vergunningvrager) dient in geval van significante afwijkingen van de

bevindingen in het veld ten opzichte van de uitgangspunten in dit programma van eisen direct contact op te nemen met de gemeentelijk-archeoloog.

• De bevoegde overheid neemt een gemotiveerd besluit over de te nemen vervolgstappen. • De initiatiefnemer stelt de uitvoerder schriftelijk op de hoogte van de beslissing van de bevoegde overheid.

• Als dit een uitbreiding van het onderzoek betekent, besteedt de vergunningvrager dit onderzoeksonderdeel aan.

• Na afloop van het veldwerk is overleg tussen alle betrokken partijen over het evaluatierapport (zie paragraaf 7.1.) Hierbij wordt afgesproken of en wanneer overleg tijdens uitwerking en rapportage plaats vindt.

• Tijdens overleg gemaakte afspraken worden schriftelijk vastgelegd en ter kennis gebracht aan alle betrokken partijen.

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

9.4

EXTERNE COMMUNICATIE

• Indien de onderzoeksresultaten daartoe aanleiding geven wordt in goed overleg tussen

vergunningvrager, uitvoerder en bevoegde overheid, en na kennisname van het standpunt van deze drie partijen, bepaald welke publieksgerichte activiteiten er plaats vinden en welke inspanningen partijen hierbij op zich nemen.

• Indien pers zich meldt tijdens het veldwerk, dient de uitvoerende partij met vergunningvrager

en de gemeentelijk archeoloog te overleggen hoe en door wie de pers te woord wordt gestaan.

• Contact met pers over archeologisch onderzoek geschied in alle gevallen in overleg met uitvoerder, vergunningvrager en de gemeentearcheoloog.

9.5

OVERIGE RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN

• Door de vergunningvrager gestelde civieltechnische randvoorwaarden (paragraaf 9.1) worden opgenomen in het plan van aanpak, maar dienen binnen de kaders van dit PvE te vallen.

• De vergunningvrager is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het terrein, evenals voor de plaatsing van eventueel noodzakelijke afzettingen, vergunningen, betredingstoestemming etc.

• De veiligheidsvoorschriften (veiligheidsplan) dienen te worden opgenomen in een draaiboek. • Dit PvE dient tijdens het veldwerk op de werklocatie aanwezig te zijn.

10 WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE

10.1

WIJZIGINGEN TIJDENS HET VELDWERK

• Indien sprake is van belangrijke wijzigingen (zie definitie in paragraaf 10.2) ten opzichte van dit programma van eisen, of omstandigheden die een andere strategie of werkwijze noodzakelijk of wenselijk maken, dient de uitvoerder dit terstond, en te allen tijde te melden bij de vergunningvrager en de gemeentearcheoloog. • Beslissingen over belangrijke selecties, wijzigingen van, en aanvullingen op, dit programma van eisen tijdens het veldwerk worden genomen door de bevoegde overheid nadat de vergunningvrager of zijn gedelegeerde in de gelegenheid is geweest zijn standpunt hierover aan de overheid ter kennis te brengen. De werkzaamheden worden zo nodig opgeschort totdat de bevoegde overheid besloten heeft; • De vergunningvrager stelt de uitvoerder schriftelijk op de hoogte van de beslissing van de bevoegde overheid. • Kleine wijzigingen worden na overleg tussen de projectleider en de archeologisch adviseur van de bevoegde overheid doorgevoerd. • In urgente gevallen neemt de projectleider een eigen beslissing volgens eisen van goed vakmanschap en beroepsethiek, indien mogelijk na consultatie van de regioarcheoloog. Deze beslissing wordt nadien ter goedkeuring en bekrachtiging aan de bevoegde overheid voorgelegd en meegedeeld aan de vergunningvrager.

• Wijzigingen van en aanvullingen op dit programma van eisen worden altijd schriftelijk vastgelegd, evenals afspraken voortvloeiend uit evaluatievergaderingen en andere bijeenkomsten. • In het evaluatie- en het eindrapport wordt verantwoord hoe en waarom van het programma van eisen moest worden afgeweken.

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

10.2

BELANGRIJKE WIJZIGINGEN

• Onder belangrijke wijzigingen worden verstaan: - Onvoorziene omstandigheden die een grote impact hebben op het veldonderzoek (zoals

opkomend grondwater, ernstige bodemverontreiniging, de noodzaak voor bronbemaling).

- Voorstellen van de projectleider en/of zijn opdrachtgever tot het reduceren of staken van het onderzoek.

- Voorstellen van de projectleider en/of zijn opdrachtgever tot een doorstart van een proefsleuvenonderzoek naar een opgraving.

- Noodzaak tot ingrijpend wijzigen van strategie of onderzoeksmethode. - Noodzaak tot ingrijpend wijzigen van de vraag- of doelstelling. - Noodzaak tot het bepalen van een handelwijze in een situatie, waarin dit programma van

eisen niet voorziet; zoals na het aantreffen van sporen, structuren of vondsten van bijzondere aard, omvang of complexiteit.

- Ingrijpende selecties; - Noodzaak tot ingrijpend wijzigen van de opzet van uitwerking en rapportage. • Bij wijzigingen die leiden tot het uitbreiden van het onderzoek, anders dan omschreven in de

strategie, wordt alvorens de bevoegde overheid een beslissing neemt, de opdrachtgever/ vergunningvrager in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken en desgewenst zijn vergunningsaanvraag te wijzigen, of planaanpassingen of technische behoudsmaatregelen te realiseren.

• Verder gaan vanuit een initiële dekkingsgraad bij proefsleuvenonderzoek naar de in strategie voorgeschreven uiteindelijke dekkingsgraad, geldt niet als een wijziging. Het afzien van de voorgeschreven uiteindelijke dekkingsgraad is dat wel.

10.3

PROCEDURE VAN WIJZIGING NA DE EVALUATIEFASE VAN HET VELDWERK

• Beslissingen over belangrijke selecties, wijzigingen van en aanvullingen op dit programma van eisen worden genomen door de bevoegde overheid op advies van de archeologisch adviseur op aanbeveling van de projectleider en na kennisname van het standpunt van de vergunningvrager.

• Het verloop en de resultaten van de veldwerkzaamheden worden geëvalueerd in een

evaluatierapport of in een nader te bepalen evaluatiedocument. Indien een evaluatierapport wordt vervaardigd, geldt paragraaf 7.1.

• Indien tijdens of na het veldwerk blijkt dat geen apart evaluatierapport nodig is en dat direct met het eindrapport kan worden begonnen, wordt dit in overleg tussen projectleider en archeologisch adviseur vastgesteld en schriftelijk vastgelegd.

10.4

PROCEDURE VAN WIJZIGING TIJDENS UITWERKING EN CONSERVERING

Wijziging van de opdracht tijdens de uitwerking is zelden of nooit aan de orde. Iedere vorm van meerwerk en/of wijziging behoeft dan ook specifieke, voorafgaande goedkeuring van de opdrachtgever en het bevoegd gezag.

LITERATUUR

ARCHIS III, archeologische database voor Nederland.

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

BRL4000 Archeologie versie 4.1, 2018. www.sikb.nl Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft. Wijnen, J.J 2022. Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase De Clossei te Westervoort, gemeente Westervoort, Gelderland. Laagland Archeologie Rapport 971

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

BIJLAGE 1: OVERZICHT TE RAADPLEGEN SPECIALISTEN

Vondstcategorie

Raadplegen bij PvA

Raadplegen bij veldwerk”

Raadplegen bij uitwerking

Aardewerk

nee

nee

ja

Bouwmateriaal

nee

nee

ja

Metaal (ferro)

nee

nee

ja

Metaal (non-ferro)

nee

nee

ja

Slakmateriaal

nee

nee

ja

Vuursteen

nee

nee

ja

Overig natuursteen

nee

nee

ja

Glas

nee

nee

ja

Menselijk botmateriaal onverbrand

nee

nee

ja

Menselijk botmateriaal verbrand

nee

nee

ja

Dierlijk botmateriaal onverbrand

nee

nee

ja

Dierlijk botmateriaal verbrand

nee

nee

ja

Visresten

nee

nee

ja

Schelpen

nee

nee

ja

Hout

nee

nee

ja

Houtskool(monsters)

nee

nee

ja

Textiel

nee

nee

ja

Leer

nee

nee

ja

Submoderne materialen

nee

nee

nee

Algemeen biologisch monster (ABM)

nee

nee

ja

Algemeen zeefmonster (AZM)

nee

nee

ja

Pollen, diatomeeën en andere microfossielen

nee

nee

ja

Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek

nee

nee

ja

Monsters voor micromorfologisch onderzoek

nee

nee

ja

Monsters voor luminescentiedatering (OSL)

nee

nee

ja

Monsters voor koolstofdatering (14C)

nee

nee

ja

DNA

nee

nee

ja

Dendrochronologisch monster

nee

nee

ja

Monstername

PvE IVO-P De Clossei, gemeente Westervoort (GD)

BIJLAGE 2: PUTTENKAART (INDICATIEF)

Indicatief puttenplan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westervoort&id=0a941ef7-f31d-4e57-862d-15a595588d46